Maak een selectie

727 van 727

   

De raadsonderzoeker heeft in het raadsrapport de bestaande zorgen voldoende onderbouwd. Hoewel de formulering van één vraag ongelukkig is, weegt dit in de context van het gehele raadsrapport niet zo zwaar dat de raadsonderzoeker is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw I. de Jongh-Stols, lid-beroepsgenoot,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming [regio], locatie: [plaats], hierna te noemen: de RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De gemachtigde van klaagster, de heer mr. M. Erkens advocaat in Den Haag, staat klaagster in deze zaak bij.

Beklaagde is in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, advocaat in Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 7 april 2018, met de bijlagen;

– het verweerschrift ontvangen op 27 mei 2018, met de bijlagen;

– de door klaagster tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 10 september 2018 in aanwezigheid klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest een collega en een jurist van de RvdK.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een minderjarige zoon, geboren in 2014, hierna te noemen: de zoon. Klaagster oefent het ouderlijk gezag uit over de zoon.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, de vader van de zoon, hierna te noemen: vader, zijn sinds 2014 uit elkaar. De zoon woont bij klaagster en grootouders van moederszijde. Sinds medio 2015 is geen contact tussen vader en de zoon.

2.3

Vader heeft op 13 januari 2016 een verzoekschrift ingediend waarin hij verzoekt om een opbouwende omgangsregeling tussen de zoon en hem. Op 25 januari 2017 heeft de kinderrechter bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], de RvdK verzocht om een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen klager en de zoon.

2.4

Beklaagde is werkzaam als raadsonderzoeker bij de RvdK en zij heeft het raadsonderzoek uitgevoerd. Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.5

Beklaagde heeft op 9 mei 2017 besloten het raadsonderzoek uit te breiden naar een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel. De eindrapportage heeft 28 augustus 2017 als datum en is op 31 augustus 2017 verstuurd. De RvdK heeft de rechtbank geadviseerd om de zoon onder toezicht te stellen en het aan de aan te stellen gezinsvoogd over te laten hoe aan de omgangsregeling tussen vader en de zoon vorm en inhoud moet worden gegeven.

2.6

De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 oktober 2017 van de rechtbank [arrondissement] de zoon voor de duur van zes maanden, tot 4 april 2018, onder toezicht gesteld.
Het gerechtshof [arrondissement] heeft bij beschikking van 10 april 2018 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft, kort samengevat, betrekking op de wijze waarop het raadsonderzoek is uitgevoerd en de inhoud van het raadsrapport.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij het raadsonderzoek in het kader van advies over de omgang heeft uitgebreid naar een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel op basis van twee gesprekken. Zij heeft hierdoor een bepaald beeld en een bepaalde mening gekregen en heeft deze uitbreiding niet zelf mogen uitvoeren omdat de uitkomst hiervan al is komen vast te staan.

3.2.2

Beklaagde betwist dat de uitkomst van het beschermingsonderzoek al vaststond. In het beschermingsonderzoek is door de RvdK geconstateerd dat de zoon ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Beklaagde verwijst naar het door klaagster overgelegde raadsrapport.

3.2.3

Het College overweegt het volgende.

Het College kan zich voorstellen dat klaagster is geschrokken van de uitbreiding van het onderzoek. Uit de gesprekken die beklaagde heeft gevoerd met klaagster, vader en informanten zijn echter zorgen ontstaan over de gezondheid van de zoon, zijn sociale ontwikkeling, de opvoedingssituatie en de veiligheid (zorgen over vader).

Beklaagde heeft deze zorgen in het multidisciplinair overleg besproken waarna is besloten om het onderzoek uit te breiden. In het dossier en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zijn geen aanknopingspunten te vinden waaruit blijkt dat beklaagde een bepaald beeld en een bepaalde mening heeft gekregen waardoor de uitkomst van het beschermingsonderzoek al op voorhand vaststond.

Het behoort tot de vaste werkwijze van de RvdK dat een raadsonderzoeker die het onderzoek naar gezag en omgang uitvoert, ook het beschermingsonderzoek uitvoert.

Beklaagde heeft verklaard dat zij de uitbreiding met klaagster heeft besproken en dat zij op dat moment geen signalen heeft ontvangen, waaruit zij kon opmaken dat het niet wenselijk was dat zij het onderzoek zou uitvoeren. Als er signalen zouden zijn geweest, was het mogelijk geweest dat een andere onderzoeker het raadsonderzoek zou uitvoeren.

Klaagster heeft naar haar zeggen meegewerkt aan het raadsonderzoek maar was het niet eens met de uitbreiding ervan. Haar advocaat heeft haar geadviseerd om zich te richten op de procedure bij de rechtbank.
Dat klaagster het advies van haar advocaat heeft opgevolgd is begrijpelijk maar beklaagde kan, nu klaagster haar onvrede niet kenbaar heeft gemaakt en beklaagde geen andere signalen heeft ontvangen, geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde onvoldoende aan waarheidsvinding heeft gedaan ten aanzien van de gezondheid van de zoon. Rapporten van deskundigen zijn niet bijgevoegd en beklaagde heeft eigen, suggestieve conclusies getrokken.

3.3.2

Beklaagde voert aan dat zij binnen de kaders en mogelijkheden zorgvuldig onderzoek heeft gedaan waarbij zij ook met informanten heeft gesproken. Beklaagde heeft kennisgenomen van de medische rapportages die aan de RvdK zijn overgelegd en de informatie die door klaagster, vader en informanten is gegeven. Klaagster heeft aan de kinderarts geen toestemming gegeven om informatie met beklaagde te delen.

3.3.3

Het College overweegt het volgende.
In artikel 3.3. Jeugdwet staat beschreven dat de RvdK verplicht is in rapportages de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
Dit houdt in dat de RvdK zich moet richten op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectiveerbaar zijn. De besluitvorming in de rapportage dient te zijn onderbouwd waarbij feiten, visies van betrokkenen en interpretaties van de RvdK duidelijk zijn gescheiden. In hoofdstuk 3 onder V van het kwaliteitskader van de RvdK 2016 staat dit laatste eveneens beschreven.

Beklaagde heeft feiten, gebeurtenissen en omstandigheden verzameld door te spreken met informanten. Zo heeft zij gesproken met de huisarts, de medisch maatschappelijk werker van het ziekenhuis en de kinderarts en zij heeft de zakelijke inhoud daarvan in het raadsrapport omschreven. Ook heeft beklaagde in het rapport de bronnen aangehaald daar waar dit noodzakelijk is geweest.
Verder heeft beklaagde de visie van klaagster over de gezondheid van de zoon uitgebreid beschreven op pagina 7 en 8 van het raadsrapport.

Het College kan niet vaststellen dat beklaagde heeft geweigerd om kennis te nemen van medische rapportages nu partijen elkaar tegenspreken. Klaagster heeft verwezen naar medische verslagen, welke echter niet in deze procedure zijn overgelegd.
Het College maakt uit pagina 12 van het raadsrapport op dat de kinderarts van het [ziekenhuis] desgevraagd heeft laten weten dat het medisch dossier niet voorziet in extra informatie dan de informatie die beklaagde van de medisch maatschappelijk werker heeft ontvangen. Ook is het College gebleken dat klaagster aan beklaagde geen toestemming heeft gegeven om de behandelend kinderarts als informant te benaderen.

Het College is van oordeel dat beklaagde in het raadsrapport voldoende heeft onderbouwd waarom de RvdK het zorgelijk vindt dat klaagster allerlei klachten waarneemt die niet bevestigd of niet gezien worden door medici en andere professionals. Zij heeft bijvoorbeeld op pagina 13 van het raadsrapport beschreven dat klaagster verschillende diagnoses heeft benoemd (slaapapneu, disregulatie van het autonoom systeem, ademhalingsziekte, spierziekte) die niet binnen het medische circuit zijn gesteld of bevestigd. Daarnaast is de zoon in verschillende ziekenhuizen onderzocht en is tot op heden geen diagnose gesteld. Beklaagde heeft in het raadsrapport verwerkt dat bij de zoon in het verleden apneus zijn waargenomen en dat in de ziekenhuizen in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] korte adempauzes zijn gezien die binnen normale grenzen vallen. Het [ziekenhuis] verwacht dat de zoon hier overheen zal groeien en heeft geen neurologische klachten kunnen constateren.

Dat klaagster en de huisarts een andere visie hebben dan het [ziekenhuis] is door beklaagde in het raadsrapport beschreven.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Volgens klaagster beschuldigt beklaagde haar zonder enige aanleiding, dekking of diagnose van een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Zij heeft het klaagster gezegd in twee gesprekken maar heeft het niet opgeschreven.

3.4.2

Beklaagde betwist dat zij in gesprekken met klaagster heeft benoemd of gesuggereerd dat klaagster lijdt aan het Münchausen bij proxy/PCF syndroom. Zij is zich er goed van bewust dat zij niet bevoegd is om een dergelijke diagnose te stellen of te suggereren.

3.4.3

Het College oordeelt als volgt.
Klaagster heeft in deze procedure een verklaring van een ondersteuner van Slachtofferhulp Nederland overgelegd. De verklaring is naar het oordeel van het College een zakelijke samenvatting van hetgeen is besproken volgens de ondersteuner van klaagster. Het College kan niet vaststellen wat door beklaagde gezegd zou zijn tijdens het gesprek met klaagster nu de lezing van partijen daarover uiteen loopt. De aanwezigheid van de verklaring doet hier niet aan af.

Volgens klaagster is de suggestie naar voren gekomen als beklaagde de vraag opschrijft: ‘gaat het werkelijk niet goed met [de zoon] zijn gezondheid en is alleen het stellen van een diagnose tot nu toe niet gelukt, of komt [klaagsters] beleving van de problematiek niet overeen met de daadwerkelijke/waarneembare problematiek’.

Het College kan zich voorstellen dat klaagster deze vraag als suggestief heeft aangemerkt. Hoewel de formulering van de vraag ongelukkig is, weegt dit in de context van het gehele raadsrapport en onder verwijzing naar de beoordeling bij klachtonderdeel II, niet zo zwaar dat beklaagde is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening dat haar hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Beklaagde heeft naar de mening van klaagster een tegenstrijdig rapport opgesteld. Enerzijds mag klaagster de zoon niet ten onrechte blootstellen aan onderzoeken en anderzijds moet klaagster 24 uur per dag onderzoek toestaan. Er is een onduidelijke belangenafweging en beklaagde heeft ten onrechte gesuggereerd dat klaagster op eigen initiatief ‘shopt’.

3.5.2

Beklaagde is, anders dan klaagster, niet van mening dat het raadsrapport intern tegenstrijdig is.

3.5.3

Het College verwijst naar de beoordeling van klachtonderdeel II waarin is besproken dat artsen niet hebben kunnen vaststellen wat er aan de hand is met de zoon. Nu er geen diagnose is, heeft het ziekenhuis aangeboden om de zoon langer op te nemen zodat hij kan worden geobserveerd en zijn gezondheid in kaart kan worden gebracht. Beklaagde heeft in het raadsrapport toegelicht dat klaagster verschillende artsen heeft bezocht in bijvoorbeeld [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2]. Verder heeft de huisarts beklaagde geïnformeerd over zijn doorverwijzing naar een ziekenhuis in [plaatsnaam 3] en heeft klaagster niet weersproken dat zij op 3 juli 2017 beklaagde heeft verteld dat de zoon verder onderzocht moet worden en dat dit in [plaatsnaam 4] of [plaatsnaam 5] zal gebeuren. Het College is van oordeel dat beklaagde in het raadsrapport zowel de visie van klaagster als het aanbod van het [ziekenhuis] heeft weergegeven. Nu verschillende artsen zijn bezocht en er geen algemeen beeld van de gezondheid van de zoon is ontstaan, kan het advies van beklaagde om de zoon langer op te nemen niet leiden tot de conclusie dat het raadsrapport tegenstrijdig is.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij een vrijblijvend advies van het ziekenhuis om de zoon naar een medisch kinderdagverblijf, hierna te noemen: MKD, of een peuterspeelzaal heeft verdraaid naar een verplichte indicatie die in strijd is met de belangen van de zoon. Beklaagde heeft zich hierbij teveel laten leiden door haar eigen persoonlijke ervaring en voorkeur.

3.6.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat het ziekenhuis klaagster heeft aangeraden om de zoon twee dagdelen naar het MKD te laten gaan. Net als het ziekenhuis heeft de RvdK niet gesteld dat klaagster hiertoe verplicht is. Beklaagde betwist dat zij zich hierbij zou hebben laten leiden door haar persoonlijke mening.

3.6.3

Het College overweegt het volgende.
Hoewel het beter was geweest als beklaagde de zin ‘voorts acht de Raad, het net als het [ziekenhuis], van belang, dat [de zoon] naar een MKD of peuterspeelzaal gaat’ (pagina 15 van het raadsrapport) anders had geformuleerd door bijvoorbeeld het woord ´adviseert´ te gebruiken, kan uit het rapport niet worden geconcludeerd dat een MKD of een peuterspeelzaal door beklaagde is verplicht. In het raadsrapport staat op pagina 8 vermeld dat klaagster heeft verteld dat het ziekenhuis heeft geadviseerd de zoon naar een MKD te laten gaan. Ook op pagina 11 beschrijft beklaagde dat een MKD door het behandelteam van het ziekenhuis is aangeraden.

Tot slot heeft het College in het dossier en tijdens de mondelinge behandeling geen aanknopingspunten kunnen vinden waaruit blijkt dat beklaagde zich teveel heeft laten leiden door persoonlijke ervaring en voorkeur.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Volgens klaagster heeft beklaagde gesteld dat de zoon gebrek aan contact heeft. Dit is onjuist en daarbij komt dat het contact vaak te vermoeiend voor hem is. Beklaagde heeft contact van de zoon met leeftijdsgenootjes verplicht gesteld.

3.7.2

Beklaagde voert aan dat uit het raadsonderzoek het beeld naar voren is gekomen dat de zoon weinig contact heeft met leeftijdsgenootjes en dat de RvdK het in zijn algemeenheid van belang acht dat kinderen contact kunnen hebben met leeftijdsgenootjes.

3.7.3

Het College overweegt dat beklaagde gemotiveerd heeft toegelicht waarom de RvdK zich zorgen maakt over de sociaal emotionele ontwikkeling van de zoon.
Hieruit concludeert het College niet dat het contact van de zoon met leeftijdsgenootjes door beklaagde verplicht is gesteld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Naar de mening van klaagster heeft beklaagde in strijd met de feiten geconcludeerd dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang tussen vader en zoon.

3.8.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat in het raadsonderzoek geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen op basis waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat het belang van de zoon zich verzet tegen contact met vader. Beklaagde verwijst naar het onder 2.5 genoemde advies.

3.8.3

Het College overweegt dat beklaagde onderzoek heeft gedaan naar mogelijkheden voor de omgang tussen vader en de zoon. Zij heeft in het raadsonderzoek gemeld dat Veilig Thuis betrokken is geweest en dat het contact is gestopt omdat de politie is ingeschakeld. Het College heeft kennis genomen van de verklaringen die klaagster in deze procedure heeft overgelegd. De verklaringen hebben betrekking op gedragingen van vader.
Beklaagde heeft tijdens het raadsonderzoek met de politie gesproken, zie pagina 10 van het raadsrapport, en de politie heeft laten weten dat er geen feiten en omstandigheden zijn die wijzen op stalking of bedreiging door vader. Een uittreksel uit het justitieel documentatie systeem heeft niet geleid tot een andere conclusie. Beklaagde heeft uit het contact met de huisarts van vader opgemaakt dat vader depressieve klachten heeft gehad, hiervoor onder behandeling is geweest van een psycholoog en dat hij medicijnen afbouwt.
Het College heeft uit het voorgaande geen contra-indicaties kunnen vaststellen zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde de informatie van klaagster heeft besproken met vader en heeft opgeschreven in het rapport. Beklaagde heeft de vertrouwelijkheid geschaad omdat klaagster heeft gezegd dat de informatie niet gedeeld mocht worden met vader.

3.9.2

Beklaagde is van mening dat klaagster na het toezenden van het gespreksverslag aan beklaagde heeft laten weten dat zij geen toestemming geeft om bepaalde informatie over wat zij over vader heeft gezegd, op te nemen in het raadsrapport. Na overleg met een jurist van de RvdK heeft beklaagde geconcludeerd dat de informatie zo in het raadsrapport kan blijven staan omdat de zorgen van klaagster over het gedrag van vader al met hem was besproken en transparantie en hoor- en wederhoor van groot belang is.

3.9.3

Het College overweegt dat beklaagde klaagster heeft geïnformeerd over de opzet van het raadsonderzoek. Zij heeft klaagster eveneens brochures overhandigd met informatie over het raadsonderzoek.
Bij de beoordeling van klachtonderdeel I is aan de orde gekomen dat onder andere door de gesprekken met klaagster, het raadsonderzoek is uitgebreid naar een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel. De informatie die klaagster heeft gegeven over vader kan mogelijk een contra indicatie voor de omgang zijn. Deze informatie moet door beklaagde worden onderzocht en met vader worden gedeeld.
Beklaagde heeft met klaagster besproken dat de informatie met vader is gedeeld omdat zij transparant wil zijn en vader in het licht van hoor en wederhoor in de gelegenheid moet worden gesteld om hierop te reageren. Zij heeft in het raadsrapport beschreven dat de toestemming van klaagster ontbreekt. Het College is van oordeel dat beklaagde op grond van het bovenstaande geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 22 oktober 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                                                           mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                                                    secretaris