Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft het Plan van Aanpak te laat vastgesteld. Ook heeft zij ten aanzien van het Plan van Aanpak toezeggingen gedaan die zij niet is nagekomen. Het College gaat ervan uit dat de jeugdbeschermer lering heeft getrokken uit deze casus en dat het om eenmalige misslagen gaat en ziet daarom af van het opleggen van een maatregel.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De gemachtigde van klager, [gemachtigde] van Zorgbelang [provincienaam], staat klager in deze zaak bij.

Mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam, is gemachtigde van beklaagde en staat haar in deze zaak bij.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 29 maart 2018;

– het verweerschrift ontvangen op 5 juni 2018, met de bijlagen en de aanvulling van 5 juni 2018;

– de door beklaagde tijdens de mondelinge behandeling overgelegde notitie.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 10 september 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van een minderjarige dochter, geboren in 2013, hierna te noemen: de dochter.
Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn uit elkaar sinds november 2013. Klager en moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de dochter. Er is geen omgangsregeling vastgesteld.

2.2

De dochter woont bij moeder. De omgang van klager en de dochter heeft onder begeleiding plaatsgevonden. Sinds 7 juni 2016 is de omgang tussen klager en de dochter door de GI stopgezet. De omgang kan worden hervat als er zicht komt op de persoonlijkheid van klager, dit door middel van een door klager uit te voeren persoonlijkheidsonderzoek.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie: [zittingsplaats], is de dochter op 28 april 2015 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is sindsdien verlengd tot 28 oktober 2017.

2.4

Bij beschikking van 24 augustus 2016 van de rechtbank [arrondissement], locatie [zittingsplaats], is een verzoek van klager tot de vaststelling van een omgangsregeling tussen klager en de dochter afgewezen. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen ‘tevens is door toedoen van [klager] geen zicht gekomen op de (ernst van de) problematiek van [klager] en de behandeling daarvan. Dit aspect is, bij de afweging welke omgang in het belang van de dochter moet worden geacht, echter wel van belang. […..] Het is aan de gezinsvoogd om in het kader van de ondertoezichtstelling van de dochter de omgang verder vorm te geven.

2.5

Klager heeft op 20 mei 2016 een bemiddelingsgesprek gevoerd met de GI. Op 10 augustus 2016 heeft klager een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI. Op 23 september 2016 is de klacht mondeling behandeld. De klachtencommissie heeft bij beslissing van 11 oktober 2016 de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Beklaagde is bij het bemiddelingsgesprek en de mondelinge behandeling bij de klachtencommissie aanwezig geweest in haar toenmalige functie van werkbegeleider.
In augustus 2017 heeft klager met beklaagde bij de Ombudsman een bemiddelingsgesprek gevoerd.

2.6

Beklaagde is werkzaam bij de GI. Zij is tot [datum] 2017 werkzaam geweest in de functie van werkbegeleider. In deze functie heeft zij medewerkers gecoacht en heeft zij zich bezig gehouden met casuïstiek. Op [datum] 2017 werd haar functie opgeheven. Beklaagde is per die datum aangesteld als jeugdbeschermer bij de GI. Zij heeft deze zaak van een collega overgenomen en is sinds 6 maart 2017 als jeugdbeschermer betrokken bij het gezin van klager.
Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.7

Bij beschikking van 25 april 2017 van de rechtbank [arrondissement], locatie [zittingsplaats], is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een half jaar. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat ‘het aan de GI is om binnen dat half jaar concrete stappen te zetten ter verbetering van de situatie van [de dochter] en het ligt op de weg van [klager] om in deze periode daadwerkelijk de samenwerking met de gezinsvoogd aan te gaan en mee te werken aan de door de GI noodzakelijk geachte persoonlijkheidsonderzoek’.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager is van mening dat beklaagde zich onvoldoende inzet om het contact tussen klager en de dochter tot stand te brengen. De GI heeft aangedrongen op een persoonlijkheidsonderzoek maar voor klager is niet duidelijk geweest welk onderzoek van hem werd verlangd.
Dat beklaagde het Plan van Aanpak te laat heeft opgesteld, ziet klager als een gebrek aan inspanning van beklaagde.
Beklaagde heeft klager niet op de hoogte gesteld van haar inspanningen, zij heeft klager niet of nauwelijks begeleid en heeft tijdens de ondertoezichtstelling geen gesprekken met hem gevoerd.

3.2.2

Beklaagde heeft meerdere malen schriftelijk en mondeling met klager gecommuniceerd over het persoonlijkheidsonderzoek en was onaangenaam verrast toen het moeilijk bleek om een persoonlijkheidsonderzoek bij klager af te nemen. Beklaagde heeft zowel schriftelijk als mondeling aan klager uitgelegd wat er van hem verwacht werd.

3.2.3

Het College oordeelt als volgt.

Uit het dossier is in de eerste plaats naar voren gekomen dat het contact tussen klager en de dochter sinds juni 2016 is stilgelegd wegens gedragingen van de dochter na eerdere omgangsmomenten met klager. Zowel de GI als de rechtbank hebben het toen noodzakelijk geacht dat klager een persoonlijkheidsonderzoek laat uitvoeren zodat de GI zicht krijgt in de eventuele problematiek en vaardigheden van klager en welke mogelijkheden er zijn voor contact tussen klager en de dochter.
Het College verwijst naar de onder 2.4 en 2.7 genoemde beschikkingen waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat door toedoen van klager het persoonlijkheidsonderzoek niet is verricht.

Nadat de ondertoezichtstelling op 25 april 2017 door de rechtbank is verlengd (zie 2.7) heeft beklaagde in een brief van 19 mei 2017 aan klager de met hem gemaakte afspraak bevestigd dat het persoonlijkheidsonderzoek prioriteit heeft in verband met de beperkte duur van de verlenging van de ondertoezichtstelling (zes maanden) en de afweging voor de verlenging hiervan.

Beklaagde heeft in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling benoemd welke acties zij heeft ondernomen om het persoonlijkheidsonderzoek bij klager te laten afnemen. Zij heeft contact opgenomen met meerdere onderzoeksbureaus maar zij wilden alleen onderzoek doen met een voortgezette behandeling terwijl klager dat niet wenste omdat hij onder behandeling is van een (andere) psycholoog. Ook wilde klager met bepaalde instellingen niet samenwerken en was slechts een beperkt budget van de GI beschikbaar.

Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College naar voren gebracht dat hij na de verlenging van de ondertoezichtstelling op 25 april 2017 heeft meegewerkt aan het tot stand komen van het persoonlijkheidsonderzoek. Hij heeft contact opgenomen met verschillende instanties en heeft van hen te horen gekregen dat het onderzoek niet werd vergoed.

Uit het voorgaande blijkt dat zowel beklaagde als klager zich na de onder 2.7 genoemde verlenging van de ondertoezichtstelling voldoende hebben ingespannen om het persoonlijkheidsonderzoek van de grond te krijgen. Dat het uiteindelijk niet is gelukt, heeft meerdere oorzaken. Hiervan valt beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Beklaagde heeft contactjournaals overgelegd waarin staat vermeld dat zij in de maanden maart, mei, juni en augustus 2017 met klager heeft gesproken over het persoonlijkheidsonderzoek en wat van hem verwacht werd. Ook tijdens de zittingen bij de rechtbank (zie 2.4 en 2.7) is het persoonlijkheidsonderzoek besproken. Het College is van oordeel dat beklaagde zich voldoende heeft ingezet om met klager samen te werken en met hem te communiceren.

Tot slot wijst het College erop dat het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op het Plan van Aanpak zal worden besproken bij de beoordeling van klachtonderdeel II.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Volgens klager heeft beklaagde het Plan van Aanpak pas na bijna vier maanden (na de laatste verlenging van de ondertoezichtstelling op 25 april 2017) opgesteld. Daarnaast is het niet concreet en bevat het geen tijdsplanning. Klager heeft slechts een week de tijd gehad om hierop een reactie te geven.

3.3.2

Beklaagde erkent dat het Plan van Aanpak te laat is opgesteld. Zij heeft aan klager meerdere malen hiervoor haar excuses aangeboden.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt. In artikel 4.1.3 Jeugdwet is bepaald dat het Plan van Aanpak wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken nadat is komen vast te staan dat afgezien wordt van het opstellen van een Familiegroepsplan. De verlenging van de ondertoezichtstelling is uitgesproken op 25 april 2017 terwijl het Plan van Aanpak dateert van augustus 2017. Deze periode van vier maanden is naar het oordeel van het College te lang. De doelstelling wordt hiermee niet bereikt. Een Plan van Aanpak biedt immers aan betrokkenen handvatten en structuur met betrekking tot de hulpverlening, ook voor beklaagde zelf.

Beklaagde heeft erkend dat het Plan van Aanpak te laat is opgesteld. Zij heeft hiervoor haar excuses aangeboden en zij heeft de situatie beschreven waarin zij heeft gewerkt. Zo had zij te maken met een GI die in zwaar weer verkeerde, en heeft zij uitgelegd wat dit voor haar en haar werkzaamheden betekende. Ook heeft zij naar voren gebracht dat het persoonlijkheidsonderzoek de eerste prioriteit had. Daarnaast heeft de voorgangster van beklaagde een Plan van Aanpak opgesteld dat niet was achterhaald. Voorts wijst beklaagde erop dat zij de werkwijze hanteert dat zij geen Plan van Aanpak opstelt zonder kennis te maken met de betrokken ouders. Het eerste contact met hen kwam echter niet tot stand. Naar de mening van beklaagde is de brief van 19 mei 2017 zo uitgebreid dat deze als een Plan van Aanpak gezien kan worden.

Hoewel het begrijpelijk is dat beklaagde prioriteit heeft gegeven aan de totstandkoming van het persoonlijkheidsonderzoek en het College begrip heeft voor de situatie waarin beklaagde heeft moeten werken, diende zij niet het op te stellen Plan van Aanpak uit het oog te verliezen of uit te stellen. Dat haar voorgangster een Plan van Aanpak heeft opgesteld, dat beklaagde eerst kennis wilde maken met klager en moeder en dat beklaagde een brief heeft geschreven op 19 mei 2017, doet hier naar het oordeel van het College niet aan af. Artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (overeenstemming/instemming over de hulp -en dienstverlening) is geschonden en beklaagde valt een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Dit gedeelte van klachtonderdeel II is gegrond.

Nu klager niet heeft onderbouwd op welke punten het Plan van Aanpak niet concreet is en geen tijdsplanning bevat en klager beklaagde heeft kunnen vragen om een langere reactietermijn, is dit gedeelte van klachtonderdeel II ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Volgens klager houdt beklaagde zich niet aan afspraken. Klager verwijst naar de door beklaagde gedane toezegging tijdens de mondelinge behandeling bij de klachtencommissie. Beklaagde heeft toen gezegd dat zij een overzicht naar klager zou sturen met wat er van klager werd verwacht. Ook heeft beklaagde in het gesprek van 19 mei 2017 beloofd dat zij het Plan van Aanpak zo spoedig mogelijk zou opstellen. Het is echter in augustus 2017 verstuurd.

3.4.2

Beklaagde verwijst naar het gevoerde verweer tegen klachtonderdelen I en II.

3.4.3

Het College oordeelt als volgt.
Beklaagde heeft tijdens de onder 2.5 genoemde mondelinge behandeling bij de Klachtencommissie vanuit haar functie van werkbegeleider aangeboden om voor klager een document op te stellen waarin staat vermeld wat precies van klager wordt verwacht. Naar haar zeggen heeft zij daarna met de toenmalige jeugdbeschermer de afspraak gemaakt dat laatstgenoemde dit zou uitvoeren. Nu beklaagde op dat moment niet als jeugdbeschermer bij het gezin van klager was betrokken, kan zij niet tuchtrechtelijk aangesproken worden op mogelijke acties als vervolg op deze toezegging.

Klager is ten aanzien van dit gedeelte van klachtonderdeel III niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de afspraken over het Plan van Aanpak overweegt het College het volgende.
In de onder 2.7 genoemde beschikking heeft de kinderrechter onder andere overwogen dat ´Gelet op de toelichting ter zitting van de onlangs aangestelde gezinsvoogd, [beklaagde], die heeft aangegeven dat het voor deze ouders, en met name voor [klager] noodzakelijk is om een duidelijk plan van aanpak te maken met concrete plannen en stappen, met daarbij een concrete tijdsplanning, en de ter zitting gebleken welwillende houding van de vader ten opzichte van deze uitvoering van de ondertoezichtstelling, acht de kinderrechter het geboden dat middels verlenging van de ondertoezichtstelling (alsnog) bewerkstelligd kan worden dat alle betrokkenen in de komende periode alles op alles zetten om de ontwikkelingsbedreiging van [de dochter] af te wenden.
Het College is van oordeel dat hiermee vaststaat dat beklaagde de noodzaak van een Plan van Aanpak voor klager tijdens de zitting van de kinderrechter heeft benadrukt. Ook heeft beklaagde in haar brief van 19 mei 2017 geschreven dat het Plan van Aanpak zo spoedig mogelijk wordt opgesteld.

Hoewel het te laat opstellen van het Plan van Aanpak geen gevolgen heeft gehad voor de omgang tussen klager en de dochter, mag van beklaagde als jeugdprofessional worden verwacht dat zij gedane toezeggingen nakomt en dat zij communiceert met klager op het moment dat zij merkt dat zij haar toezeggingen niet waar kan maken. Het College is van oordeel dat het begrijpelijk is dat door het handelen van beklaagde bij klager verwachtingen zijn ontstaan. Door het niet nakomen van de afspraken heeft beklaagde het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevorderd en is artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Dit gedeelte van klachtonderdeel III is gegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager is van mening dat beklaagde zijn privacy heeft geschonden door in een gesprek met klager en moeder op te merken dat zij het vervelend vindt dat een bemiddelingsgesprek met klager en beklaagde bij de ombudsman is gepland en dat deze procedure haar te veel tijd kost.

3.5.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij de procedure bij de ombudsman als voorbeeld heeft genoemd van de wijze waarop zij haar tijd als jeugdbeschermer besteedt. Zij heeft dit in het kader van verwachtingsmanagement en transparantie gedaan en heeft niet genoemd waar deze procedure inhoudelijk over ging. Zij heeft klager hiervoor overigens excuses aangeboden.

3.5.3

Het College overweegt dat de door klager gevoerde klachtenprocedure bij de Ombudsman losstaat van een gezamenlijk gesprek met klager en moeder in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling van de dochter. In een situatie waarin ouders uit elkaar zijn en niet of nauwelijks met elkaar communiceren, kan het niet zo zijn dat moeder op de hoogte wordt gebracht van een door klager gevoerde klachtenprocedure bij de Ombudsman. Hoewel beklaagde heeft toegelicht dat de keuze om deze procedure te benoemen, een bewust afgewogen keuze is geweest, zij transparant wilde zijn en zij enkel ‘dat’ informatie heeft gegeven en niet is ingegaan op de inhoud, betekent dit naar het oordeel van het College niet dat deze keuze van beklaagde een juiste is geweest.

Het College is van oordeel dat het beter zou zijn geweest als beklaagde algemene informatie had gegeven, zoals bijvoorbeeld de mededeling dat zij naast de gezamenlijke gesprekken met klager en moeder ook aparte gesprekken voert met klager. Alles overziend en mede gelet op het feit dat beklaagde heeft benoemd dat zij hiervoor haar excuses aan klager heeft aangeboden is de gewraakte mededeling niet zo zwaar dat beklaagde hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Naar de mening van klager heeft beklaagde zijn klachten niet serieus genomen. Zij ziet het bemiddelingsgesprek bij de Ombudsman als tijdsverspilling. Impliciet verwijt zij klager dat zij de ondertoezichtstelling niet kan begeleiden omdat het gesprek zoveel tijd in beslag neemt.

3.6.2

Beklaagde betwist dat zij de klachten van klager niet serieus heeft genomen en dat zij de klachten heeft aangeduid als tijdsverspilling.

3.6.3

Nu klager en beklaagde elkaar tegenspreken, kan het College niet vaststellen wat beklaagde precies heeft gezegd. Beklaagde heeft toegelicht dat zij transparant wilde zijn over de wijze waarop zij haar tijd als jeugdbeschermer besteedt. Mogelijk heeft klager een opmerking van beklaagde op een andere manier uitgelegd. Wat hier ook van zij, uit het dossier en de mondelinge behandeling heeft het College geen aanknopingspunten kunnen vinden die leiden tot de conclusie dat beklaagde de klachten van klager niet serieus heeft genomen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 Conclusie

3.7.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat klachtonderdelen II en III deels gegrond zijn. Het is beklaagde tuchtrechtelijk te verwijten dat het een te lange tijd heeft geduurd voordat het Plan van Aanpak is vastgesteld waardoor artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden. En beklaagde heeft ten aanzien van het Plan van Aanpak toezeggingen gedaan die zij niet is nagekomen. Zij heeft gehandeld in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Het College heeft overwogen om beklaagde een maatregel van waarschuwing op te leggen, maar ziet redenen om daarvan af te zien. Zo neemt het College in ogenschouw de tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid uitgelegde werkomstandigheden waaronder beklaagde heeft moeten werken, welke ook worden ondersteund door de ter zake overgelegde werkgeversverklaring. Vast is komen te staan dat beklaagde haar oude functie heeft afgerond terwijl zij al in haar nieuwe functie werkzaam was. Door personeelsverloop en uitval van collega´s heeft zij zonder ´warme´ overdracht negen lopende zaken gekregen waarin achterstanden waren. Beklaagde heeft haar verantwoordelijkheid willen nemen en heeft aan klager in het verweerschrift haar excuses aangeboden. Het College gaat ervan uit dat beklaagde lering heeft getrokken uit deze casus en dat het om eenmalige misslagen gaat.

Gelet op deze omstandigheden ziet het College af van het opleggen van een maatregel van waarschuwing.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, IV en V ongegrond;

– verklaart klachtonderdeel II deels gegrond en deels ongegrond;

– verklaart klachtonderdeel III deels gegrond en verklaart klager deels niet-ontvankelijk in zijn klacht;

– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 22 oktober 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                                                      mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                                               secretaris