Maak een selectie

727 van 727

   

Voogd heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld onder andere met betrekking tot het uitbreiden van onbegeleide contactmomenten. Voogd heeft geen blijk van reflectie laten zien en onvoldoende zelfinzicht getoond.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. M.M. Brink, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw – Glas, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellant 1] en [appellant 2], klagers in eerste aanleg, hierna te noemen: appellanten, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerder] beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerder, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellanten bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met bijlagen, ontvangen op 23 oktober 2017;
– het door verweerder bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 10 januari 2018, en de aanvullingen hierop van 15 en 19 februari 2018;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.125T van 2 mei 2018;
– het door appellanten ingediende beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 26 juni 2018;
– het door verweerder ingediende verweerschrift ontvangen op 5 september 2018.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I en II ongegrond en de klachtonderdelen III en IV gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellanten op 26 juni 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2018 in aanwezigheid van appellanten, verweerder en de hiervoor genoemde gemachtigde. Van de zijde van appellanten zijn tijdens de mondelinge behandeling van het beroep twee vertrouwenspersonen van Zorgbelang [locatie] als toehoorder aanwezig geweest.

1.5

Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 19 november 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellanten zijn tante (vaderszijde) en oom (aangetrouwd) van twee minderjarige kinderen waarvan het oudste kind is geboren in 2001 en het jongste kind in 2004, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 december 2006 de kinderen onder toezicht gesteld. Bij dezelfde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend, aanvankelijk in een voorziening voor crisisopvang en vanaf 8 maart 2007 in een accommodatie van een zorgaanbieder. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn nadien verlengd.

2.3

Appellanten hebben de kinderen, in delen van de vakantie en/of weekenden, opgevangen voorafgaand en tijdens de duur van de ondertoezichtstelling.

2.4

Verweerder is sinds [datum] 2014 als jeugdzorgwerker bij SKJ geregistreerd en sinds de ondertoezichtstelling van de kinderen belast met de uitvoering hiervan.

2.5

De kinderen zijn op 30 januari 2013 geplaatst in een gezinshuis van [instelling] in [plaatsnaam]. Het oudste kind verblijft tot op heden in dit gezinshuis. Het jongste kind is op 26 juli 2014 bij appellanten, als zijnde netwerkpleegouders, geplaatst, waar hij tot op heden verblijft.

2.6

De rechtbank heeft bij beschikking van 22 december 2014 de ouders van de kinderen ontheven van het gezag over de kinderen en [de instelling], met als uitvoeringsorgaan de GI, benoemd tot voogdes over de kinderen. Verweerder is door de GI aangesteld als voogd over de kinderen.

2.7

Tussen de kinderen zijn in 2015 vijf contactmomenten van twee uur geweest, in 2016 twee contactmomenten van twee uur en in 2017 geen contactmomenten.

2.8

Appellanten hebben op 30 oktober 2015 een klacht tegen beklaagde ingediend bij de leidinggevende van verweerder, waarna op 4 november 2015 een klachtgesprek heeft plaatsgevonden. Per brief van 12 november 2015 laat de leidinggevende het volgende aan appellanten weten. Er wordt besloten – naar aanleiding van de klacht – voor het jongste kind een andere voogd toe te wijzen, in de regio waar hij woont. Verweerder zal voogd blijven over het jongste kind tot aan het moment waarop een nieuwe voogd beschikbaar is. Voorts is voor het oudste kind geen andere voogd toegewezen, omdat de leidinggevende een wisseling van de voogd niet in het belang van het oudste kind acht. Verweerder is tot op heden voogd over het oudste kind.

2.9

Op 4 november 2017 hebben appellanten een klacht tegen verweerder en zijn leidinggevende ingediend bij de klachtencommissie van de GI. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat de klacht, die inhoudelijk anders is dan de klachten voorgelegd aan de tuchtcolleges van SKJ, door de klachtencommissie van de GI ongegrond zijn verklaard.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 2 mei 2018 van de klachtonderdelen I en II, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4

Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “Het consequent kiezen voor de belangen van de vader, niet voor de kinderen.”

3.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt als volgt. Uit de stukken die zijn overlegd kan het College [van Toezicht] niet voldoende vaststellen dat [verweerder] consequent gekozen zou hebben voor de belangen van de vader en niet voor de belangen van de kinderen. Het College [van Toezicht] kan begrijpen dat de mededeling van [verweerder] in zijn e-mailbericht aan de vader van 29 december 2014 (met [appellanten] in de cc van dit e-mailbericht), dat hij altijd in samenspraak met de betrokkenen zal handelen, voor [appellanten] na de uitspraak van 22 december 2014, zonder nadere toelichting van [verweerder] onnavolgbaar over kan komen. Het College [van Toezicht] verwijst – betreffende het informeren van [appellanten] over de gevolgen van de voogdijmaatregel – naar hetgeen overwogen wordt onder klachtonderdeel IV van deze beslissing. De voornoemde mededeling heeft echter niet tot gevolg dat het College [van Toezicht] kan concluderen dat [verweerder] de belangen van de vader heeft geprevaleerd boven die van de kinderen. Volgens artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker dient een jeugdzorgwerker immers – ook in het geval van ontheffing uit de ouderlijke macht – binnen de wettelijke kaders te zoeken naar mogelijkheden om de ouderrol vorm te geven. Door aldus te communiceren richting de vader, is [verweerder] naar het oordeel van het College [van Toezicht] binnen de grenzen van zijn beroepsuitoefening gebleven. Ook voor het overige kan het College [van Toezicht] niet concluderen dat [verweerder] de belangen van de vader boven die van de kinderen geplaatst zou hebben. Voor wat betreft de belangen van de kinderen aangaande het sterk verminderde contact tussen hen, verwijst het College [van Toezicht] naar hetgeen overwogen wordt onder klachtonderdeel III.” Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.2.3

Appellanten richten hun grief allereerst tegen de door het College van Toezicht opgenomen passage “Door aldus te communiceren richting vader, is [verweerder] naar het oordeel van het College [van Toezicht] binnen de grenzen van zijn beroepsuitoefening gebleven.”
Zij stellen zich op het standpunt dat door de toevoeging van het woord ‘aldus’ het College van Toezicht impliceert dat, naast de communicatie, ook de inhoud van de e-mail binnen de grenzen van de beroepsuitoefening valt. De door appellanten in de bijlage geaccentueerde passage bevat echter, naast de legitieme toezegging dat de voogd altijd zal handelen in samenspraak met de vader, ook de stelling dat de uitspraak “niet betekent dat jij niets meer te zeggen hebt”. Dit is tegenstrijdig met hetgeen in de wet is vastgelegd en kan daarom per definitie niet binnen de beroepsuitoefening vallen. Het is met name deze misleiding over de zeggenschap van vader die bijgedragen heeft aan de vele, daaropvolgende conflicten. Appellanten zijn van mening dat er sprake is van schending van artikel F van de Beroepscode doordat er onjuiste informatie is verstrekt.

Appellanten stellen daarnaast dat verweerder bij het sturen van voornoemde e-mail de protocollen die door de GI worden gehanteerd bij de overgang van een ondertoezichtstelling naar voogdij, niet heeft gevolgd. Verweerder heeft hiermee artikel P (aanvaarding organisatie als beleidskader) van de Beroepscode geschonden.
Voorts zijn appellanten van mening dat het onjuist is dat het College van Toezicht het oordeel heeft gebaseerd op één verzonden e-mail, terwijl het oorspronkelijke klachtonderdeel betrekking heeft op een periode van december 2014 tot heden. Deze generieke en niet gemotiveerde afwijzing van de aangeleverde stukken wordt door appellanten onzorgvuldig geacht.

Tot slot richt de grief zich tegen de verwijzing door het College van Toezicht naar klachtonderdeel III. Hierin spreekt het College van Toezicht de afkeur uit over het feit dat het contact tussen de kinderen “sterk verminderd” is. Dit deel van de klacht wordt door het College van Toezicht gegrond verklaard. Het wordt door appellanten onjuist geacht dat dit gegeven los wordt gezien van de context van klachtonderdeel I. De keuze van verweerder om het contact tussen de kinderen te verbreken en de verblijfperioden van het oudste kind bij de vader verder te vergroten, is naar de mening van appellanten een van de duidelijkste bewijzen dat verweerder de belangen van de vader laat prevaleren boven die van de kinderen.

3.2.4

Verweerder betwist dat het College van Toezicht de conclusie dat hij de belangen van vader heeft laten prevaleren boven die van de kinderen, enkel heeft gebaseerd op de e-mail van 29 december 2014. Hiertoe verwijst verweerder naar de volgende passage uit de bestreden beslissing:
“Uit de stukken die zijn overlegd kan het College niet voldoende vaststellen dat beklaagde consequent gekozen zou hebben voor de belangen van de vader en niet voor de belangen van de kinderen.” Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de belangen van de kinderen heeft laten prevaleren boven die van vader of andere betrokkenen, zoals appellanten. De e-mail van 29 december 2014 moet gezien worden als morele ondersteuning aan vader na een ingrijpende beslissing. Verweerder heeft hier niet geheimzinnig over gedaan en daarom de e-mail ook cc naar appellanten gestuurd.

Verweerder meent dan ook dat het College van Toezicht terecht heeft geoordeeld dat deze e-mail moet worden bezien in het licht van artikel E van de Beroepscode dat voorschrijft dat ook in het geval van een ontheffing van het ouderlijk gezag binnen de wettelijke kaders gezocht moet worden naar de mogelijkheden om de ouderrol vorm te geven. Verweerder betwist tot slot dat hij het contact tussen de kinderen heeft verbroken en de verblijfperioden van het oudste kind bij de vader heeft vergroot. Dit is een te simpele voorstelling van zaken en doet bovendien geen recht aan de rol en verantwoordelijkheid van verweerder als voogd van het oudste kind. De beslissingen rondom het oudste kind worden door verweerder in samenspraak met het kernteam en gedragswetenschapper genomen en niet door hem alleen. Bovendien is het niet het belang van vader dat bepalend is voor beslissingen, maar het belang van het oudste kind zelf.

3.2.5

Het College van Beroep merkt allereerst op dat het zich alleen inhoudelijk kan uitlaten over het klachtonderdeel zoals deze door appellanten tijdens de procedure bij het College van Toezicht is geformuleerd. Het College van Beroep dient zich aldus te beperken tot de beantwoording van de vraag of verweerder consequent heeft gekozen voor de belangen van vader en niet voor de belangen van de kinderen. Het College van Beroep beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.
Anders dan appellanten ziet het College van Beroep niet in hoe hetgeen in de e-mail van 29 december 2014 is verwoord door verweerder, strijdig is met het wettelijk kader en/of protocollen en derhalve per definitie niet binnen een redelijk bekwame beroepsuitoefening kan vallen. Zoals het College van Toezicht terecht heeft opgemerkt dient volgens artikel E van de Beroepscode een jeugdzorgwerker immers, ook in het geval (een van) de ouders ontheven is/zijn uit de ouderlijke macht, binnen de wettelijke kaders te zoeken naar mogelijkheden om de ouderrol vorm te geven.
Er is derhalve naar het oordeel van het College van Beroep dan ook geen sprake van het verstrekken van onjuiste informatie en dus ook geen schending van artikel F van de Beroepscode. Uit de overige door appellanten overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van het College van Beroep inderdaad dat verweerder (veel) oog heeft gehad voor de belangen van vader en in die zin begrijpt het College van Beroep ook wel waar de klacht van appellanten vandaan komt, maar daarmee kan nog niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van het consequent de belangen van vader laten prevaleren boven die van de kinderen. Voor zover de grief zich richt tegen de samenhang met klachtonderdeel III, voert het naar het oordeel van het College van Beroep te ver om te oordelen dat, nu het College van Toezicht heeft vastgesteld dat het contact tussen de kinderen sterk is verminderd, hier uit te concluderen is dat verweerder consequent voor de belangen van de vader gekozen zou hebben. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht terecht en op goede gronden het door appellanten geformuleerde klachtonderdeel als een afzonderlijk klachtonderdeel heeft beschouwd, en los heeft gezien van de context van klachtonderdeel III, en hier als zodanig over heeft geoordeeld.

3.2.6

Het College van Beroep verwerpt aldus de grief gericht tegen klachtonderdeel I en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “Het veelvuldig het onbegeleid contact tussen de vader en [oudste kind] toestaan.”

3.3.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat [appellanten] en [verweerder] verschillen over hoe de belangen van [oudste kind], in relatie tot het contact met zijn vader, gewaarborgd zou moeten worden. Hoewel [appellanten] stellen dat het onbegeleide (en veelvuldige) contact tussen de vader en [oudste kind] negatieve gevolgen voor [oudste kind] zou hebben, hebben [appellanten] geen onderbouwende stukken ten aanzien van deze stellingname overgelegd. Blijkens de stukken die [verweerder] overgelegd heeft, is het College [van Toezicht] echter voldoende aannemelijk geworden dat [oudste kind] belang niet geschaad lijkt te zijn door de wijze waarop de contactmomenten tussen hem en zijn vader worden vormgegeven. Zo concludeert de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: RvdK, in het raadsrapport van 15 juli 2014 het volgende: “[De RvdK] wil benadrukken dat een ontheffing van het gezag niets zal veranderen aan het feit dat de ouders de biologische ouders van de kinderen zijn en dat [de GI] en verzorgers en/of toekomstige pleegouders er zorg voor moeten dragen dat het contact tussen ouders en kinderen, mits in het belang van de kinderen, wordt gestimuleerd en gehandhaafd.” Dit komt overeen met de reeds aangehaalde passage uit de beschikking van 20 december 2014, waarin is opgenomen dat de contacten tussen de minderjarigen en ouders op een verantwoorde wijze, in het belang van de kinderen, dienen te worden onderhouden en te worden begeleid. In een e-mailbericht van 20 juli 2015 laat [verweerder] aan [appellanten] over het contact het volgende weten: “Van [pleegzorgwerker jongste kind] heb ik vernomen dat jullie verbaasd zijn dat de bezoekregeling van [oudste kind] aan zijn ouders niet is aangepast. Ik heb hierover natuurlijk contact gehad met de gezinshuisouders. [Oudste kind] komt van een bezoek aan ouders niet ‘anders’ thuis dan van een bezoek aan jullie. (…) Gezinshuisouders achten het niet nodig om zijn bezoekregeling met ouders te wijzigen en daar draag ik verantwoordelijkheid voor”. Op pagina 2 van het ondersteuningsplan van [oudste kind] van 2 februari 2018 leest het College [van Toezicht] voorts: “[Oudste kind] heeft een goede relatie met zijn vader. [Oudste kind] vindt het fijn om het weekend naar zijn vader te gaan.” Het is het College [van Toezicht] uit de stukken voldoende aannemelijk geworden dat [verweerder] de contactmomenten tussen [oudste kind] en zijn vader op een voldoende wijze monitort. Voorts kan het College [van Toezicht] uit de stukken niet afleiden dat [oudste kind] belang geschaad zou worden middels de wijze waarop de contactmomenten met zijn vader zijn vormgegeven. Het College [van Toezicht] is dan ook van oordeel dat [verweerder] binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven door geen wijziging aan te brengen in de contactmomenten tussen [oudste kind] en zijn vader.” Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.3.3

Appellanten betwisten het oordeel van het College van Toezicht dat de bestaande omgang tussen het oudste kind en zijn vader geen nadelige gevolgen zou hebben voor het oudste kind. Daarmee erkent het College van Toezicht het door verweerder gehanteerde criterium: “Het gaat goed met [oudste kind].” Het oudste kind heeft een beperking die met zich mee brengt dat het heel erg moeilijk is om dit te beoordelen. In het verleden is dit vaak ter sprake geweest in verschillende overlegmomenten, aldus appellanten. Daarnaast stellen appellanten zich op het standpunt dat dit beperkte criterium voorbij gaat aan de complexiteit van de gezins- en familiesituatie. De door verweerder toegestane frequentie en onbegeleide contactmomenten tussen de vader en het oudste kind hebben het mogelijk gemaakt en tot gevolg gehad dat de vader het oudste kind heeft weggehouden van het jongste kind. Dit heeft het hechtingsproces van het jongste kind bij appellanten sterk beïnvloed. Ten tijde hiervan was verweerder ook nog de voogd van het jongste kind. Het College van Toezicht heeft nagelaten oog te hebben voor dit aspect. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen appellanten naar het protocol Risicomanagement van de GI waaruit blijkt dat het ‘het gaat goed‘ criterium te beperkt is en volgens de GI niet is toegestaan. Voorts wordt verwezen naar de richtlijnen ‘Handleiding bezoekregeling’ en ‘Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg’. Appellanten stellen dat op basis van die richtlijnen er geen sprake kan zijn van onbegeleide omgang tussen het oudste kind en zijn vader. Voor het jongste kind en zijn ouders zijn deze criteria wel toegepast. De op deze criteria gebaseerde omgangsregeling met moeder heeft geleid tot een stabiele en goed herstelde relatie tussen het jongste kind en zijn moeder.
Voor zover verweerder heeft aangegeven veel waarde te hechten aan de waarneming van de gezinshuisouders, merken appellanten op dat er slechts – in het tijdbestek waar de tuchtklacht op ziet – sprake is van één gezinshuisouder. De echtgenoot is fulltime elders werkzaam en er is de afspraak dat hij zich weinig met de kinderen bemoeit. Hierdoor is er sprake van een schending van artikel D van de Beroepscode.

3.3.4

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de oorspronkelijke klacht van appellanten is gebaseerd op stellingen van appellanten zelf. In het oorspronkelijke klaagschrift ontbreekt enige vorm van onderbouwing of bewijs. Verweerder heeft daarentegen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat het goed gaat met het oudste kind en dat hij het prettig vindt om bij zijn vader te verblijven. Bij het beroepschrift ontbreekt wederom enige vorm van onderbouwing van de stellingen van appellanten. Het College van Toezicht heeft terecht overwogen dat er sprake is van een verschil van inzicht over hoe de belangen van het oudste kind, in relatie tot het contact met zijn vader, gewaarborgd zouden moeten worden.

3.3.5

Anders dan het College van Toezicht is het College van Beroep van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld in het begeleiden en vormgeven van het contact tussen de vader en het oudste kind, en overweegt hiertoe als volgt. Het College van Beroep stelt vast dat in de beschikking van de rechtbank van 22 december 2014 het volgende is opgenomen. “De ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag over de kinderen ten gunste van de stichting staat geenszins aan de mogelijkheid in de weg om, in het belang van de kinderen, op verantwoorde wijze de contacten met hun ouders te onderhouden en begeleiden.” Het College van Beroep overweegt dat een beschikking van de rechtbank het uitgangspunt voor het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel is, welke zijn verdere uitwerking vervolgens vindt in richtlijnen/protocollen van een GI en andere hulpmiddelen die voor jeugdprofessionals in het werkveld beschikbaar zijn. Het College van Beroep vindt het begrijpelijk dat in het geval ouders worden ontheven van het ouderlijk gezag, de rechtbank in de beschikking opneemt dat de contacten tussen kinderen en de ouders op verantwoorde wijze onderhouden en begeleid dienen te worden. Begeleiding, in welke vorm dan ook, wordt in de onderhavige situatie van verweerder verwacht.
Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep en in het verweerschrift heeft verweerder naar het oordeel van het College van Beroep (te) weinig inzicht gegeven hoe het proces rondom (het uitbreiden van) de onbegeleide contactmomenten is verlopen. Er is niet gebleken dat hierover een kernbeslissing is genomen noch heeft verweerder inzicht gegeven in zijn werkwijze bijvoorbeeld door middel van het overleggen van relevante rapportages. Verweerder heeft volstaan met de uitleg dat de omstandigheden rondom het oudste kind medio 2015 zijn gewijzigd, dat er sprake was van een enorme groei en positieve ontwikkeling, die ervoor heeft gezorgd dat de bezoekregeling tussen het oudste kind en zijn vader zich verder heeft ontwikkeld. Het College van Beroep overweegt dat het enkele feit dat er geen zorgen zouden zijn over een kind, niet betekent dat een beschikking en/of bijvoorbeeld protocollen van de GI niet hoeven te worden gevolgd. Er is naar het oordeel van het College van Beroep onvoldoende gebleken dat beklaagde deze contactmomenten voldoende heeft begeleid zoals van hem, mede in het licht van de eerder genoemde beschikking en zijn rol als voogd, mocht worden verwacht. Hierbij neemt het College van Beroep in het bijzonder in overweging dat het College van Toezicht in klachtonderdeel III van de bestreden beslissing heeft geoordeeld dat verweerder heeft toegestaan en eraan heeft bijgedragen, dat de vader het contact tussen de kinderen heeft verhinderd. Verweerder heeft door geen beroep in te stellen tegen de beslissing van het College van Toezicht de gegrond verklaarde klachtonderdelen, waaronder klachtonderdeel III, dit onbetwist gelaten. Verweerder was op de hoogte van het conflict tussen vader en appellanten en in dat licht acht het College van Beroep het onbegrijpelijk dat verweerder niet (voldoende) heeft toegezien op begeleide contactmomenten, maar daarentegen de onbegeleide contactmomenten (fors) heeft uitgebreid. Het College van Beroep is van oordeel dat er door aldus te handelen sprake is van een schending van artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode.

3.3.6

De grief slaagt. Het College van Beroep verklaart klachtonderdeel II gegrond.

3.4

Conclusie
Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de grief gericht tegen klachtonderdeel I faalt en de grief gericht tegen klachtonderdeel II slaagt als gevolg waarvan dit laatste klachtonderdeel gegrond wordt verklaard. Het College van Toezicht heeft aan verweerder op grond van de reeds gegrond verklaarde klachtonderdelen III en IV, de maatregel van waarschuwing opgelegd.
In beginsel sluit het College van Beroep aan bij de conclusie van het College van Toezicht in de bestreden beslissing. In het bijzonder bij het volgende dat door het College van Toezicht is overwogen in de conclusie van de bestreden beslissing: “Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid hecht het College [van Toezicht] waarde aan de wijze waarop een beklaagde reflecteert op de voorliggende casus. Het College [van Toezicht] betreurt het dat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aan de kant van [verweerder] – voor wat betreft de erkenning richting [appellanten] geen blijk van reflectie is gezien. Gelet op het vorengaande, gelet op het verwijtbaar handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen en gelet op de ernst van het sterk verminderde contact tussen de kinderen, acht het College [van Toezicht] het passend en geboden de maatregel van waarschuwing op te leggen.”
Ook bij de mondelinge behandeling van het beroep heeft verweerder geen blijk van reflectie op zijn eigen handelen gegeven en daarnaast onvoldoende zelfinzicht getoond. Daarnaast neemt het College van Beroep bij de zwaarte van de op te leggen maatregel in overweging dat niet is gebleken dat verweerder heeft getracht de schade te beperken en/of het ontstane nadeel te keren. Dit leidt het College van Beroep onder andere af uit het sterk verminderde contact tussen de kinderen en het veelvuldig en onbegeleid toestaan van contact tussen de oudste zoon en de vader.
Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is voorts gebleken dat er nog steeds sprake is van problematiek met betrekking tot de contactmomenten en er nog steeds sprake is van een conflict tussen vader en appellanten en dat verweerder niet afdoende tracht of heeft getracht tot een oplossing voor deze problemen te komen.
Al het voorgaande leidt ertoe, dat het College van Beroep het opleggen van de maatregel van berisping passend en geboden acht.

Het College van Beroep wil voorts op deze plaats nog opmerken dat tijdens de mondelinge behandeling van het beroep de strijd tussen appellanten en verweerder duidelijk zichtbaar was.
Het College van Beroep acht het raadzaam dat in een dergelijke situatie wordt nagegaan of er nog sprake kan zijn van een constructieve samenwerking in het belang van de minderjarige cliënt en of de betreffende jeugdprofessional derhalve nog de aangewezen persoon is om uitvoering te geven aan de kinderbeschermingsmaatregel. Het College van Beroep ziet hierin niet alleen een rol weggelegd voor de individuele jeugdprofessional, maar ook voor de instelling waar de betreffende jeugdprofessional werkzaam is.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel II alsnog gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 2 mei 2018 met zaaknummer 17.125T;
– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdeel I;
– legt aan verweerder, onder intrekking van de maatregel van waarschuwing, de maatregel van berisping op.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 19 november 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris