Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer had voor, tijdens en na de vaccinatie van de uitgeplaatste minderjarige meer de samenwerking moeten zoeken met de moeder met gezag.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N.A. van Lingen, lid-beroepsgenoot.

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI] te [plaatsnaam 1], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], vertrouwenspersoon van AKJ te [plaatsnaam 2].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 12 januari 2018;

– het verweerschrift ontvangen op 14 maart 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op donderdag 28 juni 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [vertrouwenspersoon], vertrouwenspersoon van AKJ.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige, geboren op [geboortedatum] 2008, hierna aan te duiden als: de minderjarige.

2.2

Op 15 april 2016 heeft de rechtbank de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling [GI 1], hierna te noemen: [GI 1].

2.3

Vanaf 15 april 2016 is de minderjarige uithuisgeplaatst bij pleegouders. Klaagster heeft eenhoofdig ouderlijk gezag. Er is een begeleide omgangsregeling; klaagster ziet de minderjarige één uur in de twee weken.

2.4

Op 11 juli 2016 heeft de rechtbank de minderjarige onder toezicht gesteld van [GI 1] tot 29 juli 2016. Op 26 juli 2016 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 juli 2017.

2.5

Op 18 januari 2017 is [GI 1] vervangen door de huidige GI.

2.6

De minderjarige is van 29 augustus 2017 tot 11 oktober 2017 bij het [ziekenhuis] (hierna te noemen: [ziekenhuis]), op de afdeling [afdelingsnaam] geweest. Hier wordt hulp geboden in de vorm van (dag)klinische behandelmogelijkheden bij kinderen tussen de 6 en 12 jaar met een (vermoeden van) ontwikkelingsstoornissen.

2.7

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij de GI en op 5 september 2017 door zijn collega, hierna te noemen: de gezinsvoogd, verzocht de minderjarige bij zijn vaccinatie te begeleiden. Beklaagde is van de casus op de hoogte omdat hij met de gezinsvoogd van de minderjarige in het casuïstiekteam zit.

2.8

Op 6 september 2017 is de minderjarige gevaccineerd bij de GGD in [plaatsnaam 3]. Beklaagde is vergezeld door een stagiaire. Klaagster en de pleegmoeder zijn eveneens aanwezig geweest.

2.9

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met wat ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Het College heeft ter zitting, met instemming van klaagster, besloten de vijf klachtonderdelen samen te voegen tot één klacht. De reden hiervoor is dat het gaat om één gebeurtenis, waarover meerdere klachtonderdelen naar voren zijn gebracht, die elkaar grotendeels overlappen. Na de klacht wordt het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven, waarna het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

De klacht

3.2.1

Klaagster klaagt over de handelswijze van beklaagde voor, tijdens en na de vaccinatie van de minderjarige. Klaagster voelt zich als ouder met eenhoofdig gezag door beklaagde buitenspel gezet omdat de minderjarige tijdens de vaccinatie op schoot van pleegmoeder zat. Klaagster verwijt beklaagde voorts dat hij een agressieve houding heeft aangenomen tegenover klaagster en de minderjarige. Klaagster voelt zich daardoor als gezaghebbende ouder niet respectvol behandeld. Het RIVM heeft hierdoor zelfs het veiligheidsprotocol moeten inzetten. Beklaagde heeft vanaf het begin bij de sporthal geprobeerd zijn macht te laten gelden. Dit komt naar voren doordat hij de minderjarige ver van klaagster wilde houden, alsmede door zijn agressieve en respectloze benadering van de minderjarige, klaagster, de artsen en verpleegkundigen. Beklaagde heeft zelfs tijdens de vaccinatie een onveilige situatie gecreëerd door de deur van de kamer waar de minderjarige gevaccineerd werd hard open te duwen, waardoor de arts bijna onwillekeurig de naald in de arm van de minderjarige stak. Voorts heeft beklaagde de minderjarige keer op keer in een houtgreep genomen of hem hardhandig weggetrokken bij klaagster. De minderjarige is dagenlang getraumatiseerd geweest. Tot slot heeft beklaagde niet met klaagster samengewerkt, waardoor aan klaagster en haar zoon emotionele schade is toegebracht.

3.2.3

Volgens klaagster heeft beklaagde daarmee de volgende artikelen van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker overtreden: artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’), artikel
E (‘Respect’), artikel H (‘Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie’), artikel K (‘Vermoeden van kindermishandeling’) en artikel O (‘Beroepsuitoefening en samenwerking’).

3.3

Het verweer

3.3.1

Beklaagde voert allereerst aan dat hij de afkomst van de onderbouwende verklaringen, die klaagster heeft overgelegd, betwist. Zo vindt hij het onduidelijk wie de afzender is van de door klaagster bijgevoegde e-mail van 7 september 2017. De afzender is doorgehaald, de e-mail is verzonden vanaf een iPhone en uit de gebruikte afkorting blijkt dat de e-mail niet afkomstig is van het RIVM.

3.3.2

Daarnaast wijst beklaagde op de door klaagster overgelegde ‘belangrijke citaten’ uit het verslag van [afdelingsnaam]. Het betreft echter geen afschrift van notities vastgelegd in een dossier. De herkomst en de status zijn onduidelijk. De manager van beklaagde heeft het [ziekenhuis] benaderd met het verzoek om informatie maar heeft dat niet gekregen. De stukken konden zonder toestemming van klaagster niet worden toegestuurd.

3.3.3

Beklaagde verweert zich inhoudelijk als volgt. Op 5 september 2017 is beklaagde door de gezinsvoogd gevraagd om op 6 september 2017 de minderjarige op te halen bij het [ziekenhuis] voor een vaccinatie. Omdat er sprake is van een ondertoezichtstelling en er beperkte omgang is tussen klaagster en de minderjarige heeft de gezinsvoogd beklaagde gevraagd de minderjarige niet alleen te laten met klaagster. De gezinsvoogd heeft klaagster op 5 september 2017 per e-mail laten weten dat beklaagde de minderjarige zou begeleiden. Op 6 september heeft beklaagde samen met een stagiaire de minderjarige opgehaald. Beklaagde heeft de minderjarige gevraagd of hij tijdens de vaccinatie bij zijn pleegmoeder op schoot wilde zitten. Dat wilde hij. Aangekomen bij de sporthal stond pleegmoeder te wachten met de uitnodigingsbrief voor de vaccinatie. Bij de ingang van de sporthal stond ook klaagster te wachten. Klaagster is naar de minderjarige gelopen, heeft hem geknuffeld, een hand gegeven en mee naar binnen getrokken. Beklaagde heeft aangegeven dat hij wilde dat de minderjarige bij hem zou blijven. Het leek erop dat klaagster de minderjarige wilde afzonderen. Bij de balie heeft klaagster tegen de vaccinatiemedewerker gezegd dat zij de gezaghebbende ouder is en jeugdzorg niet mee naar binnen mocht. In het belang van de minderjarige en op advies van de GGD-arts heeft beklaagde ervoor gekozen om met klaagster, de minderjarige en de pleegmoeder een aparte kamer in te gaan voor de vaccinatie. De minderjarige moest huilen. Pleegmoeder heeft de minderjarige op schoot genomen. Eenmaal binnen heeft een verpleger de aanwezigen verzocht de ruimte te verlaten. Beklaagde is naar de deur gelopen en heeft klaagster gevraagd om in het belang van haar zoon mee te lopen. Klaagster weigerde en bleef in de kamer. Beklaagde is wel naar buiten gegaan en door de deuropening naar binnen blijven kijken. Na de vaccinatie maakte klaagster het buiten moeilijk te vertrekken door voor de minderjarige en beklaagde te gaan staan.

3.3.4

Beklaagde betreurt de gang van zaken, maar ontkent dat hij agressief en/of respectloos heeft gehandeld. De verslagen lopen uiteen en beklaagde begrijpt dat de feitelijke gang van zaken dan niet is vast te stellen. Beklaagde is van mening dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden en verzoekt het College de klachten als ongegrond af te wijzen.

3.4

De beoordeling

3.4.1

Het College zal, zoals zij reeds heeft verwoord onder 3.1.3 gezien de samenhang van de
klachten en het verweer, dit gezamenlijk beoordelen.

3.4.2

Er zijn volgens het College tijdens de vaccinatie op 6 september 2017 vier momenten te onderscheiden. De aankomst van klaagster, beklaagde, de minderjarige, de stagiaire en de pleegmoeder bij de sporthal waar de vaccinatie plaats zou vinden, de tijd dat de betrokkenen met elkaar in de wachtrij stonden, de vaccinatie zelf die plaatsvond in een aparte kamer en het vertrek van de betrokkenen na de vaccinatie.

3.4.3

Vast staat dat de e-mail van 5 september 2017, waar beklaagde tijdens de mondelinge behandeling naar heeft verwezen, door geen van de partijen aan de stukken is toegevoegd. Het College heeft daar derhalve geen kennis van kunnen nemen en dient uit te gaan van de verklaringen van partijen ter zitting. Uit die verklaringen heeft het College afgeleid dat klaagster op 5 september 2017 per e-mail door de gezinsvoogd is geïnformeerd dat haar zoon op 6 september gevaccineerd zou worden en dat de gezinsvoogd die dag vervangen zou worden door beklaagde. Tevens stond in de e-mail vermeld dat ook pleegmoeder bij de vaccinatie aanwezig zou zijn. Pleegmoeder was in het bezit van de uitnodigingsbrief voor de vaccinatie. Voor het College is niet duidelijk geworden of ook de aanwezigheid van de stagiaire aan klaagster is gemeld en laat dat om die reden verder buiten beschouwing. Zowel klaagster als beklaagde hebben ter zitting verklaard dat in de betreffende e-mail gesproken wordt over een ‘begeleid contactmoment’ voor klaagster. Tijdens de mondelinge behandeling is het College echter gebleken dat klaagster vooraf geen toestemmingsformulier heeft ondertekend voor de medische behandeling van haar zoon. Evenmin is hier door de GI aan de rechter vervangende toestemming voor gevraagd. Het College overweegt dan ook dat er geen sprake was van een begeleid contactmoment, maar dat klaagster als ouder met eenhoofdig gezag bij de vaccinatie aanwezig moest zijn.

3.4.4

Vast staat voorts dat beklaagde kort van te voren, dat wil zeggen één dag voor de vaccinatie, door de gezinsvoogd is gevraagd in te vallen en de minderjarige op te halen en te begeleiden. De voorbereiding van de vaccinatie voorafgaand aan 6 september is gedaan door de gezinsvoogd en geheel buiten beklaagde omgegaan. Voor de dag van de vaccinatie heeft beklaagde kennelijk instructies gekregen om klaagster niet met haar zoon alleen te laten. Uit de verklaringen ter zitting van zowel klaagster als beklaagde heeft het College afgeleid dat beklaagde deze instructies zeer strikt heeft opgevolgd. Zoals het College hiervoor heeft opgemerkt, was klaagster noodzakelijkerwijs aanwezig tijdens de vaccinatie. Dit is tevoren kennelijk onvoldoende duidelijk geworden bij beklaagde. Ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beklaagde zich niet heeft gerealiseerd wat de positie van klaagster was bij de vaccinatie. Naar het oordeel van het College had hij zich dit, bij het overnemen van de begeleiding, meer moeten realiseren. Het College kan zich dan ook voorstellen dat het onder deze omstandigheden beter was geweest wanneer beklaagde meer de samenwerking had gezocht met klaagster. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde daar in de ogen van het College onvoldoende op gereflecteerd. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde door zo te handelen artikel O (‘Beroepsuitoefening en samenwerking’) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

3.4.5

De stelling van klaagster dat beklaagde geen respect heeft getoond, een agressieve houding heeft aangenomen, zijn macht heeft laten gelden en hardhandig is optreden, heeft het College niet kunnen vaststellen. Klaagster heeft deze klachten onvoldoende onderbouwd. Voor zover er stukken zijn bijgevoegd door klaagster, is de herkomst daarvan onvoldoende duidelijk geworden en bieden zij daarom ontoereikend bewijs om de gang van zaken helder te krijgen. Daarnaast ziet het College ook een verschil in beleving bij klaagster en beklaagde over hoe de gebeurtenissen rondom de vaccinatie op de vier momenten verlopen zijn.

3.4.6

Het deel van de klacht dat gaat over de samenwerking tussen klaagster en beklaagde is gegrond.

3.5

De conclusie
Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat het deel van de klacht dat gaat over het ontbreken van de samenwerking tussen klaagster en beklaagde gegrond is. Beklaagde is vooral van zijn opdracht uitgegaan, heeft deze niet getoetst, heeft zich vooraf geen vragen gesteld over de positie van klaagster en heeft hier tijdens de mondelinge behandeling niet op gereflecteerd. Dat maakt dat artikel O van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden. Echter, gelet op de korte termijn waarbinnen beklaagde gevraagd is de minderjarige te begeleiden en het gegeven dat hij geen vaste gezinsvoogd is, acht het College een en ander verminderd verwijtbaar. Bovendien gaat het om een eenmalige misstap. Dit leidt ertoe dat het College geen maatregel oplegt.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart het deel van de klacht over het ontbreken van de samenwerking gegrond;

– verklaart de overige delen van de klacht ongegrond;

– legt aan beklaagde geen maatregel op.

Aldus gedaan door het College en op 9 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter secretaris