Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdhulpverlener heeft contact gelegd met school en de instelling maar dat contact had een ander doel dan het doel waarvoor de moeder eerder toestemming had gegeven. De jeugdhulpverlener had de moeder daarom opnieuw om toestemming moeten vragen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N.J. Antonissen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam tot 1 juli 2017 als jeugdhulpverlener in een wijkteam bij de Gemeente [locatie], hierna te noemen: de gemeente.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Veerman.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij het AKJ.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw E. Lam, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 11 januari 2018, met bijlagen en de aanvulling hierop van 31 oktober 2018;

– het verweerschrift ontvangen op 19 februari 2018 en de aanvulling hierop van 20 maart 2018 met bijlagen.

– het tijdens de mondelinge behandeling door de gemachtigde van klaagster overgelegde openingspleidooi en de door klaagster overgelegde reactie op het verweerschrift.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 november 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een zoon die geboren is in 2004, hierna aan te duiden als: de zoon.

2.2

De zoon heeft een autisme spectrum stoornis en kenmerken van ADHD. Hij heeft tot 1 januari 2015 zorg ontvangen op basis van een indicatie die werd afgegeven door de toenmalige Stichting [Stichting] [locatie]. Op 1 januari 2015 zijn de indicatiestellingen en herindicatieaanvragen bij de gemeente belegd.

2.3

Op basis van verzoeken van klaagster zijn meerdere indicaties door de gemeente afgegeven.
De individuele begeleiding aan de zoon wordt door klaagster geleverd. De gemeente heeft hiervoor een indicatie afgegeven voor individuele begeleiding en een pgb om de jeugdhulp mee in te kopen.

2.4

Op 16 juli 2016 heeft klaagster een bezwaarschrift ingediend bij de bezwaarcommissie van de gemeente tegen het indicatiebesluit van de gemeente met als doel meer uren voor individuele begeleiding te krijgen.

2.5

Beklaagde was van 4 oktober 2016 tot 1 juli 2017 als jeugdhulpverlener bij het gezin van klaagster betrokken. Zij is als jeugdzorgwerker geregistreerd van [datum] 2016 tot [datum] 2017 bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.6

Op 30 november 2016 heeft beklaagde samen met een extern deskundige op het gebied van onder andere autisme, hierna te noemen: de deskundige, kennis gemaakt met de zoon bij [de instelling] ten behoeve van een herindicatie van de zorg voor de zoon.

2.7

Nadat klaagster heeft verzocht om een verhoging van het pgb voor de individuele begeleiding van de zoon, heeft op 22 november 2016 een eerste groot overleg plaatsgevonden en op 19 december 2016 een tweede groot overleg, waarbij onder andere klaagster, beklaagde en een begeleider van [de instelling] aanwezig zijn geweest. De deskundige is alleen bij het eerste groot overleg aanwezig geweest.

2.8

Naar aanleiding van het eerste en tweede groot overleg heeft beklaagde klaagster op 23 december 2016 in een e-mail bericht dat de gemeente niet zal overgaan tot een nieuwe indicatie met uitbreiding van het aantal uren van de pgb individuele begeleiding.

2.9

Tijdens een derde groot overleg op 24 januari 2017 is met klaagster besproken dat de gemeente door middel van een verzoek tot bespreking, hierna te noemen: vtb, advies zal vragen aan het Schakeloverleg. Dit is een adviesorgaan dat wordt ingeschakeld door de gemeente om de veiligheid en zorgen over de ontwikkeling en opvoeding te bespreken en waarbij wordt besproken of een beschermingsonderzoek door de raad voor de kinderbescherming, hierna te noemen: RvdK, wenselijk is. Beklaagde heeft hiervoor een rapport opgesteld dat door klaagster op 7 februari 2017 is ontvangen.

2.10

Naar aanleiding van het Schakeloverleg op 21 februari 2017 heeft de gemeente de RvdK verzocht om een onderzoek te doen naar een kinderbeschermingsmaatregel. De RvdK heeft op 7 juli 2017 het onderzoek afgerond en heeft geadviseerd om geen kinderbeschermingsmaatregel op te leggen.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft, kort samengevat, betrekking op de communicatie, de privacy, de wijze van verslagleggen en het niet overleggen van een volledig dossier.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niet transparant heeft gecommuniceerd over hoe het kennismakingsgesprek met de zoon op 30 november 2016 zou verlopen. Klaagster heeft twee dagen voor het kennismakingsgesprek een e-mail ontvangen van beklaagde waarin stond vermeld dat een deskundige bij het gesprek aanwezig zou zijn. Dit was niet de afspraak en hiervoor heeft klaagster geen toestemming gegeven. Klaagster heeft gevraagd of iemand van [de instelling] bij het gesprek aanwezig zou zijn. Beklaagde is echter niet ingegaan op dit verzoek. Het is voor de zoon niet goed om geconfronteerd te worden met meerdere mensen zonder dat daar vooraf duidelijkheid over is. De zoon heeft het kennismakingsgesprek ervaren als een politieverhoor.

3.2.2

Beklaagde voert aan dat klaagster tijdens het eerste groot overleg kennis heeft gemaakt met de deskundige. Klaagster heeft niet medegedeeld dat zij het niet wenselijk vindt dat de deskundige bij de kennismaking met de zoon aanwezig zou zijn. Beklaagde was niet op de hoogte van de afspraak dat er vanuit [de instelling] begeleiding bij de gehele kennismaking met de zoon aanwezig zou zijn. Klaagster en [de instelling] hebben dit onderling met elkaar afgesproken maar dit niet met beklaagde besproken. Beklaagde herkent de weergave die klaagster geeft van het gesprek met de zoon niet.

3.2.3

Het College constateert dat beklaagde in een email van 28 november 2016 heeft aangekondigd dat zij met de deskundige op 30 november 2016 met de zoon kennis zou maken bij [de instelling]. Klaagster had de deskundige eerder ontmoet bij het eerste groot overleg, dus zij wist wie hij was. Beklaagde heeft naar aanleiding van de e-mail niet laten weten dat zij bezwaar had tegen zijn aanwezigheid. Als het al juist is dat klaagster, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht, niet durfde te zeggen dat zij het niet prettig vond dat de deskundige aanwezig zou zijn omdat de sfeer in het eerste groot overleg onprettig was, kan dit beklaagde niet worden verweten. Evenmin kan beklaagde verweten worden dat er niemand van [de instelling] bij het gesprek aanwezig was, aangezien zij niet op de hoogte was gesteld van de afspraak die klaagster hierover met [de instelling] had gemaakt.
Beklaagde betwist dat de zoon, zoals klaagster stelt, het kennismakingsgesprek als een politieverhoor heeft ervaren. Het College constateert dat de weergave die partijen geven van het verloop en de inhoud van het gesprek lijnrecht tegenover elkaar staan. Het College kan niet vaststellen hoe het kennismakingsgesprek exact is verlopen. In het dossier zijn geen aanknopingspunten gevonden die de stelling van klaagster ondersteunen.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat klaagster en beklaagde ieder iets anders verstaan onder een kennismakingsgesprek. Het college is van oordeel dat van beklaagde niet verwacht behoefde te worden dat zij vooraf exact zou uitleggen welke onderwerpen tijdens het kennismakingsgesprek aan de orde zouden komen en hoe lang een dergelijk gesprek ongeveer duurt. Er zijn in het dossier geen aanknopingspunten gevonden dat het gesprek dat met de zoon is gevoerd, niet past binnen hetgeen in het algemeen onder een kennismakingsgesprek mag worden verstaan. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij de privacy van klaagster onvoldoende heeft gewaarborgd. Beklaagde heeft zonder klaagster hierover te informeren, de deskundige bij deze casus betrokken. Klaagster heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Voorts heeft beklaagde zonder toestemming van klaagster het inhoudelijke verslag van het kennismakingsgesprek met de zoon opgestuurd naar [de instelling]. Verder zijn meerdere externe partijen door beklaagde ingelicht over het voornemen om een schakeloverleg te organiseren. Beklaagde heeft op 26 januari 2017 contact opgenomen met [de instelling] met het verzoek een verslag op te stellen voor het schakeloverleg. Zij heeft in het kader van het schakeloverleg zonder toestemming van klaagster eveneens contact op genomen met de leerkracht van de zoon op 6 februari 2017. Tot slot heeft beklaagde het rapport dat zij heeft opgesteld ten behoeve van het schakeloverleg doorgestuurd naar de bezwaarcommissie.

3.3.2

Beklaagde herkent zich niet in de verwijten die haar worden gemaakt. Beklaagde heeft geen contact opgenomen met instanties zonder dit van tevoren aan klaagster te vragen zodat ook voor klaagster duidelijk was met wie beklaagde informatie wilde uitwisselen.
Toen beklaagde het in 2.7 genoemde vtb maakte, heeft zij contact opgenomen met diverse samenwerkingsorganisaties. Klaagster is tijdens een groot overleg hierover geïnformeerd. Het contact met de leerkracht van de zoon heeft plaatsgevonden nadat beklaagde van klaagster de contactgegevens had ontvangen. Een verslag van het telefonische gesprek is voor akkoord met de leerkracht afgestemd.
Beklaagde heeft geen bemoeienis gehad met de bezwaarprocedure van klaagster bij de gemeente en heeft geen invloed op de samenstelling van het bezwaardossier.

3.3.3

Het College overweegt het volgende.
In de door beklaagde verstuurde email van 11 november 2016 heeft beklaagde voldoende aan klaagster uitgelegd waarom de deskundige bij de casus is betrokken. Beklaagde wenste iemand van buitenaf met kennis van zaken die gesprekken zou voeren met klaagster en de zoon om bij een eventuele herindicatie tot een beoordeling te komen. Hiermee is klaagster voldoende geïnformeerd over de reden waarom de deskundige bij het eerste groot overleg aanwezig was. Op grond van de overgelegde stukken is niet vast komen te staan dat de deskundige voor dit overleg inzage heeft gekregen in het dossier van de zoon. Dit gedeelte van klachtonderdeel II is ongegrond.
Bij de hulpverlening in het vrijwillige kader mogen jeugdprofessionals alleen met toestemming van cliënten persoonsgegevens over cliënten uitwisselen. Uit het dossier blijkt dat klaagster in een e-mail van 11 november 2016 toestemming heeft gegeven aan beklaagde om contact op te nemen met de school en [de instelling] voor het inwinnen en uitwisselen van informatie over de ontwikkeling van de zoon ten behoeve van een groot overleg. In dat kader heeft beklaagde het verslag van het kennismakingsgesprek met de zoon op 6 december 2016 naar [de instelling] mogen verzenden. Ook dit gedeelte van klachtonderdeel II is ongegrond.

Beklaagde heeft ter voorbereiding op het schakeloverleg contact opgenomen met school en [de instelling]. Zij heeft hen naar aanleiding van de ontstane zorgen over de zoon willen informeren over het schakeloverleg en heeft hen met het oog op dat overleg om informatie over de zoon gevraagd. Het College acht informatie-uitwisseling in het kader van het schakeloverleg wezenlijk anders dan het inwinnen en uitwisselen van informatie over de ontwikkeling van de zoon in het kader van een groot overleg. Het schakeloverleg is er immers op gericht om te beoordelen of de ontstane zorgen zo groot zijn dat een raadsonderzoek nodig is. Het contact met de school en [de instelling] had op dat moment een ander doel dan het doel waarvoor klaagster op 11 november 2016 haar toestemming had gegeven. Beklaagde had klaagster opnieuw toestemming moeten vragen. Door dit na te laten heeft beklaagde artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. Dit gedeelte van klachtonderdeel II is gegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij gespreksverslagen niet heeft aangepast en de opmerkingen van klaagster niet heeft toegevoegd aan deze verslagen. Klaagster ervaart dat gesprekken vaak anders worden verwoord, belangrijke zaken ontbreken of er juist zaken instaan die voortkomen uit andere gesprekken of verslagen.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij er altijd op gericht is om een verslag te maken dat een goede weergave geeft van wat is besproken en wat is afgesproken.

3.4.3

Het College oordeelt als volgt.
Klaagster verwijt beklaagde dat het verslag van het eerste groot overleg naar de bezwaarcommissie is gestuurd voordat zij een toevoeging had kunnen schrijven. Beklaagde heeft onweersproken gesteld dat de communicatie met bezwaarcommissie via de juridisch medewerkers van de gemeente is gelopen. Beklaagde kan hieromtrent daarom geen verwijt worden gemaakt.
Verder worden in het dossier geen aanknopingspunten gevonden die de stelling van klaagster ondersteunen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij heeft verzuimd het volledige dossier te verstrekken aan de commissie van het schakeloverleg en de RvdK.

3.5.2

Beklaagde stelt dat zij in samenspraak met haar collega een selectie heeft gemaakt van documenten en bijlagen die voor het schakeloverleg relevant waren om mee te sturen. Klaagster heeft zelf ook stukken meegestuurd naar het Schakeloverleg. De gemeente heeft van de raadsonderzoeker het bericht gekregen dat documenten ontbraken maar het is niet duidelijk geweest om welke documenten het ging.

3.5.3

Het College is van oordeel dat een jeugdprofessional niet met een cliënt behoeft af te stemmen welke stukken naar het schakeloverleg en de RvdK worden verstuurd. Het is aan betrokkenen zelf om stukken aan te leveren, zonder dat zij verplicht zijn om hierover met de andere partij te overleggen. Beklaagde heeft hierin een keuze gemaakt en klaagster heeft zelf ook stukken bij het schakeloverleg en de RvdK kunnen inbrengen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Conclusie

3.6.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot een gedeelte van klachtonderdeel II een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De privacy van klaagster is geschonden.
Het College heeft begrip voor de complexe situatie waarin beklaagde verkeerde. Zij heeft een klachtgevoelige zaak onder zich gehad waarin de samenwerking met klaagster niet tot stand is gekomen vanwege het wantrouwen van klaagster tegen de hulpverlening. Klaagster heeft telkens haar focus gericht op de randvoorwaarden, de procesmatige aspecten van de hulpverlening. Beklaagde heeft zich hierdoor niet willen laten afleiden en heeft de keuze gemaakt om zich te richten op de ontwikkeling van de zoon en op welke wijze hem de beste hulp geboden kon worden.
Het College heeft de overtuiging dat beklaagde het belang van de zoon in deze zaak voorop heeft gesteld. Zij heeft zijn ontwikkeling laten prevaleren boven de randvoorwaarden van de hulpverlening. Hierdoor heeft zij in een spagaat gezeten maar zij heeft onder moeilijke omstandigheden de ontwikkeling van de zoon leidraad laten zijn voor haar handelen. Ook heeft zij over deze zaak meerdere malen met collega’s overlegd. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel II deels ongegrond en deels gegrond;

– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;

– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 11 januari 2019 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. M. Fiege

voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman

 

secretaris