Maak een selectie

727 van 727

   

Een moeder is ondanks grievend gedrag tegen een jeugdbeschermer ontvankelijk in haar klacht. Het College van Beroep keurt dit gedrag af en heeft oog voor de impact die dergelijke gedragingen hebben op de jeugdbeschermer en het (mogelijke) onbegrip om zich in een dergelijk geval tuchtrechtelijk te moeten verantwoorden, maar komt in deze casus toch tot een terugverwijzing naar het College van Toezicht om de zaak alsnog inhoudelijk te behandelen.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer mr. A.P. van der Linden, lid-jurist,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw G.A. van der Veen, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellante], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerder], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerder, werkzaam als [jeugdzorgwerker] bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: [GI].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [naam gemachtigde].

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met de bijlagen, ontvangen op 13 oktober 2017;
– het door verweerder bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met de bijlagen, ontvangen op 15 december 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.121T van 18 mei 2018;
– het door appellante ingediende beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 7 juni 2018, met de bijlagen, en de aanvulling hierop van 26 november 2018;
– het door verweerder ingediende verweerschrift ontvangen op 2 augustus 2018, met de bijlagen, en de aanvulling hierop van 16 november 2018.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht.

1.3 Tegen deze beslissing is door appellante op 7 juni 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door verweerder is op 2 augustus 2018 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep was aanvankelijk vastgesteld op 2 november 2018. Verweerder heeft het College van Beroep op 9 oktober 2018 bericht dat hij om hem moverende redenen niet tijdens de mondelinge behandeling van het beroep zou verschijnen. De gemachtigde van appellante heeft het College van Beroep op 1 november 2018 bericht dat hij wegens ziekte niet kan verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep en dat appellante om die reden eveneens niet zal verschijnen. De voorzitter van het College van Beroep heeft daarop besloten de mondelinge behandeling van het beroep op 2 november 2018 geen doorgang te laten vinden.

1.6 Het College van Beroep heeft op 2 november 2018 in bovengenoemde samenstelling beraadslaagd over de voortgang van de procedure in de onderhavige zaak. Op 5 november 2018 zijn partijen bericht dat het College van Beroep voornemens is om de zaak (verder) schriftelijk af te doen. In dit bericht zijn partijen in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 12.14 van het Tuchtreglement binnen twee weken schriftelijk bezwaar te maken tegen dit voornemen.

1.7 De gemachtigde van verweerder heeft het College van Beroep op 16 november 2018 bericht dat verweerder geen bezwaar heeft tegen het voornemen van het College van Beroep om de zaak verder schriftelijk af te doen, maar dat hij nog wel in de gelegenheid wil worden gesteld een inhoudelijk standpunt kenbaar te maken. Deze inhoudelijke reactie is opgenomen in het e-mailbericht van 16 november 2018.

1.8 Van de zijde van appellante is als zodanig geen bezwaar gemaakt tegen het voornemen van het College van Beroep om de zaak verder schriftelijk af te doen.

1.9 De voorzitter van het College van Beroep heeft met toepassing van artikel 15.2 van het Tuchtreglement besloten het onder 1.7 genoemde bericht toe te laten in deze procedure en heeft appellante op 22 november 2018 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 29 november 2018 schriftelijk te reageren op dit bericht. De reactie hierop van (de gemachtigde van) appellante is door het College van Beroep op 26 november 2018 ontvangen en toegelaten in deze procedure.

1.10 Partijen zijn op 28 november 2018 door de secretaris bericht dat de beslissing uiterlijk op 23 januari 2019 aangetekend aan partijen wordt verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit, die, nu het College zich zal beperken tot een oordeel over de ontvankelijkheidsvraag, hier beperkt worden weergegeven:

2.1 Appellante is de moeder van een thans meerderjarige zoon die geboren is in [jaartal].

2.2 De zoon is geboren uit een affectieve relatie tussen appellante en de vader. Deze relatie is beëindigd. Appellante was, nadat het gezag van de vader was beëindigd, tot de meerderjarigheid van de zoon belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over hem.

2.3 Bij beschikking van [datum] 2017 is over de zoon een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. Bij voornoemde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verleend welke nadien is verlengd. De zoon is na het verlenen van de machtiging uithuisplaatsing in een pleeggezin geplaatst.

2.4 Verweerder is sinds [datum] 2013 als jeugdzorgwerker in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. Vanaf 31 juli 2013 is verweerder als [jeugdzorgwerker] bij de zoon betrokken. Aanvankelijk in het vrijwillig kader en sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling in het door de kinderrechter opgelegde kader. Het College van Beroep is gaat ervan uit dat de betrokkenheid van verweerder met het bereiken van de meerderjarigheid van de zoon is beëindigd. Uit de stukken blijkt althans niet dat er sprake is van voortgezette jeugdhulp.

3 De ontvankelijkheid

3.1.1 Het beroepschrift richt zich tegen de beslissing van het College van Toezicht van 18 mei 2018. Het College van Toezicht heeft in die beslissing appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. De reden die ten grondslag ligt aan het niet-ontvankelijk verklaren is – kort en zakelijk weergegeven – dat appellante vanaf de uithuisplaatsing van de zoon veelvuldig e-mailberichten heeft verzonden met zeer grievende teksten die de persoon van verweerder betreffen. Verweerder is daartoe in een situatie gebracht, waarin in redelijkheid van hem niet meer kan worden verwacht dat hij zijn functie nog naar behoren en enigermate onbevangen kan uitoefenen. Naar het oordeel van het College van Toezicht heeft appellante door zo te handelen haar recht verspeeld een tuchtklacht in te dienen tegen verweerder in zijn hoedanigheid van [jeugdzorgwerker]. Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat van verweerder onder deze bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet meer gevergd kan worden dat hij zich tuchtrechtelijk verantwoordt voor zijn professionele handelen.

3.1.2 Door appellante zijn zes grieven geformuleerd tegen de voornoemde beslissing, te weten:
I: verweerder heeft tijdens de procedure bij het College van Toezicht geen verweer gevoerd op de inhoud, maar een tegenklacht ingediend door middel van het indienen van een groot aantal e-mailberichten van appellante aan verweerder. Het College van Toezicht heeft dit ten onrechte gehonoreerd;
II: in de bestreden beslissing is onder 2.8 van de feiten het volgende vermeld “Op [datum] heeft [verweerder] aangifte gedaan tegen appellante van belediging. Vervolgens heeft ook de werkgever van [verweerder] aangifte gedaan tegen [appellante] van bedreiging van een medewerker.” Appellante is van mening dat deze melding volstrekt vrijblijvend is, maar anderzijds ook een voorbarige vorm van schuldig zijn impliceert;
III: onder 3 van de bestreden beslissing beweert het College van Toezicht de klacht tot in de kern te formuleren. Deze formulering raakt echter juist niet de kern van de klacht, maar bagatelliseert deze tot een algemene nietszeggende zinsnede;
IV/V: het College van Toezicht heeft – kort weergeven – appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht;
VI: appellante is van mening dat de overweging ten overvloede, welke is opgenomen in de bestreden beslissing onder 3.2, ten onrechte is opgenomen.

3.1.3 Het College van Beroep stelt vast de grieven IV en V direct zien op het oordeel van het College van Toezicht om appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht tegen verweerder. Het College van Beroep zal eerst deze grieven bespreken, gevolgd door het verweer, waarna het College van Beroep een oordeel zal geven over de ontvankelijkheid. Voor zover relevant worden de overige grieven bij dit oordeel betrokken.

3.1.4 Onder overweging 3.1.3 heeft het College van Toezicht ten aanzien van de ontvankelijkheid het volgende overwogen: “Het College [van Toezicht] ziet geen aanleiding om de door [verweerder] overgelegde e-mailberichten van [appellante], alsmede het proces-verbaal van aangifte tegen [appellante], terzijde te leggen, zoals door [appellante] is verzocht. Deze stukken dienen immers ter ondersteuning van het primaire verweer van [verweerder]. Bovendien geeft de aard van deze stukken daartoe evenmin aanleiding. Nu [appellante] niet betwist dat zij genoemde e-mailberichten heeft verzonden en dat [verweerder] aangifte tegen haar heeft gedaan, neemt het College [van Toezicht] deze stukken mee in haar beoordeling. Op grond van bedoelde stukken is vast komen te staan dat [appellante] in de periode vanaf de uithuisplaatsing van [de zoon] veelvuldig e-mailberichten heeft verzonden met zeer grievende teksten aangaande de persoon van [verweerder]. Deze e-mailberichten zijn niet alleen aan [verweerder] zelf en zijn werkgever gezonden, maar ook (in afschrift) aan vele andere personen en instellingen, waaronder personen werkzaam bij ketenpartners, op de school van [de zoon], Tweede Kamerleden en media. Het College [van Toezicht] heeft aan de hand van de bedoelde stukken de stellige overtuiging bekomen dat [appellante] gedurende een lange periode structureel, en met een zeer groot verspreidingsgebied heeft getracht [verweerder] persoonlijk, maar ook in de door hem uitgeoefende functie publiekelijk te beschadigen. Daardoor is [verweerder] in een situatie gebracht, waarin in redelijkheid van hem niet meer kan worden verwacht, dat hij zijn functie nog naar behoren en enigermate onbevangen kan uitoefenen. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] heeft [appellante] door aldus te handelen haar recht verspeeld een tuchtklacht in te dienen tegen [verweerder] in zijn hoedanigheid van [jeugdzorgwerker]. Een van de doelstellingen van het tuchtrecht is dat een geregistreerde professional kan worden beoordeeld op zijn professionele handelen, en dat de jeugdprofessional hiervan kan leren. Ook kan de hele beroepsgroep van deze toetsing leren en zichzelf verbeteren, waardoor de kwaliteit van de dienstverlening verbetert. Het College [van Toezicht] is echter van oordeel dat van [verweerder] onder bovengenoemde bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet meer gevergd kan worden dat hij zich tuchtrechtelijk verantwoordt voor zijn professionele handelen.”

3.1.5 Ten aanzien van het oordeel van het College van Toezicht dat appellante haar recht op het indienen van een tuchtklacht heeft verspeeld, stelt appellante het volgende. De bewering dat appellante heeft getracht verweerder persoonlijk en publiekelijk te beschadigen is een pure gissing en snijdt geen hout. Het College van Toezicht doet een uitspraak over de intentie van appellante terwijl een intentie niet waarneembaar is. Het College van Toezicht had tijdens de mondelinge behandeling van de klacht de mogelijkheid om appellante hierop te bevragen, hetgeen is nagelaten. Ook de bewering dat verweerder zijn functie niet meer naar behoren en enigermate onbevangen kan uitoefenen betreft een aanname van het College van Toezicht omdat elke onderbouwing daarvan met feiten ontbreekt. Daarnaast is het een raadsel op welk artikel van het Tuchtreglement het College van Toezicht een beroep doet om appellante haar recht op het indienen van een tuchtklacht te ontnemen. Appellante acht dit een verwijtbare nalatigheid van het College van Toezicht om een dergelijke verwijzing bij een dusdanig ernstige aantasting van een fundamenteel democratisch recht achterwege te laten. Tot slot stelt appellante zich op het standpunt dat de handelswijze van een klager nimmer mag leiden tot het ondermijnen van een tuchtrechtelijke plicht van een bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional om zich voor zijn professioneel handelen te vertegenwoordigen.

3.1.6 Verweerder stelt dat appellante zich op ontoelaatbare, en voor zowel verweerder als de zoon schadelijke, wijze over verweerder heeft geuit en is hier ondanks de aangifte van smaad en laster, mee door blijven gaan. Het is onder dergelijke omstandigheden niet acceptabel en passend binnen de functie van het tuchtrecht dat hij zich tuchtrechtelijk zou moeten verantwoorden over de klachten van appellante. De werkgever van verweerder steunt verweerder in dit standpunt. Op grond van artikel 10.2 sub a Tuchtreglement kan een klacht niet-ontvankelijk, ongegrond dan wel (gedeeltelijk) gegrond worden verklaard. In een verweerschrift wordt een reactie gegeven op klachten en een standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid en/of gegrondheid van de klacht. Het primaire verweer van verweerder is dat appellante haar recht op het indienen van c.q. een inhoudelijke behandeling van haar klachten heeft verspeeld en zij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het College van Toezicht heeft verweerder hierin terecht en op goede gronden gelijk gegeven. Voorts doet verweerder een beroep op een beslissing van het College van Beroep van 16 juni 2017 in zaaknummer 16.012B. Het College van Beroep overweegt hierin dat de tuchtcolleges van SKJ uit het oogpunt van eenheid in rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij overheidsrechtspraak, zoals bij de civiele rechtspraak over bewijsregels. Als het gaat om het verspelen van recht wegens wangedrag, zijn hiervan in de (civiele) rechtspraak voorbeelden te vinden. Daarnaast kan er sprake zijn van rechtsverwerking wanneer een gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met het vervolgens geldend maken van een betrokken recht onverenigbaar is. In het licht van deze rechtspraak heeft het College van Toezicht terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellante het recht op het indienen van een tuchtklacht, dan wel de behandeling hiervan, heeft verspeeld, aldus verweerder. Voor zover appellante betwist dat zij verweerder heeft getracht persoonlijk en publiekrechtelijk te beschadigen, en dit een aanname van het College van Toezicht betreft, stelt hij het volgende. Gezien de inhoud, woordkeuzes in de e-mailberichten en het feit dat zij deze naar vele personen verstuurt, kan naar objectieve maatstaven niet anders geconcludeerd worden dan dat appellante er doelbewust op is gericht om verweerder zowel persoonlijk als publiekrechtelijk te beschadigen.

In de reactie van verweerder, zoals bedoeld onder 1.7 van deze beslissing, wordt kenbaar gemaakt dat er tijdens een andere procedure bij het College van Toezicht mondeling uitspraak is gedaan op de stelling van een beklaagde dat het recht op het indienen van een tuchtklacht is verspeeld. De klager in deze zaak is ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Hierbij is gemotiveerd dat het ‘recht verspeeld hebben’ gezien kan worden als rechtsverwerking en deze term uit het civiele recht afkomstig is. Er is voorts verwezen naar een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, te weten: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:139. Deze lijn van het College van Toezicht wijkt af van de gekozen lijn in de uitspraak van het College van Beroep van 25 juli 2018 in zaaknummer 18.001B. Verweerder neemt het principiële standpunt in dat ‘de deur die door het College van Toezicht in de bestreden beslissing op een kier is gezet, niet volledig dicht geslagen mag worden’.

3.1.7 De opvatting van appellante ten aanzien van de reactie van verweerder is dat de door verweerder geuite ernstige, grievende en ongegronde beweringen over appellante, het geven van verspreiding daaraan alsmede het zonder enige motivering niet nakomen van de schriftelijke gedane toezeggingen, niet past binnen de grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening en de ethische normen van de beroepsuitoefening in ernstige mate overschrijdt. Appellante is voorts de mening toegedaan dat een SKJ geregistreerde jeugdprofessional zich niet mag en zich niet kan onttrekken – ook niet op basis van een uitspraak van het College van Toezicht – aan een toetsing van zijn professioneel handelen door de tuchtcolleges. Het Tuchtreglement kent daarop geen uitzonderingen. De reactie van verweerder schiet de intentie en doel van het tuchtrecht voorbij. In de ogen van appellante is de reactie van verweerder een poging het tuchtrecht te doen verworden tot een vorm van juridische scherpslijperij. Deze reactie levert geen enkele bijdrage aan de bedoeling van het tuchtrecht, te weten het verbeteren van de kwaliteit van de beroepsuitoefening.

3.1.8 Het College van Beroep stelt vast dat in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Tuchtreglement – voor zover relevant – het volgende is opgenomen over de doel en functie van het tuchtrecht:
“2.1 In het tuchtrecht staat de kwaliteit van het handelen van de jeugdprofessional in het jeugddomein jegens betrokkenen centraal. Het doel van het tuchtrecht is dan ook de kwaliteit van het handelen van de individuele jeugdprofessional ten behoeve van de betrokkenen te bewaken.

2.2 Het tuchtrecht beoogt enerzijds dat een geregistreerde jeugdprofessional wordt beoordeeld op zijn professionele handelen. Anderzijds heeft het tuchtrecht als doel dat naast de jeugdprofessional een ieder die werkt in het jeugddomein en staat ingeschreven in het register, van deze toetsing kan leren en zichzelf kan verbeteren. Dit kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de preventie van norm overschrijdend gedrag door de jeugdprofessional en aan de kwaliteitsverbetering van de dienstverlening binnen het jeugddomein.

2.3 Wanneer een jeugdprofessional wordt ingeschakeld, moet de maatschappij ervan op aan kunnen dat zijn dienstverlening voor de jeugd voldoet aan de kwaliteitseisen. [..]”

Voorts is in artikel 15.2 van het Tuchtreglement het volgende opgenomen:
“Al hetgeen ter kennis wordt gebracht van het college dient geen uitingen te bevatten waarvan in redelijkheid kan worden gezegd dat ze grievend zijn, dan wel ongepast zijn aan het adres van de partijen, de leden van het college en/of de secretaris. Indien sprake is van dergelijke uitingen zal de voorzitter een beslissing nemen die hem passend voorkomt. Partijen behouden daarbij het recht op een beslissing.”

3.1.9 Voor zover verweerder in de onderhavige zaak een beroep doet op rechtsverwerking stelt het College van Beroep hierover het volgende vast. Rechtsverwerking is gebaseerd op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Het tuchtrecht heeft, naast het civiele recht (en bestuursrecht en strafrecht) een eigen terrein. Het is een zelfstandig rechtsgebied, met eigen procesrecht, normen en bewijsregels. In voorkomende gevallen kan er aansluiting worden gezocht bij rechtsopvattingen uit andere rechtsgebieden, bijvoorbeeld bij het civiele recht. De betreffende rechtsopvattingen zijn echter niet zonder meer van toepassing in het tuchtrecht. In deze specifieke casus zoekt het College van Beroep geen aansluiting bij rechtsopvattingen zoals rechtsverwerking, en overweegt hiertoe als volgt. Het tuchtrecht is ontwikkeld voor en door de beroepsgroep waartoe de SKJ geregistreerde jeugdprofessionals behoren. Zoals in artikel 2.1 van het Tuchtreglement opgenomen is het doel van het tuchtrecht om de kwaliteit van het handelen van de individuele jeugdprofessional ten behoeve van de betrokkenen te bewaken. Een klager niet-ontvankelijk verklaren in de klacht kan in beginsel niet bijdragen aan dit doel van het tuchtrecht en dient derhalve zoveel mogelijk te worden vermeden. Niet-ontvankelijkheid van een klager, al dan niet wegens grievend gedrag, kan enkel indien het tuchtreglement daar een formele mogelijkheid voor biedt en dit overeenkomstig het doel van het tuchtrecht zou zijn. Het College van Beroep ziet geen juridische gronden om tot niet-ontvankelijk te kunnen concluderen. Zoals opgenomen in artikel 15.1 van het Tuchtreglement, behouden partijen het recht op een beslissing in het geval (een van) de colleges kennis nemen van uitingen waarvan in redelijkheid kan worden gezegd dat ze grievend zijn. Het College van Beroep overweegt dat met die laatste zin wordt bedoeld dat partijen in een dergelijk geval het recht houden op een materiële, inhoudelijke, beslissing. Het beroep op rechtsverwerking van verweerder faalt aldus. Ook de verwijzing naar een eerdere beslissing van het College van Beroep, in zaaknummer 18.001B, zal niet slagen. In deze zaak heeft het College van Beroep geoordeeld over de specifieke omstandigheden van het geval die daar ter beoordeling voor lagen. Het College van Beroep heeft geoordeeld dat het in ieder geval in die situatie te ver gaat om te stellen dat de betreffende klager door grievende uitlatingen zijn recht had verspeeld om een tuchtklacht in te dienen.

Het College van Beroep wil voorts nog opmerken dat het geenszins begrip kan opbrengen voor de gedane uitlatingen van de zijde van appellante. Het is volstrekt onacceptabel dat cliënten van jeugdprofessionals zich op dergelijke wijze onbetamelijk gedragen ten opzichte van de betrokkenen, in casu verweerder. Het College van Beroep heeft daarbij oog voor de impact die dergelijke gedragingen hebben op de jeugdprofessional en het (mogelijke) onbegrip om zich in een dergelijk geval tuchtrechtelijk te moeten verantwoorden. Het College van Beroep is echter van oordeel dat het eventuele begrenzen/bestraffen van klagers via andere wegen dient plaats te vinden, zoals in het civiele recht en het strafrecht, en dat in beginsel het begrenzen door het niet-ontvankelijk te verklaren van een klager wegens grievend gedrag niet past binnen de doelen van het tuchtrecht.

3.1.10 Het College van Beroep komt tot de slotsom dat appellante ontvankelijk dient te worden verklaard in haar primaire klaagschrift. Nu appellante ontvankelijk is in haar klaagschrift, en de zaak derhalve inhoudelijk door het College van Toezicht alsnog dient te worden behandeld, behoeven de overige grieven naar het oordeel van het College van Beroep geen (verdere) bespreking.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:
– vernietigt de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.121T van 18 mei 2018;
– verklaart appellante in beroep alsnog ontvankelijk in het klaagschrift zoals ingediend bij het College van Toezicht op 13 oktober 2017;
– verwijst de zaak terug naar het College van Toezicht met het verzoek het klaagschrift van appellante van 13 oktober 2017 en het verweerschrift van verweerder van 15 december 2017 alsnog in eerste aanleg te behandelen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 23 januari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris