Maak een selectie

727 van 727

   

Het College van Beroep is van oordeel dat een jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
de heer mr. A.P. van der Linden, lid-jurist,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellante], wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerster], werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI] te [locatie], hierna te noemen: de GI, beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. W.G. ten Have, werkzaam als advocaat te Winschoten.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als jurist bij de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2017 en de aanvulling hierop ontvangen op 29 augustus 2017;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, ontvangen op 25 augustus 2017 en de aanvulling hierop ontvangen op 7 september 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.084T van 18 december 2017;
– het door appellante ingediende beroepschrift met bijlagen tegen voornoemde beslissing, ontvangen op 12 februari 2018, en de aanvulling hierop ontvangen op 21 maart 2018;
– het door verweerster ingediende verweerschrift, ontvangen op 20 maart 2018 en aanvulling hierop ontvangen op 22 maart 2018;
– de door gemachtigde van verweerster tijdens de mondelinge behandeling van het beroep overlegde pleitnota.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I tot en met VI ongegrond en klachtonderdeel VII gegrond verklaard. Het College van Toezicht heeft afgezien van het opleggen van een maatregel aan verweerster.

1.3 Tegen deze beslissing is door appellante op 12 februari 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door verweerster is op 20 maart 2018 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 juni 2018 in aanwezigheid van appellante, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden. Van de zijde van appellante is haar moeder als toehoorder aanwezig geweest.

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken aan partijen verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 Appellante is de moeder van een dochter geboren in 2011. Appellante is belast met het eenhoofdig gezag over haar dochter. De biologische vader van de dochter is niet bij haar opvoeding betrokken.

2.2 De dochter is sinds 22 januari 2016 onder toezicht gesteld, deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 22 juli 2018. Op 29 april 2016 is de dochter met een machtiging uithuisplaatsing, uit huis geplaatst. Deze machtiging is laatstelijk verlengd eveneens tot 22 juli 2018.

2.3 Sinds 3 augustus 2016 woont de dochter bij pleegouders. Vanaf het verblijf van de dochter bij pleegouders was er sprake van een regeling waarbij er begeleid contact van twee uur per week plaatsvond tussen appellante en haar dochter. Na het geven van een schriftelijke aanwijzing op 3 februari 2017 is een regeling vastgesteld waarbij tussen appellante en de dochter eens per twee weken gedurende drie uur zonder begeleiding contact plaatsvond.

2.4 Eind 2016 is appellante op de wachtlijst gezet voor gezinsbehandeling. In november 2016 heeft appellante twee samenwerkingsweken meegedraaid op de groep en zo alvast aan haar eigen doelen gewerkt. Op basis hiervan heeft de gezinsbehandelaar aangegeven over te willen gaan tot opname en behandeling. In februari 2017 heeft appellante in een gesprek met een hulpverlener van de gezinsbehandeling aangegeven niet meer aan de gezinsbehandeling deel te willen nemen.

2.5 In maart 2017 heeft het Diagnostiekteam [locatie] van de GI een psychodiagnostiek onderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor dit onderzoek was het zorgelijke gedrag van de dochter dat zowel de pleegzorgaanbieder, de pleegouders alsmede verweerster was opgevallen.

2.6 De GI heeft op 13 april 2017 een schriftelijke aanwijzing gegeven met als doel de contacten tussen appellante en haar dochter (verder) te beperken. In de aanwijzing is bepaald dat de contacten tussen appellante en haar dochter in de periode van 13 april 2017 tot 4 juni 2018 worden beperkt tot contactmomenten onder begeleiding, een uur per acht weken, op het kantoor van de GI.

2.7 Appellante heeft de kinderrechter verzocht de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017 vervallen te laten verklaren en een regeling vast te stellen. Bij beschikking van de kinderrechter van 30 juni 2017 zijn de verzoeken van appellante afgewezen.

2.8 Op 2 februari 2018 heeft een zitting bij de kinderrechter plaatsgevonden waarop het verzoek van appellante werd behandeld om de GI te vervangen. De GI heeft zich niet verzet tegen dit verzoek. De kinderrechter heeft het verzoek mondeling toegewezen en [GI2] is de opvolgende gecertificeerde instelling geworden.

2.9 Bij beschikking van het hof van 20 maart 2018 is de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017 vervallen verklaard en is er een contactmoment op 9 april 2018 tussen appellante en haar dochter bepaald. Het hof heeft ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing geoordeeld dat deze onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd.

2.10 Verweerster staat sinds [datum] 2013 als jeugdzorgwerker bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. Zij was sinds de ondertoezichtstelling van de dochter belast met de uitvoering hiervan en is tevens namens de GI contactpersoon geweest voor appellante, tot aan het moment dat de GI werd vervangen.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1 Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 18 december 2017 van de klachtonderdelen I en II welke door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard en klachtonderdeel VII, die door het College van Toezicht gegrond is verklaard.

3.1.4 Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “Door [verweerster] wordt niet of nauwelijks op tijd gereageerd.”

3.2.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het is het College [van Toezicht] niet gebleken dat [verweerster] niet of nauwelijks reageert. Waar [appellante] haar ongenoegen uit over de communicatie met [verweerster] betreffende de omgang tussen [appellante] en [dochter] tijdens de kerst 2016, volgt het College [van Toezicht] [verweerster] in haar verweer. [Verweerster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ruim voor dit omgangsmoment hierover met [appellante] heeft gesproken. [Verweerster] is [appellante] vervolgens tegemoet gekomen door de omgang uit te breiden, maar zij achtte een overnachting bij [appellante] niet in het belang van [dochter]. Dat [appellante] vlak voor de kerstdagen heeft geprobeerd de omgang uit te breiden, is begrijpelijk vanuit het oogpunt van [appellante]. Het kan [verweerster] echter niet worden verweten dat zij in zo kort tijdsbestek, te weten vier dagen, niet voor de Kerstdagen op dit verzoek heeft gereageerd. Voor het overige is niet aannemelijk gemaakt dat [verweerster] niet of nauwelijks reageert.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.”

3.2.3 Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat dit college geen standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de correspondentie van 10 januari 2017 tot en met 24 april 2017. Op 10 januari 2017 is er een schrijven verzonden waarin is verzocht duidelijkheid te verschaffen over het terugplaatsen van haar dochter en over een rapportage van [de instelling] wegens de maatschappelijke stelling dat een netwerkgezin altijd voorrang moet krijgen boven een pleeggezin. Enkel op 24 april 2017 is hierop ‘summierlijk’ een reactie verkregen. Deze reactie heeft in totaal vier maanden in beslag genomen. Ook op de klacht die zij ingediend heeft bij de GI is geen reactie gekomen. Door verweerster wordt continu aangegeven dat appellante op de hoogte is, hetgeen door appellante uitdrukkelijk wordt betwist.
Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel wordt voorts e-mailcorrespondentie van appellante aan verweerster overgelegd waar zij op 25 juli 2017 een e-mail stuurt en antwoord krijgt op 29 augustus 2017, ruim een maand later.

3.2.4 Verweerster stelt zich op het standpunt dat het College van Toezicht een juist standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de kwestie over het logeren van de dochter met kerst. Dit verzoek was al veel eerder met appellante besproken, zodoende was zij bekend met het standpunt van verweerster dat logeren bij appellante niet aan de orde kon zijn. Het verzoek van de gemachtigde van 21 december en 23 december 2016 was derhalve een ‘herhaling van zetten’. Voorts heeft verweerster tijdens de mondelinge behandeling van het beroep kenbaar gemaakt dat zij op sommige momenten bewust niet heeft gereageerd, gelet op de brij aan e-mails die appellante naar haar stuurde. Daarnaast stelt zij dat er sprake is geweest van intensief en veelvuldig contact. Verweerster is – naar eigen zeggen wegens gebrek aan tijd – niet altijd in staat geweest alle communicatie vast te leggen. Verweerster verzoekt daarnaast de e-mailcorrespondentie van 25 juli en 29 augustus 2017 niet in behandeling te nemen. Het gaat hier om informatie die gedurende de beroepsprocedure aan de orde wordt gesteld. Hier wordt door verweerster bezwaar tegen aangetekend omdat dit in de procedure in eerste aanleg naar voren had moeten worden gebracht. Het College van Beroep wordt derhalve verzocht dit klachtonderdeel niet in behandeling te nemen en appellante – naar het College van Beroep begrijpt – aldus niet-ontvankelijk te verklaren in haar grief tegen dit klachtonderdeel.

3.2.5 Het College van Beroep stelt allereerst vast dat uit de stukken is gebleken dat er sprake is geweest van veelvuldige communicatie tussen appellante, haar gemachtigde en verweerster. Voor zover het College van Toezicht zich niet expliciet heeft uitgelaten over de correspondentie tussen januari en april 2017 overweegt het College van Beroep als volgt. Uit de stukken maakt het College van Beroep op dat er ook in deze periode veelvuldig sprake is geweest van contact. Het College van Beroep wil in dit kader in ieder geval benoemen dat verweerster op 2 februari aan de gemachtigde van appellante heeft bericht dat zij heeft vernomen dat hij haar trachtte te bereiken en zij heeft daartoe haar contactgegevens verstrekt. Daarnaast hebben in de voornoemde periode in ieder geval op 10 maart 2017, 23 maart 2017, 13 april 2017 en 24 april 2017 contacten, variërend van zittingen, gesprekken en een brief, plaatsgevonden. Daarnaast zijn er in deze periode e-mails gestuurd door appellante aan verweerster waar over het algemeen door verweerster (snel) op is gereageerd. Voor zover appellante met de correspondentie van 25 juli en 29 augustus 2017 heeft getracht de grief nader te onderbouwen, is het College van Beroep van oordeel dat dit niet kan slagen. Verweerster heeft appellante per e-mail kenbaar gemaakt dat zij in ieder geval van 20 juli 2017 t/m 14 augustus 2017 op vakantie is geweest. Met deze e-mails kan derhalve niet gesteld worden dat verweerster niet of nauwelijks op tijd reageert, ook niet in samenhang bezien met de overige correspondentie. Het College van Beroep is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat verweerster adequaat heeft gereageerd, zeker gelet op de veelvuldige communicatie en de beschikbare tijd die een jeugdprofessional heeft. Het College van Beroep heeft voorts begrip voor het standpunt van verweerster dat zij soms bewust niet heeft gereageerd op de vele (uitgebreide) e-mails die appellante heeft gestuurd, welke naar de indruk van het College van Beroep soms ook aanvallend en op de persoon gericht overkwamen. Het College van Beroep is concluderend van oordeel dat de grief faalt.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[Verweerster] getuigt van een merkwaardige manier van werken, de laatst afgegeven schriftelijke aanwijzing is hier een voorbeeld van.”

3.3.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Dat de omgang tussen [appellante] en haar dochter verminderd zou worden was het onomkeerbare gevolg van het stopgezette traject bij [de gezinsbehandeling] te [locatie] in combinatie met de uitkomsten van het diagnostische onderzoek dat bij [dochter] is afgenomen, zo heeft [verweerster] ter zitting toegelicht. Alvorens hierover een schriftelijke aanwijzing op te stellen, heeft [verweerster] de omgangsregeling met [appellante] willen bespreken. Het gesprek op 13 april 2017 is echter vroegtijdig beëindigd vanwege een bedreiging vanuit groetmoeder moederszijde richting [verweerster]. [Verweerster] heeft ter zitting toegelicht dat deze omstandigheid tevens heeft gemaakt dat diezelfde dag de schriftelijke aanwijzing opgesteld is, zodat het aankomende omgangsmoment hierin meegenomen kon worden. Het is het College [van Toezicht] niet gebleken dat bij het opstellen van de voornoemde schriftelijke aanwijzing [verweerster] van een merkwaardige werkwijze getuigt. Van belang is in dit verband tot slot dat de kinderrechter bij beschikking van de rechtbank [arrondissement] van 30 juni 2017 de schriftelijke aanwijzing heeft gehandhaafd.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.”

3.3.3 Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat
in de beoordeling van de beschikking van 30 juni 2017 niet over de Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg (CHOP) is gerept, terwijl deze de aanleiding en onderbouwing is geweest van de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017. De uitkomsten hiervan zijn niet uitgewerkt, terwijl het op de weg van de GI had gelegen om een bijlage te voegen aan de schriftelijke aanwijzing, een gesprek in te plannen of het voornemen kenbaar te maken, zodat appellante hiervan kennis had kunnen nemen en had kunnen reageren. Voor appellante is het onmogelijk om te verifiëren of en op welke wijze de CHOP is toegepast en hoeverre dit is besproken binnen het zorgteam.
Voorts betwist appellante de wijze waarop de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017 tot stand is gekomen. Zij is hierover niet gehoord en niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven op het voorgenomen besluit. De schriftelijke aanwijzing vormde een ernstige beperking in de omgang tussen appellante en haar dochter. Een dergelijk ingrijpend besluit vergt een daarop afgestemde voorbereiding, aldus appellante. Op 13 april 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden met de pleegzorgwerker, een collega, appellante en haar moeder om het perspectief te bespreken. Appellante was het niet eens met het voornemen om de omgang drastisch te beperken. Gelet op de impact van de voorgenomen beperking in de omgang, had het op de weg van de GI gelegen om appellante vooraf te informeren zodat zij zich deugdelijk kon voorbereiden op het gesprek. Door dit niet te doen is de GI er ook niet in geslaagd om de emotie op voorhand weg te nemen. Appellante erkent dat haar moeder boos was, maar zij heeft zich daarbij niet dreigend opgesteld.
Appellante stelt daarnaast dat zij geen kennis had van de zittingsdatum waarop de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing werden behandeld, waardoor deze procedure buiten haar aanwezigheid is gevoerd.

Voorts geeft appellante aan dat zij per e-mail is benaderd met het verzoek een reactie te geven op een concept Plan van Aanpak. Dit betreft echter niet hetzelfde Plan van Aanpak zoals dat later is ingediend in de procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. Het Plan van Aanpak dat in die procedure is ingebracht, is na de reactie van appellante nog op diverse punten aangepast en zij heeft hier nimmer een exemplaar van ontvangen en er is nadien geen contact meer geweest tussen haar en verweerster. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellante er nog aan toegevoegd dat zij van mening is dat er in het Plan van Aanpak nog wezenlijke verschillen zijn aangebracht, bijvoorbeeld in de risicotaxatie, en dat dit niet alleen bijvoorbeeld grammaticale wijzigingen waren.

3.3.4 Hoewel het hof in de uitspraak van 20 maart 2018 heeft bepaald dat verweerster appellante in de voorbereidingsfase van de schriftelijke aanwijzing onvoldoende gelegenheid heeft gegeven haar zienswijze te geven, stelt verweerster zich tijdens de mondelinge behandeling van het beroep op het standpunt dat zij binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Hiertoe voert zij aan dat zij, gelet op de ontstane explosieve situatie tijdens het gesprek op 13 april 2017, zich genoodzaakt zag de schriftelijke aanwijzing zo snel mogelijk, op 14 april 2017, te verzenden om de veiligheid van de dochter te kunnen waarborgen. Verweerster heeft voorts desgevraagd aangegeven dat het haar voornemen was om appellante mondeling te informeren over de aankondiging van de schriftelijke aanwijzing. Haar bedoeling was om na de aankondiging de omgang die gepland stond op 15 april 2017 gewoon door te laten gaan en in de weken daarna de schriftelijke aanwijzing op papier te zetten. Verweerster heeft appellante per e-mail uitgenodigd voor het gesprek op 13 april 2017 en daarin aangegeven dat het gesprek zou gaan over het perspectief van de dochter en de omgang. Verweerster vond het niet fatsoenlijk om per e-mail de inhoud van de omgangsregeling reeds kenbaar te maken, nu dit een drastische beperking zou betekenen. Terugkijkend op haar handelen meent verweerster dat zij mogelijk een tussenstap had kunnen maken door een jurist bij de situatie te betrekken nadat het gesprek op 13 april 2017 niet liep zoals verwacht. Dit had mogelijk als resultaat gehad dat de omgang op 15 april 2017 zou zijn afgezegd, maar dat die op latere momenten wel had kunnen doorgaan in afwachting van het opstellen van de schriftelijke aanwijzing. Wel meent verweerster dat het voorgenomen besluit hoe dan ook voor opschudding had gezorgd. Zij stelt dat zij mogelijk had kunnen voorzien dat het voor meer opschudding zou zorgen dan anders, maar zij had met de daadwerkelijke ontstane situatie geen rekening gehouden en ook niet kunnen houden.
Over het gebruiken van de CHOP stelt verweerster zich op het standpunt dat het enkel een hulpmiddel en interne tool is geweest. Het is een onderdeel geweest van het besluit, maar het perspectief van de dochter blijkt voornamelijk uit het diagnostisch onderzoek waardoor de CHOP niet dragend is geweest voor het besluit.

Voor zover de grieven gericht tegen het klachtonderdeel zien op het niet oproepen van appellante voor een zitting, meent verweerster dat de rechtbank verantwoordelijk is voor het oproepen van partijen en dat dit verweerster aldus niet verweten kan worden. Ten aanzien van het (gewijzigde) Plan van Aanpak en het gebrek aan contact nadien, stelt verweerster zich op het standpunt dat dit klachtonderdeel/deze grief in eerste aanleg niet aan de orde is gekomen en dat appellante in het formuleren van de klacht in (te) algemene zin heeft gesproken over een merkwaardige manier van werken. Het lag op de weg van appellante dit nader uit te werken. Door nu enkel ‘een losse flodder’ aan te voeren voelt verweerster zich geschaad in een goede procesorde.

3.3.5 Bij de beoordeling van deze grief, over (de totstandkoming van) de schriftelijke aanwijzing, gaat het om het antwoord op de vraag of verweerster als jeugdprofessional binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het College van Beroep beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt. Het is het College van Beroep gebleken dat verweerster helder voor ogen had hoe zij appellante wilde informeren over het beperken van de omgang en het aankondigen van de schriftelijke aanwijzing. Het College van Beroep is daarbij van oordeel dat het tijdspad dat verweerster daarbij wilde hanteren, en de wijze van informeren, een werkwijze is die niet in strijd is met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: Beroepscode. Het College van Beroep betrekt hierbij ook dat verweerster, ondanks de moeilijke boodschap, appellante persoonlijk wilde informeren en dit niet per e-mail wilde doen. Het College van Beroep betreurt echter wel de ontstane situatie tijdens het gesprek op 13 april 2017 en dat hierdoor verweerster en appellante beide niet (afdoende) in staat zijn geweest hun zienswijze te geven en/of voorgenomen besluit toe te lichten. Van een jeugdprofessional wordt verwacht dat deze handelt met het belang van de minderjarige voorop. Nu er door verweerster onbetwist is gesteld dat zich tijdens het gesprek een situatie voordeed waaruit zij opmaakte dat de veiligheid van de dochter in het geding was, is het College van Beroep van oordeel dat verweerster nog voldoende heeft gehandeld conform artikel E (Respect) van de Beroepscode. Het College van Beroep heeft echter wel de indruk gekregen dat het aan een passend vervolg op de gang van zaken heeft ontbroken nu verweerster heeft aangegeven appellante niet meer te hebben gesproken of te hebben uitgenodigd voor een vervolggesprek na het aankondigen van de schriftelijke aanwijzing. Dat de sfeer verslechterd was en het vervolggesprek wellicht moeizaam zou verlopen, maakt dit niet anders. Het College van Beroep is van oordeel dat in dit opzicht het handelen van verweerster beter had gekund, maar het gaat het College van Beroep te ver om verweerster ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Voor zover de grief zich richt tegen het al dan niet gebruiken/verstrekken van de CHOP is naar het oordeel van het College van Beroep voldoende gebleken dat het zwaartepunt van de beslissing lag bij het diagnostisch onderzoek en het feit dat appellante het traject bij de gezinsbehandeling had stopgezet. Wel had het op de weg van verweerster gelegen om de conclusie van de CHOP, voor zover die een interne tool is en niet voor inzage/afgifte geschikt is, te beschrijven. Het feit dat zij dit heeft nagelaten maakt nog niet, gelet op het beperkte aandeel in de beslissing, dat zij buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden. Het College van Beroep volgt daarnaast verweerster in haar standpunt dat het klachtonderdeel te algemeen is geformuleerd. Een partij moet in staat zijn om zich deugdelijk te verweren en dit kan niet op basis van een (te) algemeen geformuleerd klachtonderdeel waar er steeds nieuwe voorbeelden ter onderbouwing worden bijgehaald. Het College van Beroep zal daarom de klacht rond het (gewijzigde) Plan van Aanpak verder niet (inhoudelijk) beoordelen. Voor zover de grief was gericht tegen het al dan niet oproepen van appellante voor zittingen bij rechterlijke instanties, is het College van Beroep van oordeel dat dit een taak is voor de rechterlijke instantie waar de zitting plaatsvindt en dit verweerster niet (tuchtrechtelijk) te verwijten valt. Het College van Beroep verwerpt de grief.

3.4 Klachtonderdeel VII

3.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VII als volgt geformuleerd: “[Verweerster] heeft vertrouwelijke informatie van [dochter] en [appellante] gedeeld met de ex-partner van [appellante], niet zijnde de biologische noch de gezaghebbende vader van [dochter]. Door [verweerster] is toegezegd dat [appellante] hierover een uitleg zou ontvangen, deze uitleg is echter uitgebleven.”

3.4.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “[Verweerster] heeft ter zitting niet betwist dat zij contact heeft opgenomen heeft met zowel de ex-partner van [appellante], de [ex-partner], niet zijnde de biologische noch de gezaghebbende vader van [dochter], alsook met zijn advocaat. Vast is komen te staan dat [ex-partner] de vader is van de twee halfzussen van [dochter]. [Appellante] stelt dat uit het overgelegde proces-verbaal van de rechtbank [arrondissement] van 18 mei 2017 valt af te leiden dat [verweerster] vertrouwelijke informatie met voornoemde advocaat heeft besproken, onder meer: de hechtingsproblematiek van [dochter], het perspectief van [dochter] en het middelengebruik van moeder. [Verweerster] betwist dat zij deze zaken besproken heeft. [Verweerster] stelt dat zij slechts reeds bekende informatie met [ex partner] heeft besproken. Met voornoemde advocaat stelt [verweerster] contact te hebben opgenomen nadat haar ter ore was gekomen dat [appellante] mogelijk een procedure zou starten om de twee halfzussen van [dochter] thuisgeplaatst te krijgen. Deze eventuele procedure zou immers gevolgen hebben voor het perspectief van [dochter]. Gelet op het voorgaande kan het College [van Toezicht] niet vaststellen wat [verweerster] al dan niet met de advocaat van [ex partner] heeft besproken, nu [verweerster] betwist dat zij de zaken zoals beschreven in het voornoemde proces-verbaal besproken heeft. Dit laat onverlet dat het College [van Toezicht] van oordeel is dat het op de weg van [verweerster] had gelegen om conform artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker toestemming te vragen aan [appellante] dan wel [appellante] in te lichten alvorens zij contact op zou nemen met [ex partner] of diens advocaat c.q. een derde, om zaken in relatie tot [dochter] te bespreken. Nu dit voorafgaand aan het contact niet gebeurd is, had [verweerster] volgens het College [van Toezicht] nadien [appellante] moeten informeren, schriftelijk of anderszins. Ook dit heeft [verweerster] nagelaten. Dat het gesprek van 13 april 2017 vroegtijdig is beëindigd, doet naar het oordeel van het College [van Toezicht] niet af aan de informatieplicht van [verweerster].

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.”

3.4.3 Appellante stelt zich op het standpunt dat tegen dit klachtonderdeel beroep is ingesteld, ondanks de gegrondverklaring, omdat zij van mening is dat het niet opleggen van een maatregel geen recht doet aan de situatie. De grief die is ingediend tegen dit klachtonderdeel dient daarnaast in samenhang te worden bezien met (de grieven tegen) de klachtonderdelen I en II.

3.4.4 Verweerster stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement alleen beroep kan worden ingesteld voor zover een partij in het ongelijk is gesteld. Nu appellante ten aanzien van dit klachtonderdeel in de bestreden beslissing in haar gelijk is gesteld, dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar grief gericht tegen dit klachtonderdeel.

3.4.5 Het College van Beroep merkt allereerst op, zoals het ook heeft gedaan tijdens de mondelinge behandeling van het beroep, dat het niet mogelijk is om in beroep te gaan tegen het al dan niet opleggen van een maatregel. Het opleggen van een maatregel, en de eventuele zwaarte daarvan, is een bevoegdheid die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ. Voor het overige betreft het een grief tegen een gegrond verklaard klachtonderdeel waardoor appellante op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk is in haar grief gericht tegen dit klachtonderdeel.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht van 18 december 2017 in zaaknummer 17.084T, zij het onder aanvulling van de motivering ten aanzien van de klachtonderdelen I en II.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 25 juli 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris