Maak een selectie

727 van 727

   

Een casemanager jeugd heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld ten aanzien van het dossier. De wijze van opstellen, de (informatie)verstrekking en de dossieropschoning is onvolledig geweest.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw J.J.M. Wouters, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N.J. Antonissen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam geweest als casemanager jeugd bij [organisatie], hierna te noemen: [organisatie], als een van de participanten binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin, hierna te noemen: het CJG, te [plaatsnaam].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 17 november 2017, met de bijlagen;
– de aanvulling op het klaagschrift van 18 december 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 5 april 2018, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 juni 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een vertrouwenspersoon van Zorgbelang [provincienaam] aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van twee minderjarige zoons, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. De oudste zoon is geboren in 2001 en de jongste zoon in 2003.

2.2

Klaagster en de vader van de kinderen zijn al een aantal jaar uit elkaar, het contact tussen hen verloopt moeizaam. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klaagster en de vader. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij klaagster en omgang met de vader.

2.3

De oudste zoon meldt zich in juni 2016 bij zijn schoolmaatschappelijk werkster met zorgen over klaagster. Uit de door beklaagde overgelegde tijdlijn blijkt dat de schoolmaatschappelijk werkster hierover kennelijk naar het CJG op 17 juni 2016 mailt dat de zoon vertelt dat het de laatste tijd minder goed gaat met klaagster; dat ze drinkt, de halve dag op de bank ligt en daar ’s nachts ook regelmatig slaapt.

2.4

In het teamoverleg van het CJG wordt besloten dat een preventief jeugdwerker van [organisatie] vanaf 17 juni 2016 de casus oppakt, in het vrijwillige kader, om te inventariseren wat de hulpvraag is of zou kunnen zijn van klaagster en de vader.

2.5

Op 5 juli 2016 zoekt de vader ook contact met zijn maatschappelijk werker van [organisatie] vanwege zijn eerder gemaakte melding in januari 2016 met zorgen om de kinderen. Hierna wordt besloten dat ook beklaagde, als casemanager jeugd, aan de casus wordt toegewezen, omdat “preventieve hulpverlening” niet aansloot bij de problematiek (tussen klaagster en de vader). Op verzoek van beklaagde blijft de preventief jeugdwerker bij de casus betrokken, met name vanwege de werkdruk van beklaagde. Beklaagde en de preventief jeugdwerker gaan samen in gesprek met klaagster, de vader en de kinderen. Het doel van deze gesprekken is de aard en ernst van de zorgen in kaart te brengen en bespreekbaar te maken. In de samenwerking is het beklaagde die de regie voert.

2.6

Beklaagde en de preventief jeugdwerker hebben eerst afzonderlijke gesprekken met klaagster, de vader en de kinderen gevoerd. Op 23 november 2016 vindt een gesprek met de kinderen plaats. In dit gesprek laat de jongste zoon weten dat hij meer bij de vader wil zijn, maar dat hij dit niet tegen klaagster durft te vertellen.

2.7

Op 21 december 2016 is een gezamenlijk gesprek tot stand gekomen tussen beklaagde, de preventief jeugdwerker, klaagster en de vader. In dit gesprek wordt besproken wat de kinderen nodig hebben om rust en veiligheid te ervaren. Aan klaagster en de vader wordt samengevat verteld dat de kinderen buiten de problematiek van de ouders gehouden dienen te worden.

2.8

Op 22 december 2016 heeft klaagster om 01:45 uur naar beklaagde gemaild dat zij met spoed contact zoekt. Klaagster laat diezelfde ochtend in het telefoongesprek met beklaagde weten dat de jongste zoon heeft laten weten dat hij bij de vader wil wonen en dat zij hierop boos heeft gereageerd. Afgesproken wordt dat begin januari 2017 nader contact wordt gezocht, omdat op 18 januari 2017 een gezamenlijk gesprek gepland staat waar de kinderen mogelijk bij kunnen aansluiten. Beklaagde is vanaf deze dag tot 2 januari 2017 afwezig vanwege vakantie, de gedragswetenschapper van het CJG neemt haar taken waar.

2.9

Er volgen in de kerstvakantie incidenten, waardoor de preventief jeugdwerker meerdere contactmomenten heeft met de kinderen, klaagster en de vader. Een van de incidenten is dat klaagster na het gesprek van 21 december 2016 onrust bij de kinderen heeft veroorzaakt door tegen hen te zeggen dat ze uithuisgeplaatst worden door het CJG. Naar aanleiding van de incidenten heeft de preventief jeugdwerker op 23 december 2016 overlegd met de gedragswetenschapper. Samengevat adviseert de gedragswetenschapper dat de escalatie in het gezin alleen te doorbreken is wanneer de vader zijn verantwoordelijkheid als (de mede met het gezag belaste) ouder neemt en de jongste zoon bij hem laat wonen. De preventief jeugdwerker koppelt dit advies in een telefoongesprek op 23 december 2016 aan de vader terug.

2.10

De preventief jeugdwerker stelt dat zij op 30 december 2016 de hulpverlening aan het gezin in zijn geheel overgedragen heeft aan beklaagde.

2.11

Nadat de kinderen in de tweede helft van de kerstvakantie, vanaf 1 januari 2017, bij de vader verblijven (in het kader van de “omgangsregeling”), laat de vader aan klaagster op 6 januari 2017 per e-mailbericht weten dat de jongste zoon vanaf dan bij hem blijft wonen. Hierna heeft klaagster weinig contact met de jongste zoon.

2.12

Beklaagde geeft aan dat zij na januari 2017 verschillende pogingen heeft gedaan om klaagster, de vader en kinderen met elkaar in gesprek te krijgen. Beklaagde stelt dat er uiteindelijk niet nog een gezamenlijk gesprek heeft plaatsgevonden, omdat klaagster hieraan niet mee wilde werken.

2.13

Op 30 maart 2017 vindt, op verzoek van klaagster, een oplossingsgesprek plaats tussen klaagster en beklaagde. De preventief jeugdwerker is op verzoek van beklaagde ter ondersteuning aanwezig tijdens dit gesprek. Klaagster liet zich in dit gesprek ondersteunen door een medewerker van Zorgbelang [provincienaam].

2.14

Uit het logboek van 30 maart 2017 blijkt dat tijdens voornoemd gesprek met klaagster besproken wordt dat het CJG het gezin wil doorverwijzen naar [instelling], met name om de contacten tussen ouders en de kinderen te herstellen. Ten behoeve van deze hulpverlening schrijft de preventief jeugdwerker een aanvraag jeugdhulp.

2.15

Beklaagde heeft op 1 juni 2017 samen met klaagster, op haar verzoek, de aanvraag jeugdhulp herschreven, welke door klaagster is ondertekend.

2.16

Vanwege de overname van het CJG naar stichting ‘[stichting]’, per 1 juli 2017, heeft beklaagde op 6 juni 2017 een overdracht geschreven ten behoeve van de hulpverlening aan het gezin. Beklaagde heeft aldus in de periode van juli 2016 tot 6 juni 2017, als casemanager jeugd, hulpverlening geboden aan het gezin in het vrijwillig kader.

2.17

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [registratiedatum] 2016 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster neemt het beklaagde in de kern kwalijk dat zij samen met haar collega, de preventief jeugdwerker, de vader heeft geadviseerd zijn verantwoordelijkheid te nemen door de jongste zoon bij hem te laten wonen. Klaagster meent dat zij als moeder opzij is gezet.

3.1.4

Het College overweegt dat beklaagde bij SKJ geregistreerd is sinds [registratiedatum] 2016. Het College onthoudt zich daarom van een inhoudelijk oordeel voor wat betreft de klachten betrekking hebben op gedragingen van beklaagde die hebben plaatsgevonden voor de genoemde registratiedatum. Het College zal bij de beoordeling van de klachten dan ook uitgaan van de periode vanaf [registratiedatum] 2016.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde neemt klaagster niet serieus, luistert niet en is niet neutraal.
De preventief jeugdwerker heeft op 23 december 2016 aan de vader het advies gegeven om de jongste zoon bij zich te houden. Dit advies is niet met klaagster besproken. In de door klaagster overgelegde e-mail van 25 april 2017 afkomstig van beklaagde is te lezen dat zij over dit advies spreekt in de “wij-vorm”. Beklaagde is dan ook medeverantwoordelijk voor het gegeven advies aan de vader. Alles wat zich heeft afgespeeld vanaf 6 januari 2017, is zeer traumatisch voor klaagster geweest. Dat is het gevolg geweest van het handelen van beklaagde.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft ingestoken op een goede samenwerkingsrelatie met klaagster, waarbij zij openheid en transparantie belangrijk vindt. Om openheid te creëren, wilde zij graag overleggen met alle partijen, eerst met klaagster en de vader en later ook met de kinderen erbij. Beklaagde geeft aan dat het niet helemaal mogelijk is om neutraal te blijven als er verschil in visie is en wat in het belang is van de kinderen. Dat wil volgens beklaagde echter nog niet zeggen dat zij partij kiest tegen klaagster. Het verschil in visie mag er zijn, maar het belang van de kinderen staat voor beklaagde als casemanager voorop. Beklaagde stemt dat wat in het belang is van de kinderen af met de gedragswetenschapper en in casuïstiek overleg. Beklaagde vindt dat zij binnen de mogelijkheden van het vrijwillig kader alles heeft gedaan, wat zij kon doen, om tot een gezamenlijke oplossing te komen, waar ook klaagster mee kon instemmen.
Over het gegeven advies aan de vader geeft beklaagde aan dat tijdens haar afwezigheid de vader is gewezen op zijn verantwoordelijkheid, en dat zij het er mee eens is dat dit is gebeurd. In de telefonische gesprekken met klaagster vanaf 2 januari 2017 heeft beklaagde meermalen met klaagster gesproken over de gebeurtenissen van de periode ervoor. Vanaf het gesprek op 21 december 2016, met beklaagde en de ouders, zijn de ontwikkelingen snel gegaan en hebben er meerdere incidenten plaatsgevonden. Meerdere keren heeft klaagster aan de orde laten komen dat het plan van haar zoon om bij zijn vader te gaan wonen, niet van hem maar van de vader moest komen. Beklaagde heeft steeds aangegeven dat de jongste zoon dit zelf besloten had, maar ook dat de vader is gewezen op zijn verantwoordelijkheid als vader: als hij zich zorgen maakte, dat hij in overleg met klaagster voor zijn zoon kon en moest beslissen. Beklaagde geeft aan dat zij haar handelen getoetst heeft in casuïstiek overleg en in een werkbegeleidingsgesprek met de gedragswetenschapper.

3.2.3

Het College overweegt als volgt:
Uit de toelichting op het klachtonderdeel, het verweer en op grond van het behandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is het voor het College voldoende duidelijk dat klaagster in dit klachtonderdeel beklaagde verwijt dat zij medeverantwoordelijk is voor het advies wat de preventief jeugdwerker op 23 december 2016 aan de vader heeft gegeven, inhoudende dat, wanneer de vader zich zorgen maakte, hij zijn verantwoordelijkheid kon en moest nemen door zijn jongste zoon bij hem te laten wonen. Klaagster meent dat zij niet is meegenomen in dit advies en dat beklaagde hierdoor niet neutraal heeft gehandeld.
Het College overweegt dat beklaagde ten tijde van het gegeven advies aan de vader, door vakantie afwezig is geweest en dat zij bij het geven van het advies niet betrokken is geweest. Beklaagde heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling van de klacht voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, voorafgaand aan de kerstvakantie, niet de inschatting had kunnen maken dat dergelijke incidenten zouden plaatsvinden op grond waarvan de preventief jeugdwerker, in samenspraak met de gedragswetenschapper, uiteindelijk het advies aan de vader heeft gegeven. Naar het oordeel van het College betreft de klacht dan ook niet het handelen of nalaten van beklaagde en is het gegeven advies niet beklaagde te verwijten. Dat beklaagde kenbaar gemaakt heeft dat zij zich in het gegeven advies kan vinden en dat zij daarvoor de verantwoordelijkheid mede dient te dragen, siert beklaagde, maar maakt niet dat het College van oordeel is dat beklaagde op enigerlei tuchtrechtelijk verantwoordelijk gehouden kan worden voor het gegeven advies aan de vader.

3.2.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde geeft onvoldoende inzage in het dossier. Aan klaagster is tijdens het oplossingsgesprek van 30 maart 2017 toegezegd dat zij een overzicht zou krijgen van de mails en contactjournaals van de periode voor 6 januari 2017. In plaats van dat contactjournaals aan klaagster zijn toegezonden, is haar op 7 april 2017 een contactoverzicht toegestuurd. In dit overzicht leest klaagster niet terug wat er met haar is besproken en welke afspraken zijn gemaakt. Beklaagde heeft steeds gezegd dat met klaagster is besproken dat de jongste zoon bij de vader wil wonen en dat er zorgen in de opvoedsituatie bij klaagster waren, dat hierover gemaild is en dat klaagster ondersteuning is geboden. Klaagster stelt dat zij zich dit niet kan herinneren en dit ook niet terug ziet in de door haar opgevraagde contactjournaals. Dit maakt klaagster onzeker en maakt haar aan het twijfelen.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Klaagster heeft het dossier opgevraagd. De dossiers zijn gemaakt op naam van de kinderen. Beide ouders hebben recht op afgifte. Klaagster had zelf geen dossier bij het CJG.

3.3.3

Het College overweegt als volgt:
Het College leest in de overgelegde stukken dat de preventief jeugdwerker aan klaagster naar aanleiding van het gesprek van 30 maart 2017, op diens verzoek, op 7 april 2017 een e-mailcorrespondentie en een lijst heeft toegestuurd met een overzicht van de contactmomenten met klaagster, de vader en de kinderen. Het College is het met klaagster eens dat uit deze lijst niet blijkt wat tijdens deze momenten met de betrokkenen is besproken, het betreft slechts een feitelijk overzicht van de data van contactmomenten. Als reactie hierop vraagt klaagster per e-mailbericht op 12 en 20 april 2017 (nogmaals) aan beklaagde en de preventief jeugdwerker wat inhoudelijk is besproken tijdens deze momenten en dat zij ervan uitgaat dat contactjournaals zijn bijgehouden. Op 25 april 2017 wordt door beklaagde, met de preventief jeugdwerker in de cc van dit bericht, aan klaagster gecommuniceerd dat klaagster niet over de werkaantekeningen kan beschikken. Vervolgens vraagt klaagster om een afschrift van het gehele dossier, dit doet zij per brief aan het CJG d.d. 3 mei 2017. Het dossier wordt na dit verzoek uiteindelijk aan klaagster (en de vader) beschikbaar gesteld. Het College kan uit de stukken niet vaststellen op welke datum dit aan klager beschikbaar is gesteld.
Het bevreemdt het College dat aan klaagster, na meerdere uitdrukkelijke verzoeken hiertoe, in eerste instantie niet het overzicht beschikbaar is gesteld van de contactjournaals of een overzicht van wat inhoudelijk met haar is besproken. Het kan zijn dat werkaantekeningen niet tot het dossier behoren, zoals beklaagde in de mail aangeeft, dit doet echter niet af aan het recht dat klaagster heeft tot inzage en afschrift van het dossier op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, waartoe contactjournaals onderdeel van uitmaken. Een belangrijk uitgangspunt in de hulpverlening is immers openheid richting de cliënt, onderdeel van deze openheid is dat elke cliënt recht heeft om na te kunnen gaan of en zo ja, op welke wijze, gegevens over hem of haar worden verwerkt. Op grond van voornoemd artikel dient de jeugdhulpverlener aan de betrokkene daarom desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van het dossier te verstrekken, of delen daarvan. Deze verstrekking kan slechts achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Van een dergelijke uitzondering is in deze casus niet gebleken, te meer omdat klaagster uiteindelijk, nadat zij vasthield aan haar verzoek, wel een afschrift van het dossier heeft gekregen.
Het College acht de informatieverschaffing aan klaagster op 25 april 2017 betreffende haar rechten aangaande (delen van) het dossier onvolledig, net als het aan klaagster op 7 april 2017 toegestuurde overzicht van contactmomenten. Het College acht deze onvolledige informatieverschaffing aan klaagster niet in lijn met de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de Jeugdwet en is van oordeel dat dit een schending van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker oplevert. Nu uit de stukken blijkt dat zowel beklaagde als de preventief jeugdwerker met klaagster hebben gecommuniceerd aangaande het al dan niet verstrekken van een afschrift van (delen van) het dossier c.q. de contactjournaals, acht het College beide professionals hiervoor verantwoordelijk.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de privacy van klaagster geschonden. Uit de stukken blijkt dat de vader precies hetzelfde dossier als klaagster heeft gekregen. Dit betekent dat de vader ook stukken heeft gekregen die niet voor hem van toepassing zijn, zoals een weergave van het oplossingsgesprek dat klaagster heeft gevoerd met beklaagde en de preventief jeugdwerker op 30 maart 2017.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
In overleg met de gedragswetenschapper is informatie die klaagster of de vader met de hulpverlening gedeeld hadden, maar die ook als belastende informatie tegen de ander gebruikt zou kunnen worden, niet overgedragen. Reden hiervoor is dat de zorgen omtrent de kinderen groot waren en de ‘vechtscheiding’ al acht jaar gaande was. Informatie geven die belastend was voor klaagster of vader, zou meer olie op het vuur zijn en niet in het belang van de kinderen. In de beleving van beklaagde is er geen sprake geweest van schending van privacy en zij geeft aan zeer zorgvuldig te zijn geweest met het delen van informatie.

3.4.3

Het College overweegt als volgt:
Het College is het met klaagster eens dat delen van het dossier, welke slechts betrekking hebben op haar, zoals een weergave van het oplossingsgesprek dat zij gevoerd heeft op 30 maart 2017, niet verstrekt hadden moeten worden aan de vader. Dit vloeit voort uit artikel 7.3.10 van de Jeugdwet waarin is bepaald dat verstrekking van delen van het dossier achterwege blijft voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de privacy van een ander. Dat wil zeggen dat een ouder slechts recht heeft op de gegevens over de ouder zelf, en niet van de andere ouder, naast dat de ouder recht heeft op de gegevens in het kader van de geboden hulpverlening aan de kinderen.
Beklaagde stelt dat, in overleg met de gedragswetenschapper, ervoor gekozen is informatie niet met de andere ouder te delen, wanneer die informatie als belastend voor de ander kan worden ervaren. Het College stelt echter uit de stukken vast dat beide ouders hetzelfde dossier hebben gekregen en verwijst hiervoor naar het overgelegde contactjournaal van 9 mei 2017 waarin het volgende staat: “Dossier wat [klaagster] krijgt, zal [de vader] ook krijgen, zodat beide ouders dezelfde informatie hebben, dit ook na overleg met de gedragswetenschapper [naam] CJG.” Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht tevens erkend dat de ouders hetzelfde dossier hebben ontvangen en dat zowel zij als de gedragswetenschapper het dossier doorgenomen hadden voordat het aan de ouders verstrekt werd. Gelet op deze verklaring en gelet op de functie van beklaagde, acht het College voldoende aannemelijk dat beklaagde binnen de instelling de bevoegdheid had om te besluiten over de samenstelling van het dossier en over welke delen van het dossier aan de ouders verstrekt diende te worden. Voorts staat vast dat aan de vader, als onderdeel van het dossier, in ieder geval een weergave van klaagsters gevoerde oplossingsgesprek van 30 maart 2017 is verstrekt. Nu beklaagde deze weergave niet uit het dossier voor wat betreft de vader heeft verwijderd, acht het College gelet op het vorengaande dit nalaten in strijd met artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en een schending van artikel J (vertrouwelijkheid) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. De weergave van dit oplossingsgesprek heeft volgens het College immers geen betrekking gehad op de geboden hulpverlening aan de kinderen en heeft voorts slechts betrekking op klaagster. Om die reden acht het College het in strijd met genoemde bepalingen dat in het dossier aan de vader een weergave hiervan is verstrekt.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het dossier is onvolledig. Beklaagde werkt niet meer voor het CJG en het CJG bestaat ook niet meer in [plaatsnaam]. Zulks terwijl klaagster veel onbeantwoorde vragen heeft. Volgens de nieuwe medewerker van [stichting] (de opvolger van het CJG) kan zij geen antwoord geven op de vragen van klaagster omdat dit niet terug te vinden is in het dossier.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde geeft aan dat het registratiesysteem waarin het CJG werkte twee mogelijkheden had: het uploaden van documenten en het bijhouden van een logboek. Beklaagde geeft aan dat zij gedaan heeft wat zij kon, om voor een goede overdracht te zorgen ten behoeve van de opvolger bij [stichting]. De preventief jeugdwerker heeft vanuit haar functie het dossier bijgehouden, zoals dat was afgesproken met de gedragswetenschapper en beklaagde.

3.5.3

Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft dossiervorming en het verwerken van persoonsgegevens is het uitgangspunt als volgt. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet is de jeugdhulpverlener verplicht om een dossier in te richten met betrekking tot de jeugdhulpverlening, dit geldt slechts voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Voorts dienen persoonsgegevens op grond van artikel 11 lid 1 en 2 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld en verwerkt, juist, nauwkeurig en ter zake dienend en niet bovenmatig te zijn. Tot slot dient verslaglegging en dossiervorming plaats te vinden conform de beroepsstandaard, gelet op de toelichting van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.
Beklaagde heeft erkend dat er geen volledig dossier is bijgehouden en heeft hier als reden voor gegeven dat het registratiesysteem beperkt is geweest. Alhoewel het systeem wellicht beperkt was, is het College van oordeel dat blijkens de stukken het systeem afdoende was om een volledig dossier op te kunnen bouwen door middel van het zorgvuldig en volledig bijhouden van het genoemde logboek. Het had volgens het College op de weg van zowel beklaagde als de preventief jeugdwerker, ondanks de door beklaagde genoemde interne afspraak hierover, gelegen om onder meer gespreksverslagen en e-mailcorrespondentie in het logboek op te nemen, waarvan klaagster voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat dit niet (volledig) is gebeurd, hetgeen beklaagde niet heeft betwist. De overgelegde stukken lezende, is het College het met klaagster eens dat door deze wijze van dossiervorming een eenzijdig beeld in het dossier is ontstaan, waarin klaagsters visie onvoldoende naar voren komt. Het College concludeert dat de dossiervorming niet heeft plaatsgevonden conform de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de jeugdwet en is van oordeel dat dit een schending is van artikel M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, gelet op voornoemde toelichting behorend bij dit artikel.

3.5.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.6

Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Op 17 november 2016 spreekt de preventief jeugdwerker in een e-mailbericht, met beklaagde in de cc van dit bericht, over het sluiten van het dossier, terwijl vervolgens de situatie in december 2016 escaleert doordat de jongste zoon bij de vader gaat wonen. Klaagster meent dat beklaagde hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde geeft aan dat het haar niet precies duidelijk is wat klaagster bedoelt. De preventief jeugdwerker en beklaagde hebben er alles aan gedaan om ouders in contact met elkaar te brengen om de zorgen van en over de kinderen te bespreken en een hulpverleningstraject te starten. Bij de beslissingen werd, waar nodig, de gedragswetenschapper betrokken.

3.6.3

Het College overweegt als volgt:
Het College overweegt dat beklaagde bij SKJ geregistreerd is sinds [registratiedatum] 2016. Het handelen van beklaagde in dit klachtonderdeel heeft betrekking op een e-mailbericht van 17 november 2016. Omdat het handelen zich aldus heeft afgespeeld voor de registratiedatum van beklaagde, verklaart het College klaagster niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

3.6.4

Het College verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel.

3.7

Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar onheus bejegend heeft door haar als handelingsonbekwaam weg te zetten. Waarop is het beeld dat beklaagde schetst van klaagster gebaseerd? Beklaagde zegt dat zij het echt met klaagster besproken heeft, maar dit is nergens terug te vinden in het dossier. Klaagster is door beklaagde ontzettend slecht en onprofessioneel behandeld.

3.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde geeft aan dat zij in de samenwerking met klaagster altijd een respectvolle omgang heeft nagestreefd. Beklaagde heeft naar haar visie en kant van het verhaal geluister, zij heeft geprobeerd zich te verplaatsen in haar situatie en heeft haar altijd serieus genomen. Beklaagde geeft aan dat zij zag dat klaagster angstig en wantrouwend was over de bedoelingen van de vader. Juist om die reden stelt beklaagde veel tijd gestoken te hebben in een goede samenwerkingsrelatie. Openheid en transparantie zijn daarvoor noodzakelijk. Beklaagde erkent dat zij de kinderen wel eens uit de wind heeft gehouden als zij zeiden dat zij iets niet durfden te vertellen. Beklaagde sprak dan af om het samen met hen en ouders te bespreken. Beklaagde vindt het naar om te lezen dat klaagster zich slecht behandeld voelt door haar.

3.7.3

Het College overweegt als volgt:
Het College stelt allereerst vast dat reeds onder klachtonderdeel IV geoordeeld is dat een eenzijdig beeld in het dossier is ontstaan, waarin klaagsters visie onvoldoende naar voren is gekomen. Het College kan begrijpen dat klaagster zich door dit handelen onheus bejegend voelt. Nu hierover echter al een oordeel is gegeven, zal het College dit niet meenemen voor de beoordeling van dit klachtonderdeel.
Voor het overige heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, tezamen met de preventief jeugdwerker, getracht heeft zowel klaagster, de vader als de kinderen mee te nemen in het traject van de hulpverlening. Hetgeen, gelet op de vaak tegenstrijdige belangen van de betrokkenen en de gebeurtenissen die plaatsvonden in december 2016, niet altijd even makkelijk was. Daarnaast leidt het College uit de overgelegde stukken af dat met de betrokkenen veelvuldig contact is geweest. Tot slot heeft het College er oog voor dat klaagster zelf niet altijd openstond voor de aangeboden hulpverlening, hetgeen de samenwerking ook heeft bemoeilijkt. Het College concludeert dat beklaagde, voor wat betreft de bejegening naar klaagster, dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

3.7.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.8

Conclusie

3.8.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen II, III en IV een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klaagster is onvolledig geïnformeerd betreffende haar recht op afschrift van het dossier en is aan haar op 7 april 2017 een onvolledig overzicht van contactmomenten toegestuurd. Daarnaast heeft beklaagde, voor wat betreft het dossier van de vader, nagelaten om in ieder geval de weergave van klaagsters gevoerde oplossingsgesprek van 30 maart 2017 te verwijderen. Tot slot is volgens het College sprake geweest van onvoldoende dossiervorming, waardoor een eenzijdig beeld is ontstaan waarin klaagsters visie onvoldoende is vastgelegd.
Het College heeft echter oog voor de context waarin beklaagde werkzaam is geweest, namelijk een nieuwe organisatie waarin kaders onvoldoende aanwezig bleken te zijn. Voorts heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht blijk gegeven van voldoende reflecterend vermogen en aangegeven dat zij in het vervolg ervoor zou kiezen om een casus niet op te pakken wanneer daar, gelet op de werkdruk, onvoldoende de tijd voor is.
Gelet op het verwijtbaar handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen, maar de context van de instelling en het reflecterend vermogen van beklaagde in ogenschouw genomen, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I en VI ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen II, III en IV gegrond;
– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel V;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 8 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris