Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdprofessional over het verschaffen van onjuiste informatie over de schoolovergang van het kind en het ten onrechte sluiten van het dossier.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot.

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugd- en gezinswerker bij [instelling], locatie [woonplaats], hierna te noemen: [instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, werkzaam bij [naam bedrijf].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 14 november 2017,

– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 13 december 2017,

– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 31 januari 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018 in aanwezigheid van beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder aan de zijde van beklaagde is aanwezig geweest [toehoorder], directeur van [instelling].

1.3

Klager heeft op 14 maart 2018 aan het College kenbaar gemaakt niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling, omdat, zo heeft het College begrepen, klager geen tolk heeft kunnen vinden die hem ter zitting bij zou kunnen staan. Het College heeft hierin geen aanleiding gezien om mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden.

1.4

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan beklaagde medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden. Klager is hiervan per e-mail op de hoogte gesteld.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is de vader van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010.

2.2

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder. [minderjarige] woont bij klager en de moeder.

2.3

Vanaf 22 maart 2016 heeft beklaagde aan het gezin van klager hulp verleend. Beklaagde heeft het gezin van klager, onder meer, ondersteuning geboden bij de samenwerking met de school van [minderjarige].

2.4

In oktober 2016 is [minderjarige] overgeplaatst naar een speciaal basisonderwijs klas, hierna te noemen: SBO-klas. Deze SBO-klas valt onder het reguliere basisonderwijs.

2.5

In december 2016 is [minderjarige] van de SBO-klas overgeplaatst naar een basisschool voor speciaal onderwijs. De school heeft gesprekken gevoerd met klager en beklaagde over de beslissing om [minderjarige] over te plaatsen naar een andere basisschool.

2.6

Op 20 december 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen klager en een collega van beklaagde. Tijdens dit gesprek heeft klager aangegeven dat hij geen hulp meer wilt ontvangen van beklaagde.

2.7

Op 28 februari 2017 heeft beklaagde een brief aan klager toegezonden, waarin zij aangeeft dat het dossier zal worden gesloten.

2.8

Op 26 september 2017 heeft er een klachtgesprek plaatsgevonden met klager, de directeur van [instelling], een adviseur van de klachtencommissie, een lid van de klachtencommissie en een vertaler. Beklaagde is niet aanwezig geweest bij dit gesprek.

2.9

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2016 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het College heeft uit het klaagschrift van klager, dat in vertaalde vorm is ingediend, begrepen dat klager beklaagde, in de kern, verwijt dat zij klager onjuiste informatie heeft gegeven over de schoolovergang van [minderjarige] en ten onrechte het dossier heeft gesloten.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft klager misleid. Beklaagde heeft de indruk gewekt dat [minderjarige] alleen naar een andere school moest om aldaar Nederlands te leren. Klager meent dat er van een taalbarrière geen sprake kan zijn geweest, omdat tijdens de gesprekken met school een tolk aanwezig is geweest.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft aan school kenbaar gemaakt dat zij verantwoordelijk zijn voor de beslissing om [minderjarige] over te plaatsen naar een basisschool voor speciaal onderwijs en klager en de moeder hierover te informeren. Beklaagde heeft ook telkens aan school aangegeven dat dit niet haar verantwoordelijkheid is. Tijdens de gesprekken met klager en school heeft beklaagde klager willen ondersteunen. Naar de mening van beklaagde zijn de gesprekken niet goed verlopen doordat de orthopedagoge, die tijdens het gesprek aanwezig was, onvoldoende in staat was om concreet te benoemen welk gedrag van [minderjarige] aanleiding had gegeven tot de beslissing dat [minderjarige] naar het speciaal onderwijs moest. Beklaagde heeft herhaaldelijk om voorbeelden gevraagd. De visie van school dat [minderjarige] van de SBO-klas overgeplaatst moest worden naar een basisschool voor speciaal onderwijs heeft beklaagde, evenals klager, niet kunnen voorzien. Beklaagde is zich bewust geweest van mogelijke problemen als gevolg van de culturele- en taalproblemen. Beklaagde heeft om deze reden regelmatig geprobeerd om, via de tolk, na te gaan of alles duidelijk was voor klager en of hij nog vragen had. Tijdens de gesprekken met beklaagde over de wisseling van de school heeft zij nooit iets gemerkt van onrust, onbegrip of weerstand over de gang van zaken. Achteraf gezien realiseert beklaagde zich dat het beter was geweest om de taalproblemen wel ter sprake te brengen en zij mogelijk te voorzichtig is geweest in het bespreken van de zorgen over [minderjarige]. Als deze conclusie door klager wordt gedeeld, biedt zij hier haar excuses voor aan. Wel meent beklaagde dat zij is gebleven binnen de grenzen van professioneel handelen.

3.2.3

Het College overweegt dat klager en beklaagde een verschillende beleving hebben over hoe de gesprekken op school zijn verlopen. Klager meent dat er geen sprake is geweest van een taalbarrière, omdat er een tolk bij de gesprekken aanwezig is geweest. Beklaagde heeft, in aanvulling op haar verweerschrift, ter zitting aangevoerd dat het ingewikkeld is om te achterhalen op welke wijze een tolk een gesprek vertaalt. Hoewel het College niet kan vaststellen of de tolk de inhoud van de gesprekken correct heeft overgebracht aan klager, heeft het College in het dossier geen aanknopingspunten gevonden die leiden tot de conclusie dat beklaagde klager tijdens de gesprekken op school heeft misleid. Het College neemt hierbij in de aanmerking dat beklaagde, zoals zij ook heeft gesteld, niet verantwoordelijk is geweest voor de beslissing om [minderjarige] over te plaatsen naar een andere school. Het College is van oordeel dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen om klager duidelijk te maken wat haar rol is geweest en klager te ondersteunen tijdens de gesprekken op school.

3.2.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft zich voorgedaan alsof zij kinderarts was.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het verwijt van klager is niet onderbouwd, waardoor beklaagde zich hiertegen niet kan verweren. In de beleving van beklaagde was het voor klager duidelijk dat zij als jeugd- en gezinswerker van [instelling] betrokken was bij het gezin.

3.3.3

Het College is van oordeel dat klager dit klachtonderdeel onvoldoende heeft onderbouwd. De stelling van klager dat beklaagde zich heeft voorgedaan alsof zij kinderarts was, heeft het College dan ook niet kunnen vaststellen.

3.3.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft ten onrechte het dossier gesloten, omdat klager geen hulp van [instelling] meer zou willen ontvangen. Klager heeft tijdens het gesprek op 20 december 2016 slechts aangegeven dat hij geen hulp meer wenste van beklaagde, maar wel van een andere hulpverlener van [instelling]. Klager heeft voorts geen bericht ontvangen dat het dossier was gesloten door beklaagde.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde is niet aanwezig geweest bij het gesprek op 20 december 2016. Na dit gesprek heeft beklaagde getracht om, via een vrijwilliger die ook betrokken was bij het gezin, het contact met klager te herstellen. Van de vrijwilliger heeft beklaagde toen vernomen dat klager van een ander hulpaanbod gebruik maakte. Hulpverlening vanuit [instelling] leek hierdoor niet meer nodig en gewenst te zijn. De beslissing om het dossier te sluiten heeft beklaagde ook meerdere keren met collega’s besproken. Beklaagde heeft vervolgens op 28 februari 2017 een afsluitende brief aan klager toegezonden. In de afsluitende brief heeft beklaagde klager proberen duidelijk te maken dat hij altijd weer contact mocht opnemen als hij voortzetting van de hulp wilde. Beklaagde heeft deze brief persoonlijk bij klager in de brievenbus gedaan.

3.4.3

Het College stelt vast dat klager tijdens het gesprek op 20 december 2016 heeft aangegeven dat hij geen hulp meer wenste te krijgen van beklaagde. Uit de afsluitende brief is het College gebleken dat klager andere hulp ontving voor [minderjarige]. Beklaagde heeft voorts aangevoerd dat zij overleg heeft gehad met haar collega’s over het sluiten van het dossier. Gelet op het voorgaande acht het College de beslissing van beklaagde om het dossier te sluiten navolgbaar. Voor zover klager beklaagde verwijt dat hij de afsluitende brief niet heeft ontvangen, overweegt het College als volgt. Het College constateert dat de versies van klager en beklaagde elkaar tegenspreken. Klager stelt dat hij de afsluitende brief niet heeft ontvangen. Beklaagde heeft daarentegen gesteld dat zij de brief bij klager in de brievenbus heeft gedaan. Uit de door klager overgelegde e-mailcorrespondentie met een collega van beklaagde, de samenvatting van het klachtgesprek d.d. 26 september 2017 en het verweer van beklaagde is het College voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde de afsluitende brief op 28 februari 2017 aan klager heeft toegezonden c.q. persoonlijk heeft afgegeven. Ten overvloede merkt het College hierbij op dat het de aanbeveling verdient om brieven per aangetekende post of per e-mail te verzenden, zodat er geen onenigheid kan ontstaan omtrent de vraag of een brief is verzonden.

3.4.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is de primaire oorzaak geweest van alle volgende problemen met andere instellingen. Zij heeft een rapport opgesteld, waarin zij aangeeft dat [minderjarige] niet naar school gaat, klager weigert mee te werken en de resultaten van het medische onderzoek verwerpt. Dit rapport is ingediend bij Veilig Thuis.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde is niet betrokken geweest bij de melding bij Veilig Thuis. Dit is door een collega van beklaagde gedaan, nadat de betrokkenheid van beklaagde al officieel was afgesloten. Tussen de afsluiting van het dossier door beklaagde en de melding bij Veilig Thuis zit een geruime periode, waarin zij op geen enkele wijze betrokken was bij het gezin van klager. Ook is zij niet door haar collega betrokken bij de beslissing om een melding bij Veilig Thuis te gaan doen, en is zij evenmin betrokken geweest bij de totstandkoming van de inhoudelijke melding.

3.5.3

Uit de door klager overgelegde samenvatting van het klachtgesprek d.d. 26 september 2017 en hetgeen beklaagde heeft aangevoerd is het College gebleken dat beklaagde niet meer betrokken was bij het gezin van klager ten tijde van het indienen van de melding bij Veilig Thuis. Beklaagde kan dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

3.5.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft ‘in spotternij’ gehandeld en ze heeft klager genegeerd.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betreurt het als klager het gevoel heeft gehad dat zij hem niet met respect heeft behandeld. Dit is nooit de intentie van beklaagde geweest. Zij had en heeft nog steeds respect voor klager en heeft zich er hard voor gemaakt om klager en de moeder van [minderjarige] te begrijpen en tegemoet te komen.

3.6.3

Het College overweegt dat klager dit klachtonderdeel niet met feiten en stukken heeft onderbouwd. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen dat beklaagde een verwijt treft, zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.6.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4 De beslissing

In zijn algemeenheid wil het College nog het volgende opmerken. Gezien de taalachtergrond van klager was (rechtstreekse) communicatie met hem, al dan niet ondersteund door een tolk, lastig. Niettemin hoopt het College de klachten van klager goed geïnterpreteerd te hebben. Alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 9 mei 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder
voorzitter

mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten
secretaris