Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdbeschermer over partijdigheid, handelen in strijd met uitspraken van de kinderrechter en het niet bevorderen van contactherstel met de minderjarige.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A.T.E. van Dijk, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [plaatsnaam],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. R.A.A.H. van Leur, werkzaam bij als advocaat te Dordrecht.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 31 oktober 2017,
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 26 november 2017,
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 28 november 2017,
– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 6 februari 2018,
– de door klaagster tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 16 april 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [toehoorder], directeur van de GI.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van de kinderen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2005, en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2008, gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2.2

Klaagster en de vader zijn feitelijk vanaf 2014 uit elkaar. Op 31 mei 2016 is door de rechtbank de echtscheiding uitgesproken.

2.3

Klaagster en de vader oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

2.4

Beklaagde is vanaf oktober 2015, in het drangkader, betrokken bij klaagster en haar gezin.

2.5

Sinds 1 februari 2016 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI.

2.6

Op 4 januari 2017 heeft beklaagde een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader, en gelijke omgang ingediend. Bij beschikking van 17 januari 2017 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 1 februari 2018 en is de omgang met de vader uitgebreid. Het verzoek van beklaagde is aangehouden, omdat eerst het traject Kinderen Uit De Knel diende te worden gevolgd.

2.7

Op 14 februari 2017 is [minderjarige 1], na een intakegesprek bij Kinderen Uit De Knel, met de vader mee naar huis gegaan. [minderjarige 1] verblijft vanaf dat moment, met toestemming van beklaagde, bij de vader. Sindsdien is er beperkt tot geen contact tussen klaagster en [minderjarige 1].

2.8

Op 15 maart 2017 heeft er een klachtgesprek plaatsgevonden met de gebiedsmanager, beklaagde, klaagster en haar advocaat.

2.9

Op 15 mei 2017 heeft beklaagde een schriftelijke aanwijzing aan klaagster gegeven, waarin is opgenomen dat klaagster gezinsbegeleiding dient te accepteren.

2.10

Op 8 juni 2017 is het traject ‘Kinderen Uit De Knel’ afgesloten. Het traject heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. [minderjarige 1] blijft bij de vader wonen.

2.11

Bij beschikking van 7 augustus 2017 is voor [minderjarige 1] door de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing afgegeven en wordt zij geplaatst bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling. [minderjarige 2] blijft haar hoofdverblijfplaats bij klaagster houden.

2.12

Op 21 augustus 2017 heeft klaagster op school met [minderjarige 1] contact gehad. Op 22 augustus 2017 wordt [minderjarige 1] overgeplaatst naar een school in een andere plaats.

2.13

Op 17 november 2017 heeft beklaagde een verzoek tot spoeduithuisplaatsing van [minderjarige 2] ingediend, in verband met zorgen over de veiligheid van [minderjarige 2] bij klaagster. [minderjarige 2] verblijft sindsdien bij de vader.

2.14

Beklaagde is geregistreerd als jeugdzorgwerker bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ, sinds [datum] 2014.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster verwijt beklaagde, in de kern, dat hij onvoldoende transparant is geweest en niet in teamverband heeft gewerkt. Klaagster meent dat beklaagde artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), artikel D (bevorderen van het vertrouwen in jeugdzorg), artikel E (respect), artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), artikel M (verslaglegging/dossiervorming), artikel N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) en artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden.

3.1.4

Op grond van het klaagschrift met bijlagen en de mondelinge behandeling heeft het College kunnen opmaken dat klaagster zeven klachtonderdelen heeft geformuleerd. Vanwege de samenhang worden hierna klachtonderdelen I en II gezamenlijk besproken en beoordeeld. Klaagster heeft hiermee tijdens de mondelinge behandeling ingestemd. Klachtonderdelen III, IV, V, VI en VII worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.1 Klachtonderdeel I en II

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft geen enkele inzet getoond om contactherstel tussen [minderjarige 1] en klaagster te realiseren. Hij heeft gehandeld in strijd met de uitspraken van de kinderrechter.

Toelichting:
Beklaagde heeft sinds 14 februari 2017 ondanks diverse toezeggingen geen plan tot contactherstel opgesteld tussen [minderjarige 1] en klaagster, omdat, zoals beklaagde stelt, [minderjarige 1] dat niet zou willen. Op 15 februari 2017 heeft de schoolmaatschappelijk werkster er bij beklaagde op aangestuurd ‘dat [beklaagde] direct een afspraak in zou plannen met [minderjarige 1] en [klaagster]’. Beklaagde heeft hierop gereageerd ‘dat hij daar helemaal geen tijd voor heeft’. Het team van Kinderen uit de Knel heeft voorts aangegeven ‘dat zij het belangrijk vinden dat er op korte termijn (begeleid) contactherstel tussen [minderjarige 1] en [klaagster] kan plaatsvinden’. Kinderen uit de Knel heeft tevens opgemerkt dat ‘ook de inzet van de gezinsvoogd niet heeft bijgedragen aan het beoogde effect van het programma’.
Op 7 augustus 2017 heeft de kinderrechter bepaald ‘dat er gezinsbegeleiding bij [klaagster] thuis zal plaatsvinden en wel om op een zo’n kort mogelijke termijn te werken aan het herstellen van het contact tussen [minderjarige 1] en [klaagster]’. Alle concrete mogelijkheden die klaagster heeft gegeven om, onder begeleiding, iets leuks te gaan doen met [minderjarige 1], als een eerste stap naar contactherstel en om een positief signaal naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te geven, zijn afgewezen door beklaagde. Op 11 oktober 2017 heeft beklaagde, bijvoorbeeld, aan klaagster een e-mailbericht gestuurd waarin hij stelt: ‘De therapeute is voor mij op dit moment leidend in wat [de gezinscoaches] nu op dit stukje kunnen betekenen. Dus in de herfstvakantie zal er nog geen contact zijn’. Tot slot heeft beklaagde op 16 oktober 2017, direct na de start van de gezinsbegeleiding, aan de gezinscoaches aangegeven ‘pas op de plaats te laten maken met betrekking tot contactherstel’.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Ten aanzien van het gesprek op 15 februari 2017 voert beklaagde aan dat hij geen uitspraak heeft gedaan dat hij geen tijd zou hebben om een afspraak met [minderjarige 1] en klaagster in te plannen. Klaagster lijkt ook te willen suggereren dat beklaagde en de medewerkers van Kinderen uit de Knel geen goed contact met elkaar zouden hebben. Dit is echter onjuist. Tussen beklaagde en de medewerkers van Kinderen uit de Knel bestond een prima contact. Voor het contactherstel tussen klaagster en [minderjarige 1] is het van belang dat [minderjarige 1] zich veilig voelt in het contact met klaagster. [minderjarige 1] is heel standvastig in haar mening dat zij geen contact met klaagster wil. Zulks heeft [minderjarige 1] ook tot tweemaal toe aangegeven bij de kinderrechter. Beklaagde kan [minderjarige 1] niet dwingen contact te hebben met klaagster. Ondanks de wens van [minderjarige 1] om geen contact te hebben met klaagster, heeft beklaagde, in tegenstelling tot wat klaagster stelt, meerdere acties ondernomen om tot contactherstel te komen. Beklaagde heeft zelf gesprekken met [minderjarige 1] gehad, en [minderjarige 1] heeft gesproken met een collega van beklaagde. Zij heeft tegen deze collega ook uitgesproken geen contact te willen. In oktober 2017 is daarom contact gelegd met een GZ-psycholoog, hetgeen als doel traumaverwerking en contactherstel had. De GI heeft hierbij gesteld dat met betrekking tot het contactherstel de aanwijzingen van de GZ-psycholoog leidend zouden zijn. Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met uitspraken van de kinderrechter voert beklaagde het volgende aan. Klaagster heeft de beschikking d.d. 7 augustus 2017 foutief geciteerd. In de beschikking is opgenomen: ‘De kinderrechter hecht er waarde aan vast te stellen dat partijen ter zitting hebben afgesproken dat er gezinsbegeleiding bij [klaagster] thuis zal gaan plaatsvinden en wel op een zo kort mogelijke termijn, ook om te werken aan het herstellen van het contact tussen [minderjarige 1] en [klaagster]’. Het woordje ‘ook’ is in deze zeer relevant en laat klaagster in haar citaat weg. Beklaagde heeft verzocht om gezinsbegeleiding teneinde te observeren op de veiligheid voor [minderjarige 2] bij klaagster thuis en om te werken aan contactherstel tussen [minderjarige 1] en klaagster. Klaagster heeft hier echter geen akkoord voor gegeven, waarna beklaagde een schriftelijke aanwijzing aan klaagster heeft gegeven. Tevens staat in de beschikking te lezen dat de kinderrechter een groot belang hecht aan een onderzoek door het [instelling], hierna te noemen: [onderzoek]. Klaagster wenste echter niet mee te werken aan een dergelijk onderzoek.

3.2.3

Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde op 15 februari 2017 heeft gezegd dat hij geen tijd heeft om een afspraak met [minderjarige 1] en klaagster in te plannen overweegt het College dat klaagster dit niet met feiten heeft onderbouwd. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen dat beklaagde een verwijt treft, zodat dit gedeelte van het klachtonderdeel ongegrond is.
Het College constateert voorts dat klaagster, de vader en de kinderen van maart tot en met juni 2017 hebben deelgenomen aan het traject Kinderen uit de Knel. In de verklaring van deelname is het volgende opgenomen ‘Ouders blijven elkaar van mishandeling in verleden en heden beschuldigen en voor zover het team heeft kunnen waarnemen heeft ook de maatregel OTS en de inzet van de gezinsvoogd niet bijgedragen aan het beoogde effect van het programma. [..] Het team Kinderen uit de Knel geeft de ouders mee dat zij het belangrijk vinden dat er op korte termijn (begeleid) herstel van contact tussen [minderjarige 1] en [klaagster] plaats kan vinden.’ Het is het College gebleken dat beklaagde op 15 mei 2017 een schriftelijke aanwijzing aan klaagster heeft gegeven, waarin is opgenomen dat klaagster gezinsbegeleiding dient te accepteren teneinde het contact tussen klaagster en [minderjarige 1] te herstellen. De schriftelijke aanwijzing is derhalve gegeven tijdens het traject bij Kinderen uit de Knel. Zoals beklaagde ook heeft aangegeven, is in de beschikking d.d. 7 augustus 2017 het volgende opgenomen: ‘De kinderrechter hecht er waarde aan vast te stellen dat partijen ter zitting hebben afgesproken dat er gezinsbegeleiding bij [klaagster] thuis zal gaan plaatsvinden en wel op een zo kort mogelijke termijn, ook om te werken aan het herstellen van het contact tussen [minderjarige 1] en [klaagster]’. Het College stelt vast dat klaagster, blijkens de gegeven schriftelijke aanwijzing en de beschikking d.d. 7 augustus 2017, aanvankelijk niet heeft meegewerkt aan gezinsbegeleiding teneinde het contact tussen klaagster en [minderjarige 1] te herstellen. Ten aanzien van het door beklaagde genoemde [onderzoek] heeft klaagster tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet heeft meegewerkt met dit onderzoek, omdat zij niet achter de vraagstelling van het onderzoek stond. Gelet op het voorgaande en hetgeen beklaagde in zijn verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd komt het College tot het oordeel dat beklaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij inzet heeft getoond om contactherstel tussen klaagster en [minderjarige 1] te realiseren. Het College neemt hierbij in aanmerking dat klaagster aanvankelijk niet heeft meegewerkt aan de gezinsbegeleiding en er geen overeenstemming bestond over het [onderzoek]. Tot slot is het College, uit de e-mailberichten d.d. 11 oktober en 16 oktober 2017, gebleken dat beklaagde het oordeel van de therapeute omtrent het contactherstel tussen [minderjarige 1] en klaagster leidend heeft laten zijn. Het College overweegt dat het belang van het kind, bij het streven naar contactherstel tussen een ouder en kind, voorop dient te staan. De overweging van beklaagde om het oordeel van de therapeute leidend te laten zijn, en om die reden geen contactmoment tussen klaagster en [minderjarige 1] in te plannen, acht het College dan ook navolgbaar. Alles overwegende kan beklaagde naar het oordeel van het College ten aanzien van klachtonderdeel I en II geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

3.2.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.3 Klachtonderdeel III

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is zijn professionele afstand / onpartijdigheid verloren.

Toelichting:
Beklaagde geeft in zijn verzoekschrift tot uithuisplaatsing alleen zijn eigen mening weer. Informatie van derden, gespreksverslagen met de kinderen en inzet van hulpverlening ontbreken allemaal. Dit is in strijd met artikel 3.3 van de Jeugdwet. Beklaagde heeft op 18 oktober 2017 het door de gezinscoaches voorgestelde ‘grote overleg’ afgewezen. Voorts gaat beklaagde tegen de uitdrukkelijke adviezen van school in, door toe te staan dat de vader op 22 augustus 2017 [minderjarige 1] op een andere school in een andere woonplaats heeft geplaatst. Beklaagde heeft psychische hulp voor [minderjarige 1] tegengehouden, terwijl de in juli 2016 uitgevoerde gedragsonderzoeken deze hulp rechtvaardigen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster aangegeven dat beklaagde de vragen ten behoeve van het [onderzoek] suggestief heeft geformuleerd. Beklaagde heeft ook verwijsbrieven voor [minderjarige 1] (en [minderjarige 2]) van de huisarts en kinderarts in mei 2015 ter zijde geschoven. Beklaagde heeft de schijn gewekt dat hij de visie van hulpverleners, die zijn mening niet ondersteunen, negeert. Ook heeft beklaagde in een brief aan de schoolmaatschappelijk werkster op 13 september 2017 gesteld dat er een contactverbod is uitgesproken tussen klaagster en [minderjarige 1]. Dit is feitelijk onjuist. Tot slot is tijdens de zitting in november 2017 duidelijk geworden dat beklaagde geen acht slaat op de inbreng van klaagster.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde herkent zich niet in het beeld dat klaagster van hem schetst. In algemene zin heeft beklaagde opgemerkt dat de kinderrechter op 7 augustus 2017 en 6 december 2017 de machtiging uithuisplaatsing van respectievelijk [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft verleend. Blijkbaar vonden de kinderrechters dat de uithuisplaatsing geïndiceerd was. Ten aanzien van het grote overleg heeft beklaagde slechts aangegeven dat het eerst van belang is dat klaagster en de vader weer in staat zijn om overleg met elkaar te kunnen hebben, omdat een groot overleg dan meer kans van slagen heeft.
Voorts heeft beklaagde aangevoerd dat school het helemaal eens was met de overplaatsing van [minderjarige 1], daar dit rust zou brengen. Tijdens een gesprek op 15 februari 2017 heeft het hoofd van de school ook aangegeven dat zij last ondervindt van klaagster, omdat zij iedereen in haar strijd wil betrekken. Tot slot is van het tegenhouden van hulp door beklaagde geen sprake. Beklaagde heeft geprobeerd het [onderzoek] te starten naar aanleiding van de door klaagster genoemde onderzoeken. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat ten behoeve van het [onderzoek] gebruik wordt gemaakt van een standaard vraagstelling. De vader is akkoord gegaan met het [onderzoek], maar klaagster heeft dit onderzoek tot tweemaal toe tegenhouden. Het is beklaagde tot slot niet duidelijk op welk briefing aan de schoolmaatschappelijk werkster klaagster doelt.

3.3.3

Het College overweegt dat klaagster dit klachtonderdeel niet heeft onderbouwd met relevante stukken. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen dat beklaagde een verwijt treft, zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.3.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De stappen van beklaagde zijn niet toetsbaar.

Toelichting:
Beklaagde laat niet zien wat hij doet en klaagster wordt te weinig geïnformeerd over wat hij aan het doen is in het contact met [minderjarige 1]. Beklaagde heeft gesteld dat er twee jeugdbeschermers en een schoolmaatschappelijk werkster met [minderjarige 1] hebben gesproken, zonder dat daarvan enige verslaglegging aan klaagster is verstrekt. Wie met [minderjarige 1] hebben gesproken, in welke setting en op welke datum is niet met klaagster gedeeld. [minderjarige 1] zou aan deze personen hebben aangegeven dat zij zou zijn mishandeld door klaagster. Gezien de aard en inhoud van de gesprekken, mag verwacht worden dat er een gedegen verslag is gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster aangegeven dat zij beklaagde meerdere malen heeft verzocht om een afschrift van de contactjournaals.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

De stappen van beklaagde zijn wel degelijk toetsbaar. Alle kernbeslissingen worden in een multidisciplinair overleg genomen en worden ook als zodanig in het systeem geregistreerd. Klaagster is voor beklaagde nauwelijks bereikbaar. Zij neemt haar telefoon niet op als beklaagde haar belt en het is lastig om gesprekken in te plannen. Ten aanzien van het gesprek met de schoolmaatschappelijk werkster voert beklaagde aan dat deze mondeling aan klaagster zijn teruggekoppeld. Het gesprek met de collega jeugdbeschermer is door beklaagde zelf teruggekoppeld aan klaagster, vanwege werkdruk van de collega. In een eerder stadium heeft een andere collega jeugdbeschermer contact met de kinderen gehad en vond terugkoppeling van deze gesprekken hetzij telefonisch, hetzij per
e-mail plaats. Klaagster is derhalve wel degelijk geïnformeerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde aangevoerd dat klaagster nooit om een afschrift van de contactjournaals heeft gevraagd.

3.4.3

Het College constateert op basis van de door beklaagde overgelegde contactjournaals dat er gesprekken zijn geweest met [minderjarige 1]. Het is het College echter uit de stukken niet gebleken dat klaagster om een afschrift van deze contactjournaals heeft verzocht. Het verwijt van klaagster dat beklaagde zich niet toetsbaar heeft opgesteld, heeft het College dan ook niet kunnen vaststellen.

3.4.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.5 Klachtonderdeel V

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde informeert ouders niet in dezelfde mate.

Toelichting:
Beklaagde heeft klaagster op 4 januari 2017 ‘even een mailtje’ gestuurd om haar te informeren ‘dat hij een schrijven naar de rechtbank gestuurd heeft om op de zitting van de OTS [ondertoezichtstelling] meteen de omgangsregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te herzien’. Klaagster heeft uit dit e-mailbericht opgemaakt dat er al langere tijd overleg met de vader moet zijn geweest, nu beklaagde moet hebben overlegd met de vader of de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zouden kunnen hebben. Voorts heeft beklaagde op 10 oktober 2017 een groepsmail gestuurd met de tekst: ‘Gisteren heb ik met vader een oriënterend gesprek gehad met een therapeute die aan de slag gaat met [minderjarige 1]’. Beklaagde passeert hiermee klaagster en wil in eerste instantie de contactgegevens van de therapeute niet vrijgeven. Klaagster heeft getracht tot een verbetering van de verhouding met beklaagde te komen en heeft tweemaal een gesprek aangevraagd met beklaagde en de teamleider. Beide keren heeft dat niet geleid tot een constructieve samenwerking.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beide kinderen hebben sinds begin 2016 aan beklaagde aangegeven dat zij gelijke omgang met de vader en klaagster willen. Klaagster hield dit steeds af door te stellen dat de vader zulks bij de kinderen had ingeprent. [minderjarige 1] heeft beklaagde verteld dat klaagster hen probeert te beïnvloeden voordat ze een gesprek met hem hebben en dat klaagster negatief over de vader praat. Dit is derhalve de reden geweest dat beklaagde de rechtbank heeft gevraagd om de omgangsregeling en hoofdverblijfplaats van de kinderen te herzien. Voorts heeft beklaagde aangevoerd dat klaagster geenszins is gepasseerd. Klaagster is door de beoogde therapeut uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek en voor het verkrijgen van toestemming. Tot slot is het juist dat getracht is te komen tot een verbetering van de verstandhouding. Het door klaagster genoemde gesprek hield echter in dat klaagster gedurende een kwartier beschuldigingen aan het adres van beklaagde uitte, totdat de gebiedsmanager klaagster stopte en heeft geprobeerd tot een gesprek te komen. Tot een verbetering van de verstandhouding heeft dit helaas niet geleid.

3.5.3

Het College overweegt als volgt. Beklaagde heeft het door klaagster gestelde gemotiveerd betwist. Het College constateert dat in het door klaagster overgelegde e-mailbericht d.d. 4 januari 2017, in aanvulling op hetgeen klaagster heeft gesteld, ook het volgende is opgenomen: ‘Ik realiseer me dat dit voor jou een klap is, maar ik volg de wens van de kinderen bij de vraag om een gelijke verdeling van de omgang’. Uit het e-mailbericht is het College gebleken dat beklaagde, zoals hij ook heeft aangevoerd, de wens van de kinderen leidend heeft laten zijn. Het College heeft in de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken geen aanknopingspunten gevonden die het College overtuigen dat beklaagde, klaagster en de vader niet in dezelfde mate heeft geïnformeerd. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat beklaagde met betrekking tot het gestelde niet onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.5.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.6 Klachtonderdeel VI

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde misbruikt zijn macht(spositie) ten opzichte van / oefent onevenredige druk uit op de kinderen.

Toelichting:
Beklaagde heeft [minderjarige 1] WhatsApp berichten gestuurd, waarbij klaagster het gevoel krijgt dat beklaagde [minderjarige 1] onder druk zet om voor haar vader te kiezen. Op 11 november 2016 heeft beklaagde aan [minderjarige 1] gestuurd: ‘Hoi [minderjarige 1], ik heb gisteren tegen [klaagster] gezegd dat jullie voortaan van donderdag tot vrijdag bij papa moeten zijn’. Op 17 januari 2017 heeft beklaagde gestuurd: ‘Hoi [minderjarige 1], ik was vanmiddag bij de rechtbank om te vragen of jullie net zoveel bij [klaagster] mogen zijn als bij papa’ […] ‘Als je toch echt vaker bij papa wil zijn moet je dat zelf duidelijk zeggen tegen [klaagster].’ Voorts heeft [minderjarige 2] op 21 februari 2017 een briefje geschreven aan haar juf met de tekst: ‘Beste [beklaagde] en juf [juf], ik durf niet meer naar papa toe, omdat ik bang ben dat ik van papa en Kees niet meer terug mag naar [klaagster]. Groetjes, [minderjarige 2]’. Klaagster heeft dit per e-mail aangekaart bij beklaagde, waarop beklaagde op 22 februari 2017 heeft gereageerd: ‘Beste [klaagster], er is geen sprake van dat [minderjarige 2] niet terug zou mogen naar jou van haar vader. Het lukt je vast wel om dat uit haar hoofd te praten. Ik vind dat de omgangsregeling moet worden nagekomen en dat [minderjarige 2] donderdag gewoon naar vader kan.’ Beklaagde is hierover niet in gesprek gegaan met [minderjarige 2] en heeft ook geen contact opgenomen met school. Ook heeft beklaagde voorafgaand aan de rechtszitting op 17 januari 2017 een gesprek met de kinderen bij de vader thuis gevoerd, waarbij de vader aanwezig was en de kinderen zich hierdoor niet vrij hebben kunnen en durven uiten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster in zijn algemeenheid aangevoerd dat beklaagde de gesprekken met de kinderen vaak in aanwezigheid van de vader heeft gevoerd. Na 15 februari 2017 hebben voorts geen gesprekken meer plaatsgevonden met de kinderen. Beklaagde is tot slot nooit bij klaagster thuis geweest.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Ten aanzien van het briefje waar klaagster naar verwijst heeft [minderjarige 2] op 23 februari 2017 aan beklaagde verteld dat ze dat briefje moest schrijven van klaagster. In tegenstelling tot wat klaagster stelt is de vader niet aanwezig geweest bij het gesprek dat beklaagde heeft gehad met de kinderen, voorafgaand aan de zitting van 17 januari 2017. Beklaagde heeft meerdere malen gesprekken gevoerd met de kinderen, waarbij de vader altijd boodschappen ging doen of aan het werk ging in zijn kantoor. Beklaagde heeft onder andere op 14 februari, 15 februari, 16 februari, 27 februari, 20 april, 22 juni, 22 augustus en op 16 november 2017 met [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] gesproken. Voor zover klaagster beklaagde verwijt dat hij nooit bij haar thuis is geweest voert beklaagde aan dat klaagster niet reageerde op telefoontjes van beklaagde en klaagster niet bij haar thuis wilde afspreken.

3.6.3

Het College constateert dat klaagster het Whatsapp-bericht van 17 januari 2017, het geschreven briefje van [minderjarige 2] en het e-mailbericht van 22 februari 2017 heeft overgelegd. In deze stukken heeft het College geen aanknopingspunten gevonden die tot de conclusie leiden dat beklaagde onevenredige druk op de kinderen heeft uitgeoefend. Door het op deze wijze formuleren van de berichten is beklaagde naar het oordeel van het College niet buiten de kaders van een redelijk bekwame beroepsuitoefening getreden. Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde gesprekken met de kinderen heeft gevoerd in aanwezigheid van de vader, en na 15 februari 2017 in zijn geheel geen gesprekken meer met de kinderen hebben plaatsgevonden, overweegt College als volgt. Op grond van de door beklaagde overgelegde contactjournaals en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken acht het College het voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde gesprekken met de kinderen heeft gevoerd, in afwezigheid van de vader, en na 15 februari 2017. Voor zover klaagster beklaagde verwijt dat hij nooit bij klaagster thuis is geweest, oordeelt het College dat dit verwijt niet met relevante stukken is onderbouwd.

3.6.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.7 Klachtonderdeel VII

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde spreekt klaagster aan op de persoon.

Toelichting:
Beklaagde heeft klaagster, in het bijzijn van haar advocaat, tweemaal op de persoon aangevallen en beledigd. Tijdens het gesprek op 22 februari 2017 heeft beklaagde tegen klaagster gezegd: ‘Je wekt weerzin bij mij op.’ Op 15 maart 2017 heeft beklaagde, ook in het bijzijn van de gebiedsmanager, gezegd ‘Komt ze weer met dat zielige stemmetje.

3.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft nimmer gezegd dat klaagster weerzin bij hem opwekte. Hij heeft wel gezegd dat hij niet begreep dat klaagster met een rare stem praatte. Tijdens het klachtgesprek heeft klaagster een Whatsapp conversatie tussen [minderjarige 1] en beklaagde voorgelezen, waarbij klaagster een kinderlijke stem heeft opgezet bij het voorlezen wat [minderjarige 1] zei en een lage barse stem bij wat beklaagde zei. Hierop heeft beklaagde zijn verbazing uitgesproken, hetgeen in een later gesprek met het wijkteam nogmaals gebeurde.

3.7.3

Het College constateert dat klaagster en beklaagde een verschillende beleving hebben van de manier waarop de communicatie is verlopen. Het College kan niet vaststellen of beklaagde klaagster op de persoon heeft aangesproken, omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van klaagster niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt.

3.7.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4 De beslissing

Ten overvloede overweegt het College dat zowel klaagster als beklaagde respectievelijk hun klaagschrift en verweerschrift niet op alle klachtonderdelen hebben onderbouwd met relevante stukken. Voorts hebben klager en beklaagde aan diverse gebeurtenissen, contacten e.d. verschillende interpretaties verbonden. Deze omstandigheden hebben tot ongegrondverklaring van een aantal klachtonderdelen geleid. Het College acht het in dit kader van belang om aan te geven dat waarheidsvinding in deze gevallen geen taak vormt van het College. Tot slot wil het College een signaal afgeven aan de werkzame professionals en instellingen in het jeugddomein. Beklaagde heeft in zijn rol als gezinsvoogd, tegengestelde belangen moeten behartigen. In complexe casuïstiek als deze, zou het naar het oordeel van het College daarom meer in de rede liggen om meerdere gezinsvoogden aan te stellen, voor de ouders en voor de kinderen. Het College overweegt hier wel dat het feit dat in het onderhavige geval geen tweede gezinsvoogd is benoemd niet aan beklaagde kan worden verweten, nu hij tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat personeelsgebrek hiervan de oorzaak is geweest.

Alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 28 mei 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder
voorzitter

mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten
secretaris