Maak een selectie

727 van 727

   

De raadsonderzoeker heeft de klager vooraf niet geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Hier ligt ook een verantwoordelijkheid op instellingsniveau.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,
mevrouw I. de Jongh-Stols, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie], hierna te noemen: RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. H.M.Th. de Pont, werkzaam als advocaat te Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 26 oktober 2017, met de aanvullingen hierop van 8, 9, 20 en 21 november 2017, 14 december 2017 en 14 januari 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 24 januari 2018, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van twee kinderen, geboren op [datum] 2002, hier te noemen: minderjarige 1, en geboren op [datum] 2004, hierna te noemen: minderjarige 2, gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van de kinderen zijn sinds begin 2017 uit elkaar. Klager en de moeder hebben gezamenlijk gezag.

2.3

Er is een omgangsregeling vastgesteld; de kinderen verblijven deels bij klager en deels bij de moeder.

2.4

Op 31 augustus 2017 is de Beschermingstafel bijeen gekomen. Daarbij waren aanwezig een medewerker van het Adviesteam van de RvdK, een collega raadsonderzoeker van beklaagde, tevens beklaagde in zaaknummer 17.128Td, Veilig Thuis, het Sociaal Team, [de instelling] en klager. Het Sociaal Team heeft de RvdK verzocht onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van de kinderen.

2.5

Op 31 augustus 2017 is het onderzoek gestart. Een collega raadsonderzoeker van beklaagde is belast met de uitvoering hiervan.

2.6

Op 22 september 2017 is in een multidisciplinair overleg besloten om beklaagde toe te voegen aan het raadonderzoek. Samen met de onder 2.5 genoemde collega is zij vanaf die datum belast met de uitvoering van het raadsonderzoek. Bij brief van 22 september 2017 is klager over dit besluit geïnformeerd. Tevens is in die brief gemeld dat er met de kinderen zal worden gesproken en is klager om toestemming gevraagd informanten te benaderen. Klager heeft tot 1 oktober 2017 de tijd gekregen daarop te reageren.

2.7

Op 23 oktober 2017 heeft klager beklaagde via WhatsApp om het registratienummer van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ, gevraagd. In een brief van 24 oktober 2017 heeft beklaagde haar registratienummer aan klager verstrekt.

2.8

Op 27 oktober 2017 heeft de teameider van de RvdK een brief aan klager gestuurd met de mededeling dat het onderzoek afgerond had moeten zijn op 26 oktober 2017. De teamleider heeft in zijn brief vermeld dat de termijn als gevolg van de moeizame communicatie niet is gehaald en dat hij verwacht dat het onderzoek binnen twee maanden klaar zal zijn.

2.9

Op 17 januari 2018 heeft klager een gesprek gevoerd met de directeur van de RvdK. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de directeur besloten het vervolgonderzoek uit te laten voeren door de RvdK [locatie].

2.10

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klager klaagt over de gang van zaken rondom de uitvoering van het raadsonderzoek naar de opvoedingssituatie van de kinderen. Klager is als ouder met gezag niet betrokken bij het raadsonderzoek en informatie is voor hem achtergehouden. Dat is de essentie van zijn klacht.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende. Beklaagde heeft klager telefonisch gemeld dat er, in overleg met de moeder, besloten is de kinderen niet te spreken in het onderzoek. De mening van klager is hierin niet gevraagd. Dit is een eenzijdig besluit wat de schijn van partijdigheid opwerpt. De brief van 22 september 2017 heeft hij niet ontvangen. Hem is nimmer om toestemming gevraagd. Dat hij niet betrokken is, is de essentie van zijn klacht.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat uit de melding van het Sociaal Team al bleek dat klager geen toestemming zou geven om met de kinderen te spreken. De RvdK heeft echter in het eerste multidisciplinaire overleg besloten wel met de kinderen in gesprek te gaan. Beklaagde heeft klager hier per brief van 22 september 2017 van op de hoogte gesteld. Met de moeder is telefonisch een afspraak gemaakt om de kinderen te spreken. De afspraak is door moeder geannuleerd, omdat de kinderen niet met de RvdK in gesprek wilden. Klager vroeg zich af waarom de RvdK uitgaat van wat moeder hierover zegt. Hij heeft de RvdK gevraagd hoe er onderzoek gedaan kan worden als de kinderen niet worden gesproken. De reactie van klager is aanleiding geweest voor nader beraad. De RvdK heeft daarna op 31 oktober 2017 in het multidisciplinaire overleg besloten de kinderen zelf te vragen of zij met de RvdK in gesprek wilden. Klager is hier op 3 november 2017 per brief over geïnformeerd. Die dag was hij telefonisch niet bereikbaar. Op 6 november 2017, de dag dat de raadsonderzoeker de kinderen zou gaan bellen, heeft klager telefonisch zijn toestemming geweigerd. De commotie was inmiddels zo heftig dat de RvdK in het multidisciplinaire overleg op 6 november 2017 besloten heeft de kinderen niet meer te bellen om ze niet klem te zetten.

3.2.3

Het College oordeelt aldus. Klager heeft de door beklaagde in haar verweer geschetste gang van zaken niet betwist en de juistheid blijkt ook uit het dossier. Hieruit is het College gebleken dat de oorspronkelijke beslissing om de kinderen niet te horen, niet slechts gebaseerd was op de mening van de moeder hierover. Toen duidelijk werd dat klager wilde dat er met de kinderen zou worden besproken, is de beslissing niet met de kinderen te spreken, heroverwogen, in die zin dat de kinderen zelf gevraagd zou worden of zij in gesprek wensten te gaan. Op de dag dat hierover met de kinderen contact zou worden opgenomen, heeft klager zijn toestemming geweigerd, waardoor uiteindelijk niet met de kinderen is gesproken. Intern is toen kennelijk de afweging gemaakt om het spreken van de kinderen vanuit pedagogisch standpunt achterwege te laten. De stelling van klager dat hij niet betrokken is bij de beslissing al dan niet met de kinderen te spreken, is dus feitelijk onjuist. Beklaagde heeft in de ogen van het College voldoende gedaan om hier met klager over in contact te komen. Beklaagde kan op dit punt geen verwijt worden gemaakt.

3.2.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde dat zij klager niet heeft geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker en heeft gewezen op de mogelijkheid voor klager om haar functioneren te bespreken.

3.3.2

Beklaagde voert aan dat zij pas later aan het onderzoek is toegevoegd. Het eerste gesprek waarin aan klager informatie zou worden gegeven over het raadsonderzoek heeft vanwege de eis van klager geluidsopnamen te willen maken en zijn weigering daar schriftelijke afspraken over te maken niet plaatsgevonden. Klager heeft overigens alle klachtmogelijkheden benut. Zodra klager beklaagde haar registratienummer van SKJ vroeg, heeft beklaagde dit toegezonden.

3.3.3

Het College stelt vast dat artikel F van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker van toepassing is. Dat artikel gaat over informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening en luidt als volgt: ‘De jeugdzorgwerker verschaft de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal.’ In de toelichting op dit artikel staat vermeld: ‘Het verschaffen van informatie vindt plaats op basis van wetgeving, kwaliteitskaders, instellingsbepalingen en beroepswaarden. Met informatie op basis van beroepswaarden wordt ten minste bedoeld: … informatie over deze code en het daaraan gekoppelde tuchtrecht …’. Vast staat dat beklaagde klager niet heeft geïnformeerd over de code en het daaraan gekoppelde tuchtrecht. Omdat artikel F van de Beroepscode dit wel vereist, dient de klacht gegrond te worden verklaard. Het College constateert dat het kennelijk geen beleid is binnen de RvdK cliënten te wijzen op de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College is van oordeel dat hier (ook) een verantwoordelijkheid op instellingsniveau ligt. Verder staat vast dat in deze casus beklaagde pas drie weken na de start van het onderzoek, op 22 september 2017, aan het onderzoek is toegevoegd. Toen zij bij de casus betrokken raakte, was het onderzoek reeds in volle gang.
Voorts heeft beklaagde, een dag nadat klager via WhatsApp heeft gevraagd om haar registratienummer bij SKJ, deze informatie per brief van 24 oktober aan klager verstrekt. Beklaagde heeft vervolgens ook de tuchtrechtelijke weg gevonden en is door het gebrek aan informatie over de Beroepscode en het tuchtrecht kennelijk niet in zijn belang geschaad.

3.3.4

Het klachtonderdeel is deels gegrond.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde in het derde klachtonderdeel dat beklaagde hem nooit heeft verteld wat de startdatum en de duur van het onderzoek was. De termijn van 56 dagen is ruimschoots verstreken maar klager heeft (nog) geen rapport mogen ontvangen. Ook is niet aangegeven dat het onderzoek langer zou gaan duren.

3.4.2

Beklaagde voert ook hier aan dat zij niet vanaf de start van het onderzoek betrokken is geweest. Vanaf het moment dat zij wel betrokken was, heeft zij in telefoongesprekken met klager regelmatig antwoord gegeven op zijn vragen, ook over de startdatum van het onderzoek en dat nog niet bekend was wanneer het onderzoek zou worden afgerond. Klager is er meerdere malen op gewezen dat het onderzoek niet kon worden afgerond omdat er te weinig informatie was om een besluit te kunnen nemen. Aan klager is een dag nadat het onderzoek afgerond had moeten zijn, op 27 oktober 2017, een brief gestuurd, dat het onderzoek nog liep en wat de reden daarvan was. Ter zitting heeft beklaagde verklaard dat klager van iedere stap in het onderzoek zowel telefonisch als schriftelijk op de hoogte is gehouden. Naast de brief van 27 oktober heeft beklaagde klager ook telefonisch geïnformeerd over de termijnoverschrijding.

3.4.3

Het College overweegt dat het beklaagde, nu zij niet vanaf het eerste begin bij het onderzoek betrokken is geweest, niet verweten kan worden dat klager onbekend was met de startdatum van het onderzoek. Uit het dossier maakt het College op dat beklaagde vanaf het moment dat zij wel betrokken was er alles aan heeft gedaan om met klager tot afspraken te komen. Het College heeft in het dossier brieven en e-mails gezien waaruit blijkt dat klager steeds is geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek en telkens is uitgenodigd voor een inhoudelijk gesprek. Het College doelt daar onder andere op berichten aan klager van 10 oktober, 13 oktober, 20 oktober, 30 oktober en 8 december 2017. Voor het College staat daarom voldoende vast dat beklaagde klager van alle stappen in het onderzoek op de hoogte heeft gehouden. Dat de brief van 27 oktober 2017 van de teamleider van de RvdK over de termijnoverschrijding, een dag te laat was, is beklaagde geenszins tuchtrechtelijk te verwijten. Het was voor klager, nu hij door beklaagde goed geïnformeerd werd, overigens ook te verwachten dat het onderzoek niet binnen 56 dagen kon worden afgerond. Het College is van oordeel dat beklaagde dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

3.4.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde dat zij hem gedwongen heeft een formulier te ondertekenen om in gesprek te gaan. Dit hield verband met het opnemen van het gesprek. Volgens klager heeft hij recht gesprekken op te nemen en heeft hij uitgelegd waarom hij dat doet. Tevens wilde beklaagde een afspraak maken binnen twee dagen en anders niet. Een dergelijke korte termijn is voor klager niet mogelijk in verband met zijn werk. Zo is klager buitengesloten.

3.5.2

Beklaagde voert aan dat intern besloten is dat klager een formulier moest ondertekenen over de wijze van gebruik van zijn geluidopnamen. Afspraken met klager bleken niet te maken te zijn. Daardoor heeft er ook geen inhoudelijk gesprek met klager plaatsgevonden. De klacht van klager over dit onderwerp is behandeld bij de interne Klachtencommissie. De Klachtencommissie heeft geoordeeld dat klager geen formulier hoefde te ondertekenen, maar dat volstaan kon worden met het maken van mondelinge afspraken over de geluidsopnamen. Na deze beslissing van de Klachtencommissie is in het multidisciplinaire overleg op 8 december 2017 besloten dat klager in gesprek kon gaan met twee andere, objectieve raadsonderzoekers, waarbij er alleen mondelinge afspraken gemaakt hoefde te worden over de wijze van gebruik van de geluidsopnamen. Klager heeft aangegeven van deze mogelijkheid geen gebruik te willen maken omdat de andere raadsonderzoeker, tevens medebeklaagde, nog bij het onderzoek betrokken was. Ook deze afspraak is derhalve niet van de grond gekomen.
Het tweede deel van de klacht van klager dat hij ‘voor het blok is gezet’ bij het maken van een afspraak, gaat over een telefoongesprek dat beklaagde met hem gevoerd heeft op vrijdag 20 oktober 2017. Tijdens het multidisciplinaire overleg was besloten dat klager twee opties voor een gesprek zou krijgen. Toegegeven, de planning was kort dag. Tijdens het telefoongesprek heeft beklaagde klager gemeld dat wanneer hij verhinderd was op de geplande tijdstippen er geen gesprek mogelijk was. Het was een uitvloeisel van een intern besproken strategie. Toen klager echter aangaf op een dergelijke korte termijn geen gelegenheid te hebben, heeft beklaagde klager na een paar minuten teruggebeld. Beklaagde heeft aangeboden samen te kijken naar een nieuwe datum. Klager heeft zijn mogelijkheden doorgegeven. Nadat deze intern zijn bekeken, heeft beklaagde klager teruggebeld maar was hij onbereikbaar. Op maandag 23 oktober 2017 heeft beklaagde klager gebeld met het voorstel voor een datum. Daarop heeft klager verklaard dat hij geen afspraken ging maken over het gebruik van geluidsopnamen. Omdat dit een voorwaarde was voor het gesprek met klager, is er geen gesprek tot stand gekomen. Tijdens de zitting heeft beklaagde aangevoerd achteraf gezien wellicht te star gehandeld te hebben. Zij volgde echter de opdracht die zij heeft gekregen vanuit het interne overleg.

3.5.3

Het College overweegt dat er ten aanzien van de geluidsopnamen die klager wilde maken, gewerkt is volgens de geldende werkinstructies binnen de RvdK. Het is gerechtvaardigd dat voorafgaand aan een opname van een gesprek afspraken gemaakt worden over onder meer het gebruik van deze opname. Klager diende in eerste instantie een schriftelijke verklaring te ondertekenen en nadat de interne Klachtencommissie zich hierover heeft uitgelaten, is besloten met klager mondeling afspraken te maken over de geluidsopnamen. Nu beklaagde eerst heeft gehandeld conform de toen geldende afspraken binnen de RvdK en klager later is aangeboden mondeling afspraken te maken over het maken van opnamen, kan beklaagde hier geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.
Ten aanzien van het tweede deel van deze klacht over de korte termijn die klager kreeg voor het maken van een afspraak heeft beklaagde onweersproken gesteld dat zij handelde conform afspraken die waren gemaakt in het multidisciplinaire overleg. Toen bleek dat klager op zo’n korte termijn niet naar een afspraak kon komen, heeft beklaagde hem direct teruggebeld om alsnog tot een andere afspraak te komen, waarbij rekening werd gehouden met zijn mogelijkheden. Ter zitting heeft beklaagde op haar handelen gereflecteerd en opgemerkt dat zij hierin wellicht te star heeft gehandeld. Doordat beklaagde echter niet star is blijven handelen, maar klager direct heeft teruggebeld om alsnog tot een afspraak te komen, is het College van oordeel dat beklaagde gebleven is binnen de grenzen van een redelijk handelend jeugdprofessional.

3.5.4

Het klachtonderdeel is in zijn geheel ongegrond.

3.6

Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager verwijt beklaagde dat zij klager pas achteraf heeft geïnformeerd dat zij met de scholen van de kinderen heeft gesproken. Zij heeft tegen de informanten gezegd dat klager geen toestemming heeft gegeven. Zo heeft zij een negatief beeld van klager gecreëerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager deze klacht nog nader aangevuld, door te stellen dat er op de school van minderjarige 2 zonder haar toestemming met een vertrouwenspersoon is gesproken.

3.6.2

Beklaagde voert aan dat klager op 22 september 2017 schriftelijk om toestemming is gevraagd informanten te benaderen, waaronder de scholen. Klager heeft hier niet op gereageerd. De RvdK heeft besloten om ook zonder toestemming van klager de scholen te benaderen. In het contact met de scholen is vermeld dat klager zijn toestemming niet heeft verleend maar dat de RvdK wel informatie kan opvragen.

3.6.3

Vast staat dat op 22 september 2017 aan klager een brief is verstuurd over de voortzetting van het raadsonderzoek en het horen van informanten, waaronder de scholen van de kinderen. Klager stelt deze brief niet ontvangen te hebben. Het College is van oordeel dat dit beklaagde niet aangerekend kan worden. Het is algemeen geaccepteerd om te communiceren door middel van het verzenden van brieven. Gezien de betrouwbaarheid van de postbezorging mag in beginsel ook aangenomen worden dat een brief de geadresseerde zal bereiken. Indien het juist is dat klager de bewuste brief niet heeft ontvangen en dus niet vooraf geïnformeerd is, kan beklaagde hiervan geen verwijt worden gemaakt. Dat er binnen de school van minderjarige 2 besloten is de vertrouwenspersoon een gesprek te laten voeren, is een beslissing en verantwoordelijkheid van de school en de vertrouwenspersoon. Op dit punt kan beklaagde geen verwijt worden gemaakt.

3.6.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7

Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klager verwijt beklaagde dat hij diverse malen om inzage in het dossier heeft gevraagd. Er is hem toegezegd dat het zou worden toegestuurd maar hij heeft niets ontvangen.

3.7.2

Beklaagde verwijst voor wat betreft de verzending van het dossier naar de tijdslijn die bij het verweer is gevoegd. Beklaagde heeft ter zitting nogmaals verklaard dat het dossier op 11 oktober 2017 aan klager is gestuurd. Toen klager daarna aangaf het niet ontvangen te hebben, is het opnieuw aangetekend verstuurd. In november 2017 gaf klager aan dat het gesprekverslag van de school van minderjarige 2 ontbrak. Dat is nagestuurd.

3.7.3

Het College overweegt dat klager zijn klacht dat hij diverse malen om het dossier heeft gevraagd maar dit niet heeft ontvangen onvoldoende heeft onderbouwd. Uit het verweer en uit de onweersproken verklaring van beklaagde ter zitting blijkt dat beklaagde voldoende heeft ondernomen om het dossier aan klager te doen toekomen. Gezien de betrouwbaarheid van de postbezorging mag in beginsel ook aangenomen worden dat het dossier de klager zal bereiken. Uit de verklaring van klager dat het door hem ontvangen dossier niet compleet was, maakt het College op dat hij het dossier wel ontvangen heeft. De klacht is derhalve feitelijk onjuist en daarmee ongegrond.

3.7.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.8

Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klager verwijt beklaagde dat het niet duidelijk is wie de regie heeft in deze casus.

3.8.2

Beklaagde verwijst naar de brief van 22 september 2017, waarin staat toegelicht dat beklaagde samen met haar collega raadsonderzoeker, tevens medebeklaagde, het onderzoek zal uitvoeren. Ook via WhatsApp en in telefonische gesprekken is hierover met klager gesproken.

3.8.3

Op 22 september 2017 is klager een brief gestuurd waarin staat dat de raadsonderzoeker, tevens beklaagde in zaak 17.128Td, het onderzoek zal voortzetten maar dat er vanaf die dag een tweede raadsonderzoeker (beklaagde) is toegevoegd. Vanaf die datum heeft beklaagde ook veelvuldig contact gehad met klager, zowel telefonisch, als via de e-mail en per brief. Het College kan dan ook niet begrijpen dat het voor klager onduidelijk was wie de regie had in deze casus. Die lag bij beide raadsonderzoekers. Beklaagde kan hier geen enkel tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.

3.8.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.9

Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klager verwijt beklaagde in zijn aanvullende klacht van 14 december 2017 dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt.

3.9.2

Beklaagde voert in haar verweer aan dat klager deze klacht ook bij de interne Klachtencommissie heeft neergelegd. De Klachtencommissie heeft geoordeeld dat klager bij de start van het onderzoek een standaardbrief had moeten krijgen dat in het kader van het onderzoek zijn persoonsgegevens zouden worden verwekt. Die brief is niet verzonden. De klacht van klager is gegrond verklaard, wat in de ogen van beklaagde overigens niet impliceert dat zij in strijd met de Beroepscode heeft gehandeld.

3.9.3

Het College is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het op juiste en rechtmatige wijze verwerken van persoonsgegevens bij de instelling ligt, waarvoor de jeugdprofessional werkt. In deze casus zijn er geen omstandigheden die het College ertoe brengen om te oordelen dat beklaagde tekort is geschoten in de informatievoorziening. Beklaagde heeft hier dan ook geen beroepsnorm geschonden.

3.9.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.10

Klachtonderdeel IX

3.10.1

Klager verwijt beklaagde in zijn aanvullende klacht van 14 januari 2018 dat uit haar
e-mailbericht van 12 januari 2018 haar vooringenomenheid blijkt, nu zij daarin heeft geschreven dat de mening van klager niet wordt meegenomen in het besluit van de RvdK. In het rapport wordt verder niet vermeld dat klager heeft verzocht om informanten van Veilig Thuis te benaderen.

3.10.2

Beklaagde heeft in haar verweer verklaard dat aan klager duidelijk is gemaakt dat het gaat om een gesprek waarin hij zijn reactie kan geven op het besluit, en niet om (wederom en oeverloos) in te gaan op het onderzoek. De afspraak van 25 januari 2018 is gecanceld omdat op 17 januari 2018 besloten is dat de RvdK in [locatie] het vervolgonderzoek zou overnemen. Beklaagde heeft duidelijk aan klager laten weten dat een korte weergave van zijn mondelinge reactie aan het rapport zou worden gevoegd. Als klager wenste dat zijn reactie uitgebreid zou worden toegevoegd, kon hij dit schriftelijk aanleveren. Dat zou, zoals klager is gemeld, alsnog aan het rapport worden gevoegd. Klager heeft vele kansen gehad om tijdens het onderzoek in gesprek te gaan met de RvdK, maar tot een inhoudelijk gesprek is het (bewust?) niet gekomen vanwege de voorwaarden die klager stelde.
Klager heeft bij de start van het onderzoek een keer aangegeven dat hij graag zou willen dat er twee informanten benaderd zouden worden. Ter zitting heeft beklaagde klager gelijk gegeven waar hij stelt dat in het rapport niet staat beschreven waarom beklaagde en haar collega geen informanten hebben benaderd. Dat zal worden aangepast in de definitieve versie van het raadsrapport. Klager heeft daar overigens eerder, toen hij op het conceptrapport kon reageren, geen reactie op gegeven. Beklaagde wenst overigens nog op te merken dat het voor haar in de hoeveelheid contacten met klager lastig was er voor te zorgen dat alles juist gerapporteerd werd.

3.10.3

Het College begrijpt het eerste deel van de klacht aldus dat klager klaagt dat de RvdK een besluit heeft genomen zonder de mening van klager hierin mee te nemen. Het College heeft in de
e-mail van beklaagde van 12 januari 2018 gelezen dat klager de mogelijkheid heeft gekregen om kort zijn mening te geven, doch dat het besluit niet meer zou worden aangepast. Uit het verweer van beklaagde blijkt dat ook de mogelijkheid is geboden om een uitgebreide reactie te geven op het rapport. De uitgebreide reactie zou bij het definitieve raadsrapport worden gevoegd. Het College acht de handelswijze van beklaagde in deze navolgbaar. Er zijn veel pogingen gedaan om met klager inhoudelijk in gesprek te komen. Dat is helaas niet gelukt. Over en weer zijn er voorwaarden gesteld. Echter, ook nadat de RvdK haar voorwaarden had versoepeld, is klager niet ingegaan op een uitnodiging voor een inhoudelijk gesprek. Het College acht het beklaagde dan ook niet te verwijten dat de mening van klager niet in het raadsrapport is opgenomen. Het College is van oordeel dat klager ook nadien, in januari 2018, nog voldoende gelegenheid is geboden zijn mening te geven. Beklaagde heeft hier in de ogen van het College niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Vast staat dat in het concept-rapport niet wordt vermeld dat klager heeft verzocht om informanten van Veilig Thuis te benaderen. Het College is van oordeel dat een jeugdprofessional in beginsel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van eventuele omissies/onjuistheden in een concept-rapportage. Er wordt immers juist eerst een concept-rapport opgesteld om betrokkenen in de gelegenheid te stellen te wijzen op eventuele omissies/onjuistheden. Gesteld, noch gebleken is dat beklaagde bewust bedoelde informatie niet in het concept-rapport heeft opgenomen.

3.10.4

Het klachtonderdeel is in zijn geheel ongegrond.

3.11

Conclusie

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat klachtonderdeel II deels gegrond is. Beklaagde had klager moeten wijzen op de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Dat beklaagde dat heeft nagelaten, maakt dat artikel F (‘Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening‘) is geschonden. Echter gelet op de overwegingen van het College dat hier (ook) een verantwoordelijkheid ligt op instellingsniveau, dat beklaagde pas drie weken na de start aan het onderzoek is toegevoegd en dat klager niet in zijn belang is geschaad nu hij de weg naar de tuchtrechter heeft gevonden, is er sprake van een geringe verwijtbaarheid. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Dit leidt ertoe dat het College geen maatregel oplegt.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel II deels gegrond;
– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
– legt aan beklaagde geen maatregel op.

Aldus gedaan door het College en op 15 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter secretaris