Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdzorgwerker heeft in deze complexe casus onvoldoende gehandeld in het belang van de minderjarige. Hij is verder tekortgeschoten in de informatievoorziening aan de minderjarige en de moeder en heeft zich ten opzichte van de vader onvoldoende neutraal opgesteld.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. Van Geel, voorzitter,
mevrouw M. Bijnoe, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI], locatie: [plaatsnaam 2], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. I. Apperloo.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 29 september 2017, met de bijlagen en de aanvullingen hierop van 10 oktober 2017 en 15 januari 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 21 november 2017, met bijlagen;

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als gemachtigde van de zijde van klager is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [gemachtigde klager]. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [toehoorder].

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn sinds november 2006 gescheiden. Klager woont in [plaatsnaam 1], moeder woont in [plaatsnaam 3]. De rechtbank [provincienaam] heeft bij beslissing van 9 maart 2006 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vastgesteld bij klager. Tussen moeder en [minderjarige] is een omgangsregeling vastgesteld. [minderjarige] verblijft om de week van vrijdag tot maandagochtend bij moeder. Moeder is in 2011 getrouwd. Haar echtgenoot heeft twee kinderen uit een eerdere relatie die om de week een weekend bij hem en moeder verblijven.

2.3

Klager en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. De verstandhouding tussen klager en moeder is niet goed.

2.4

Bij beslissing van de rechtbank [provincienaam] van 31 december 2014 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd, laatstelijk tot juni 2018.

2.5

Na een incident op 12 februari 2016 heeft de GI op 16 februari 2016 klager en moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven met als inhoud dat [minderjarige] bij moeder zal wonen totdat de GI het verzoekschrift machtiging uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag had ingediend en de rechtbank hierover een beslissing heeft genomen. Tevens is de omgangsregeling tussen klager en [minderjarige] geschorst totdat een gesprek met klager, moeder en de GI heeft plaatsgevonden en werkbare afspraken zijn gemaakt voor klager, moeder en [minderjarige].

2.6

Bij beslissing van 17 maart 2016 heeft de rechtbank [provincienaam] een spoedmachtiging uithuisplaatsing bij moeder voor de duur van 6 maanden afgegeven. Het verzoek van klager tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing ten aanzien van het tijdelijk stopzetten van het contact tussen klager en [minderjarige] is door de kinderrechter afgewezen. De uithuisplaatsing van [minderjarige] is verlengd tot 18 december 2017.

2.7

Op 24 maart 2016 is tijdens een bespreking met onder meer klager, moeder en de toenmalige jeugdzorgwerker een omgangsregeling tussen klager en [minderjarige] en een verdeling van de vakanties vastgesteld. Na twee huisbezoeken door een ambulant hulpverlener van [instelling] is de omgang tussen klager en [minderjarige] geschorst in april 2016. De GI heeft bij brief van 31 mei 2016 verklaard begeleide omgang tussen [minderjarige] en klager noodzakelijk te achten.

2.8

Klager heeft in een kortgedingprocedure van 12 augustus 2016 onbegeleide omgang met [minderjarige] gevorderd. De rechtbank [provincienaam] heeft de vordering van klager afgewezen. Bij beslissing van de rechtbank [provincienaam] van 2 september 2016 is de onder 2.7 genoemde omgangsregeling tussen klager en [minderjarige] hersteld.

2.9

Moeder heeft op 16 augustus 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar vast te stellen. Bij beschikking van de rechtbank [provincienaam] d.d. 15 september 2016 heeft de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) verzocht een onderzoek in te stellen en de rechtbank te rapporteren en te adviseren over de vraag of een wijziging van het hoofdverblijf in het belang van [minderjarige] is. Op 6 februari 2017 heeft de RvdK een rapport uitgebracht en geadviseerd om het verzoek van moeder af te wijzen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij klager vast te stellen.
Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken naar voren gebracht dat hij in december 2016 door de RvdK op de hoogte is gebracht van het advies. De hoorzitting is gepland op 7 juli 2017.

2.10

In afwachting van bovenstaande hoorzitting is [minderjarige] door klager aangemeld op een middelbare school in [plaatsnaam 1]. Moeder heeft [minderjarige] aangemeld op een middelbare school in [plaatsnaam 3].

2.11

Bij beslissing van de rechtbank d.d. 7 juli 2017 is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij klager vastgesteld met intensieve opvoedondersteuning. Naar aanleiding van deze beschikking is de uithuisplaatsing tussentijds beëindigd en is [minderjarige] op 25 augustus 2017 bij klager geplaatst. De middelbare school is gestart op 28 augustus 2017.

2.12

Beklaagde is sinds 1 mei 1998 werkzaam als jeugdzorgwerker bij de GI en heeft deze zaak overgenomen van een collega. Beklaagde was sinds 1 juni 2016 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde te kennen gegeven dat hij deze casus inmiddels heeft overgedragen aan twee collega´s.

2.13

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht van klager heeft, kort samengevat, betrekking op het beleid van beklaagde, de bejegening en partijdigheid.

3.1.4

Klager heeft in het klaagschrift van 29 september 2018 zes klachtonderdelen geformuleerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager drie klachtonderdelen die niet zijn onderbouwd, ingetrokken. Beklaagde heeft zich er niet tegen verzet om deze klachtonderdelen buiten beschouwing te laten zodat hierna drie klachtonderdelen worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de oorspronkelijke klacht en het verweer zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager is van mening dat beklaagde zich niet professioneel heeft opgesteld. Hij heeft het beleid van zijn voorganger voortgezet waardoor klager [minderjarige] zeven maanden lang niet heeft gezien.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat de beslissing van de GI over de begeleide omgang tussen klager en [minderjarige] is genomen voordat beklaagde is opgetreden als gezinsvoogd voor [minderjarige]. Klager heeft deze beslissing aangevochten in de onder 2.8 genoemde kortgedingprocedure. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen. Het lag niet op de weg van beklaagde om de koers te wijzigen, die al was uitgezet door de GI en bekrachtigd door de voorzieningenrechter. Voorts zou de kinderrechter zich in september 2016 nader uitspreken over de omgangsregeling.

3.2.3

Het College oordeelt als volgt.
Gebleken is dat beklaagde op 1 juni 2016 deze casus van een collega heeft overgenomen. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet dat hij zich in eerste instantie heeft gericht op het belang van [minderjarige] en het tot stand komen van de omgang tussen vader en dochter. Hij heeft klager in positie willen brengen om als vader en gezaghebbend ouder te functioneren. Daarbij is klager gewezen op zijn verantwoordelijkheid.
In de onder 2.8 genoemde beschikking van de voorzieningen rechter van 12 augustus 2016 is de vordering van klager tot onbegeleide omgang afgewezen.

Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat klager na het aantreden van beklaagde in deze casus heeft verwacht dat hij weer omgang met [minderjarige] zou krijgen nadat de door hem ingediende klachten tegen het handelen van de voorganger van beklaagde door de klachtencommissie op 27 mei 2016 gegrond waren verklaard. Het ligt in de rede dat beklaagde als opvolger van zijn collega, op de hoogte is van beslissingen van de klachtencommissie en hier zonodig consequenties aan verbindt.
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij ten tijde van het overnemen van deze casus op 1 juni 2016 niet op de hoogte was van de klachtenprocedure bij de GI, en de GI hem daarover ook later niet heeft geïnformeerd. Terzijde merkt het College op dat het op de weg van de GI had gelegen om beklaagde op de hoogte te stellen van deze uitspraak van de klachtencommissie. Het kan beklaagde echter niet worden verweten als dit niet is gebeurd.

Nu niet is komen vast te staan dat beklaagde op de hoogte was van de klachtenprocedure en de uitkomst daarvan, kan hem dat niet worden verweten. Nu bovendien de voorzieningenrechter de vordering van klager dat hij weer omgang met [minderjarige] zou krijgen heeft afgewezen, kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Het College wenst ten overvloede op te merken dat het aan de GI is om ervoor zorg te dragen dat de jeugdzorgwerker na de overdracht op de hoogte wordt gesteld van de uitkomst van klachten die relevant zijn voor zijn werk. Eveneens is het van belang dat de GI klagers informeert over wat zij naar aanleiding van gegronde klachten van de GI kunnen verwachten.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde zich niet empathisch heeft opgesteld. Klager heeft niet willen meewerken aan de begeleide omgang met [minderjarige]. Beklaagde heeft tijdens de eerste kennismaking met klager gezegd: ‘als je niet meewerkt, zeggen wij tegen [minderjarige] dat u haar niet meer wilt zien’.

3.3.2

Beklaagde heeft tegen dit klachtonderdeel geen verweer gevoerd.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt.
Beklaagde heeft desgevraagd te kennen gegeven dat hij klager heeft gewezen op zijn verantwoordelijkheid als vader. Hij heeft uitvoerig met klager gesproken over zijn keuze om niet mee te werken aan de begeleide omgang met [minderjarige] en dat klager hiermee een signaal afgeeft dat hij [minderjarige] niet meer wil zien. De intentie van beklaagde is geweest om klager mee te krijgen in het proces. Beklaagde heeft niet willen dreigen.

Hoewel de woordkeuze van beklaagde ongelukkig is en door klager kan zijn opgevat als afkeuringswaardig, heeft beklaagde gemotiveerd toegelicht dat bovengenoemde zin in een breder verband moet worden gezien. Beklaagde heeft niet gehandeld buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Volgens klager heeft beklaagde zich partijdig opgesteld in de periode dat [minderjarige] zich heeft georiënteerd op een middelbare school. Beklaagde heeft klager verboden naar een kennismakings-dag te gaan van de school in [plaatsnaam 1] waar klager [minderjarige] had aangemeld en hij heeft gezegd hierover een schriftelijke aanwijzing te overwegen. Beklaagde heeft pas drie dagen voordat de school begon aan klager en [minderjarge] laten weten naar welke school zij zou gaan.

3.4.2

Beklaagde betwist dat hij klager heeft verboden om met [minderjarige] naar een kennismakingsbijeenkomst van een school te gaan.
Hij heeft aangevoerd dat hij aan klager en moeder heeft opgedragen om tot een beslissing te komen over de plaats waar [minderjarige] naar de middelbare school zou gaan. Pas in juli 2017 is bij rechterlijke beschikking beslist dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij klager zou blijven. Hij heeft klager in overweging gegeven om de evaluatie door de RvdK van de uithuisplaatsing in november 2017 af te wachten en [minderjarige] in [plaatsnaam 3] te laten starten met school.
Nadat klager zich heeft beroepen op deze beschikking, heeft de GI aan ouders kenbaar gemaakt dat de uithuisplaatsing tussentijds beëindigd zou worden en dat [minderjarige] bij klager zou gaan wonen zodat [minderjarige] zou kunnen starten met de middelbare school in [plaatsnaam 1].

3.4.3

Het College oordeelt over de kennismakingsbijeenkomst als volgt.
Nu partijen elkaar tegenspreken, kan het College niet vaststellen dat beklaagde klager heeft verboden om naar een kennismakingsbijeenkomst van de middelbare school in [plaatsnaam 1] te gaan.
Ook heeft het College in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling geen aanknopingspunten kunnen vinden die het standpunt van klager ondersteunen.
Dit gedeelte van klachtonderdeel is ongegrond.

Dat beklaagde een schriftelijke aanwijzing heeft overwogen ten aanzien van de kennismakingsbijeenkomst op de middelbare school in [plaatsnaam 1] is het College op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling niet gebleken. Beklaagde heeft in een email van 23 maart 2017 aan klager bericht dat hij een schriftelijke aanwijzing heeft overwogen met betrekking tot de ondersteuning van de aanmelding van [minderjarige] op de school in [plaatsnaam 3]. Beklaagde heeft voorts in een email van 27 maart 2017 te kennen gegeven dat hij niet goed heeft gehandeld en heeft zijn excuses aangeboden.
Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot het verwijt van klager dat beklaagde zich partijdig heeft opgesteld door pas drie dagen voor de school begon aan klager en [minderjarige] te laten weten naar welke school zij zou gaan, overweegt het College het volgende.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet dat het tot de verantwoordelijkheid van zowel klager als moeder behoort om een beslissing te nemen over de schoolkeuze van [minderjarige]. Beklaagde heeft zich willen concentreren op de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing en is ervan uitgegaan dat de zitting bij de kinderrechter snel zou plaatsvinden.

Hoewel het College begrip heeft voor de argumenten van beklaagde, had het in dit geval voor beklaagde als professional op grond van de voorgeschiedenis duidelijk moeten zijn dat klager en moeder moeizaam met elkaar communiceerden.
Beklaagde heeft in deze omstandigheden tot de laatste week van de vakantie, drie dagen voordat de middelbare school zou starten, gewacht op overeenstemming tussen ouders over de plaats waar [minderjarige] naar de middelbare school zou gaan. [minderjarige] heeft hierdoor te lang in onzekerheid verkeerd over haar verblijfplaats. Beklaagde heeft nagelaten te handelen in het belang van [minderjarige] (artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker).

Al in februari 2017 lag er het rapport van de RvdK met het advies dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij klager vast te stellen. Gezien dit rapport en de start van [minderjarige] in het voortgezet onderwijs per augustus 2017, lag het in de rede ruim voordien te streven naar duidelijkheid over [minderjarige] verblijf. Desgevraagd heeft beklaagde verklaard dat het niet in hem is opgekomen om de rechtbank te vragen om een vervroegde behandeling van de zaak over het hoofdverblijf zodat eerder zicht zou komen op de woonplaats en de school van [minderjarige]. Het College is van oordeel dat dit in het belang van [minderjarige] wel voor de hand had gelegen.

Beklaagde had naar het oordeel van het College in het kader van de informatievoorziening [minderjarige] en moeder er voorts op moeten wijzen dat er een reële kans bestond dat de rechter het advies van de RvdK zou volgen en dat het zeer wel mogelijk was dat [minderjarige] weer in [plaatsnaam 1] zou gaan wonen. Dat [minderjarige] te kennen heeft gegeven dat zij bij moeder wilde wonen en in [plaatsnaam 3] naar school wilde gaan, doet hier niet aan af. Beklaagde is in deze zin in gebreke gebleven in zijn informatieplicht (Artikel F van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker).

Hoewel het College de indruk heeft dat beklaagde integer heeft willen handelen, is zijn handelswijze onzorgvuldig geweest. Hij heeft de schijn van partijdigheid gewekt (artikel D van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker) door de verwachtingen van [minderjarige] niet te ‘managen’ in de periode tussen het advies van de RvdK in december 2016 en de beschikking van de kinderrechter in juli 2017. Het College verwijst in dit verband naar alinea 3.4.9. Voorts heeft de onder alinea 3.4.4 genoemde email van 23 maart 2017 bij klager de indruk kunnen wekken dat beklaagde uitsluitend heeft aangestuurd op de aanmelding van [minderjarige] op een school in [plaatsnaam 3].
Klager heeft zich tot slot achtergesteld kunnen voelen doordat beklaagde na de beschikking van 7 juli 2017 klager in overweging heeft gegeven om de evaluatie van de uithuisplaatsing in november 2017 af te wachten, [minderjarige] bij moeder te laten wonen en naar school te laten gaan in [plaatsnaam 3]. Beklaagde heeft zich in deze omstandigheden onvoldoende neutraal opgesteld.

Nu beklaagde heeft gehandeld in strijd met de normen uit artikelen A, C en F van de beroepscode kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit gedeelte van klachtonderdeel VI is gegrond.

3.5 Conclusie

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot een gedeelte van het derde klachtonderdeel verwijtbaar heeft gehandeld.
Beklaagde heeft in deze complexe casus onvoldoende gehandeld in het belang van [minderjarige]. Hij is voorts tekortgeschoten in de informatievoorziening aan [minderjarige] en moeder en heeft zich ten opzichte van klager onvoldoende neutraal opgesteld. Het College acht gelet op de ernst van deze feiten en doordat beklaagde ter zitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in de onzorgvuldigheid van zijn handelen, de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I en II ongegrond;
– verklaart klachtonderdeel III gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond;
– legt aan beklaagde in verband met de gedeeltelijke gegrondverklaring van klachtonderdeel III op een maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 5 april 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.H.A. Van Geel                                                          mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                            secretaris