Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft zonder overleg een vooraankondiging gedaan aan de moeder over het halen en brengen van de dochter.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
De heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
Mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar vader, [vader klaagster].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS Bijstand te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 9 augustus 2017 ontvangen op 14 augustus 2017;
– het verweerschrift van 17 oktober 2017 dat diezelfde dag is ontvangen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 26 januari 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [naam toehoorder], gedragsdeskundige bij de GI.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de onderlinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van [minderjarige], geboren op [geboortedatum in] 2004, hierna te noemen: [minderjarige].

2.2

Klaagster en haar ex-partner (hierna te noemen: de vader van [minderjarige]) wonen ongehuwd samen tot december 2012. De relatie verbreekt en sindsdien woont [minderjarige] bij klaagster. Klaagster en de vader van [minderjarige] hebben gezamenlijk gezag.

2.3

Bij beschikking van 27 november 2015 wordt [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI van
10 december 2015 tot 10 december 2016.

2.4

Bij beschikking van 11 februari 2016 stelt de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast bij klaagster; de zorgregeling is dat [minderjarige] één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen bij haar vader verblijft.

2.5

Op 1 april 2016 meldt de GI klaagster en de vader van [minderjarige] dat zij is vastgelopen in het traject met hen.

2.6

Op 16 december 2016 verlengt de rechtbank de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI tot
10 december 2017.

2.7

Bij beschikking van 14 maart 2017 wijzigt de rechtbank de bij beschikking van
11 februari 2016 vastgestelde zorgregeling. De weekendregeling, de vakanties, de feestdagen en de bijzondere dagen worden opnieuw verdeeld.

2.8

Op 16 maart 2017 vindt een klachtgesprek plaats bij de GI naar aanleiding van een vooraankondiging voor een schriftelijke aanwijzing met betrekking tot het halen en brengen van [minderjarige]. Na het klachtgesprek wordt de schriftelijke vooraankondiging ingetrokken.

2.9

Beklaagde is sinds september 2016 betrokken als gezinsvoogd bij [minderjarige].

2.10

Beklaagde is geregistreerd als jeugdzorgwerker bij SKJ sinds [datum] 2012.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling van de klachtonderdelen

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar taak niet naar behoren heeft uitgevoerd. Zij droeg verantwoordelijkheid in het kader van de ondertoezichtstelling. Deze is verlengd zonder dat beklaagde gesprekken heeft gevoerd met [minderjarige]. Door haar handelen is er een breuk ontstaan tussen beklaagde en [minderjarige]. Beklaagde heeft daarbij volgens klaagster de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker geschonden. Er is sprake van onprofessioneel gedrag, er is geen of te weinig aandacht voor de aan beklaagde toevertrouwde jeugdige, er is geen overleg met klaagster, er wordt een schriftelijke aanwijzing gegeven zonder overleg met klaagster en de verantwoordelijkheid wordt afgeschoven op de mede-gezinsvoogd.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de oorspronkelijke klacht en het verweer zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie ten aanzien van alle klachtonderdelen.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Volgens klaagster was [minderjarige] zeer verbolgen na het kennismakingsgesprek met beklaagde in september 2016. Beklaagde zou haar nadrukkelijk hebben toegesproken en haar hebben verteld dat zij beslist naar haar vader moest. [minderjarige] heeft de toon van het gesprek als berispend ervaren. Klaagster heeft over dit gesprek meerdere e-mails geschreven, onder andere op 13 december 2016 en op 10 januari 2017. Zij heeft geen antwoord gekregen. Tevens heeft klaagster in de e-mail van 10 januari 2017 gevraagd wie de gesprekken met [minderjarige] zou gaan voeren, omdat er sinds de kennismaking geen enkel gesprek meer met haar is geweest. Dat heeft ertoe geleid dat beklaagde op 17 februari 2017 een gesprek met [minderjarige] heeft gevoerd.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat [minderjarige] regelmatig contact had met haar behandelaar bij [instelling], en dat beklaagde daarom besloten heeft zich wat afzijdig te houden. Zij wilde [minderjarige] niet nog meer belasten met gesprekken. Klaagster heeft dat regelmatige en goede contact met de behandelaar van [instelling] bevestigd in haar e-mail van 6 oktober 2016. Achteraf is het besluit van beklaagde zich afzijdig te houden wellicht niet tijdig met klaagster gecommuniceerd; in een e-mail van beklaagde van 25 november 2016 heeft beklaagde klaagster geschreven dat zij zich, zoals klaagster weet, op de achtergrond heeft gehouden omdat [minderjarige] ook naar [instelling] gaat. Klaagster heeft zelf regelmatig aangegeven dat [minderjarige] geen behoefte had aan een gesprek met beklaagde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde verklaard dat zij in genoemde e-mail van 25 november 2016 heeft geschreven dat zij [minderjarige] graag voor een tweede keer zou willen zien voor kerst. Op 1 december 2016 heeft klaagster daarop gereageerd en gemeld dat het kennismakingsgesprek niet goed is verlopen, dat zij daar al drie keer over heeft gemaild en geen reactie heeft ontvangen. Voorts schrijft klaagster in deze e-mail dat [minderjarige] geen behoefte heeft aan een gesprek met beklaagde. Beklaagde verklaart tot slot dat ze de mededeling van klaagster dat [minderjarige] het gesprek niet als prettig heeft ervaren, meer zag als een opmerking, en niet als een verzoek om een reactie. In de contactjournaals heeft beklaagde de drie eerdere e-mails, waar klaagster op doelt, niet kunnen vinden.

3.2.3

Voor het College staat vast dat klaagster op 6 oktober 2016 aan beklaagde kenbaar heeft gemaakt dat [minderjarige] goed contact heeft met haar behandelaar bij [instelling] en dat gesprekken bij de GI alleen maar onrust veroorzaken. Voorts meldt klaagster in diezelfde e-mail dat het kennismakingsgesprek met [minderjarige] niet goed is verlopen, maar vraagt zij op dat moment niet om een reactie. Op 25 november 2016, ongeveer twee maanden na het kennismakingsgesprek, heeft beklaagde klaagster gemaild dat zij [minderjarige] graag voor een tweede keer wil zien. Het College stelt vast dat klaagster als reactie hierop op 1 december 2016 heeft geschreven dat [minderjarige] het kennismakingsgesprek niet prettig heeft gevonden en dat zij geen reactie heeft ontvangen op haar drie e-mails hierover. Voorts zegt klaagster wederom dat [minderjarige] geen behoefte heeft aan een gesprek met beklaagde. Vervolgens heeft het College geconstateerd dat klaagster op 13 december 2016 beklaagde heeft gemaild met de vraag hoe er wordt omgegaan met het niet prettig verlopen kennismakingsgesprek. Op 10 januari 2017 herhaalt klaagster deze vraag en wil zij weten wie in de toekomst de eventuele gesprekken met [minderjarige] gaat voeren.

Het College is van oordeel dat beklaagde de e-mail van 25 november 2016, waarin beklaagde aangeeft dat zij zich wat op de achtergrond heeft gehouden, eerder aan klaagster had kunnen versturen. Beklaagde heeft dit zelf ook erkend. Beklaagde is hiermee echter niet buiten de kaders van een redelijke beroepsuitoefening getreden. Klaagster heeft meerdere keren verklaard dat [minderjarige] geen behoefte had aan een gesprek met beklaagde en beklaagde wist dat het contact tussen [minderjarige] en de behandelaar van [instelling] regelmatig en goed was. Het College ziet ook dat klaagster in de e-mail van 1 december 2016 heeft aangegeven dat de kennismaking niet goed is verlopen, maar ziet daarin geen vraag, zoals ook door beklaagde naar voren is gebracht. Van de stelling van klaagster dat zij na het bewuste kennismakingsgesprek beklaagde drie e-mails heeft gestuurd, zijn geen bewijzen in het dossier aangetroffen. Het College heeft alleen kennisgenomen van de e-mails van 13 december 2016 en 10 januari 2017. Daardoor heeft klaagster haar stelling dat zij direct na het gesprek geen reactie kreeg naar het oordeel van het College onvoldoende onderbouwd en mist de klacht feitelijke grondslag. Dat beklaagde pas in februari 2017 een volgend gesprek met [minderjarige] heeft gehad, is naar het oordeel van het College eveneens een gevolg van het bovenstaande, namelijk dat [minderjarige] geen gesprekken wilde met beklaagde en er goede hulp werd geboden door [instelling].

3.2.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Begin maart 2017 heeft [minderjarige], toen zij bij haar vader verbleef, klaagster verschillende apps gestuurd over vervelende voorvallen bij haar vader. Klaagster heeft aan [minderjarige] gevraagd of deze apps gedeeld mochten worden met beklaagde, omdat zij vond dat beklaagde op de hoogte moest zijn van de gevoelens van [minderjarige]. [minderjarige] gaf daar uiteindelijk toestemming voor. Klaagster heeft beklaagde laten weten dat deze apps haar in vertrouwen zijn doorgestuurd. Beklaagde heeft deze apps zonder nader overleg met [minderjarige] of de hulpverlening doorgestuurd naar de vader.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat vanaf het begin van de ondertoezichtstelling de afspraak was dat alle communicatie van klaagster en de vader van [minderjarige] naar de GI in cc naar elkaar werd doorgestuurd. De appjes van [minderjarige] vielen ook onder deze afspraak. Beklaagde heeft klaagster hiervan op de hoogte gebracht. Alvorens de appjes door te sturen, heeft beklaagde hierover contact gehad met de vorige gezinsvoogd en met de gedragsdeskundige. Er was een dilemma: wat was het beste, gegeven het feit dat [minderjarige] zo klem zit? Beklaagde heeft het derhalve intern overlegd en klaagster geïnformeerd. Achteraf bezien had zij het misschien ook eerst met [minderjarige] moeten bespreken, maar dat had haar beslissing niet anders gemaakt.

3.3.3

Het College stelt vast dat uit het schriftelijke verweer, maar ook uit hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling genoegzaam is gebleken dat er een afspraak lag dat alle communicatie van zowel klaagster als van vader over en weer gedeeld zou worden. Ter zitting heeft klaagster aangegeven dat de afspraak slechts zag op e-mails, maar het College acht dit niet aannemelijk. Het was kennelijk, gezien de complexe casus, van belang dat de communicatie transparant zou zijn. Het had klaagster in dat kader duidelijk moeten zijn dat de afspraak betrekking had op alle vormen van communicatie. Het College constateert ook dat beklaagde ten aanzien van het doorsturen van de appjes een professionele afweging heeft gemaakt. Zij heeft het vooraf intern in haar team besproken. Het gegeven dat klaagster de apps van [minderjarige] heeft doorgestuurd aan beklaagde heeft ervoor gezorgd dat deze apps onder de lopende afspraak over de communicatie kwamen te vallen. Niet valt in te zien op welke grond beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld, nu zij de bestaande afspraak heeft gevolgd.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Op 20 maart 2017 hebben klaagster en haar huidige man naar aanleiding van een multidisciplinair overleg (hierna te noemen: MDO) een gesprek gevoerd met de twee gedragsdeskundigen. Op datzelfde moment had de vader van [minderjarige] een gesprek bij de GI en beklaagde een gesprek met [minderjarige]. Er werd klaagster verteld dat er binnen het MDO gesproken was over alle opties die de GI ter beschikking had. Ook uithuisplaatsing is ter sprake gekomen, maar direct weer terzijde gelegd. Dat was niet aan de orde. [minderjarige] vertelde klaagster later dat beklaagde in het gesprek met haar ook over een uithuisplaatsing had gesproken. [minderjarige] is daar weken van overstuur geweest; ze werd ‘s nachts wakker met bange gevoelens, aldus klaagster.

3.4.2

Beklaagde heeft verklaard dat zij op 20 maart 2017 een gesprek heeft gehad met [minderjarige]. Beklaagde heeft onder andere met [minderjarige] besproken dat is nagedacht over een uithuisplaatsing, maar dat dat niet aan de orde was. [minderjarige] was geïnteresseerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde nog benadrukt dat zij haar voornemen met [minderjarige] een mogelijke uithuisplaatsing te bespreken vooraf heeft besproken binnen haar team. Anders had [minderjarige] het mogelijkerwijs van klaagster gehoord of van haar vader.

3.4.3

Vast staat dat er met [minderjarige] is gesproken over een mogelijke uithuisplaatsing. Het College heeft van beklaagde begrepen dat transparantie in complexe scheidingszaken van groot belang is, en dat dat kennelijk aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegen. Iedereen, en dus ook [minderjarige], diende dezelfde informatie te ontvangen en met iedereen werden de mogelijke opties besproken. Het College is van oordeel dat beklaagde deze beslissing, nu zij deze binnen haar team heeft besproken, voldoende heeft afgewogen. Bovendien kan het College, gezien de complexheid van de zaak, de betrokkenheid van [minderjarige] als ook haar leeftijd op dat moment, beklaagde volgen in haar beslissing alle opties, waaronder een uithuisplaatsing, met [minderjarige] te bespreken. Het College ziet dan ook niet in dat beklaagde door zo te handelen de Beroepscode voor de jeugdprofessional zou hebben geschonden.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Op 18 januari 2017 heeft de zitting bij de rechtbank plaatsgevonden in de zaak van klaagster jegens de vader van [minderjarige] om de vakanties, verjaardagen en schoolkeuze van [minderjarige] door de rechter te laten bepalen. Tijdens deze zitting is er overeenstemming bereikt en heeft klaagster zich geconformeerd aan de door de vader opgegeven vakantieplanning. De rechter bevestigde ter zitting dat dit nu geregeld was. Dat hield onder andere in dat [minderjarige] tijdens de carnavalsvakantie bij klaagster zou zijn. Een paar dagen voor deze vakantie eiste de vader van [minderjarige] haar ineens op. De rechter had nog geen uitspraak op papier en in de oude beschikking van 11 februari 2016 stond dat [minderjarige] bij haar vader zou verblijven. [minderjarige] wilde absoluut niet. Beklaagde heeft toen, zonder te overleggen, in een schriftelijke aanwijzing bepaald dat [minderjarige] de helft van de vakantie bij haar vader moest zijn.

3.5.2

Beklaagde heeft zich verweerd door aan te voeren dat de beschikking van de kinderrechter met de gewijzigde verdeling van onder andere de vakanties dateert van 14 maart 2017. Er was op dat moment nog geen nieuwe beschikking en dan is de oude beschikking van 11 februari 2016 leidend. Vader heeft zich hierop beroepen. Beklaagde heeft dit besproken met de jurist van de GI.

3.5.3

Het College stelt vast dat in de eerste beschikking van de rechtbank van 11 februari 2016 een zorgregeling is vastgesteld en dat diezelfde rechtbank deze beschikking op 14 maart 2017 heeft gewijzigd. Het College overweegt dat de afspraak over de carnavalsvakantie uit de oude beschikking van 11 februari 2016 leidend was, nu de nieuwe beschikking er nog niet lag. Het College is van oordeel dat, als het al juist is dat ter zitting overeenstemming is bereikt over die specifieke vakantie, en de vader van [minderjarige] daar later op terug is gekomen, dit beklaagde tuchtrechtelijk niet kan worden aangerekend. Voor haar gold op dat moment de oude beschikking van 11 februari 2016 en de daarin gemaakte afspraken.

3.5.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

[minderjarige] was niet meer te bewegen om tijdens de reguliere omgangsregeling om de 14 dagen naar haar vader te gaan. Beklaagde heeft aangegeven dat dat wel moest gebeuren en heeft zonder overleg een schriftelijke aanwijzing gegeven aan klaagster en [minderjarige].

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing van 27 februari 2017 aan [minderjarige] was gericht en niet aan klaagster. In een gesprek op 17 februari 2017 is [minderjarige] door beklaagde gewezen op de beschikking van 11 februari 2016 en is tevens aangekondigd dat er een schriftelijke aanwijzing zou volgen. [minderjarige] heeft toen gezegd dat zij niet naar haar vader gaat, ook niet als zij hiervoor een aanwijzing krijgt. Klaagster is van de aanwijzing op de hoogte gebracht. Beklaagde heeft dit besluit genomen na overleg met de gedragsdeskundige en de eerdere gezinsvoogd. [minderjarige] moest naar haar vader, ook al wilde zij dat niet. Zij deed geen uitspraken die erop duiden dat de situatie bij haar vader onveilig zou zijn. Daarom was er geen aanleiding om de rechter een wijziging van de omgang te verzoeken.

3.6.3

Het College heeft in het dossier in bijlage E en H bij de klacht twee schriftelijke aanwijzingen aangetroffen, beide van 27 februari 2017. Eén was gericht aan [minderjarige] en één aan klaagster. [minderjarige] kreeg de schriftelijke aanwijzing omdat zij zich onttrok aan de beschikking van 11 februari 2016, waarin staat dat [minderjarige] naar haar vader moet. Klaagster kreeg de schriftelijke aanwijzing, nadat zij op 15 februari 2017 een vooraankondiging heeft ontvangen. Ook zij diende de beschikking van 11 februari 2016 na te komen. Het College stelt vast dat in de schriftelijke aanwijzing aan [minderjarige] de mening van [minderjarige] staat opgenomen, als ook die van klaagster en de vader van [minderjarige]. Klaagster vraagt zich in die aanwijzing namelijk af wat dit met [minderjarige] zal doen. In de schriftelijke aanwijzing gericht aan klaagster zelf staat dat zij van beklaagde op 15 februari 2017 een vooraankondiging heeft gekregen, en voorts is haar mening in de schriftelijke aanwijzing opgenomen. Dat maakt dat de klacht van klaagster dat er schriftelijke aanwijzingen zijn gegeven zonder overleg feitelijk onjuist is. Het College is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat er over deze schriftelijke aanwijzingen wel degelijk overleg is geweest met klaagster en met [minderjarige]. Daarmee heeft beklaagde zich in dit verband voldoende ingespannen jegens klaagster.

3.6.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Op 10 maart 2017 heeft beklaagde klaagster een e-mail gestuurd, met daarin de mededeling dat klaagster persoonlijk moet zorg dragen voor het halen en brengen van [minderjarige] naar haar vader. De GI vindt het niet goed als iemand anders dat doet en klaagster dient dit te beschouwen als een vooraankondiging van een aanwijzing. De e-mail is gestuurd zonder enig overleg. Door de talrijke intimidaties en bedreigingen en zelfs fysiek geweld van de vader naar klaagster toe was al eerder met de GI afgesproken dat [minderjarige] door de respectievelijke partners van klaagster en vader gehaald en gebracht zou worden en bij ontstentenis door iemand anders. Beklaagde is hier totaal aan voorbij gegaan zonder zich te bekommeren om de veiligheid van klaagster of die van [minderjarige]. Na het klachtgesprek is de schriftelijke vooraankondiging ingetrokken.

3.7.2

In het klachtgesprek op 16 maart 2017 heeft beklaagde erkend dat inderdaad eerst overleg had moeten plaatsvinden. Beklaagde heeft hiervoor haar excuses aangeboden en de vooraankondiging is ingetrokken. Aan deze vooraankondiging ging een e-mailcorrespondentie vooraf. In een e-mail van 6 maart 2017 heeft vader laten weten dat [familielid] van [minderjarige] bij het brengen vader in het gezicht zou hebben gespuugd en een kopstoot zou hebben gegeven. Klaagster reageerde dat juist [familielid] door vader was bespuugd en een kopstoot had gekregen. Beklaagde dacht er goed aan te doen [minderjarige] te behoeden voor eventueel toekomstige escalaties, maar had er beter aan gedaan hierover eerst met klaagster in gesprek te gaan.

3.7.3

Het College stelt vast dat beklaagde klaagster, zonder voorafgaand overleg, in een vooraankondiging de mededeling heeft gedaan dat zij moest zorg dragen voor het halen en brengen van [minderjarige] naar haar vader, terwijl er een eerdere afspraak lag dat de respectievelijke partners van klaagster en de vader dit voor hun rekening zouden nemen. Het College is van oordeel dat beklaagde hiermee, nu deze vooraankondiging is gedaan zonder eerst met klaagster te overleggen, terwijl er bovendien een andere afspraak lag, niet zorgvuldig heeft gehandeld. Dat is niet bevorderlijk geweest voor het vertrouwen in de jeugdzorg.

3.7.4

Het klachtonderdeel is gegrond.

3.7.5

Het College heeft ook geconstateerd dat beklaagde de vooraankondiging heeft gedaan om [minderjarige] te behoeden voor mogelijke toekomstige escalaties bij de overdrachtsmomenten. Voorts heeft beklaagde erkend dat dit niet had mogen gebeuren, heeft zij haar excuses aangeboden en is de vooraankondiging binnen een week ingetrokken.

3.8

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) heeft geschonden. Zij heeft klaagster zonder overleg een vooraankondiging verstrekt. Voor de bepaling van de op te leggen maatregel neemt het College de volgende omstandigheden in overweging. Het College houdt rekening met het feit dat beklaagde heeft verklaard dat het opleggen van de vooraankondiging niet zonder voorafgaand overleg had mogen gebeuren, dat zij daarvoor haar excuses heeft aangeboden en dat de vooraankondiging binnen één week is vernietigd. Hiermee heeft beklaagde gereflecteerd op haar handelen en zich leerbaar opgesteld. Tot slot is het College ervan overtuigd dat beklaagde steeds het belang van [minderjarige] voor ogen heeft gehad. Het College ziet dan ook af van het opleggen van een maatregel.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen I, II, III, IV en V ongegrond;
– verklaart klachtonderdeel VI gegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 23 maart 2018 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter
Mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris