Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdzorgwerker heeft niet gehandeld in strijd met gemaakte afspraken. Zij heeft de moeder geïnformeerd en heeft voldoende inzicht gehad in de gemoedstoestand van de kinderen. Hoewel de woordkeuze in een e-mail ongelukkig is geweest, is de jeugdzorgwerker niet getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. Van Riemsdijk, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A.T.E. van Dijk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster wonende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als hulpverlener bij [organisatie].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij het AKJ te [plaatsnaam 2].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M.C.S. Lalesse, werkzaam bij [advocatenkantoor].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 9 augustus 2017, met de bijlagen en de aanvullingen hierop van 23 november 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 2 oktober 2017, met de bijlagen en de aanvulling hierop van 14 januari 2018;
– de door de gemachtigde tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotitie.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. De partner van klaagster is als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige kinderen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2006, en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2008, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, zijn sinds 2009 uit elkaar. Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij klaagster. Klaagster heeft een nieuwe partner. De relatie tussen klaagster en vader was verstoord.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank [provincienaam], zittingsplaats [plaatsnaam 3] d.d. 21 april 2011 is een zorgregeling en een vakantieregeling tussen vader en de kinderen vastgesteld. Vader heeft om het weekend omgang met de kinderen. Tot eind 2016 is uitvoering gegeven aan deze zorgregeling. De omgang van [minderjarige 2] met vader is in oktober 2016 gestopt en de omgang van [minderjarige 1] met vader in december 2016. Klaagster heeft de regeling eenzijdig beëindigd.

2.4

In de beschikking van de rechtbank [provincienaam], zittingsplaats [plaatsnaam 3] d.d. 10 mei 2017 staat opgenomen dat vader op 26 april 2017 een kort geding aanhangig heeft gemaakt waarin hij nakoming van de onder 2.3 genoemde beschikking heeft gevorderd. Hij heeft dit gedaan nadat klaagster op 25 april 2017 een verzoekschrift heeft ingediend tot onder andere ontzegging van het recht van vader op omgang met de kinderen. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en heeft aangegeven dat in de bodemprocedure bij beschikking de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) zal worden ingeschakeld om de rechtbank te adviseren. Beide partijen hebben hiermee ingestemd.

2.5

De rechtbank [provincienaam], zittingsplaats [plaatsnaam 3], heeft bij beschikking d.d. 10 mei 2017 de RvdK opgedragen onderzoek te doen naar de contactregeling tussen vader en de kinderen. In afwachting van het rapport en advies van de RvdK is iedere verdere beslissing aangehouden voor een periode van vier maanden.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster naar voren gebracht dat na een mediationtraject inmiddels zowel het contact tussen klaagster en vader als het contact tussen vader en de kinderen is hersteld. De kinderen hebben momenteel onbegeleide omgang met vader.

2.6

Beklaagde is als jeugdzorgwerker geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd sinds [datum] 2013. Het jeugdteam van de gemeente heeft de kinderen op 15 december 2016 doorverwezen naar [organisatie]. [organisatie] biedt onder andere hulp aan ouders en kinderen bij een verstoorde communicatie en een verstoorde ouder-kind relatie bij of na een scheiding. Beklaagde is werkzaam bij [organisatie] en is als jeugdprofessional in het vrijwillig kader betrokken geweest bij de kinderen en klaagster vanaf het intakegesprek op 11 januari 2017 tot en met 4 maart 2017. Na 4 maart 2017 heeft beklaagde geen contact meer gehad met klaagster en de kinderen. [organisatie] heeft wel nog aangezeten op 24 april 2017 aan een zogenaamde beschermtafel, waar klaagster en de kinderen niet bij waren.

2.7

Beklaagde is met klaagster en vader individueel en met de kinderen gestart met procesdiagnostiek voor de duur van drie maanden met als doel de wensen, behoeften, ontwikkeling, de perspectieven en relationele verstoringen in kaart te brengen en te komen tot overeenstemming met betrekking tot een Plan van Aanpak, hierna te noemen: plan, tussen klaagster en vader. Beklaagde heeft op 15 februari 2017 met de kinderen een gesprek gevoerd bij moeder thuis.

2.8

Op 18 februari 2017 heeft beklaagde met de kinderen en vader een gesprek gevoerd op het bureau van [organisatie] over de redenen waarom de omgang is gestopt en of er stappen gezet kunnen worden ter bevordering van contactherstel. Klaagster heeft op 18 februari een e-mail gestuurd aan beklaagde waarin zij te kennen geeft dat het vertrouwen in beklaagde is geschaad. Op 2 maart 2017 heeft klaagster beklaagde per e-mail bericht dat zij ontevreden is over de huidige gang van zaken en dat zij geen toestemming meer verleent aan [organisatie] voor verdere contacten met personen over de kinderen.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

Het College wijst allereerst op het volgende.

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht van klager heeft kort samengevat betrekking op het gebrek aan inzicht van beklaagde in de gemoedstoestand van de kinderen, het niet nakomen van gemaakte afspraken, een onprofessionele opstelling en het niet verstrekken van rapportages.

3.1.4 Ontvankelijkheid

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat de partner van klaagster geen belanghebbende is. De partner van klaagster is geen ouder van de kinderen en met hem zijn geen gesprekken gevoerd.
Nu uitsluitend klaagster en haar gemachtigde een machtigingsformulier hebben ondertekend, is het College van oordeel dat de partner van klaagster in deze procedure niet als klager wordt aangemerkt.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij onvoldoende inzicht heeft gehad in de gemoedstoestand van de kinderen tijdens het onder 2.8 genoemde gesprek. Zij heeft tegen de afspraken in, erop aangestuurd dat de kinderen twee dagen naar vader zouden gaan met een overnachting. De wens van de kinderen om het gesprek te stoppen is door beklaagde niet gehoord evenals de door de kinderen afgegeven signalen van vermoeidheid en verveeldheid. Klaagster verwijt beklaagde dat het gesprek langer heeft geduurd dan van tevoren was aangekondigd.
Ook heeft beklaagde met vader gesproken over de alimentatie in aanwezigheid van de kinderen. Klaagster was niet bij het gesprek aanwezig maar heeft het gesprek kunnen volgen omdat zij in de kamer ernaast heeft gewacht.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat klaagster niet aanwezig is geweest bij dit gesprek. Klaagster heeft samen met haar partner in een andere ruimte gewacht die niet grensde aan de spreekruimte. Het is niet mogelijk dat klaagster letterlijk heeft gehoord wat er is gezegd.

Een doel van het gesprek op 18 februari 2017 is geweest (zie ook 2.8) om te kijken of er overeenstemming kon worden bereikt over een eerste stap in het contactherstel tussen vader en de kinderen. Het tempo van de kinderen en het thema’s die de kinderen wilden bespreken met vader hebben tijdens het gesprek centraal gestaan. Het idee om een contactmoment tussen vader en de kinderen te organiseren, is spontaan tot stand gekomen. Beklaagde heeft na het gesprek aan klaagster gevraagd of zij openstond voor het organiseren van een omgangsmoment.

Het gesprek heeft langer geduurd dan beklaagde van tevoren heeft ingeschat omdat de kinderen goed konden verwoorden wat zij nodig hadden om het contact met vader te herstellen. Beklaagde heeft de kinderen hiervoor de ruimte willen geven en heeft hiermee recht gedaan aan de positie van de kinderen. Beklaagde heeft aan klaagster voorgesteld om een terugkoppeling te geven over het verloop van het gesprek. Klaagster is hier niet op ingegaan.

3.2.3

Het College overweegt dat de klaagster en beklaagde uiteenlopende verwachtingen hadden van het onder 2.8 genoemde gesprek. De bedoeling van het gesprek is geweest dat de kinderen met hulp van beklaagde aan vader vertelden wat zij moeilijk vonden in het contact en waarom zij in het weekend niet naar hem toe wilden gaan.
Beklaagde heeft vanuit haar taak echter ook gekeken naar de mogelijkheden om het contact tussen vader en de kinderen te herstellen terwijl klaagster in de veronderstelling verkeerde dat was afgesproken dat het contact tussen vader en de kinderen in fases zou worden opgebouwd zonder overnachting.

Beklaagde heeft toegelicht dat dat het gesprek goed is verlopen, dat het voorstel van de kinderen om bij vader te overnachten een spontane actie vanuit de kinderen is geweest en dat zij niet de indruk heeft gekregen dat de kinderen zich onder druk gezet voelden. In haar professionele beleving ervaarden de kinderen ruimte en veiligheid.
Zij heeft gereflecteerd op haar handelen en zij heeft tijdens de mondelinge behandeling haar excuses aangeboden aan klaagster voor het uiteenlopen van de verwachtingen. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij zich kan voorstellen dat klaagster door het voorstel is overvallen en dat zij niet de intentie heeft gehad om kwaad te doen. Zij is bereid geweest om met klaagster hierover een gesprek aan te gaan. Het College is van oordeel dat beklaagde zich hiermee professioneel heeft opgesteld.
Hoewel het beter was geweest als beklaagde ter voorkoming van uiteenlopende verwachtingen, afspraken over en doelen van de hulpverlening voor het gevoerde gesprek in het dossier had vastgelegd en aan klaagster had gecommuniceerd, is het niet aannemelijk geworden dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met gemaakte afspraken en dat zij onvoldoende inzicht heeft gehad in de gemoedstoestand van de kinderen.
Hoewel de wens van een contactmoment voor klaagster onverwacht was, heeft beklaagde het voorstel met klaagster besproken. Dat beklaagde dit voorstel aan klaagster heeft voorgelegd acht het College in het vrijwillig kader en gelet op de taak van beklaagde begrijpelijk.

Nu klaagster en beklaagde elkaar tegenspreken en aan het woord van de één niet meer waarde kan worden gehecht dan aan het woord van de ander, kan het College niet vaststellen wat exact de inhoud van het gesprek is geweest tussen vader en de kinderen.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling heeft het College voorts geen aanknopingspunten kunnen vinden die leiden tot de conclusie dat beklaagde in het bijzijn van de kinderen met vader heeft gesproken over de alimentatie.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster is van mening dat beklaagde de gemaakte afspraken niet is nagekomen. Beklaagde zou de gesprekken met klaagster, vader en de kinderen voeren maar heeft een andere hulpverlener ingeschakeld die jong en onervaren was. Nadat klaagster hiertegen heeft geageerd, heeft beklaagde alsnog de hulp uitgevoerd.
Beklaagde heeft zich verder niet aan de afspraken gehouden die zijn gemaakt over de omgang tussen vader en de kinderen. Beklaagde heeft deze omgang geforceerd. Klaagster verwijst naar de onder 2.5 genoemde beschikking.

3.3.2

Beklaagde betwist dat zij heeft toegezegd dat beklaagde de gesprekken met klaagster, vader en de kinderen persoonlijk zou voeren.
Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij in lijn heeft gehandeld met de onder 2.3 vermelde beschikking. Deze beschikking was van kracht toen het onder 2.8 genoemde gesprek is gevoerd. De omgang tussen de kinderen en vader is door haar dan ook niet geforceerd. Beklaagde betwist dat er sprake is geweest van afspraken anders dan afspraken om te komen tot procesdiagnostiek.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt. Nu beklaagde heeft betwist dat afgesproken is dat zij uitsluitend de gesprekken met klaagster, vader en de kinderen zou voeren en het College geen aanknopingspunten in het dossier heeft aangetroffen die de stelling van klaagster ondersteunen, is dit gedeelte van klachtonderdeel II ongegrond.

In het vrijwillig kader is het van belang dat zowel klaagster als vader overeenstemming bereiken over de vervolgstappen in de hulpverlening. Nadat klaagster aan beklaagde te kennen heeft gegeven dat zij niet akkoord was met een contactmoment, heeft beklaagde geen verdere actie tot omgang ondernomen. Het College overweegt dat ten tijde van het onder 2.8 genoemde gesprek de onder 2.3 genoemde beschikking van kracht was, beklaagde geen bevoegdheid heeft om af te wijken van deze beschikking en dat ten tijde van het gesprek de omgang tussen vader en de kinderen niet was opgeschort.

Beklaagde valt onder deze omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt te maken zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Naar de mening van klaagster heeft beklaagde zich niet professioneel opgesteld ten opzichte van klaagster en andere instanties. Zo heeft beklaagde met klaagster een negatieve analyse over vader besproken. De kans dat beklaagde ook negatief met derden over deze casus heeft gesproken, is volgens klaagster reëel.
Ook heeft beklaagde aan klaagster medegedeeld dat zij mee diende te werken aan mediation en dat als zij hier niet aan meewerkte de rechter zou worden ingeschakeld. Klaagster heeft dit als dreigement ervaren.
Tot slot heeft beklaagde in een e-mailwisseling met een medewerker van de Gemeente de zaak van klaagster beschreven als: ‘een leuke uitdaging!’.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat klaagster na het onder 2.8 genoemde gesprek met de kinderen en vader door haar is geïnformeerd over het opstarten van het contact tussen vader en de kinderen. Dat klaagster in dat geval ook inhoudelijk over het gesprek is geïnformeerd, is passend. Vader is hiervan op de hoogte gesteld.

Voor de woordkeuze in haar e-mail biedt beklaagde klaagster oprechte excuses aan. Beklaagde is van mening dat deze uitspraak moet worden bezien in de context van de zaak en de behorende e-mailberichten. De woorden zijn wellicht ongelukkig geformuleerd maar de enthousiaste intentie is oprecht geweest.

3.4.3

Het College overweegt dat het in het vrijwillig kader belangrijk is dat ouders over en weer worden geïnformeerd over zaken die met de kinderen zijn besproken. Zoals bij de beoordeling van klachtonderdeel I aan de orde is gekomen, heeft beklaagde klaagster in dat licht geïnformeerd over het onder meer in 2.8 genoemde gesprek. Zij heeft verklaard dat zij vader hiervan op de hoogte heeft gesteld.
Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is voorts niet aannemelijk dat beklaagde zich onprofessioneel heeft opgesteld door een negatieve analyse over vader met klaagster te bespreken.
Evenmin is het College gebleken dat beklaagde met diverse professionals op negatieve wijze over deze casus heeft gesproken.

Dat beklaagde klaagster heeft gewezen op een mediationtraject en de kans op een onvrijwillige tussenkomst van de rechter valt haar in het kader van een goede informatievoorziening niet tuchtrechtelijk te verwijten.

Tot slot overweegt het College dat beklaagde in het verweerschrift aan klaagster excuses heeft aangeboden voor de op 22 februari 2017 verstuurde e-mail aan een medewerkster van het Jeugdteam van de gemeente waarin zij de casus van klaagster heeft beschreven als ‘een leuke uitdaging!’.
Hoewel de woordkeuze van beklaagde ongelukkig is en het van belang is dat een professional zich realiseert dat dergelijke e-mails onderdeel zijn van een dossier waardoor het mogelijk is dat cliënten deze onder ogen krijgen, is beklaagde met haar handelen niet getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Volgens klaagster heeft beklaagde geen rapportages gemaakt en aan klaagster opgestuurd. Klaagster heeft zelf om een plan moeten vragen. Zij heeft het plan ontvangen op 19 maart 2017 terwijl het plan is gedateerd op 6 januari 2017.

Ook heeft beklaagde geweigerd om klaagster een foto te verstrekken van een flipover en heeft zij in een rapport van de RvdK uitspraken gedaan over de ontwikkeling van de kinderen die niet ergens anders zijn benoemd. Beklaagde heeft onvoldoende grond gehad voor deze uitspraken omdat zij de kinderen slechts twee keer gezien heeft.

3.5.2

Beklaagde is van mening dat het plan gezien kan worden als het aanmaken van het dossier. Dit is op 6 januari 2017 gebeurd. Het plan is in de periode daarna aangevuld naar aanleiding van de gesprekken die beklaagde met klaagster, vader en de kinderen heeft gevoerd.

De flipover bevat privacygevoelige informatie van de kinderen. De veiligheid van de kinderen zou teniet worden gedaan op het moment dat de informatie in de vorm van een fysiek document door een ouder tegen de andere ouder in een procedure zou worden gebruikt. Klaagster heeft op 4 februari 2017 de flipover bekeken. Met haar is kort besproken wat de kinderen hebben gemaakt en wat met de kinderen besproken is. In een gesprek op 15 februari 2017 heeft klaagster kennis kunnen nemen van de informatie en heeft zij een toelichting ontvangen. Beklaagde heeft op 5 februari 2017 een terugkoppeling aan vader gegeven. Ook hij heeft geen foto van de flipover ontvangen.

Beklaagde heeft in het kader van een beschermingsonderzoek aan de RvdK het verloop van de hulpverlening beschreven.

3.5.3

Het College overweegt dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat er drie fasen zijn in de behandeling. In de eerste fase worden de relaties en verstoringen in kaart gebracht en worden samen met de ouders en de kinderen de doelen opgesteld. In de tweede fase gaat de behandelaar samen met de ouders, kinderen en eventuele andere betrokkenen werken aan de doelen. In de derde fase wordt onderzocht en besproken of de doelen behaald zijn en of de situatie verbeterd is in het systeem. Deze zaak bevond zich in de eerste fase.
Beklaagde heeft het plan op 19 maart 2017 per e-mail aan klaagster verstuurd. Beklaagde heeft in deze e-mail aan klaagster te kennen gegeven dat zij het plan in een gezamenlijk gesprek met klaagster en vader had willen bespreken maar dat zij geen reactie van klaagster op haar uitnodiging heeft ontvangen. Voorts neemt het College in aanmerking dat beklaagde het plan aan het einde van de diagnosefase heeft opgestuurd als afronding van de hulpverlening. Beklaagde kan in deze omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Klaagster heeft gesteld dat beklaagde ten onrechte heeft geweigerd een foto van een flipover over te leggen.
Nu de relatie tussen klaagster en vader op dat moment verstoord was en klaagster zich op 2 maart 2017 heeft teruggetrokken uit het hulpverleningstraject, is het begrijpelijk dat beklaagde de foto van de flipover noch aan vader noch aan klaagster heeft verstrekt. Zij heeft willen voorkomen dat de foto in een juridische procedure zou worden ingebracht. Beklaagde heeft dit aan klaagster uitgelegd in e-mails van 4 en 5 maart 2017. Zij heeft geschreven dat vader met dit verzoek dient in te stemmen en heeft klaagster voorgesteld om in dat geval een gezamenlijke afspraak met vader in te plannen. Het College is van oordeel dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld.

Beklaagde is door de RvdK als informant benaderd in het kader van een raadsonderzoek. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat beklaagde een diagnose heeft gesteld over [minderjarige 2] en dat deze in het raadsrapport is terechtgekomen.
Beklaagde heeft naar voren gebracht dat klaagster het volledige en definitieve raadsrapport in deze procedure niet heeft overgelegd. Beklaagde heeft binnen de wettelijke kaders de RvdK desgevraagd geïnformeerd. In het gesprek met de raadsonderzoeker heeft zij zelf waargenomen dat [minderjarige 2] angst heeft voor hoogtes.
Dat beklaagde een diagnose heeft gesteld of uitspraken heeft gedaan die zij niet heeft kunnen doen, is het College niet gebleken. Het College wenst op te merken dat klaagster drie pagina´s van het raadsrapport in deze procedure heeft overgelegd. Het College heeft klaagster gevraagd om het volledige raadsrapport toe te sturen. Klaagster heeft dit uit privacyoverwegingen geweigerd hetgeen begrijpelijk is maar ertoe leidt dat het College beschikt over gebrekkige informatie. Het College kan dan ook niet vaststellen dat beklaagde de betreffende uitlatingen niet heeft mogen doen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College en op 14 mei 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. Van Riemsdijk                           mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                        secretaris