Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdzorgwerker heeft de ouders ten onrechte niet eerst geïnformeerd voordat zij een melding deed bij de bij de GI.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N.J. Antonissen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [Woonplaats 1],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [instelling] van de gemeente [gemeente].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. K. Dankers.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als juridisch adviseur bij [instelling].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen van 22 juni 2017,
– de aanvullende bijlagen bij het klaagschrift, toegezonden bij vier afzonderlijke e-mailberichten van 20 juli 2017,
– de aanvullende bijlagen bij het klaagschrift, toegezonden bij e-mailbericht van 27 juli 2017,
– het verweerschrift van 18 september 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 17 november 2017 in aanwezigheid van klaagster, haar echtgenoot de heer [echtgenoot], beklaagde en haar gemachtigde. Daarnaast was aan de zijde van beklaagde als toehoorder aanwezig [collega], collega bij [instelling].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op een termijn van acht weken zal worden verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van drie minderjarige kinderen, te weten: [zoon 1], geboren op [geboortedatum] 2004 (hierna: [zoon 1]), [dochter], geboren op [geboortedatum] 2007 (hierna: [dochter]) en [zoon 2], geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna: [zoon 2]),gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. De vader van de kinderen is [vader]. De kinderen en vader wonen in [Woonplaats 2] en klaagster woont afwisselend in [Woonplaats 2] en [Woonplaats 1].

2.2

Beklaagde staat sinds [datum] 2013 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd en is werkzaam als klantmanager jeugd bij [instelling].

2.3

De kinderen van klaagster zijn alle drie bekend met een stoornis binnen het autistisch spectrum. Omdat de PGB-beschikkingen voor [zoon 1] en [dochter] moesten worden verlengd, heeft klaagster in november 2016 contact opgenomen met de gemeente. Beklaagde heeft deze aanvraag in behandeling genomen.

2.4

Op 12 december 2016 heeft beklaagde een eerste huisbezoek afgelegd in verband met de herindicatie van de PGB-beschikkingen. Naar aanleiding van dit gesprek zag beklaagde aanleiding om zich niet alleen te richten op de verlenging van de PGB-beschikkingen, maar tevens alle bestaande hulpverlening in kaart te brengen en te onderzoeken wat er aanvullend nodig zou kunnen zijn. Beklaagde heeft in dit kader contact opgenomen met onder andere [instelling 2] en de basisschool van [dochter] en [zoon 2].

2.5

Op 7 maart 2017 heeft beklaagde – met toestemming van klaagster – tevens telefonisch contact opgenomen met haar psychiater, [psychiater]. Naar aanleiding van dit contact heeft beklaagde voorgesteld om een overleg te plannen in aanwezigheid van de psychiater en de begeleidster van klaagster bij [instelling 3]. Klaagster heeft niet ingestemd met een dergelijk overleg, omdat dit haar persoonlijke situatie betreft en in haar visie geen rechtstreeks verband houdt met de vraag naar de benodigde hulpverlening voor de kinderen.

2.6

Op 6 april 2017 heeft een multidisciplinair overleg (hierna te noemen: MDO) plaatsgevonden, waarbij naast klaagster, vader, de betrokken hulpverleners van [instelling 2], de individuele zorgverlener van [zoon 1] en [dochter], de praktijkondersteuner van de huisarts en de coördinator special classes van de school van [zoon 1] aanwezig waren. De intern begeleider van de school van [dochter] en [zoon 2] was eveneens uitgenodigd voor het overleg, maar verhinderd wegens ziekte. Tijdens het overleg is de situatie van de afzonderlijke kinderen besproken.

2.7

Mede naar aanleiding van het MDO op 6 april 2017 heeft beklaagde op 13 april 2017 het gezin van klaagster aangemeld bij [GI]. Nadat het niet gelukt was om op korte termijn een afspraak te maken met klaagster en vader, heeft beklaagde uiteindelijk op 24 april 2017 vader telefonisch op de hoogte gesteld van deze aanmelding. Vader heeft vervolgens klaagster hierover ingelicht. Bij e-mailbericht van 25 april 2017 heeft beklaagde haar beslissing om het gezin van klaagster aan te melden van de [GI] aan klager toegelicht. Hierbij heeft beklaagde aangegeven dat er veel zorgen zijn over de emotionele veiligheid van de kinderen in de thuissituatie en dat het onvoldoende is gelukt om deze zorgen openlijk te bespreken. Beklaagde benoemt in dit kader in het bijzonder de weigering van klaagster om in aanwezigheid van psychiater [naam psychiater] te bespreken welke invloed haar eigen psychiatrische problemen heeft op de kinderen.

3 De klacht

3.1

De kern van de klachten van klaagster is dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld bij haar beslissing om een zorgmelding te doen bij de [GI]. De aanleiding van het contact met de gemeente was de aanvraag van klaagster tot herindicatie van de PGB beschikkingen voor [zoon 1] en [dochter]. De focus van beklaagde had daarom volgens klaagster behoren te liggen op de financiering, afstemming en coördinatie van de hulpverlening aan de kinderen. Beklaagde heeft echter – zonder dit af te stemmen met de ouders – de focus gelegd op de totale gezinssituatie, en in het bijzonder op de rol van klaagster daarin.

3.2

Tegen deze achtergrond wordt beklaagde in het bijzonder – samengevat en zakelijk weergeven – het volgende verweten:

I. dat de ouders niet zijn geïnformeerd over de zorgen en signalen die beklaagde ontving van derden (school, psychiater) en derhalve niet in staat zijn gesteld daarop te reageren,

II. dat er teveel nadruk is gelegd op de psychische problemen van klaagster en de invloed daarvan op de opvoedsituatie,

III. dat er geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gezinssituatie,

IV. dat er niet eerst een passend hulpaanbod is gedaan voordat er werd opgeschaald naar de [GI], en

V. dat de ouders niet vooraf zijn geïnformeerd over het voornemen van beklaagde om een melding bij de [GI] te doen.

3.3

Voornoemde omstandigheden hebben volgens klaagster ertoe geleid dat de aanmelding bij de [GI] is gebaseerd op onvolledige, en deels ook onjuiste informatie. De handelwijze van beklaagde is naar de mening van klaagster in strijd met de artikelen A tot en met K, M tot en met S en U van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker alsmede met de meldcode kindermishandeling.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde betwist dat haar enig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het aanmelden van het gezin van klaagster bij de [GI]. Gelet op alle signalen die beklaagde hadden bereikt, bestond er voldoende reden om gegronde zorgen te hebben over de situatie binnen het gezin van klaagster. Een professionele jeugdzorgwerker dient de zaken in een dergelijk geval niet op zijn beloop te laten, maar actie te ondernemen, aldus beklaagde.

4.2

Wat betreft de signalen die beklaagde bereikten, wijst zij in eerste instantie op de informatie van klaagster zelf. Reeds in de eerste e-mail aan de gemeente inzake de verlenging van de PGB-beschikkingen, gaf zij namelijk (onder meer) aan met een zware depressie te kampen. Ook in de daarop volgende contactmomenten liet klaagster bij herhaling weten het zwaar te hebben door suïcidale gedachten, relatieproblemen, gebrek aan overzicht en overprikkeling. Beklaagde wijst er in dit kader op dat psychische en psychiatrische problemen bij een ouder volgens de Richtlijn Kindermishandeling een middelmatige tot grote voorspellende waarde hebben voor kindermishandeling. Om deze reden zou er ook zonder aanvullende informatie al aanleiding kunnen bestaan om het gezin van klaagster aan te melden bij de [GI].

4.3

Daarnaast is beklaagde van mening dat ook de van psychiater [naam psychiater] ontvangen informatie de aanmelding ondersteunt. Hetzelfde geldt voor de informatie die beklaagde heeft ontvangen van de verschillende hulpverleners die betrokken zijn bij de kinderen alsmede van de betreffende scholen. Beklaagde is dan ook van mening dat zij terecht en op goede gronden heeft besloten om een melding bij [GI] te doen.

4.4

Ten aanzien van de wijze waarop beklaagde tot haar oordeel is gekomen, wordt opgemerkt dat zij – conform het beleid van [instelling] – veelvuldig advies heeft gevraagd over deze casus. Dit betrof zowel informeel overleg met collega’s als meer formele consultatie van externe deskundigen (zoals organisatie a, organisatie b). Vervolgens heeft beklaagde de onderhavige casus besproken in het kernteam. Hieruit kwam onder meer het advies om een MDO te organiseren. Dit MDO was echter beperkter van omvang dan beklaagde gewenst had. Klaagster vond het namelijk niet goed als haar psychiater [naam psychiater] en haar begeleidster van [instelling 3] bij het overleg aanwezig zouden zijn. Na het MDO is besloten om Veilig Thuis om advies te vragen. Nu deze instantie heel duidelijk aangaf dat er opgeschaald moest worden naar [GI], stond beklaagde niets anders te doen dan dit advies op te volgen.

4.5

Beklaagde erkent dat het informeren van de ouders over de aanmelding bij [GI] vertraging heeft opgelopen. Omdat niet te voorspellen was hoe klaagster zou reageren op het nieuws dat de [GI] een onderzoek zou starten, had beklaagde met de [GI] afgesproken dit gezamenlijk aan te pakken. Door een aantal praktische en agendatechnische problemen, heeft dit echter langer geduurd dan gewenst. Deze vertraging heeft evenwel volgens beklaagde niet tot nadelige effecten voor klaagster geleid.

4.6

Gelet op het voorgaande verzoekt beklaagde het College om de klachten volledig ongegrond te verklaren.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Tegen deze achtergrond oordeelt het College oordeelt als volgt.

I

Het College heeft in het dossier geen aanknopingspunten aangetroffen voor de stelling dat klaagster niet, of te weinig door beklaagde is geïnformeerd over de zorgen en signalen die zij van derden ontving. Uit de verschillende gespreksverslagen blijkt namelijk dat beklaagde herhaaldelijk heeft geprobeerd om met klaagster in gesprek te komen over bijvoorbeeld de mogelijke impact van de psychiatrische problemen van klaagster op de kinderen. Het gesprek over dergelijke onderwerpen werd echter door klaagster afgehouden, omdat volgens haar de focus behoorde te liggen op de financiering en afstemming van de hulpverlening voor de afzonderlijke kinderen. In dit kader verwerpt het College het eerste klachtonderdeel.

II

Het College volgt klaagster niet in haar standpunt dat beklaagde teveel nadruk zou hebben gelegd op de eigen psychische problemen van klaagster. In dit kader is van belang dat klaagster reeds in de eerste contacten met beklaagde zelf de informatie over haar psychische gesteldheid heeft gedeeld. Gelet op de ernst van de door klaagster verwoordde klachten en omstandigheden kon beklaagde in haar rol als jeugdzorgwerker deze signalen niet terzijde schuiven. Zoals in de diverse richtlijnen Jeugdhulp tot uitdrukking is gebracht, vormt psychiatrische problematiek bij een ouder namelijk in het algemeen een risicofactor voor de veiligheid van kinderen. De informatie over de psychiatrische problematiek van klaagster was derhalve wel degelijk ook relevant voor de beoordeling van de opvoedsituatie van de kinderen. Door zich niet alleen te richten op de aangevraagde verlenging van de PGB-beschikkingen, maar met een bredere blik te kijken naar het gezin van klaagster, heeft beklaagde bovendien gehandeld overeenkomstig de in de jeugdzorg voorgestane integrale aanpak. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

III

Klaagster verwijt beklaagde voorts dat zij geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de gezinssituatie. Met klaagster is het College in dit kader van oordeel dat in het dossier wel alle zorgsignalen en mogelijke risicofactoren in kaart zijn gebracht, maar dat deze signalen vervolgens niet zijn vertaald in concrete risico’s en afgezet zijn tegen de beschermende factoren. Of anders gezegd: er heeft geen expliciete weging plaatsgevonden van de verschillende zorgen en signalen die beklaagde had ontvangen. Tijdens de zitting heeft beklaagde echter toegelicht dat het ontbreken van een risico inventarisatie het gevolg is van de destijds geldende werkafspraken en de verdeling van taken tussen [instelling] en [GI]. Onder meer het opstellen van een veiligheidsplan behoorde in dit kader tot de taken van [GI]. Ook het uitvoeren van een risico inventarisatie behoorde op dat moment niet tot de taken van beklaagde. Onder deze omstandigheden dient te worden geconcludeerd dat beklaagde door het opschalen naar [GI] ervoor heeft gezorgd dat er alsnog een volledig onderzoek kon plaatsvinden naar de opvoedsituatie in het gezin van klaagster. Het College is daarom van oordeel dat beklaagde met de voorlopige analyse van de door haar in kaart gebrachte zorgen en signalen binnen de grenzen is gebleven van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

IV

Wat betreft het verwijt dat er niet eerst een passend hulpaanbod is gedaan alvorens op te schalen naar [GI], geldt dat uit het dossier blijkt dat beklaagde en klaagster een verschillende visie hadden op de inhoud van een passend hulpaanbod. Klaagster was in dit kader van mening dat de hulpverlening zich uitsluitend zou hoeven te richten op de afzonderlijke kinderen, terwijl er volgens beklaagde een meer gezinsgerichte behandeling zou moeten worden opgestart. Mede vanwege de omstandigheid dat klaagster niet openstond voor de door beklaagde noodzakelijk geachte hulpverlening is uiteindelijk besloten om het gezin van klaagster aan te melden bij [GI]. Het College is dan ook van oordeel dat het ontbreken van een passend hulpaanbod niet aan beklaagde kan worden verweten.

V

Tussen partijen staat vast dat klaagster niet vooraf door beklaagde is geïnformeerd over het besluit om het gezin van klaagster op 13 april 2017 aan te melden bij [GI], een zogenoemde gecertificeerde instelling. Beklaagde heeft in dit kader aangevoerd dat zij hiertoe is overgegaan omdat niet te voorspellen was hoe klaagster – gelet op haar psychische gesteldheid – op voornoemd besluit zou reageren. Het was in dit kader de bedoeling om klaagster en de vader kort na de aanmelding in een gezamenlijk gesprek met [GI] te informeren en uitleg te geven over de procedure. Omdat het niet lukte om op korte termijn tot een afspraak te komen, heeft beklaagde uiteindelijk op 24 april 2017 vader telefonisch op de hoogte gesteld van de aanmelding bij [GI], waarna vader op zijn beurt klaagster heeft geïnformeerd.

Hoewel het College begrip heeft voor de zorgen van beklaagde over de mogelijke reactie van klaagster op de aanmelding bij [GI], is zij van oordeel dat dit beklaagde er niet van had mogen weerhouden om klaagster (en vader) tijdig te informeren en mee te nemen in de besluitvorming inzake het opschalen naar [GI]. In dit kader komt veel gewicht toe aan de omstandigheid dat er uitsluitend sprake was van hulpverlening binnen het vrijwillig kader. Dit betekent dat ouders in alle beslissingen moeten worden gekend en worden meegenomen. Artikel 2G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker schrijft in dit kader voor dat de jeugdzorgwerker met de ouders dient te overleggen om tot overeenstemming/instemming te komen over de in te zetten hulp- en dienstverlening. Ook in de richtlijnen Jeugdhulp is gedeelde besluitvorming een belangrijk uitgangspunt. Van de jeugdzorgwerker wordt in dit verband verwacht dat deze alle informatie met de cliënt deelt, de verschillende behandelopties samen met hem of haar afweegt en uiteindelijk de cliënt laat beslissen.

Het belang van gedeelde besluitvorming klemt te meer omdat er in het onderhavige geval sprake was van een overdracht naar een gecertificeerde instelling die bevoegd is tot het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen (dwang). Het College is van oordeel dat juist in een dergelijke situatie ouders vooraf voldoende moeten worden geïnformeerd over de redenen van opschalen naar een gecertificeerde instelling, de gevolgen van het opschalen naar een gecertificeerde instelling en de betekenis van een drangtraject. Beklaagde heeft zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven door het gezin van klaagster aan te melden bij [GI] zonder voorafgaand overleg. Hiermee heeft zij in strijd gehandeld met artikel 2G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker alsmede met het in de richtlijnen Jeugdhulp verwoordde uitgangspunt van gedeelde besluitvorming. Omdat beklaagde niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en ter zitting ook blijk heeft gegeven van voldoende zelfreflectie op dit punt, volstaat het College met opleggen van een waarschuwing. Het klachtonderdeel is gegrond.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, II, III en IV ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen V gegrond;
– legt aan beklaagde een waarschuwing op.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 12 januari 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder                               mevrouw mr. K. Dankers
voorzitter                                                                     secretaris