Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld rondom de dossierverstrekking aan klager, een gedane verklaring aan de rechtbank, toetsing van de verdeling in de zorg- en opvoedingstaken en de wijze waarop klager is geïnformeerd over belmomenten die zijn gemonitord.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist,
mevrouw A.T. van Dijk, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam geweest als gezinsvoogd bij de gecertificeerde instelling [naam GI] gevestigd te [plaatsnaam 2] hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ te [plaatsnaam 3].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. I.M.I. Apperloo, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 17 juli 2017, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 18 oktober 2017, met de bijlagen;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 7 januari 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. De voorzitter van het College heeft op grond van artikel 8.9 van het Tuchtreglement bepaald dat de onderhavige klacht ter zitting gezamenlijk behandeld wordt met de klacht met het zaaknummer 17.049Ta. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van klager, beklaagde, beklaagde in zaaknummer 17.049Ta en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat partijen ter zitting verklaard hebben, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2007, en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2011, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. Klager en de moeder van de kinderen zijn op [datum] 2010 met elkaar gehuwd.

2.2

Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder.

2.3

De ouders worden in juli 2015 door het toenmalige RIAGG doorverwezen naar [instelling] voor opvoedondersteuning in verband met spanningen en relatieproblemen.

2.4

Op 28 oktober 2015 meldt de moeder zich samen met de kinderen bij [instelling] vrouwenopvang, als slachtoffer van huiselijk geweld. De moeder en de kinderen worden opgenomen bij [instelling] vrouwenopvang. Zogenoemde ‘Code Rood’ wordt ingezet. Na een overleg op 2 november 2015 tussen ouders, [instelling] Jeugd en [instelling] vrouwenopvang wordt ‘Code Rood’ opgeheven, waarna co-ouderschap in werking treedt.

2.5

Op 11 maart 2016 wordt door de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, een onderzoek gestart, waarna op 29 april 2016 het raadsrapport wordt uitgebracht.

2.6

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2016 van de rechtbank [plaatsnaam 1] de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

2.7

Op 28 juli 2016 hebben de gezinsvoogden een omgangsregeling vastgesteld betreffende de periode die ziet op het tweede deel van 2016. De ouders zijn hierover door de gezinsvoogden per e-mailbericht geïnformeerd. Op 2 augustus 2016 is de omgangsregeling door de gezinsvoogden per e-mail gewijzigd.

2.8

Op 24 januari 2017 is door beklaagde een Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid, hierna te noemen: LIRIK, opgesteld.

2.9

Bij beschikking van 8 februari 2017 heeft de rechtbank [plaatsnaam 1] bij wijze van voorlopige voorzieningen bepaald dat de kinderen met ingang van heden aan de moeder toevertrouwd worden. Tevens is bepaald dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de kinderen ieder tweede weekend van de maand en iedere twee weken de dinsdag en de woensdag bij klager verblijven.

2.10

Beklaagde is werkzaam als gezinsvoogd bij de GI en is, nadat de ondertoezichtstelling is uitgesproken, samen met een collega, beklaagde in zaaknummer 17.049Ta, benoemd tot gezinsvoogd van de kinderen. Beklaagde is tot de datum van haar uitdiensttreding, 1 februari 2017, belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.11

Beklaagde is geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ, sinds [datum] 2013.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager heeft acht klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling door beklaagde en haar collega, beklaagde in 17.049Ta.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen één voor één besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft pas na drie maanden een kopie van het dossier aan klager verstrekt. In het ontvangen dossier zijn tevens passages verwijderd. Klager heeft, door het niet tijdig ontvangen van zijn dossier, niet kunnen beschikken over de benodigde informatie om zich gedegen voor te bereiden op de zittingen bij de rechtbank. Beklaagde heeft daarmee de belangen van klager en de kinderen gefrustreerd.

Toelichting:
Op 10 januari 2017 heeft klager mondeling verzocht om een kopie van het dossier, waarna hem door de teamleider van beklaagde is toegezegd dat hij dit binnen twee á drie weken zou ontvangen. Klager heeft het dossier, na herhaalde verzoeken hiertoe, pas op 14 april 2017 ontvangen. Doordat klager niet over het dossier beschikte, heeft hij zich niet optimaal kunnen verdedigen tijdens de zittingen op de rechtbank van 26 januari 2017 en 8 maart 2017. Tot slot meent klager dat in het ontvangen dossier passages verwijderd zijn. Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), M (verslaglegging / dossiervorming) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist niet dat klager op 10 januari 2017 om zijn dossier verzocht heeft. Aan klager is op die dag kenbaar gemaakt dat het doornemen van het dossier, vanwege de omvang en privacy van derden, ongeveer drie á vier weken in beslag zou nemen. Beklaagde is per 1 februari 2017 uit dienst van de GI getreden en de collega van beklaagde is van 18 februari 2017 tot en met 5 maart 2017 afwezig geweest. Zowel beklaagde als haar collega waren derhalve niet in de gelegenheid om direct het dossier door te nemen. De collega van beklaagde kon pas na 5 maart 2017 starten met het doornemen van het dossier. Door de ongelukkige samenloop van omstandigheden heeft klager pas op 14 april 2017 zijn dossier ontvangen. Beklaagde heeft het dossier ontvangen voor zover hij recht had op de inhoud daarvan. Informatie of stukken betreffende de moeder van de kinderen zijn conform de interne richtlijn van de GI uit het dossier verwijderd. Beklaagde meent dan ook dat klager alle relevante stukken en informatie op 14 april 2017 ontvangen heeft.

3.2.3

Het College stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat klager op 10 januari 2017 om een afschrift van zijn dossier verzocht heeft, waarna klager op 14 april 2017 een afschrift van zijn dossier ontvangen heeft. Conform artikel 11 lid 1 van het Privacyreglement gecertificeerde instelling verstrekt een medewerker van een gecertificeerde instelling aan de cliënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage en afschrift van de dossierstukken, die betrekking hebben op de cliënt zelf. Betreffende de termijn waarbinnen een afschrift van het dossier verstrekt dient te worden, wordt in de toelichting van voornoemd artikel het volgende vermeld: “Als uitgangspunt kan worden genomen dat het ‘zo spoedig mogelijk’ verlenen van inzage/afschrift binnen vier weken is. (…) Ook als een verzoek niet binnen vier weken kan worden afgehandeld, dient dit gemotiveerd aan de cliënt te worden meegedeeld.” Het College stelt allereest vast dat beklaagde – gelet op de datum van haar uitdiensttreding bij de GI – slechts verantwoordelijk gehouden kan worden voor de periode tussen 10 januari 2017 en 31 januari 2017. Het bevreemdt het College dat noch beklaagde, noch haar collega, in januari 2017, na het uitdrukkelijke verzoek van klager op 10 januari 2017, begonnen is met het doornemen van het dossier van klager. De uitdiensttreding van beklaagde per 1 februari 2017 doet hier niet aan af. De collega van beklaagde heeft ter zitting verklaard dat de (grote) omvang van het dossier er mede aan bijgedragen heeft dat pas op 14 april 2017 aan klager een afschrift verstrekt kon worden. Het College overweegt dat beklaagde eind januari in de wetenschap was, althans had moeten zijn, dat het afschrift van het dossier in alle redelijkheid – onder meer vanwege de grote omvang, haar uitdiensttreding en het aankomende verlof van haar collega – niet binnen vier weken aan klager verstrekt zou kunnen worden. Naar het oordeel van het College had beklaagde zich dan ook bewust moeten zijn van de op haar rustende verantwoordelijkheid om klager te informeren over de mogelijk langere periode (dan de gebruikelijke vier weken) die gemoeid zou zijn met het verstrekken van een afschrift van het dossier. Klagers recht om na te gaan of en op welke wijze gegevens over hem en zijn kinderen door de GI zijn verwerkt, is hiermee in het gedrang gekomen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klager op enigerlei wijze geïnformeerd is betreffende de langere duur die gemoeid was met het verstrekken van een afschrift. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde met dit nalaten artikel M (verslaglegging / dossiervorming) en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.
Voor het overige is naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat passages uit het verstrekte dossier verwijderd zouden zijn noch dat klager of de kinderen in voornoemde procedures betreffende de echtscheiding – doordat klager niet beschikte over het dossier betreffende de ondertoezichtstelling – in hun belangen zouden zijn geschaad.

3.2.4

Het klachtonderdeel wordt – voor wat betreft het verstrekken van het dossier en de informatievoorziening daarover – gegrond verklaard.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld door na te laten zich juist en volledig te informeren. Beklaagde heeft tevens de rechtbank van onjuiste informatie voorzien.

Toelichting:
Beklaagde heeft herhaaldelijk aangegeven niet aan waarheidsvinding te doen en toegegeven dat zij de meeste documenten/e-mailberichten niet leest. Tijdens de zitting van 26 januari 2017, inzake de voorlopige voorzieningen, heeft beklaagde nagelaten de onwaarheden die haar collega daar vertelde tegen te spreken. De rechtbank is op de zitting van 26 januari 2017 door de collega van beklaagde onder andere verkeerd ingelicht betreffende de omgangsregeling tussen klager en zijn kinderen en betreffende de ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de moeder van de kinderen.
Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het klopt dat de GI niet aan waarheidsvinding doet in de vorm die klager voor ogen heeft gehad. Anders dan klager stelt, kunnen de feiten vaak niet objectief worden vastgesteld, omdat de verhalen van de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. De GI heeft de taak om in het belang van de kinderen de zaken zo goed mogelijk te regelen, hier heeft beklaagde naar gehandeld. Op de zitting van 26 januari 2017 was beklaagde als informant aanwezig omdat deze zitting betrekking had op de echtscheidingsprocedure van de ouders, waarin de GI geen partij is. De uitspraken die door de gezinsvoogden ter zitting gedaan zijn, betreffen voorts de professionele – en intern getoetste – visie van de GI. Klager heeft een andere visie dan de GI. Dit houdt echter niet in dat beklaagde nalatig is geweest, gelogen heeft dan wel een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Klager was overigens niet aanwezig tijdens de zitting van 26 januari 2017, waardoor hij geen verweer heeft kunnen voeren in de procedure betreffende de voorlopige voorzieningen.

3.3.3

Het College zal dit klachtonderdeel slechts beoordelen voor wat betreft de informatievoorziening richting de rechtbank nu het volgende klachtonderdeel, klachtonderdeel drie, tevens ziet op de wijze van feitenonderzoek door beklaagde. Betreffende het inlezen van stukken voor de zitting inzake de echtscheiding, op 26 januari 2017, volgt het College het verweer van beklaagde. Nu de GI slechts als informant ter zitting aanwezig is geweest, en aldus niet beschikte over stukken betreffende de procedure, valt beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt te maken betreffende het niet voorafgaand aan de zitting lezen van de stukken. Aangaande de verklaring van beklaagde ter zitting van 26 januari 2017 over de ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de moeder overweegt het College als volgt. Rechtsoverweging 2.5 van de beschikking van 8 februari 2017 van de rechtbank [plaatsnaam 1] omschrijft de verklaring van beklaagde en haar collega ter zitting als volgt: “De gezinsvoogdijwerkers van de GI hebben ter zitting verklaard geen bezwaren te hebben tegen toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw, aangezien de veiligheid voor de kinderen in de thuissituatie bij de vrouw geborgd is door de ambulante hulpverlening.” In de aanvulling op het klaagschrift van 7 januari 2018 leest het College in een e-mailbericht namens de gemeente [plaatsnaam 1] van 25 november 2017 de bevestiging naar klager dat de GI voor 12 april 2017 geen verzoeken heeft gedaan tot ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de moeder. De collega van beklaagde heeft bij de mondelinge behandeling van het College aangegeven dat de aanvraag bij de gemeente ziet op de aanvraag van de bepaling jeugdhulp en niet op de daadwerkelijke aanvraag van de ambulante hulpverlening. Door de bestaande wachtlijsten kon de ambulante hulpverlening niet eerder dan april 2017 beginnen en is pas op dat moment de bepaling jeugdhulp bij de gemeente aangevraagd. Hoewel het College beklaagde in deze redenering kan volgen, blijft dit volgens het College op gespannen voet staan met wat beklaagde en haar collega op 26 januari 2017 blijkens de beschikking aan de rechtbank verklaard zouden hebben. Gelet op voornoemde verklaring is bij de rechtbank de (onterechte) indruk gewekt dat er al ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de moeder aanwezig was, waarmee de veiligheid van de kinderen zou zijn geborgd. Deze verklaring kan naar het oordeel van het College gelet op vorenstaande niet anders dan op een misverstand berusten. Met deze verklaring heeft beklaagde naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode van de Jeugdzorgwerker. Te meer nu klager ter zitting niet aanwezig was om voornoemde verklaring tegen te spreken. En voor het overige omdat van een professional, als zijnde regiehouder over de hulpverlening, verwacht mag worden dat deze transparant, en slechts feitelijke juistheden, tegenover de rechtbank verklaart. Voor het overige is het College niet gebleken dat beklaagde zich niet juist noch volledig zou laten informeren.

3.3.4

Het klachtonderdeel wordt – voor wat betreft de verklaring aan de rechtbank ten aanzien van de ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de moeder – gegrond verklaard.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld door na te laten feitenonderzoek te doen, terwijl dergelijk onderzoek het belang van de kinderen juist had kunnen dienen.

Toelichting:
Beklaagde heeft geweigerd aangereikt feitenmateriaal te bekijken, onder andere informatie over hoe de [minderjarige 1] en over het reizen van de moeder met de kinderen naar het buitenland.
Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Betreffende feitenonderzoek verwijst beklaagde naar hetgeen gesteld onder het verweer van klachtonderdeel II. In aanvulling hierop voert beklaagde aan dat klager wekelijks vele, vaak lange, e-mailberichten met vragen aan de gezinsvoogden had gericht. De gezinsvoogden hebben echter slechts beperkt tijd en waren van mening dat deze e-mailberichten vertragend werkten. Bij afspraken aangaande vakanties heeft beklaagde wel degelijk een sturende rol vervuld. Beklaagde heeft hierin een afweging gemaakt in wat voor de kinderen belangrijke zaken zijn waarin tussenkomst van de gezinsvoogd nodig zou zijn.

3.4.3

Het College overweegt dat de collega van beklaagde ter zitting voldoende heeft verduidelijkt dat de gevolgde werkwijze overeenkomt met de werkwijze die binnen de uitvoering van een ondertoezichtstelling gebruikelijk is. De gezinsvoogden hebben – in samenspraak met betrokkenen – een Plan van Aanpak opgesteld, waarin onder andere de doelen en werkwijze omschreven worden. Het is het College voldoende aannemelijk geworden dat klager van beklaagde – naast de doelen en gekozen werkwijze – ook verwacht heeft bepaalde zaken tussen ouders op te helderen om zo op een juiste wijze uitvoering te geven aan “feitenonderzoek en waarheidsvinding”. Het College volgt echter het verweer van beklaagde dat tussen ex-partners vrijwel nooit één waarheid bestaat en dat het niet de taak van de professional is om te bepalen welke partner ‘gelijk’ heeft. Zeker in geval van een (complexe) echtscheiding kunnen ouders een verschillende beleving van de waarheid hebben. Van een professional kan dan niet verwacht worden dat deze uitzoekt wie van de ouders gelijk heeft. Deze dient dan in de eerste plaats de werkelijkheid van de opvoedsituatie rondom de kinderen, qua ontwikkeling en veiligheid, zo goed mogelijk na te gaan en te waarborgen. Middels de gevolgde werkwijze is het College voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde, in deze complexe casus met tegenstrijdige belangen, getracht heeft zorgvuldig en in het belang van de kinderen te handelen.

3.4.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft zich partijdig getoond, onder andere door klager onterecht niet te betrekken bij de twee wijzigingen in de omgangsregeling en door de rechtbank eenzijdig te informeren.

Toelichting:
De gezinsvoogden hebben sinds de zitting van 16 juni 2016 alle ondersteuning gericht op de moeder van de kinderen. In twaalf maanden tijd hebben zij, ondanks dat sprake was van een co-ouderschap, geen poging ondernomen om de kinderen te observeren terwijl zij in de thuissituatie van klager waren. De partijdigheid bleek des te meer toen op 28 juli 2016 de omgangsregeling voor de zomervakantie gewijzigd werd, op verzoek van de moeder met als motivatie “werk moeder”. Zonder enig overleg met klager is vervolgens de bestaande omgangsregeling, één week bij klager, één week bij de moeder, veranderd in wisselende lengtes, met verschillende overdrachtstijden en overdrachtslocaties. Klager heeft op zijn e-mailberichten, waarin hij gemotiveerd bezwaar aangetekend had tegen deze regeling, geen reactie mogen ontvangen. Op 2 augustus 2016 werd de omgangsregeling opnieuw onverwachts gewijzigd. Beklaagde heeft ook in dit geval nagelaten te reageren op de bezwaren van klager. In december 2016 zijn de gezinsvoogden opnieuw, zonder enig overleg met klager, akkoord gegaan met de door de moeder voorgestelde wijziging in de omgangsregeling betreffende de kerstperiode. Beklaagde heeft vervolgens zeven dagen nagelaten te reageren op de bezwaren van klager. Uiteindelijk is op 22 december 2016 de oude omgangsregeling hersteld. Vervolgens is tijdens de zitting van de rechtbank op 26 januari 2017 dit incident onterecht aangehaald om richting de rechter te onderbouwen dat klager niet toeschietelijk is en zich niet aan de afspraken houdt.
De veronderstelde partijdigheid van beklaagde blijkt ook uit de wijze waarop zij de moeder wel betrokken heeft bij afspraken in het ziekenhuis doch klager expliciet niet bij afspraken bij het ziekenhuis en ook niet bij een voor de kinderen belangrijke afspraak bij de rechtbank.
Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist dat sprake is van partijdigheid voor één van de ouders. Voorts is de omgangsregeling geen strakke formule, ouders dienen hierin ‘te geven en te nemen’. De ouders zijn enkele weken voor de zomervakantie 2016 aangesproken op hun verantwoordelijkheden, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen betreffende de omgangsregeling voor de zomerperiode. De gezinsvoogden hebben vervolgens, na beide wensen van de ouders gehoord te hebben, een omgangsregeling opgesteld.
Beklaagde behartigt het belang van het kind en zal er dus alles aan doen om ervoor te zorgen dat medische afspraken doorgang kunnen vinden. De ouder waar het kind op dat moment verblijft, wordt door verweerster gebeld zodat de afspraak doorgang kan vinden.

3.5.3

Het College stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat beklaagde en zijn collega – nadat ouders hier samen niet uit bleken te komen – op 28 juli 2016 een omgangsregeling (het College begrijpt: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken) vastgesteld hebben, waarna deze regeling op 2 augustus 2016 door beklaagde en zijn collega is gewijzigd. Ouders zijn over de vaststelling en de wijzing per e-mailbericht geïnformeerd. Het College overweegt dat in het geval ouders samen niet tot overeenstemming komen voor wat betreft een omgangsregeling, een professional in de uitvoering van de ondertoezichtstelling, in het belang van de kinderen, een sturende rol mag innemen in de vaststelling van de omgangsregeling. Naar het oordeel van het College had het echter op de weg van beklaagde gelegen om – nu klager blijkens de e-mail van 28 juli 2016 niet instemde met de vastgestelde regeling – de kinderrechter conform artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek te verzoeken een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen. In deze casus heeft de professional nagelaten een verzoekschrift bij de rechtbank neer te leggen. Door dit na te laten is beklaagde naar het oordeel van het College voorbij gegaan aan de wettelijke bepaling die bestaat om een door de GI vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de kinderrechter te laten toetsen c.q. vast te laten stellen, hetgeen volgens het College op gespannen voet staat met de rechtsbescherming van klager. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College door dit na te laten artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.
Aangaande de omgangsregeling voor de kerstperiode 2016 stelt het College vast dat door de gezinsvoogden, enkele dagen voor kerst, meegegaan wordt met het door de moeder gewijzigde voorstel voor omgang, hetgeen niet overeenkomt met de eerdere (door de GI) vastgestelde omgangsregeling voor de kerstperiode. Op de bezwaren van klager, die klager enkele uren erna per e-mail verstuurt, wordt enkele dagen niet gereageerd. Deze gang van zaken bevreemdt het College en had naar het oordeel van het College beter gekund. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen beter had gekund. Beklaagde valt hier aldus geen tuchtrechtelijk verwijt in te maken.

3.5.4

Het klachtonderdeel wordt – voor wat betreft de vastgestelde en gewijzigde verdeling in de zorg- en opvoedingstaken – gegrond verklaard.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is onprofessioneel met haar bevoegdheden omgegaan en heeft klager onvoldoende geïnformeerd.

Toelichting:
Klager meent dat de collega van beklaagde ongemotiveerd, en achter de rug van ouders om, met het ziekenhuis afgesproken heeft dat uitsluitend de gezinsvoogden nog afspraken konden maken voor de kinderen en dat alle communicatie via de gezinsvoogden moest lopen. Beklaagde heeft deze afspraak bevestigd en nakoming ervan gesteund. Het protest dat klager hiertegen heeft aangetekend, is genegeerd. Vervolgens hebben de gezinsvoogden op alle fronten verstek laten gaan, omdat zij bij verschillende ziekenhuisafspraken niet zijn verschenen.
Klager heeft met beklaagde op 26 september 2016 gesproken over een signaal betreffende mishandeling van [minderjarige 1] door andere kinderen binnen [instelling]-vrouwenopvang. Beklaagde had toegezegd dat zij dit de dag erna zou bespreken met de moeder en haar mentor van [instelling]-vrouwenopvang. Klager heeft echter pas op 6 oktober 2016 een gebagatelliseerde en nietszeggende reactie van beklaagde ontvangen over dit voorval.
Beide gezinsvoogden hebben nagelaten de vragen van klager betreffende de grenzen aan de rechten en plichten van de gezinsvoogden te beantwoorden.
De gezinsvoogden hebben voorts nagelaten te communiceren met klager over de opstelling van de LIRIK.
Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het ziekenhuis heeft de gezinsvoogden verzocht om de bezoeken in het ziekenhuis te begeleiden, om de voortgang van de behandeling van [minderjarige 1] te borgen. De GI heeft geen geheime afspraken met de kinderen bij het ziekenhuis noch is sprake geweest van een geheime communicatie met het ziekenhuis. Beide ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid in het nakomen van gemaakte afspraken met het ziekenhuis. Tussen het ziekenhuis en de GI is slechts de afspraak gemaakt dat een gezinsvoogd aanwezig zou zijn bij de gesprekken met mevrouw [naam] en bij de behandeling van de bekkenbodem-fysiotherapeute. Vanuit de GI is geen enkele toezegging gedaan dat zij ook bij andere ziekenhuisafspraken aanwezig zouden zijn.
Betreffende de mishandeling van [minderjarige 1] meent beklaagde dat geen sprake geweest is van fysieke mishandeling maar dat dit een incident betrof tussen twee jonge kinderen. Zowel de moeder als [instelling] hebben dit voorval direct besproken met klager. Beklaagde heeft dit teruggekoppeld aan klager.

3.6.3

Het College overweegt dat hoewel klager stelt dat sprake zou zijn geweest van “geheime afspraken” tussen de GI en het ziekenhuis, klager nagelaten heeft onderbouwende stukken hiervan te overleggen. Voorts heeft beklaagde nadrukkelijk ontkend dat hiervan sprake zou zijn geweest. Het College acht, gelet op de gemotiveerde betwisting en het ontbreken van onderbouwende stukken, onvoldoende aannemelijk geworden dat dergelijke afspraken tussen de GI en het ziekenhuis gemaakt zouden zijn.
Inzake het incident dat binnen [instelling]-vrouwenopvang in september 2016 tussen [minderjarige 1] en een ander kind heeft plaatsgevonden, overweegt het College als volgt. Klager stelt dat sprake is geweest van mishandeling, uit de stukken blijkt echter dat andere betrokkenen, waaronder de moeder en [instelling], hierover een andere visie hebben. Wat al dan niet heeft plaatsgevonden tussen de kinderen, het College concludeert dat beklaagde haar toezegging aan klager is nagekomen. Zij heeft immers contact opgenomen met de moeder en [instelling] betreffende het voorval en de uitkomst hiervan teruggekoppeld aan klager.
Over de grenzen aan de rechten en plichten van de gezinsvoogden overweegt het College het volgende. Uit de stukken blijkt voldoende dat beklaagde klager eerst naar de website van de GI verwezen heeft ter beantwoording van zijn vragen. Vervolgens zijn – nadat klager volharde in zijn vraag – informatiebrochures toegezonden aan klager. Beklaagde heeft zich hiermee naar het oordeel van het College voldoende ingespannen om klager van de juiste informatie te voorzien. Het College wijst ten overvloede ook op de op klager rustende verantwoordelijkheid om zichzelf van de juiste informatie over de ondertoezichtstelling te voorzien dan wel (gratis) juridische ondersteuning in te schakelen.
Aangaande de communicatie over de LIRIK verwijst het College naar de beoordeling van klachtonderdeel zes, nu in dit klachtonderdeel de LIRIK – en de bespreking daarvan met klager – door klager aan de orde wordt gesteld.

3.6.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is verantwoordelijk voor het heimelijk opstellen van de LIRIK, met daarin niet onderbouwde en valselijke beschuldigingen. Beklaagde is tevens verantwoordelijk voor de weigering om wederhoor en een bespreking van de LIRIK mogelijk te maken.

Toelichting:
Beklaagde heeft ervoor gekozen om haastig en onzorgvuldig een LIRIK op te stellen. Beklaagde heeft moeten weten dat zij, gelet op haar nadere vertrek bij de GI, de LIRIK nooit op gepaste wijze, met wederhoor van ouders, kon afronden. Klager meent dat de LIRIK volstaat met beschuldigingen richting klager als zijnde zij berusten op bewezen feiten. Klager heeft zich hier slechts in zijn algemeenheid schriftelijk tegen kunnen verweren omdat een gesprek hierover geweigerd is.
Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), I (beëindiging van de professionele relatie), K (vermoeden kindermishandeling), M (verslaglegging / dossiervorming) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De LIRIK is door beklaagde voldoende zorgvuldig opgesteld, met het oog op de voorgenomen overdracht van de zaak, omdat beklaagde zou vertrekken bij de GI en het op handen zijnde Plan van Aanpak voor het verstrijken van de ondertoezichtstelling. Het was de bedoeling geweest de LIRIK, en de onderbouwing daarvan, te bespreken met klager. Het is de gezinsvoogden echter niet gelukt om in gesprek met klager te komen over de zorgen die er waren met betrekking tot de ouderstrijd, het handelen van klager en wat dit betekende voor zijn kinderen. De LIRIK is voorts bedoeld als instrument voor de professional om een vermoeden van kindermishandeling te onderkennen en het risico op kindermishandeling in de nabije toekomst in te schatten. De LIRIK is in deze casus ingezet als instrument voor intern gebruik, te weten als hulpmiddel voor de gezinsvoogd om te zien of er iets over het hoofd gezien werd.

3.7.3

Het College overweegt dat het gebruik van de LIRIK afhankelijk is van de wijze waarop een organisatie deze gebruikt en van de omstandigheden van de casus. Blijkens de website van het Nederlands Jeugdinstituut helpt de LIRIK professionals om op basis van reeds verzamelde informatie systematisch te beoordelen of een jeugdige thuis veilig is en welke risico’s er zijn. Het instrument is bedoeld als een hulpmiddel voor het beoordelen van de situatie. De LIRIK vormt een (interne) checklist ten behoeve van de professional met aandachtspunten, risicofactoren en beschermende factoren. Als zodanig is het geen genormeerde vragenlijst en ook niet bedoeld om te beslissen over wat er moet gebeuren. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de LIRIK in deze casus ingezet is als instrument voor intern gebruik. Het College volgt klager dan ook niet in de stelling dat beklaagde verantwoordelijk zou zijn voor het heimelijk opstellen van de LIRIK noch in de stelling dat het bespreken van de uitkomsten van de LIRIK een absolute verplichting is. Dit geldt te meer wanneer dit instrument slechts ingezet wordt voor intern gebruik, hetgeen beklaagde in deze casus voldoende aannemelijk gemaakt heeft. Dit neemt echter niet weg dat het College van oordeel is dat het de voorkeur geniet om zoveel mogelijk openheid betreffende de LIRIK te geven, hetgeen ook blijkt uit de “Toelichting en instructie” op de LIRIK. Het College concludeert dat het in zijn algemeenheid wenselijk is dat de uitkomsten van de LIRIK met betrokkenen worden besproken. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen beter had gekund. Beklaagde valt hier aldus geen tuchtrechtelijk verwijt in te maken.

3.7.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de privacy van klager en zijn kinderen ernstig geschonden door [instelling], zonder zijn medeweten, te verzoeken verslag uit te brengen van privégesprekken tussen hem en zijn kinderen.

Toelichting:
De gezinsvoogden hebben eind 2016 aan [instelling]-vrouwenopvang gevraagd om de wekelijkse privégesprekken tussen klager en zijn kinderen af te luisteren, verslagen van te maken en naar de GI toe te sturen. Klager is hierover nooit geïnformeerd. De verslagen zijn suggestief en berusten veelal niet op de waarheid.
Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), J (vertrouwelijkheid) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.8.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De GI heeft [instelling]-vrouwenopvang verzocht om te observeren/objectiveren hoe de Skype-contacten tussen klager en zijn kinderen verliepen. Dit omdat beide ouders aangaven dat het contact tussen hen en de kinderen werd gefrustreerd door de andere ouder. Beklaagde heeft [instelling]-vrouwenopvang niet verzocht de inhoud van de gesprekken weer te geven en/of af te luisteren. [instelling]-vrouwenopvang heeft melding gedaan bij de GI conform hun (meld)plicht om informatie te delen aangaande de (bedreigde) ontwikkeling van de kinderen.

3.8.3

Het College stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat [instelling] in de periode oktober tot en met december 2016 verslagen van belmomenten (middels Skype) tussen klager en zijn kinderen naar de GI verstuurd heeft. Hoewel klager stelt dat de gesprekken – in opdracht van de GI – afgeluisterd zijn en de verslagen suggestief zijn, leest het College in de overgelegde stukken (afkomstig van [instelling]) slechts een monitor van de belmomenten tussen klager en zijn kinderen. Het is het College niet gebleken dat deze monitor zich zou hebben gericht op enige inhoud van de gesprekken tussen klager en zijn kinderen. Desalniettemin is het College van oordeel dat het op de weg van beklaagde gelegen klager vooraf te informeren over het gegeven dat – op verzoek van de GI – de belmomenten tussen klager en zijn kinderen zouden worden bijgehouden. Doordat beklaagde nagelaten heeft klager hierover te informeren heeft zij naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.8.4

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft ten onrechte de adviezen van andere professionals niet opgevolgd waardoor zij volstrekt tekort geschoten is in de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Toelichting:
De gezinsvoogden hebben, op verzoek van de moeder, in het Plan van Aanpak opgenomen dat het aantal buitenschoolse activiteiten beperkt moest worden tot maximaal twee. Beklaagde heeft nagelaten klagers mening hierover te vragen noch de individuele behoeften en mogelijkheden van de kinderen in ogenschouw te nemen.
Alhoewel de RvdK en [instelling] team jeugd kenbaar gemaakt hadden dat de ouderproblematiek aangepakt diende te worden, bleven de gezinsvoogden van mening dat dit niet tot hun takenpakket behoorde. De gezinsvoogden zijn door dit nalaten volstrekt gefaald in de opdracht om verdere schade in de ontwikkeling van de kinderen te voorkomen noch hebben zij een veilige, duidelijke en voorspelbare opvoedingssituatie gecreëerd.
Klager meent dat beklaagde met dit handelen artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.

3.9.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De kinderen hadden bij aanvang van de ondertoezichtstelling vrijwel iedere dag een buitenschoolse activiteit. Om voldoende rust voor de kinderen in te bouwen, heeft beklaagde ouders verzocht om in overleg te komen tot een reductie van het aantal buitenschoolse activiteiten.
Betreffende de ouderproblematiek hebben de gezinsvoogden aangegeven niet meegenomen te willen worden in de mailwisseling tussen de ouders. Beklaagde kiest geen positie in het neutrale midden maar kiest expliciet partij voor het kind. Beklaagde heeft de belangen van de kinderen gepoogd te behartigen. De beslissingen aangaande de ondersteuning zijn steeds in multidisciplinair verband genomen. Beklaagde meent dat zij zorgvuldig gehandeld heeft, in overeenstemming met het beleid van de GI en de voor hem geldende beroepscode.

3.9.3

Betreffende de buitenschoolse activiteiten is het College voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde – door het advies te geven deze activiteiten te reduceren – gepoogd heeft in de belangen van de kinderen te handelen door aldus te motiveren dat kinderen gebaad zouden zijn met enige rust. Voorts is het College niet gebleken van een verplichting – maar slechts van een advies – tot reductie van de activiteiten. Wat betreft de ouderproblematiek, verwijst het College naar het oordeel van klachtonderdeel III. Een professional dient in de eerste plaats de werkelijkheid van de opvoedsituatie rondom de kinderen, qua ontwikkeling en veiligheid, zo goed mogelijk na te gaan en te waarborgen. In deze complexe casus, met tegenstrijdige belangen van de ouders, is het College aannemelijk geworden dat beklaagde voldoende gepoogd heeft de ouders aangaande de hulpverlening betreffende de kinderen op één lijn te krijgen. Dat het beklaagde kennelijk onvoldoende gelukt is om de ouders op dit aspect nader tot elkaar te brengen, betekent naar het oordeel van het College nog niet dat beklaagde volstrekt tekortgeschoten is in de uitvoering van ondertoezichtstelling, zoals door klager gesteld.

3.9.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.10 Conclusie

3.10.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen I, II, IV en VII een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het wordt beklaagde aangerekend dat zij na 10 januari 2017 – na het uitdrukkelijke verzoek van klager om een afschrift van zijn dossier – niet begonnen is met het doornemen van het dossier van klager en dat zij klager niet geïnformeerd heeft over de langere duur die naar alle waarschijnlijk gemoeid zou zijn met het verstrekken van een afschrift van zijn dossier. Voorts heeft beklaagde een verklaring aan de rechtbank gedaan betreffende de geborgde veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de moeder door de aanwezigheid van ambulante hulpverlening, die gelet op de stukken naar het oordeel van het College niet anders dan op een misverstand kan berusten. Ten tijde van de zitting op de rechtbank was de ambulante hulpverlening immers slechts aangevraagd en niet in de thuissituatie van de moeder aanwezig. Beklaagde heeft daarnaast nagelaten de vastgestelde verdeling in de zorg- en opvoedingstaken – en de nadien gewijzigde verdeling – door de kinderrechter te laten toetsen. Tot slot had het op de weg van beklaagde gelegen om klager vooraf te informeren over het gegeven dat – op verzoek van de GI – de belmomenten tussen klager en zijn kinderen door [instelling] zouden worden bijgehouden.
Het College houdt echter rekening met de omstandigheden waaronder beklaagde heeft gehandeld. Het College constateert dat klager zeer veelvuldig het contact met beklaagde heeft gezocht om zijn belangen onder de aandacht te brengen, en dat hij daarbij, naar alle waarschijnlijkheid, verkeerde verwachtingen heeft gehad van hetgeen in redelijkheid van beklaagde uit hoofde van haar functie verwacht zou mogen worden. Voor het College is voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde, in deze complexe casus met tegenstrijdige belangen, zich ingezet heeft om zorgvuldig – naar eer en geweten – en in het belang van de kinderen te handelen. Over de verklaring tijdens de zitting op de rechtbank heeft (de collega van) beklaagde voorts aangegeven dat dit anders naar voren is gebracht dan zoals is vastgelegd in de beslissing van de rechtbank. Aangaande de omgangsregeling betrekt het College in het oordeel dat beklaagde getracht heeft ouders in eerste instantie naar elkaar toe te laten bewegen. Toen dit niet wilde slagen, heeft beklaagde zich ingezet om – in het belang van de kinderen – de knoop door te hakken en een omgangsregeling vast te stellen. Het College is van oordeel dat deze omstandigheden de verwijtbaarheid van beklaagde verminderen. Om deze reden ziet het College aanleiding om te volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan beklaagde.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen III, V, VI en VIII ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen I deels, II deels, IV deels en VII gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 19 maart 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris