Maak een selectie

727 van 727

   

Vier klachtonderdelen over de wijze waarop de jeugdbeschermer de ondertoezichtstelling heeft uitgevoerd. Het College wijst onder meer op het belang van overleg met betrokkenen en de eigen verantwoordelijkheid/bevoegdheid van een jeugdbeschermer om het hulpverleningstraject vorm te geven.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI] te [plaatsnaam], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij Zorgbelang [provincienaam].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 3 april 2017, met de bijlagen;
– de aanvullingen op het klaagschrift ontvangen op 5, 21 en 30 april en 24 mei 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 28 juni 2017;
– de bijlagen behorend bij het verweerschrift ontvangen op 12 juli 2017.

1.2

Vanwege omstandigheden aan de zijde van beklaagde is de zaak gedurende een langere periode door de voorzitter van het College aangehouden. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 september 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van twee thans minderjarige zonen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. De kinderen zijn geboren in 2001 en 2004.

2.2

Klaagster en de ex-partner, de vader van de kinderen, hierna te noemen: de vader, zijn sinds 2010 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klaagster en de vader. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij klaagster.

2.3

In het ouderschapsplan van 2010 is een omgangsregeling opgenomen in die zin dat de kinderen om het weekend en iedere dinsdagavond tot woensdagmiddag bij de vader verblijven. Bij beschikking van de rechtbank van 1 april 2015 is deze regeling gewijzigd en is bepaald dat de kinderen een dagdeel per drie weken bij de vader verblijven. Na een incident tijdens het omgangsmoment van 26 juli 2015 hebben de kinderen het contact met de vader vanaf dan verbroken.

2.4

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 januari 2017 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De kinderrechter overweegt in voornoemde beschikking onder meer als volgt: “De kinderrechter is, samen met alle partijen, van oordeel dat de kinderen gebaat zijn bij rust. (…) Het is van noodzakelijk belang dat er een kentering in de situatie komt, nu de kinderrechter van oordeel is dat de kinderen niet bij voortduring kunnen worden blootgesteld aan de huidige situatie, die onvoldoende tegemoet komt aan hun behoeften. De kinderrechter is daarom van oordeel dat hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk is. Daarbij heeft de kinderrechter ook in overweging genomen dat, zoals door de Raad is aangevoerd, de focus van de gezinsvoogd zal moeten liggen op de problematische ouderrelatie en niet in eerste instantie op de kinderen of op herstel van het contact tussen de kinderen en de vader. De gezinsvoogd zal de ouders moeten begeleiden om het onderlinge vertrouwen en communicatie in elkaar te verbeteren en om de ouders inzicht te laten verkrijgen in de gevolgen van hun onderlinge strijd op de kinderen. (…) Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [de kinderen] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:
– de aanhoudende strijd tussen de ouders;
– tussen de ouders vindt er geen communicatie plaats;
– er is geen omgang/contact tussen de vader en de kinderen;
– veelvuldig ziekteverzuim van de kinderen.”

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer (gezinsvoogd) bij de GI en sinds de ondertoezichtstelling van de kinderen belast met de uitvoering hiervan.

2.6

Op 21 februari 2017 heeft klaagster bij de klachtencommissie van de GI een klacht ingediend over het verloop van de ondertoezichtstelling, de uitvoering daarvan door beklaagde en zij verzoekt in haar schrijven mede om een andere gezinsvoogd. De procedure bij de klachtencommissie van de GI loopt thans nog.

2.7

Op 3 mei 2017 wordt door beklaagde aan klaagster bericht dat vanuit de GI is besloten dat, naar aanleiding van het verzoek hiertoe van klaagster, een andere gezinsvoogd wordt belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Na dit schrijven is de betrokkenheid van beklaagde gestopt.

2.8

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [registratiedatum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster klaagt samengevat over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling door beklaagde.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het hebben van een plan, zonder dat deugdelijk kennisgemaakt is met klaagster en de kinderen.

3.2.2

Toelichting:
Tijdens het kennismakingsgesprek op 27 januari 2017 was het plan van beklaagde direct duidelijk, te weten: geen schoolverzuim meer en omgang tussen de kinderen en hun vader bewerkstelligen. Dit plan is door de gezinsvoogd bedacht terwijl er alleen met de vader was gesproken.

3.2.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Tijdens het kennismakingsgesprek van 27 januari 2017 is met klaagster besproken aan welke concrete ontwikkelingsbedreigingen gewerkt diende te worden. Inhoudende: de aanhoudende strijd tussen de ouders, het feit dat de ouders niet met elkaar communiceren, het schoolverzuim van de kinderen en het ontbreken van contact tussen de kinderen en hun vader. Tijdens dit gesprek was, in tegenstelling tot wat klaagster aangeeft, de inhoud van het Plan van Aanpak nog niet bekend. Wel zijn de zorgen uit het raadsrapport besproken en is er aangegeven dat er wat de GI betreft weer omgang zou moeten plaatsvinden. Beklaagde heeft deze lijn intern besproken met collega-gezinsvoogden en een gedragswetenschapper. Op 1 maart 2017 heeft beklaagde het definitieve Plan van Aanpak aan cliënten doen toekomen. Het is gebruikelijk dat voor de uiteindelijke vaststelling van het Plan van Aanpak reeds gestart wordt met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

3.2.4

Het College overweegt als volgt:
Voor zover beklaagde in dit klachtonderdeel verweten wordt dat het Plan van Aanpak reeds vaststond voorafgaand het kennismakingsgesprek met klaagster, overweegt het College dat dit door klaagster onvoldoende onderbouwd is en onvoldoende aannemelijk is gemaakt, te meer gelet op de gemotiveerde betwisting van beklaagde. Voor zover klaagster met “het hebben van een plan” bedoelt dat de insteek van beklaagde reeds vaststond voorafgaand het kennismakingsgesprek met klaagster, overweegt het College als volgt. In de methodische casuïstiek bespreking van 24 januari 2017, zoals blijkt uit het overgelegde contactjournaal van beklaagde van die dag, is de volgende kernbeslissing door de GI genomen: “We bespreken dat ik een begeleide omgang in gang zal zetten, mits ik geen informatie van ouders of kinderen krijg die een reden zou kunnen zijn om de begeleide bezoekregeling niet door te laten gaan. Tevens ga ik me bezighouden met het terugbrengen van het schoolverzuim. Afspraken met school en verzorgende ouder en kinderen om dit terug te brengen.” Beklaagde heeft daarna gesprekken gevoerd: met de vader op 25 januari 2017, met klaagster op 27 januari 2017 en met de kinderen op 1 februari 2017. Naar het College begrijpt heeft beklaagde in het kennismakingsgesprek met klaagster de vier ontwikkelingsbedreigingen, zoals omschreven in de beschikking en weergegeven onder 2.4 van deze beslissing, besproken en haar aanpak uiteengezet. Gelet op de aanhoudende strijd tussen de ouders en omdat reeds al (veel) hulpverlening was ingezet zonder een verbetering op dit punt, laat beklaagde in het gesprek aan klaagster weten dat de prioriteit zou liggen bij het verminderen van het schoolverzuim en het tot stand laten komen van de omgang tussen de kinderen en de vader. Dat deze aanpak mogelijk al vaststond voorafgaand aan het kennismakingsgesprek, acht het College niet in strijd met een tuchtrechtelijke norm. Wat het College in dit verband wel van belang acht, is dat de aanpak van het hulpverleningstraject met de betrokkenen overlegd en besproken dient te worden conform artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: Beroepscode. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich tijdens het kennismakingsgesprek heeft ingezet om haar aanpak met klaagster bespreekbaar te maken en de standpunten van klaagster te horen. Uit het contactjournaal van die dag leidt het College af dat klaagster niet afwijzend heeft gereageerd op de aanpak van beklaagde. Klaagster bevestigde in het gesprek met beklaagde dat het voor haar geen mogelijkheid was om te werken aan contactherstel met de vader, hetgeen klaagster tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft erkend. Voor wat betreft de omgang is in het gesprek met klaagster afgesproken dat beklaagde dit punt eveneens zou bespreken met de kinderen, hetgeen beklaagde op 1 februari 2017 in afzonderlijke gesprekken heeft gedaan. Uit het contactjournaal van die dag maakt het College op dat zij met de beide jongens heeft gesproken over haar opdracht van de kinderechter omtrent het schoolverzuim en het verbeteren van het contact met hun vader. Tevens heeft zij aan hen uitgelegd dat zij een voorstel zal doen voor een door haar te begeleiden eerste contact met vader en dat zij dan iets gaan doen met hun vader. Zij zal hen dit voorstel via klaagster laten weten. Uit het contactjournaal leidt het College niet af dat de kinderen afwijzend zouden hebben gereageerd op het voorstel tot een omgangsmoment met hun vader. Beiden gaven aan het spannend te vinden om, na lange tijd, hun vader weer te zien. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht hieraan toegevoegd dat zij de belangen van de kinderen voorop gesteld heeft, omdat zij tijdens de gesprekken met hen geen reden heeft gezien om de begeleide omgang niet op te starten. De gevolgde werkwijze van beklaagde acht het College in lijn met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode, alsook met de kernbeslissing van de GI van 24 januari 2017. Dat klaagster, mogelijk achteraf, deze aanpak als (te) voortvarend heeft ervaren, acht het College op grond van de casus voorstelbaar. Dit maakt echter niet dat geconcludeerd kan worden dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft, te meer omdat (het ontbreken van) de omgang tussen de kinderen en de vader ook is omschreven als een van de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen in de beschikking van de kinderrechter.

3.2.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde houdt zich niet aan hetgeen in het raadsrapport en in de beschikking van de kinderrechter staat.

3.3.2

Toelichting:
Alhoewel de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, en de kinderrechter stellen dat omgang niet aan de orde is en het afdwingen daarvan niet in het belang van de kinderen is, deelt beklaagde tijdens de eerste kennismaking mede dat omgang tussen de kinderen en hun vader opgestart gaat worden.

3.3.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde erkent dat de GI in deze zaak een andere aanpak heeft gekozen dan die in de raadsrapportage is voorgesteld en die door de kinderrechter in de beschikking is overgenomen. De GI voert als uitvoerder van de ondertoezichtstelling de regie en kan en mag vanuit haar eigen professionele verantwoordelijkheid invulling geven aan de uitvoering van de maatregel. De GI legt hierover op een later moment verantwoording af aan de kinderrechter dan wel aan de RvdK. Voor deze werkwijze is uitdrukkelijk gekozen omdat geconcludeerd kon worden dat zeer kundige professionals reeds zeer uitputtend hebben getracht om een opening te vinden zodat ouders weer tot gezamenlijk ouderschap zouden kunnen komen, hetgeen op niets is uitgelopen. Gevolg hiervan is dat de kinderen hun vader bij aanvang van de ondertoezichtstelling al anderhalf jaar niet hadden gezien. De GI achtte het gezien de houding van klaagster en de al ingezette hulpverlening irreëel om pas aan het op gang brengen van de omgang te gaan werken als de communicatie tussen de ouders zou zijn verbeterd. Beklaagde stelt zich dan ook op het standpunt dat de weigerende houding van klaagster niet kan betekenen dat niet aan de overige doelen van de ondertoezichtstelling zou moeten worden gewerkt. Concluderend stelt beklaagde dat zij zich wel degelijk heeft beraad op de situatie tussen de ouders, maar dat uit de beschikbare informatie bleek dat het vlottrekken van de communicatie tussen de ouders een onhaalbare opgave zou zijn.

3.3.4

Het College overweegt als volgt:
Beklaagde erkent dat zij voor een andere aanpak gekozen heeft dan zoals de kinderrechter als volgt heeft overwogen in de beschikking van 11 januari 2017: “Daarbij heeft de kinderrechter ook in overweging genomen dat, zoals door de Raad is aangevoerd, de focus van de gezinsvoogd zal moeten liggen op de problematische ouderrelatie en niet in eerste instantie op de kinderen of op herstel van het contact tussen de kinderen en de vader.” Beklaagde heeft naar het oordeel van het College in haar verweer en bij de mondelinge behandeling van de klacht voldoende gemotiveerd weergegeven waarom zij ervoor heeft gekozen af te wijken van hetgeen in het raadsrapport en in de beschikking is geformuleerd. Zo heeft zij in haar afweging onder meer meegenomen dat klaagster tijdens het kennismakingsgesprek kenbaar heeft gemaakt niet in staat te zijn om aan de communicatie dan wel de problematische ouderrelatie met de vader te werken. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster dit standpunt herhaald. Mede hierom heeft beklaagde er gemotiveerd voor gekozen om zich eerst te richten op het realiseren van de andere twee in de beschikking geformuleerde ontwikkelingsbedreigingen, namelijk het schoolverzuim en de omgang/het contact tussen de vader en de kinderen. Het College kan deze aanpak van beklaagde volgen, mede gelet op de kernbeslissing van de GI van 24 januari 2017, zoals weergegeven onder 3.2.4 van deze beslissing. Naast de daartoe strekkende kaders heeft beklaagde ook een eigen professionele verantwoordelijkheid en bevoegdheid om een afweging te maken hoe zij het hulpverleningstraject vormgeeft. In dat licht is het College van oordeel dat beklaagde inzichtelijk heeft gemotiveerd voor welk dilemma zij zich gesteld zag en waarom zij de door haar gevolgde aanpak heeft gevolgd. Het College ziet in dit klachtonderdeel dan ook geen gronden voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde.

3.3.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is niet objectief en transparant. Het door beklaagde opgestelde Plan van Aanpak staat vol suggestieve aannames. Beklaagde is iemand die boven klaagster en de kinderen staat, zij spreekt namelijk niet met de kinderen maar tegen hen.

3.4.2

Toelichting:
Beklaagde heeft een koers bepaald, zonder klaagster en de kinderen daarin te horen. Om inzicht in de koers van beklaagde te krijgen, heeft klaagster op 27 januari, 1, 3 en 7 februari 2017 verzocht om het Plan van Aanpak. Beklaagde heeft deze verzoeken steeds afgehouden. Het uiteindelijke Plan van Aanpak van 1 maart 2017 is slechts door beklaagde opgemaakt, niet in samenspraak met klaagster of de kinderen, en staat vol suggestieve aannames. Voorts beweert beklaagde in een schrijven van 3 mei 2017 dat er sprake is geweest van toenemend schoolverzuim bij de kinderen, hetgeen niet het geval is. In hetzelfde schrijven stelt beklaagde dat zij niets van de huisarts van de kinderen heeft vernomen, terwijl navraag bij de huisarts duidelijk maakte dat er geen afspraken met hem daarover gemaakt zijn. Tot slot is beklaagde op 20 april 2017 bij klaagster langsgekomen, terwijl klaagster per e-mail had laten weten dat zij die middag in een verhuizing zat.

3.4.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
In de visie van beklaagde is wel degelijk sprake van objectiviteit en transparantie. Beklaagde is altijd open geweest over haar handelen en de te nemen stappen. De visie van klaagster en de andere betrokkenen is meegenomen in het Plan van Aanpak. Cruciaal punt van geschil in deze is en blijft dat klaagster zich op het standpunt stelt dat het pertinent niet in het belang van de kinderen is dat zij hun vader zien. De GI bekijkt de situatie vanuit haar expertise anders dan klaagster en meent dat er sprake is van een chronisch loyaliteitsconflict en oudervervreemding richting de vader. Beklaagde heeft steeds begrip opgebracht voor de gevoelens van angst en weerstand die de omgang bij klaagster opriepen, maar dit heeft beklaagde niet van koers doen wijzigen.
Terugkijkend op de hulpverlening concludeert beklaagde dat het wellicht raadzaam was geweest om klaagster meer nazorg te bieden na het plaatsvinden van de omgang. Alhoewel zij zich voorts ook kan voorstellen dat het voor klaagster wellicht overrompelend heeft gewerkt om meteen een eerste omgangsmoment te initiëren, is dit in de visie van beklaagde toch de enige manier geweest om de ontstane impasse te doorbreken. Dat de door de GI ingezette lijn de juiste is geweest, blijkt uit het feit dat er twee omgangsmomenten positief zijn verlopen. Beklaagde meent dat bij de kinderen destijds voldoende basis aanwezig was voor het plannen van een volgend omgangsmoment. Beklaagde heeft het belang van de kinderen in deze voorop gesteld, waardoor zij na lange tijd weer contact hadden met hun vader.

3.4.4

Het College overweegt als volgt:
Klaagster stelt dat beklaagde niet objectief en transparant is, dat het Plan van Aanpak volstaat met suggestieve aannames en dat beklaagde iemand is die boven klaagster en de kinderen staat. Klaagster onderbouwt haar stellingnamen – samengevat verwijten over de samenwerking met beklaagde en onjuiste informatie in het Plan van Aanpak – niet met stukken. Het is althans het College onvoldoende duidelijk geworden welke van de overgelegde stukken zien op de verwijten in dit klachtonderdeel. Beklaagde heeft gemotiveerd aangegeven zich niet in de verwijten van klaagster te herkennen en betwist het door klaagster gestelde. Gelet op de gekozen voortvarende aanpak van beklaagde in deze casus, die binnen korte termijn ook diende te resulteren in een Plan van Aanpak, acht het College het voorstelbaar dat klaagster de samenwerking met beklaagde mogelijk als directief heeft ervaren. Nu klaagster echter de verwijten ten aanzien van dit klachtonderdeel onvoldoende heeft onderbouwd en beklaagde de verwijten van klaagster gemotiveerd heeft betwist, ziet het College onvoldoende gronden om te constateren dat beklaagde in de samenwerking met klaagster dan wel in het opgestelde Plan van Aanpak tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het College acht het evenwel positief dat beklaagde in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft aangegeven dat zij zich kan inleven in de positie van klaagster.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde neemt de klachten van klaagster niet serieus.

3.5.2

Het College overweegt als volgt:
Het College heeft de gronden van dit klachtonderdeel niet uit de overgelegde stukken, noch tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, kunnen vaststellen. Het is het College daarom onvoldoende duidelijk wat beklaagde in dit klachtonderdeel wordt verweten. Nu een duidelijke omschrijving, met inbegrip van de feiten en gronden, van dit klachtonderdeel ontbreekt, verklaart het College klaagster niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

3.5.3

Het College verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel IV;
– verklaart klachtonderdelen I, II en III ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 8 november 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris