Maak een selectie

727 van 727

   

Een moeder verzoekt in beroep getuigen te horen wegens een vermeende gedane uitspraak door de jeugdprofessional. Daarnaast wordt er in deze beslissing door het College van Beroep een uitspraak gedaan over het destilleren en/of (her) formuleren van klachten door de tuchtcolleges

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellante], wonende te [plaatsnaam], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerster], werkzaam als zelfstandig systeemtherapeut, beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [naam gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift ontvangen op 29 december 2016 en de aanvulling hierop, met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2017;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 8 februari 2017, met bijlagen, en de aanvulling hierop met bijlagen ontvangen op 13 maart 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 16.172T van 17 augustus 2017;
– het door appellante ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 17 september 2017;
– de door verweerster ingediende reactie op het beroepschrift, ontvangen op 23 december 2017.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht in al de onderdelen ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze beslissing is door appellante op 17 september 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door verweerster is op 23 december 2017 een reactie op het beroepschrift ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 maart 2018 in aanwezigheid van verweerster en haar gemachtigde. Appellante is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing uiterlijk op 7 mei 2018 aan partijen zal worden verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 Appellante is ten tijde van het indienen van het beroepschrift gehuwd en de moeder van [minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2007. [Minderjarige] heeft een oudere broer, waar de klacht geen betrekking op heeft.

2.2 Appellante en haar echtgenoot, de vader, hierna gezamenlijk aan te duiden als: ouders, zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige]. [Minderjarige] is woonachtig bij zijn ouders.

2.3 Verweerster is als jeugdzorgwerker bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2014.

2.4 Nadat er door diverse omstandigheden zorgen ontstonden over [minderjarige], wat zich voornamelijk uitte in probleemgedrag op school en een neergaande lijn in schoolprestaties, is via een regievoerder van de gemeente [plaatsnaam], op 1 november 2016 de opdracht aan verweerster gegeven om een spoedtaxatie uit te voeren. Het doel van deze spoedtaxatie was het in kaart brengen van de behoefte van de gezinsleden ten behoeve van een mogelijk behandeltraject. De inzet van verweerster vond plaats in het vrijwillig kader.

2.5 Verweerster heeft op 16 november 2016 een eerste (oriënterend) gesprek gevoerd waarbij [minderjarige], zijn ouders en oudere broer aanwezig waren.

2.6 Op 1 december 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verweerster en de ouders. Tijdens dit gesprek waren [minderjarige] en zijn broer niet aanwezig.

2.7 Op 7 december 2016 heeft er een (vervolg)gesprek plaatsgevonden tussen verweerster en de ouders. Naar aanleiding van het verloop van dit gesprek is er gespecialiseerde crisisondersteuning ingezet.

2.8 Op 8 december 2016 is er door [instelling] hulpverlening in het gezin ingezet. Met de inzet van deze spoedhulp is de betrokkenheid van verweerster bij het gezin beëindigd.

2.9 Verweerster heeft op 15 december 2016 een evaluatiegesprek gehouden met ouders waarbij ook een casusregisseur van de gemeente [plaatsnaam], een hulpverlener van [instelling] en de broer van appellante aanwezig zijn geweest.

2.10 Per brief van 16 december 2016 heeft verweerster de casusregisseur van de gemeente [plaatsnaam] geïnformeerd over de contactmomenten die verweerster met het gezin van [minderjarige] heeft gehad. Daarnaast is in deze brief een terugkoppeling opgenomen inhoudende dat is afgesproken dat crisisondersteuning, in samenwerking met de wijkconsulent, de verdere hulpverlening aan het gezin vorm zal geven.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1 Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 17 augustus 2017 van de klachtonderdelen I, II, VI en VII, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4 Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals de reactie van verweerster in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

3.1.5 Verweerster heeft naar aanleiding van het aan haar gedane verzoek om een verweerschrift tegen het beroepschrift in te dienen, kenbaar gemaakt dat zij geen toevoeging dan wel aanvulling heeft op haar verweerschrift van 5 februari 2017, welke is aangevuld op 27 februari 2017, in zaaknummer 16.172T. Het College van Beroep neemt derhalve aan dat de weergave van het door haar ingediende verweerschrift zoals opgenomen in de bestreden beslissing niet wordt betwist. Om die reden wordt in deze beslissing volstaan met het herhalen van het verweer zoals opgenomen in de bestreden beslissing aangevuld met hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden.

3.2 Klachtonderdeel I, V en VII

3.2.1 Het College van Toezicht heeft – gelet op de samenhang van de klachten – aanleiding gezien de klachtonderdelen I, V en VII gezamenlijk te beoordelen. Hieronder zullen derhalve eerst de individueel geformuleerde klachtonderdelen waartegen een grief is gericht (klachtonderdeel I en VII) worden besproken, gevolgd door het oordeel van het College van Toezicht over de drie klachtonderdelen tezamen.

3.2.2 Het College van Beroep stelt allereerst vast dat – ondanks het gezamenlijk beoordelen van de klachtonderdelen door het College van Toezicht – de door appellante ingediende grieven in de kern zien op (de beoordeling van) de klachtonderdelen I en VII.

3.2.3 Klachtonderdeel I is bij het College van Toezicht als volgt geformuleerd: “[Verweerster] heeft onzorgvuldig gehandeld. Zij heeft ouders tijdens het gesprek [op 7 december 2016] verteld dat de kinderen uit huis zouden worden geplaatst als [appellante] het huis niet zou verlaten terwijl de hulpverlening in een vrijwillig kader plaatsvindt. [Verweerster] heeft er niet voor gezorgd dat [appellante] bij de kinderen kon blijven en heeft aangestuurd op een vertrek van [appellante].”

3.2.4 Klachtonderdeel VII is bij het College van Toezicht als volgt geformuleerd: “[Verweerster] ontkent dat zij tijdens het gesprek [op 7 december 2016] gezegd heeft: ‘moeder eruit of de kinderen eruit’.”

3.2.5 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van de klachtonderdelen I, V en VII als volgt: “[Appellante] heeft gesteld dat [verweerster] ouders heeft medegedeeld dat de kinderen uit huis zouden worden geplaats als [appellante] het huis niet zou verlaten. [Verweerster] heeft dit betwist. Tijdens het huisbezoek op 7 december 2016 heeft [verweerster] naar eigen zeggen onderzocht of de ouders tot een plan konden komen waarbij zowel de belangen van ouders als de belangen van de kinderen waren gediend. [Verweerster] heeft benoemd dat bij het ontbreken van een plan en de bestaande huidige zorgen van de gemeente en school, de mogelijkheid bestond dat ouders niet meer zelf konden beslissen.

Ouders en [verweerster] hebben een verschillende beleving van het gesprek. Mogelijk is dit een gevolg van een gesprek tussen vader en school waarin is gesproken over de mogelijkheid van een uithuisplaatsing van [minderjarige]. Het College [van Toezicht] acht het begrijpelijk dat dit bij ouders tot onrust heeft geleid. [Verweerster] heeft gesteld dat zij hiervan ten tijde van het huisbezoek niet op de hoogte was en dat de casusregisseur haar op 15 december 2016 hierover telefonisch heeft geïnformeerd.

Onder deze omstandigheden kan het College [van Toezicht] niet vaststellen of [verweerster] aan [appellante] de door haar gestelde mededeling heeft gedaan omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van [appellante] niet gegrond kan worden bevonden nu het College [van Toezicht] niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt.

[Verweerster] heeft gemotiveerd toegelicht dat de gevoerde gesprekken [op 16 november en 1 december 2016] bedoeld waren om te taxeren welke hulpverlening het gezin van [appellante] nodig had. [Verweerster] is na de gebeurtenissen op 7 december 2016 niet toegekomen aan de bespreking van de behandeldoelen van het gezin. Het College [van Toezicht] heeft voorts uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling geen aanknopingspunten kunnen vinden die tot de conclusie kunnen leiden dat [verweerster] is afgegaan op verhalen van anderen en niet heeft doorgevraagd op het moment dat [appellante] haar verhaal deed.

[Verweerster] heeft betwist dat zij tijdens het huisbezoek heeft gezegd ‘moeder eruit of de kinderen eruit’. [Verweerster] heeft naar voren gebracht dat de casusregisseur de tekst heeft opgenomen in het registratieformulier voor spoedhulp en dat [verweerster] niet in de gelegenheid is gesteld op deze tekst te reageren. Nu het College [van Toezicht] noch heeft kunnen vaststellen dat de tekst afkomstig is van [verweerster] noch dat zij met de tekst heeft ingestemd, kan dit gedeelte van de klacht niet gegrond worden verklaard.

De klachtonderdelen I, V en VII zijn ongegrond.”

3.2.6 Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht het volgende aan. Appellante is teleurgesteld in de beslissing van het College van Toezicht omdat verweerster door te liegen heeft voorkomen dat haar professionele handelen is getoetst door het College van Toezicht. Hierdoor wordt het vertrouwen van appellante in de beroepsgroep niet hersteld. Daarnaast stelt appellante dat het College van Toezicht de klacht niet goed heeft gewogen, door geen getuigen te horen. Het is niet alleen het woord van appellante, maar ook dat van haar echtgenoot. Voorts is appellante van mening dat [medewerker], casusregisseur gemeente [plaatsnaam], als getuige dient te worden gehoord omdat verweerster haar op 6 december 2016 een terugkoppeling heeft gegeven van het gesprek dat zij met appellante heeft gevoerd, op basis waarvan zij het aanmeldformulier voor Lindenhout heeft ingevuld. Appellante meent dat [medewerker] kan bevestigen dat verweerster wel degelijk heeft gezegd dat wanneer appellante het huis niet zou verlaten, de kinderen uit huis zouden worden geplaatst. Voorts stelt appellante dat ook [neef van appellante], neef van appellante die ook bij het gesprek aanwezig was, de vermeende gedane uitspraak kan bevestigen.

3.2.7 Verweerster heeft bij het College van Toezicht het volgende verweer gevoerd. Verweerster stelt dat zij tijdens het gesprek op 7 december 2016 niet heeft aangestuurd op een vertrek van appellante, maar op een door beide ouders opgesteld en gedragen plan voor het omgaan met spanningsvolle gezinssituaties. Verweerster heeft benoemd dat als een dergelijk plan ontbreekt, de situatie onhoudbaar is en mogelijk escaleert, wat kan betekenen dat de beslissing uit de handen van ouders wordt genomen. Verweerster stelt zich voorts op het standpunt dat het registratieformulier voor het aanmelden van spoedzorg is ingevuld door de casusregisseur en is gericht aan [instelling]. De tekst op het registratieformulier is een onvolledige weergave van hetgeen door verweerster is teruggekoppeld en is niet eerst aan haar voorgelegd.

3.2.8 Het College van Beroep stelt vast dat het Tuchtreglement niet voorziet in een mogelijkheid om getuigen te horen. Gelet hierop is appellante bij e-mail van 6 oktober 2017 in de gelegenheid gesteld om desgewenst haar beroepschrift, uiterlijk op 20 oktober 2017, aan te vullen met schriftelijke verklaringen van getuigen. Appellante heeft per e-mail van 15 november 2017 kenbaar gemaakt dat zij om haar moverende redenen niet heeft gereageerd op de mogelijkheid om haar beroepschrift met de eerder genoemde schriftelijke verklaringen te onderbouwen. Het College van Beroep overweegt gelet op het vorengaande dat het op de weg van appellante lag haar beroepschrift nader te onderbouwen. Doordat appellante dit heeft nagelaten is er geen sprake van nieuwe feiten en/of omstandigheden dan die reeds bekend zijn bij het College van Toezicht. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht dan ook terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen zoals opgenomen onder 3.2.5 en volgt dit oordeel. Het College van Beroep verwerpt aldus de grief.

3.3 Klachtonderdeel II en VI

3.3.1 Het College van Toezicht heeft – gelet op de samenhang van de klachtonderdelen – aanleiding gezien de klachtonderdelen II en VI gezamenlijk te beoordelen. Hieronder zullen derhalve eerst de individueel geformuleerde klachtonderdelen worden besproken, gevolgd door het oordeel van het College van Toezicht over deze twee klachtonderdelen tezamen.

3.3.2 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “Zonder toestemming van ouders heeft [verweerster] op 6 december 2016 overlegd met de casusregisseur van de gemeente. Voorts heeft [verweerster] ouders niet van de inhoud van dit gesprek op de hoogte gebracht (met uitzondering van de zorgmelding en de veiligheid van de kinderen). [Verweerster] heeft ouders van de verkeerde informatie voorzien nu volgens de school van de kinderen geen zorgmelding is gedaan en de casusregisseur te kennen heeft gegeven dat zij enkel het gezin van [appellante] heeft willen bespreken in een gemeentelijk intervisieteam om advies te krijgen over de beste aanpak.”

3.3.3 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd:
“Zonder toestemming van ouders heeft [verweerster] over de situatie bij [appellante] gerapporteerd aan de gemeente.”

3.3.4 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van deze klachtonderdelen als volgt: “[Appellante] heeft gesteld dat [verweerster] op 6 december 2016 zonder toestemming van ouders inhoudelijk overleg met de casusregisseur heeft gevoerd over de gezinssituatie van [verweerster].
[Verweerster] heeft naar voren gebracht dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de casusregisseur toestemming van ouders heeft verkregen totdat zij op 6 december 2016 door de casusregisseur werd gebeld met het verzoek om ouders om toestemming te vragen voor overleg over de situatie van [minderjarige] in het Zorg Advies Team.

[Verweerster] heeft toegelicht dat zij op dit verzoek is ingegaan nadat de casusregisseur te kennen heeft gegeven dat zij geen tijd had voor een huisbezoek en de aanmelding voor het Zorg Advies Team van belang was. [Verweerster] was naar haar zeggen niet geïnformeerd over de inhoud van de zorgen die door school van [minderjarige] aan de casusregisseur zijn gemeld. Haar is medegedeeld dat het met [minderjarige] thuis en op school niet goed ging.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling heeft het College [van Toezicht] niet kunnen afleiden dat [verweerster] inhoudelijk heeft overlegd over het gezin van [appellante].

Het College [van Toezicht] is van oordeel dat het niet tot de verantwoordelijkheid van [verweerster] behoort om zorg te dragen voor de toestemming van ouders. [Verweerster] heeft het College [van Toezicht] inzicht gegeven in haar afwegingen. Hoewel het beter was geweest als [verweerster] niet was ingegaan op het verzoek van de casusregisseur, is [verweerster] binnen de grenzen van haar beroepsmatig handelen gebleven.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is voorts gebleken dat vader op 7 december 2016 toestemming heeft gegeven voor de ambulante spoedhulp. Nu [appellante] tijdens dit gesprek de woning had verlaten en niet bereikbaar was, kan het ontbreken van de toestemming van [appellante], [verweerster] niet tuchtrechtelijk worden verweten.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.”

3.3.5 Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht het volgende aan. Het College van Toezicht heeft ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan over het ontbreken van een website van verweerster en het feit dat zij appellante geen informatie heeft gegeven over de klachtmogelijkheden en de beroepsvereniging. Voorts wil appellante opmerken dat verweerster [d.d. 17 september 2017] nog steeds geen website heeft. Verweerster heeft haar informatievoorziening nog niet op een rijtje want in haar verweerschrift en aanvulling geeft zij aan dat het getekende toestemmingsformulier was voor: haar eigen dienstverlening, het ZAT, het gemeentelijk intervisieteam, overleg met de casusregisseur en toestemming voor het aanvragen van spoedhulp. Het door de vader ondertekende toestemmingsformulier bevat geen enkele bijlage of toelichting, waardoor op dat moment – en ook nu nog niet – niet kan worden vastgesteld waarvoor het formulier was. Dit is wel degelijk professioneel verwijtbaar, aldus appellante. Appellante merkt op dat zij en de vader pas in het tweede kwartaal van 2017 een toestemmingsverklaring hebben getekend voor spoedhulp en de hulpverlening door verweerster. Appellante stelt zich dan ook op het standpunt dat verweerster ook liegt over dit aspect van haar optreden en dit is in de ogen van appellante zeer verwerpelijk. Appellante vraagt hieromtrent een uitspraak van het College van Beroep.

3.3.6 Verweerster heeft bij het College van Toezicht het volgende verweer gevoerd.

Ten aanzien van klachtonderdeel II stelt zij dat de casusregisseur op 16 december 2016 verweerster heeft gebeld met de mededeling dat het met [minderjarige] zowel op school als thuis niet goed ging. Zij heeft verweerster verzocht om ouders een toestemmingsverklaring te laten tekenen voor een bespreking in het Zorg Advies Team. Tijdens het huisbezoek op 7 december 2016 heeft verweerster ouders verteld over het telefoongesprek en de door school gemelde zorgen. Verweerster is niet door de casusregisseur op de hoogte gesteld van de inhoud van deze zorgen. Nadat appellante het huis heeft verlaten, heeft de vader de toestemmingsverklaring getekend.

3.3.7 Ten aanzien van klachtonderdeel VI stelt zij dat zij op verzoek van de casusregisseur op 6 december 2016 een terugkoppeling heeft geschreven over het verloop van haar dienstverlening in het gezin van appellante en dat zij, als zorgaanbieder, de opdracht heeft teruggegeven aan de gemeente als opdrachtgever.
De casusregisseur stelt in situaties als deze een integraal plan op met ouders en draagt zorg voor de toestemmingsverklaring. Verweerster was bij de start van haar inzet in de veronderstelling dat de toestemmingsdocumenten reeds door de ouders waren ondertekend. Na het verzoek van de casusregisseur op 6 december 2016 was het verweerster pas duidelijk dat deze formulieren door de ouders nog niet eerder ondertekend waren. Vader heeft op 7 december 2016 de toestemmingsverklaring voor de gegevensuitwisseling tussen de gemeente [plaatsnaam] en de zorgaanbieder getekend. Het was niet mogelijk om de schriftelijke toestemming van appellante te vragen aangezien zij op dat moment de woning reeds verlaten had.
Verweerster realiseert zich terdege dat zij de toestemming van de ouders had moeten controleren. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft zij desgevraagd nogmaals aangegeven dat zij in het vervolg steeds bij de kennismaking met cliënten zal nagaan of het integrale plan en de toestemmingsverklaring door hen gezien en getekend zijn, zoals zij ook in haar verweer al had gesteld.

3.3.8 Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft verweerster desgevraagd aangegeven dat zij de opdracht tot het doen van de spoedtaxatie heeft gekregen vanuit de gemeente [plaatsnaam] in het kader van een aanbesteding. Er wordt pas een beschikking jeugdhulp afgegeven als er een integraal plan is opgesteld door de casusregisseur en er is getekend voor de inzet door verweerster. In de onderhavige situatie heeft er telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de casusregisseur en verweerster omdat er sprake was van een spoedsituatie. De casusregisseur had aangegeven ‘achter de schermen’ de beschikking ondertussen in orde te maken. Verweerster stelt dat zij er niet van op de hoogte was dat dit niet was gebeurd en dat het vaker voorkwam dat casusregisseurs haar vroegen het toestemmingsformulier te laten ondertekenen. Verweerster stelt voorts dat zij er in de onderhavige situatie telefonisch achter is gekomen dat er nog niet was getekend. Omdat er tijdens het huisbezoek een spoedsituatie ontstond nadat appellante was vertrokken, hield de bevoegdheid van verweerster in deze zaak op en heeft zij de zaak teruggegeven aan de gemeente [plaatsnaam]. Het enige contact dat vervolgens tussen verweerster en appellante nog heeft plaatsgevonden was tijdens het evaluatiegesprek. Terugkijkend op haar handelen heeft verweerster – net als in haar verweerschrift – desgevraagd aangegeven dat zij in het vervolg niet meer zo zou handelen. Zij meent te goeder trouw te hebben gehandeld maar dat zij niet in de positie was de toestemmingsverklaring voor te leggen ter ondertekening. Inmiddels heeft verweerster haar handelswijze in die zin aangepast dat zij direct bij het eerste contact met cliënten in ieder geval nagaat of er een toestemmingsformulier is ondertekend alvorens zij de hulp start.

3.3.9 Het College van Beroep overweegt ten aanzien van het klachtonderdeel, voor zover deze ziet op het al dan niet getekende toestemmingsformulier, als volgt. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het niet de verantwoordelijkheid van verweerster was om zorg te dragen voor de toestemming van de ouders. Net als het College van Toezicht is het College van Beroep van oordeel dat het beter was geweest als verweerster niet was ingegaan op het verzoek van de casusregisseur. Er kan echter niet worden gesteld dat verweerster buiten de grenzen van het beroepsmatig handelen is getreden. Het College van Beroep neemt hierbij in overweging dat het de indruk heeft gekregen dat in de korte periode waarin verweerster betrokken is geweest en de aanwezige (ontstane) crisissituatie, verweerster te goeder trouw en adequaat heeft gehandeld en afwegingen heeft gemaakt die van de individuele jeugdprofessional mogen worden verwacht.

3.3.10 Ten aanzien van de grief die erop ziet dat het College van Toezicht geen uitspraak heeft gedaan over het ontbreken van een website van verweerster en dat zij geen informatie heeft gegeven over de klachtmogelijkheden en beroepsvereniging, merkt het College van Beroep het volgende op. Het klachtformulier van SKJ is in drie onderdelen opgebouwd: ‘A. Wat is er gebeurd en wanneer?’, ‘B. Wat verwijt u de jeugdprofessional?’ en ‘C. De artikelen van de beroepscode die naar uw mening door de jeugdprofessional zijn geschonden.’ Onder B. dienen door een klager de klachten die de jeugdprofessional verweten worden, zo helder mogelijk geformuleerd te worden. Het College van Beroep stelt vast dat in de onderhavige situatie door appellante op het klachtenformulier onder C. is aangegeven dat artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden en dat zij aldaar een toelichting heeft gegeven die overeenkomt met de grief zoals ingediend in de onderhavige beroepsprocedure. Deze toelichting komt echter niet overeen met de vijf, later door appellante aangevuld tot zeven, geformuleerde klachten door appellante onder ‘B. Wat verwijt u de jeugdprofessional.’
De verantwoordelijkheid om klachten als omschreven in artikel 7.5 onder d. van het Tuchtreglement helder te formuleren ligt bij een klager, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon of een gemachtigde. De omvang van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges van SKJ voorliggen dient voor alle betrokkenen, inclusief de colleges zelf, helder te zijn. Teneinde de schijn van partijdigheid te voorkomen heeft het College van Toezicht, dan wel het College van het Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren en/of te destilleren uit een door klager aangeleverde toelichting of uit klachten die onder een van de andere kopjes zijn opgenomen.
Dat verweerster in haar verweerschrift wel aanleiding heeft gezien op de door appellante gedane toelichting te reageren maakt het vorengaande niet anders. Het College van Beroep kan zich indenken dat een beklaagde, in casu verweerster, zich zo goed mogelijk wil verweren in een aanhangige procedure. Juist gelet hierop dient naar het oordeel van het College van Beroep de reikwijdte van de ingediende klachten te allen tijde voor alle betrokkenen helder en transparant te zijn. Al het vorengaande in acht genomen is het College van Beroep van oordeel dat het College van Toezicht de schending van artikel F van de beroepscode en de bijgevoegde toelichting, terecht niet heeft aangemerkt als klachtonderdeel en om die reden daar – terecht – in de bestreden beslissing geen uitspraak over heeft gedaan.

3.3.11 Het College van Beroep verwerpt aldus de grieven ten aanzien van de klachtonderdelen II en VI.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– handhaaft de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 16.172T van 17 augustus 2017, hetzij onder aanvulling van de motivering ten aanzien van de klachtonderdelen II en VI.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 12 april 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris