Maak een selectie

727 van 727

   

Een moeder stelt beroep in (onder andere) vanwege het te laat opstellen van een Plan van Aanpak door een jeugdbeschermer. Het College van Beroep acht dit deel van het beroep gegrond maar ziet mede gelet op de omstandigheden waaronder de jeugdzorgwerker heeft moeten werken, geen aanleiding een maatregel op te leggen

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot;
mevrouw G.A. van der Veen, lid-beroepsgenoot;
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot.

over het door:

[Appellante], wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerder], werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI], locatie [vestigingsplaats], hierna te noemen: de GI, beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerder.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw [vertrouwenspersoon], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ te [vestigingsplaats].

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat bij SUEZ advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift ontvangen op 31 december 2016, met de bijlagen en de bijbehorende aanvullingen;
– het door verweerder bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 17 maart 2017, met bijlagen;
– de door appellante tijdens de mondelinge behandeling van het klaagschrift overlegde pleitnota;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 16.173T van 13 juli 2017;
– het door appellante ingestelde pro forma beroepschrift tegen voornoemde beslissing, ontvangen op 4 september 2017;
– het door appellante ingediende beroepschrift, met nadere gronden, ontvangen op 21 september 2017, met bijlagen, en de aanvulling hierop ontvangen op 17 januari 2018;
– het door verweerder ingestelde verweerschrift ontvangen op 17 november 2017, met bijlagen, en de aanvulling hierop ontvangen op 18 januari 2018.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze beslissing is door appellante op 4 september 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door verweerder is op 17 november 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018 in aanwezigheid van appellante, verweerder en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.6 Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 11 april 2018 verzonden zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 Appellante is de moeder van [jeugdige1], geboren op [geboortedatum] 2011, hierna te noemen: [jeugdige1]. Appellante heeft daarnaast een dochter uit een eerder relatie, [jeugdige2], welke bij appellante woonachtig is.

2.2 De relatie tussen appellante en de vader van [jeugdige1], hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, is verbroken. Bij beschikking van 2 oktober 2013 zijn de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [jeugdige1].

2.3 Bij beschikking van de kinderrechter van 22 december 2014 is [jeugdige1] onder toezicht gesteld, de GI is belast geweest met de uitvoering hiervan. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd met een half jaar, te weten tot 22 december 2015, doch per die datum beëindigd.

2.4 De ouders zijn kort na het uitspreken van de ondertoezichtstelling gestart met intensieve therapie [praktijk voor hulpverlening], welke gericht was op het toewerken naar een stabiele thuissituatie voor [jeugdige1]. Het traject bij [praktijk voor hulpverlening] is in september 2015 geëindigd.

2.5 Door de vader is op 9 maart 2016 een spoedverzoek bij de rechtbank ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [jeugdige1].

2.6 Op 11 maart 2016 heeft [praktijk voor hulpverlening] een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis [vestigingsplaats]. Aanleiding voor de zorgmelding was een filmpje van [jeugdige1], gemaakt door appellante. Veilig Thuis heeft deze melding vervolgens overgedragen aan de GI en een onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK).

2.7 Bij beschikking van de kinderrechter van 23 maart 2016 is [jeugdige1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 23 juni 2016. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd, doch per 22 december 2017 beëindigd. De GI is belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.8 Verweerder is sinds [datum] 2013 als jeugdzorgwerker bij SKJ geregistreerd. Vanaf 29 maart 2016 tot 7 september 2016 is hij als jeugdzorgwerker bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling betrokken geweest. De uitvoering van de ondertoezichtstelling is nadien overgedragen aan een collega van verweerder.

2.9 Op 17 mei 2016 is er een schriftelijke aanwijzing aan appellante gegeven, inhoudende dat er een door verweerder begeleide omgangsregeling tussen [jeugdige1] en de vader, op het adres van de vader, dient plaats te vinden. Bij beschikking van de kinderrechter van 31 mei 2016 is deze schriftelijke aanwijzing, op verzoek van de GI, bekrachtigd.

2.10 [jeugdige1] woonde tot 13 juni 2016 bij appellante. Op 13 juni 2016 is [jeugdige1] met een spoedmachtiging uithuisplaatsing bij de vader geplaatst.

2.11 Op 14 juni 2016 heeft de RvdK een rapport uitgebracht waarin hij – onder meer – adviseert [jeugdige1] voor de duur van twaalf maanden onder toezicht te stellen van de GI én het verzoek van vader om de hoofdverblijfplaats van [jeugdige1] bij hem te bepalen, toe te wijzen.

2.12 Op 20 juni 2016 is er een anonieme zorgmelding over [jeugdige1] gedaan bij Veilig Thuis [vestigingsplaats]. Nu op dat moment de GI reeds betrokken was in het kader van de (voorlopige) ondertoezichtstelling, is deze melding door Veilig Thuis aan de GI overgedragen.

2.13 Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [arrondissement], zittingsplaats [locatie], van 6 juli 2016 is de hoofdverblijfplaats van [jeugdige1] vanaf deze datum bij de vader bepaald. Voorts heeft de kinderrechter, met wijziging van de beschikking van 31 mei 2016, bepaald dat er tussen appellante en [jeugdige1] contact zal zijn onder regie van de GI.

2.14 Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [arrondissement], zittingsplaats [locatie], van 6 juli 2016 is het verzoek tot het verlengen van de machtiging uithuisplaatsing van [jeugdige1] afgewezen. Reden voor afwijzing is dat nu [jeugdige1] zijn hoofdverblijf bij de vader is bepaald, uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is en er derhalve geen reden bestaat de machtiging te verlengen.

2.15 Appellante heeft bij de klachtencommissie van de GI op 13 juni 2017 een klachtbrief ingediend en deze op 11 juli 2017 (inhoudelijk) aangevuld. Op verzoek van de klachtencommissie van de GI is de klacht, met instemming van appellante, (door)gestuurd naar de klachtencommissie [de instelling1]. Reden voor het doorsturen van de klacht was dat de leden van de klachtencommissie van de GI niet voldoende onafhankelijk waren om de klacht te behandelen.

2.16 Bij beslissing van de klachtencommissie [de instelling1] van 7 december 2017, verzonden op 11 december 2017, zijn 5 van de 7 door appellante ingediende klachten (deels) gegrond verklaard.

2.17 Per brief van 8 januari 2018 heeft de GI gereageerd op het oordeel van de klachtencommissie [de instelling1]. In de brief heeft de GI kenbaar gemaakt dat zij zich – kort weergeven – kan vinden in het oordeel van de klachtencommissie, met uitzondering van het oordeel ten aanzien van klacht 7.

2.18 Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat er inmiddels sprake is van een co-ouderschapregeling tussen appellante en de vader ten aanzien van [jeugdige1]. Bij beschikking van het gerechtshof [arrondissement] van 25 januari 2018 heeft het hof de hoofdverblijfplaats van [jeugdige1] bij de vader, bekrachtigd.

3 Het beroep, verweer en beoordeling

3.1 Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende.

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 13 juli 2017 van de klachtonderdelen I t/m IV, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4 Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per (sub)klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een concluderende beslissing ten aanzien van alle grieven.

3.2 Klachtonderdeel I (spoeduithuisplaatsing)

3.2.1 Bij het College van Toezicht is het klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “ [Verweerder] heeft de begeleiding door [praktijk voor hulpverlening] genegeerd/stopgezet en [verweerder] is partijdig, niet onafhankelijk van vader, nu de wensen van vader één op één door [verweerder] worden gevolgd.
[Appellante] heeft hierbij de volgende punten genoemd:
– informeel vooroverleg;
– intimideren naar moeder;
– vader is (waarnemend) deken bij de orde van advocaten;
– vader en zijn nieuwe partner oproepen als getuigen.”

3.2.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “[Verweerder] heeft uitvoerig uitleg gegeven over de (spoed) uithuisplaatsing van [[jeugdige1]] en al hetgeen daarbij kwam kijken, alsmede over hoe hij in dat kader hoor en wederhoor heeft toegepast. Het College [van Toezicht] staat daar achter. [Verweerder] heeft wat dat betreft gehandeld conform de professionele normen die van hem mochten worden verwacht.

Hoewel [appellante] heeft gesteld dat [verweerder] zich intimiderend jegens haar heeft opgesteld, is dit niet gebleken. Het College [van Toezicht] betrekt daarbij ook de omstandigheid dat [verweerder], als gevolg op dat door [appellante] geuite verwijt, heeft getracht om de daarop volgende gesprekken met moeder te voeren in aanwezigheid van een collega van [verweerder] en de vertrouwenspersoon van moeder. Daaruit volgt dat [verweerder] de gevoelens van [appellante] wel serieus heeft genomen.

Met betrekking tot het als getuigen oproepen van vader en diens nieuwe partner, merkt het College [van Toezicht] nog op dat het niet de taak van [verweerder] is om de partner van vader bij de (spoed) uithuisplaatsing te betrekken, te meer nu zij daarin zelf niet betrokken wilde worden. [Verweerder] behoefde daarin dan ook geen actie te ondernemen. Het klachtonderdeel is ongegrond. ”

3.2.3 Ten aanzien van dit klachtonderdeel voert appellante de volgende grieven – per (sub)klacht – aan, gevolgd door het standpunt van verweerder per (sub)klacht.

Stopzetten/negeren begeleiding [praktijk voor hulpverlening]

3.2.4 Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat er door het College van Toezicht ten onrechte is uitgegaan van de informatie die verweerder ter zitting hierover heeft verstrekt. Er is niet geverifieerd op basis van contactjournaals of stukken dat dit contact daadwerkelijk heeft plaatsgevonden met [praktijk voor hulpverlening]. [Praktijk voor hulpverlening] heeft per e-mail van 31 juli 2017 kenbaar gemaakt dat er geen contact heeft plaatsgevonden tussen hen en verweerder. Op aandringen, sinds januari 2016, van appellante heeft er een gesprek plaatsgevonden met verweerder en diens leidinggevende. Omdat niet alle vragen konden worden beantwoord, heeft verweerder aangegeven dit alsnog schriftelijk te doen. In de beantwoording van deze vragen heeft verweerder aangegeven dat op verzoek van de vader geen traject is doorgestart met [praktijk voor hulpverlening].

3.2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante de verwachting lijkt te hebben dat er een nieuw mediationtraject ingezet zou kunnen worden bij [praktijk voor hulpverlening]. De ouders hebben in 2015 intensieve therapie gevolgd bij [praktijk voor hulpverlening], welke gericht was op het toewerken naar een stabiele situatie voor [jeugdige1]. Deze therapie is in september 2015 afgerond. Na het beëindigen van de eerste ondertoezichtstelling in december 2015, is [praktijk voor hulpverlening] nog betrokken geweest ter ondersteuning. Op 11 maart 2016 heeft [praktijk voor hulpverlening] een zorgmelding bij Veilig Thuis [vestigingsplaats] gedaan. Bij brief van 18 april 2016 zijn ouders erover geïnformeerd dat de melding wordt overgedragen aan de GI. Bij deze melding bevindt zich als bijlage een e-mail van [naam psycholoog], gericht aan de ouders, waarin staat dat [praktijk voor hulpverlening] het traject met de ouders gaat beëindigen. Voorts stelt verweerder dat vader geen heil zag in nog een mediationtraject bij [praktijk voor hulpverlening], zodat ook om die reden een nieuw traject bij [praktijk voor hulpverlening] geen optie was.

3.2.6 Het College van Beroep stelt vast dat [praktijk voor hulpverlening] op 4 maart 2016 per e-mail aan de ouders heeft aangekondigd dat zij een zorgmelding gaan doen bij Veilig Thuis [vestigingsplaats] met als gevolg dat zij het traject met de ouders moet gaan beëindigen. Op 11 maart 2016 is door [praktijk voor hulpverlening] de betreffende zorgmelding gedaan. Uit het voorgaande is naar het oordeel van het College van Beroep voldoende vast komen te staan dat [praktijk voor hulpverlening] op eigen initiatief, naar aanleiding van het gemaakte filmpje van [jeugdige1], het traject met ouders heeft beëindigd. Geenszins is gebleken dat verweerder dit traject heeft stopgezet en/of de begeleiding van [praktijk voor hulpverlening] heeft genegeerd.

Partijdigheid, niet onafhankelijk van de vader

3.2.7 Appellante stelt ten aanzien van deze (sub)klacht het volgende. Het College van Toezicht heeft zich in de bestreden beslissing ten onrechte niet uitgelaten over het informele vooroverleg. Appellante stelt dat de omgangsregeling uitsluitend met vader is besproken. Verweerder heeft zowel de omgangsregeling, zoals door vader vastgesteld, als het advies aan de RvdK om het hoofdverblijf naar vader te wijzigen, niet binnen het multidisciplinair overleg (hierna te noemen: MDO) besproken, maar heeft dit zelfstandig bepaald. Ten aanzien van het intimideren van appellante wordt door appellante het volgende gesteld. Er is door het College van Toezicht ten onrechte gesuggereerd dat vervolggesprekken in aanwezigheid van een collega en vertrouwenspersoon, op initiatief van verweerder hebben plaatsgevonden. Nadat verweerder zich in het tweede gesprek met appellante intimiderend heeft geuit – hij kondigde aan mee te werken aan het verzoek van vader en tevens dat hij ernstig twijfelde aan appellante als opvoeder – hebben de gesprekken op initiatief van appellante met een vertrouwenspersoon erbij plaatsgevonden. Tot slot stelt appellante dat er geen sprake is geweest van hoor en wederhoor. Verweerder stelt zaken in zijn stukken zonder deze met appellante te bespreken en gaat onvoldoende uit van feiten. Appellante stelt dat verweerder hierbij enkel uit is gegaan van de mening van vader over appellante. Er zijn immers geen andere stukken of bronnen ter onderbouwing. Daarnaast is het voor verweerder niet mogelijk om op grond van hetgeen is opgenomen in de stukken, te kunnen concluderen na drie gesprekken met appellante. Deze ondeugdelijke vaststelling over appellante als persoon wordt ook nog eens geheel tegengesproken door GZ-psycholoog [naam psycholoog] in de rapportage van [praktijk voor hulpverlening] over appellante. Verweerder heeft met het voornoemde gehandeld in strijd met het protocol vechtscheiding binnen de GI. Verweerder was naar de mening van appellante niet meervoudig partijdig.

3.2.8 Verweerder herkent zich niet in het verwijt dat hij zich partijdig, niet onafhankelijk van de vader, zou hebben opgesteld. Bij zijn handelen heeft hij steeds het belang van [jeugdige1] vooropgesteld. Het is verweerder ook niet duidelijk op basis waarvan appellante meent te kunnen stellen dat er nooit een MDO is geweest over de omgangsregeling. In een bericht d.d. 29 april 2016 schrijft hij met zoveel woorden dat er een MDO is geweest over de omgangsregeling. Verweerder wil ook opmerken dat het de opdracht van de kinderrechter was om de omgang tussen [jeugdige1] en de vader weer op gang te brengen. Het is [jeugdige1] die onder toezicht staat, het is dan ook vooral zijn belang dat leidend is in de besluitvorming van de GI. Ten aanzien van het vermeende intimiderende gedrag stelt verweerder het volgende. Verweerder herkent zich niet in dit verwijt, het is in ieder geval nooit zijn bedoeling geweest om intimiderend over te komen. Hij betreurt het dat appellante hieraan vast blijft houden en zijn uitleg hierover niet wil aannemen. Voorts erkent verweerder dat appellante zelf heeft geïnformeerd naar de mogelijkheid van het meenemen van een vertrouwenspersoon. Verweerder heeft echter wel degelijk zelf het initiatief genomen om bij een gesprek een collega te laten aanschuiven. Daarnaast wil verweerder opmerken dat hij reeds bij aanvang van de (voorlopige) ondertoezichtstelling intern heeft geopperd dat het hem verstandig leek, gelet op het wantrouwen van appellante jegens verweerder/de GI, met twee gezinsvoogden te werken. Hiervoor was echter geen ruimte wegens een reorganisatie. Tot slot stelt verweerder ten aanzien van (het gebrek aan) hoor- en wederhoor dat verweerder en appellante diverse face-to-face gesprekken hebben gehad en er veelvuldig schriftelijk is gecommuniceerd. Mogelijk voelde appellante zich desondanks niet gehoord omdat zij zich niet kon vinden in de beslissingen die genomen zijn rondom [jeugdige1].

3.2.9 Het College van Beroep overweegt ten aanzien van deze (sub)klacht als volgt. Uit de aangeleverde contactjournaals is naar het oordeel van het College van Beroep voldoende gebleken dat er zoveel mogelijk overleg heeft plaatsgevonden door verweerder met beide ouders. Het College van Beroep heeft niet vast kunnen stellen dat er sprake is geweest van informeel vooroverleg met de vader noch is deze stelling door appellante feitelijk nader onderbouwd. Voor zover het klachtonderdeel ziet op het verzoek tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [jeugdige1] merkt het College van Beroep op, dat dit een procedure is die de vader aanhangig heeft gemaakt. Indien en voor zover verweerder in die procedure heeft geadviseerd, is geenszins gebleken van partijdigheid in het voordeel van de vader. Het College van Beroep heeft geen enkele reden om aan te nemen dat verweerder niet steeds het belang van [jeugdige1] voorop heeft gesteld.
Ten aanzien van het vermeende intimiderende gedrag van verweerder jegens appellante is voor het College van Beroep uit het dossier en de mondelinge behandeling van beroep gebleken dat partijen een verschillende beleving hebben van dit gedrag. Het College van Beroep is van oordeel dat verweerder in deze situatie voldoende adequaat heeft gehandeld door, op verzoek van appellante, een vertrouwenspersoon bij de gesprekken aanwezig te laten zijn én door zelf het initiatief te nemen om een gedragsdeskundige aan te laten schuiven bij een gesprek. Tot slot is het voor het College van Beroep onvoldoende vast komen te staan dat er geen sprake is geweest van behoorlijk hoor- en wederhoor. Verweerder heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep getracht de face-to-face contactmomenten te schetsen, waaruit kan worden afgeleid dat dit er in ieder geval meer dan drie zouden zijn geweest. Deze geschetste contactmomenten zijn door appellante niet betwist. Gelet op de contactmomenten, de schriftelijke communicatie en de relatief korte periode dat verweerder betrokken is geweest bij de zaak, maakt dat het College van Beroep van oordeel is dat niet zonder meer aangenomen kan worden van een tekort aan hoor- en wederhoor.

3.2.10 Concluderend oordeelt het College van Beroep ten aanzien van dit klachtonderdeel dat de grieven falen.

3.3 Klachtonderdeel II (machtsmisbruik)

3.3.1 Bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “[Verweerder] heeft de schriftelijke aanwijzing laten bekrachtigen door de rechter om [appellante] in een slecht daglicht te zetten bij de rechtbank.”

3.3.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “ Reeds omdat [appellante] tijdens de zitting bij de rechtbank werd bijgestaan door een advocaat en tijdens de behandeling het woord kon voeren en derhalve alles kon inbrengen wat zij van belang achtte, is het College van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake was van machtsmisbruik door beklaagde. Het klachtonderdeel is ongegrond. ”

3.3.3 Appellante is van mening dat hetgeen door haar is aangevoerd ten aanzien van dit klachtonderdeel door het College van Toezicht onvoldoende is meegewogen in de beoordeling. Zo heeft appellante binnen één werkdag per e-mail aangegeven mee te werken aan de omgangsregeling zoals in de schriftelijke aanwijzing was opgenomen, hetgeen zij ook al eerder had toegezegd. Verweerder had niet over hoeven te gaan tot bekrachtigen van de schriftelijke aanwijzing. Door dit wel te doen heeft hij misbruik gemaakt van zijn machtspositie.

3.3.4 De reden voor het verzoek aan de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen was er vooral in gelegen dat appellante steeds haar voorwaarden wilde stellen aan de omgangsregeling, aldus verweerder. De GI heeft het noodzakelijk geacht de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen nu de omgang stil lag en het de opdracht van de GI was om die weer op gang te brengen.

3.3.5 Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is de aanloop naar het geven van de schriftelijke aanwijzing uitvoerig besproken. Tussen partijen is niet in geschil dat er drie contactmomenten overeengekomen zijn, waaronder een op 12 mei 2016. Gebleken is dat er tussen partijen ruis is ontstaan over de daadwerkelijk invulling van dit contactmoment op deze datum. Toen verweerder op 12 mei 2016 telefonisch contact opnam met appellante om te vragen waar [jeugdige1] bleef, is dit gesprek niet probleemloos verlopen. Beide partijen hebben echter een andere beleving van hoe dit telefoongesprek is verlopen. Vaststaand feit tussen partijen is dat de omgang tussen vader en [jeugdige1] op deze datum niet tot stand is gekomen. Voorts is op 17 mei 2016 een schriftelijke aanwijzing aan appellante gegeven om de omgang tussen [jeugdige1] en vader op 19 mei en 26 mei 2016 wel te kunnen realiseren. Daarnaast is het een besluit van de GI, niet alleen van verweerder geweest, om de verzoeken tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en de omgangsregeling aan de kinderrechter voor te leggen teneinde hierover duidelijkheid te krijgen.

3.3.6 Het College van Beroep stelt allereerst vast dat er ook ten aanzien van dit klachtonderdeel bij partijen een verschillende beleving bestaat hoe de gang van de zaken omtrent (het vaststellen van) de omgangsregeling is verlopen. Voor wat betreft de stelling dat verweerder zijn gezag zou hebben misbruikt door de schriftelijke aanwijzing bij de kinderrechter te laten bekrachtigen overweegt het College van Beroep als volgt. Indien partijen het, al dan niet met behulp van een jeugdzorgwerker, niet eens kunnen worden over de (op te starten) omgangsregeling is het een goede gang van zaken om deze omgangsregeling ter beoordeling aan de kinderrechter voor te leggen. De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 mei 2016 aanleiding gezien de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen, ook al waren de daarin opgenomen contactmomenten reeds verstreken. De kinderrechter heeft in de voornoemde beschikking expliciet opgenomen dat de verweerder in alle redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing is gekomen, in overweging nemend dat appellante in eerste instantie niet heeft ingestemd met de afgesproken contactmomenten, dan wel daaraan onvoldoende medewerking heeft verleend en niet in gesprek wilde met verweerder. Daardoor is er onduidelijkheid ontstaan over het contactmoment op 12 mei 2016 als gevolg waarvan verweerder de schriftelijke aanwijzing heeft aangekondigd. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat verweerder in de onderhavige situatie passende stappen heeft genomen om de contactmomenten tussen [jeugdige1] en de vader te realiseren en dat van machtsmisbruik geenszins is gebleken. De grief faalt.

3.4 Klachtonderdeel III (enige referent opvoedingsproblemen)

3.4.1 Bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “[Verweerder] heeft geconcludeerd dat er sprake zou zijn van ernstige opvoedingsproblemen bij [appellante] en [verweerder] is door de [RvdK] als enige referent gebruikt. [Appellante] heeft hierbij nog de volgende punten genoemd:
– niet onderzoeken van de zorgmelding;
– geen NIFP erkend onderzoek laten uitvoeren;
– bepaalde stukken ten voordele van [appellante] niet in het dossier opnemen;
– bagatelliseren van de deskundigheid van de BIG geregistreerd GZ psychologe [naam psycholoog] en haar oordeel negeren;
– geen onderzoek door een gecertificeerde orthopedagoog uit laten voeren;
– negeren van het oordeel van [naam medewerker] van Veilig Thuis.”

3.4.2 Het College van Toezicht oordeel ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “ De kern van het door [verweerder] ervaren opvoedingsprobleem was gelegen in de tweestrijd tussen vader en [appellante]. Anders dan [appellante] stelt, heeft [verweerder] niet geconcludeerd dat er sprake was van ernstige opvoedingsproblemen bij [appellante]. Integendeel, [verweerder] heeft [appellante] juist gecomplimenteerd en ook aangegeven wat goed ging in de opvoeding.

Met betrekking tot de klacht dat er geen gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden, overweegt het College dat [verweerder] voldoende duidelijk heeft gemaakt dat daartoe voor hem geen aanleiding was en dat hij voorts geen aanleiding zag om vader in dat kader een schriftelijke aanwijzing te geven nu hij daarvoor geen toestemming wilde verlenen. Daarbij merkt het College nog op dat niet is gebleken van personen die in de visie van [appellante], dat sprake zou zijn (geweest) van seksueel grensoverschrijdend gedrag van vader jegens [jeugdige1] zouden kunnen bevestigen. Ten slotte merkt het College nog op dat [verweerder] terecht aan [appellante] heeft medegedeeld welke stappen zij zelf zou kunnen ondernemen in geval van nieuwe zorgen, zoals het doen van aangifte bij de politie. [Appellante] heeft zelf besloten zulks niet te doen, omdat zij dat niet in het belang van [jeugdige1] achtte. Het klachtonderdeel is ongegrond.”

3.4.3 Ten aanzien van dit klachtonderdeel voert appellante de volgende grieven aan, gevolgd door het standpunt van verweerder per (sub)klacht.

Als enige informant gehoord door de RvdK

3.4.4 Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat verweerder als enige informant door de RvdK is gehoord. De RvdK heeft volgens appellante aangegeven dat zij een klachtenprocedure hierover op kan starten omdat de RvdK in beginsel vertrouwt op zijn ketenpartners.

3.4.5 Verweerder stelt dat het beeld dat hij van appellante bij de RvdK heeft neergezet, met haar is besproken. De vragen die de RvdK aan verweerder zou gaan stellen heeft hij niet vooraf gekregen waardoor over die vragen vooraf geen overleg gevoerd kon worden met iemand binnen de GI. De vragen die door de RvdK aan verweerder zijn gesteld heeft hij beantwoord. Verweerder meent dat hij daarbij niets heeft verteld wat bij appellante niet bekend was. Het was vooral het patroon tussen beide ouders waar zorgen over waren.

3.4.6 Het College van Beroep overweegt dat de klacht zich richt tegen de werkwijze van de RvdK en het feit dat verweerder als enige informant is gehoord. Het College van Beroep is van oordeel dat het verweerder niet verweten kan worden dat hij als enige informant is gehoord door de RvdK. Verweerder kan immers niet voor de RvdK bepalen wie deze in een onderzoek al dan niet als informant betrekt. Indien appellante het niet eens is met deze werkwijze staat het haar vrij om, zoals ook door de RvdK kenbaar gemaakt, aldaar een klacht over deze werkwijze in te dienen.

Geen NIFP erkend onderzoek laten uitvoeren

3.4.7 Tijdens een MDO was het besluit genomen om een NIFP erkend onderzoek naar de ouders te laten uitvoeren. Dit was ook het advies van [praktijk voor hulpverlening] in de zorgmelding. De vragen voor dit onderzoek en het instituut dat dit zou uitvoeren waren reeds bepaald. Het is dan voor appellante ook een volstrekt raadsel waarom dit geen doorgang heeft gevonden.

3.4.8 Verweerder erkent dat bij de aanvang van de voorlopige ondertoezichtstelling overwogen is een persoonlijkheidsonderzoek bij de ouders te laten uitvoeren. Nadien is besloten hiervan af te zien, ook omdat de RvdK ook al onderzoek deed in het kader van het verzoek van vader met betrekking tot de wijziging hoofdverblijfplaats van [jeugdige1]. Verweerder heeft daarop met de ouders besproken dat zij, als zij zelf nog een onderzoek nodig achtten, hiertoe zelf het initiatief konden nemen.

3.4.9 Het College van Beroep volgt het standpunt van verweerder. Gebleken is dat het (voorgenomen) besluit om een persoonlijkheidsonderzoek bij ouders te laten uitvoeren, is besproken in een MDO op 28 april 2016. Uit het raadsrapport d.d. 17 juni 2016 is gebleken dat de RvdK op 5 april 2016 is gestart met zijn onderzoek. Het College van Beroep acht het niet onaannemelijk dat verweerder en de GI, het onderzoek van de RvdK en de uitkomst daarvan af hebben willen wachten voordat er eventueel zelf over werd gegaan tot (nader) onderzoek.

Bepaalde stukken ten voordele van appellante niet in het dossier opnemen

3.4.10 Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ten onrechte niet beoordeeld door het College van Toezicht, aldus appellante. Appellante stelt zich op het standpunt dat het hier gaat om onzorgvuldige dossiervorming door verweerder. Diverse door haar verstuurde e-mails zijn niet terug te vinden in het dossier van de GI.

3.4.11 Verweerder betwist dat hij bewust stukken niet in het dossier heeft opgenomen. Het is de werkwijze om alle informatie over belanghebbenden in het dossier op te nemen: positief, negatief of neutraal. Als er stukken niet zijn opgenomen in het dossier, is dit dan ook geen bewuste keuze geweest.

3.4.12 Het College van Beroep stelt vast dat verweerder tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft erkend dat er in algemene zin beter door hem gedocumenteerd had kunnen worden. Het College van Beroep overweegt dat niet is gebleken dat verweerder bewust – ten nadele van appellante – bepaalde stukken niet in het dossier heeft opgenomen, maar dat hij in zijn algemeenheid beter had moeten documenteren. Het klachtonderdeel ziet echter op het bewust – ten nadele van appellante- stukken niet opnemen in het dossier. Het had op de weg van appellante gelegen haar stelling feitelijk nog nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Het College van Beroep is van oordeel dat niet is gebleken van het bewust onvolledig documenteren door verweerder ten nadele van appellante.

Bagatelliseren deskundigheid BIG geregistreerd GZ-psycholoog [naam psycholoog] en haar oordeel negeren

3.4.13 De GZ-psycholoog heeft bij de gedane zorgmelding geadviseerd een persoonlijkheidsonderzoek te doen bij de ouders en het gedrag van [jeugdige1] te laten onderzoeken. Een medewerker van Veilig Thuis heeft bij de dossieroverdracht aan verweerder aangegeven dat ze denkt dat er bij appellante sprake is van het syndroom van Münchhausen by Proxy. Een persoonlijkheidsonderzoek, zoals was voorgesteld, had uitsluitsel kunnen geven, ook de GI achtte dit wenselijk. Appellante verwijt verweerder dan ook dat hij meer gewicht heeft gegeven aan de verklaring van Veilig Thuis en ten onrechte het advies van de GZ-psycholoog en zijn leidinggevende achterwege heeft gelaten. Als gevolg hiervan heeft er geen persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden.

3.4.14 Verweerder betwist dat hij meer gewicht zou hebben toegekend aan de verklaring van Veilig Thuis. Dit verwijt wordt door appellante niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Verweerder wil nog opmerken dat hij richting zijn collega’s heeft geopperd dat Veilig Thuis niet de aangewezen deskundige is om een dergelijke uitspraak te kunnen doen en er is verder vanuit de GI ook geen acht meer op de verklaring geslagen. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat het klopt dat tijdens de overdracht van Veilig Thuis [vestigingsplaats] naar de GI de betreffende medewerker van Veilig Thuis [vestigingsplaats] heeft aangegeven dat er vermoedens zijn van het syndroom van Münchhausen by Proxy bij appellante, maar dat dit een gevoel was van de betreffende medewerker. Verweerder heeft aan de medewerker van Veilig Thuis kenbaar gemaakt dat hij met een gevoel niets kan doen. Vervolgens is de overdracht van Veilig Thuis in de vorm van een contactjournaal in het dossier opgenomen. Verweerder heeft voorts aangegeven dat hij deze informatie niet verder heeft gebruikt en dat hij de contactjournaals destijds ook meer gebruikte als een herinnering voor hemzelf en dat hij nu voorzichtiger is met het noteren van een dergelijke uitspraak in een contactjournaal.

3.4.15 Het College van Beroep stelt vast dat het contact met Veilig Thuis in een contactjournaal is opgenomen van 12 april 2016. In dit contactjournaal is de informatie die de Veilig Thuis medewerker aan verweerder heeft gegeven bij de overdracht, opgenomen. Anders dan appellante stelt is het College van Beroep van oordeel dat niet kan worden gesteld dat verweerder (meer) gewicht heeft toegekend aan de verklaring van de medewerker van Veilig Thuis en daarmee op enige wijze de deskundigheid van de GZ-psycholoog heeft gebagatelliseerd. Ten aanzien van het al dan niet uitvoeren van het persoonlijkheidsonderzoek verwijst het College van Beroep naar hetgeen reeds is opgenomen onder 3.4.9 en hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd.

Negeren oordeel [naam medewerker] van Veilig Thuis

3.4.16 Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder het protocol vechtscheiding dan wel het protocol kindermishandeling niet heeft gevolgd. Daarnaast is zijn handelen niet getoetst door zijn leidinggevende. De GZ-psycholoog, heeft na overleg met [naam medewerker], aangegeven dat de zorgen van appellante serieus genomen moeten worden en dat niets bij voorbaat mag worden uitgesloten. Veilig Thuis heeft zelf ook vermeld hoe het over deze zorgen denkt. [Praktijk voor hulpverlening] ging er, gelet op de e-mail van 4 maart 2016, vanuit dat er gezien de complexiteit van de casus contact met hen zou worden opgenomen voor aanvullend advies/toelichting. Hetgeen niet is gebeurd.

3.4.17 Allereerst stelt verweerder dat onvoldoende is onderbouwd in welk opzicht verweerder zich niet aan de door appellante genoemde protocollen heeft gehouden. Verweerder verwijst voorts naar de e-mail van 17 februari 2016. Uit deze e-mail komt naar voren dat het ook voor Veilig Thuis geen meerwaarde had om op dat moment een consult of controle te laten plaatsvinden door een kinderarts. Verweerder heeft appellante en haar zorgen wel degelijk steeds serieus genomen, maar door verweerder/de GI zijn andere keuzes gemaakt dan verweerder graag zou hebben willen zien. Verweerder betwist tot slot dat uit de e-mail van 4 maart 2016 blijkt dat [praktijk voor hulpverlening] er gezien de complexiteit van de casus vanuit zou gaan dat er contact met hen opgenomen zou worden. Verweerder leest in deze e-mail dat [praktijk voor hulpverlening] ervan uit gaat dat, gezien de ernst en de complexiteit van de casus, Veilig Thuis deze zal overnemen. Verweerder begrijpt derhalve niet wat hem hierin verweten kan worden.

3.4.18 Het College van Beroep stelt vast dat appellante niet nader heeft onderbouwd hoe en op welke wijze verweerder het protocol vechtscheiding, dan wel het protocol kindermishandeling, niet zou hebben gevolgd. Het College van Beroep overweegt ten aanzien van de e-mail d.d. 17 februari 2016, dat hier inderdaad uit blijkt dat de zorgen van appellante serieus genomen dienen te worden, maar ook dat er geen aanleiding bestond om een consult of controle plaats te laten vinden door een kinderarts. Het College van Beroep is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de reactie van [naam medewerker] heeft genegeerd.

3.4.19 Concluderend oordeelt het College van Beroep ten aanzien van dit klachtonderdeel dat de grieven falen.

3.5 Klachtonderdeel IV (hulpverlening niet gericht op vechtscheiding)

3.5.1 Bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “De hulpverlening van [de GI] is niet gericht op de-escalatie van de vechtscheiding. [Appellante] heeft aangevoerd dat er helemaal geen hulpverlening tot stand is gekomen en dat er geen Plan van Aanpak is gemaakt.”

3.5.2 Het College van Toezicht oordeelt ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Anders dan [appellante] heeft gesteld, blijkt uit het gehele dossier dat de hulpverlening juist was gericht op het de-escaleren van de strijd tussen de ouders onderling, in het belang van [jeugdige1]. Op enig moment is daarom ook de [ondertoezichtstelling] verzocht en door de rechter uitgesproken. Het klachtonderdeel is ongegrond.”

3.5.3 Appellante is van mening dat het College van Toezicht ten onrechte niet geoordeeld heeft over dit klachtonderdeel voor zover dit ziet op het Plan van Aanpak. Er is onvoldoende meegewogen dat er bijna zes maanden geen Plan van Aanpak is opgesteld door verweerder.

3.5.4 Verweerder erkent dat het Plan van Aanpak enige tijd op zich heeft laten wachten. Hij heeft dit ook met de ouders besproken. Er lag een duidelijke opdracht van de rechtbank – omgang tussen [jeugdige1] en de vader opstarten – waaraan verweerder de eerste prioriteit heeft gegeven. Dit maakt niet dat hiermee gesteld kan worden dat de hulpverlening van de GI zich niet heeft gericht op het de-escaleren van de strijd tussen de ouders.

3.5.5 Het College van Beroep merkt op dat in artikel 4.1.3. Jeugdwet is bepaald dat het Plan van Aanpak wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken, nadat is komen vast te staan dat afgezien wordt van het opstellen van een familiegroepsplan. Het College van Beroep stelt vast dat de ondertoezichtstelling op 23 maart 2016 is uitgesproken en het Plan van Aanpak op 21 september 2016 tot stand is gekomen. Het College van Beroep is van oordeel dat een periode van nagenoeg zes maanden zonder Plan van Aanpak, een veel te lange periode is. Temeer omdat een Plan van Aanpak alle betrokkenen handvatten en structuur biedt met betrekking tot de hulpverlening, inclusief aan verweerder zelf. Het College van Beroep heeft waardering voor het feit dat verweerder zich direct heeft ingespannen om uitvoering aan de opdracht van rechtbank te geven – omgang tussen de vader en [jeugdige1] weer tot stand brengen – doch diende hij hierbij het op te stellen Plan van Aanpak niet uit het oog te verliezen dan wel uit te stellen. Verweerder is hier een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De grief slaagt dan ook voor zover het klachtonderdeel ziet op het opstellen van het Plan van Aanpak wegens schending van artikel G. (waar mogelijk overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College van Beroep verklaart dit klachtonderdeel alsnog deels gegrond.

3.6 Conclusie ten aanzien van alle klachtonderdelen

Het College van Beroep komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat de grieven ten aanzien van de bestreden klachtonderdelen I, II en III falen en dat de grief gericht tegen klachtonderdeel IV slaagt, waardoor dit klachtonderdeel deels gegrond wordt verklaard. Het is verweerder, op grond van artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, tuchtrechtelijk te verwijten dat het een te lange tijd heeft geduurd voordat het Plan van Aanpak werd vastgesteld. Het College van Beroep ziet ondanks deze schending echter af van het opleggen van een maatregel en overweegt hiertoe als volgt. Het College van Beroep houdt rekening met de omstandigheden waarin verweerder in de onderhavige situatie heeft moeten werken. Gebleken is dat er sprake is van een complexe echtscheiding waarbij er voortdurend sprake is geweest van tegenstrijdige belangen. Het College van Beroep is ervan overtuigd geraakt dat verweerder in deze casus steeds heeft geprobeerd te handelen met het belang van [jeugdige1] voorop en dat hij direct veel inspanning heeft verricht om – volgens de opdracht van de rechtbank – contactherstel tussen [jeugdige1] en de vader te bewerkstelligen. Uit het dossier en uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is voor het College van Beroep dan ook voldoende vast komen te staan dat verweerder zich in het belang van [jeugdige1] naar behoren heeft ingespannen in de onderhavige casus. Gelet op het vorenstaande is het College van Beroep van oordeel dat verweerder slechts een beperkt tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dit het opleggen van een maatregel niet rechtvaardigt.

Het College van Beroep wil ten overvloede nog opmerken dat het de mening heeft dat de instelling waar een jeugdprofessional werkt, medeverantwoordelijk is om zorg te dragen dat een Plan van Aanpak binnen de wettelijke termijn tot stand komt. Indien dit onverhoopt niet mogelijk is gebleken dient de oorzaak te kunnen worden geëxpliciteerd. Door middel van supervisie, intervisie en praktijkbegeleiding kan de instelling hiertoe ondersteuning bieden aan een jeugdprofessional.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel IV alsnog deels gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 13 juli 2017;
– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdelen I, II en III;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College van Beroep in de genoemde samenstelling en op 11 april 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris