Maak een selectie

727 van 727

   

Het College van Beroep oordeelt dat het College van Toezicht ten onrechte klachtonderdelen heeft samen genomen en in zijn geheel gegrond heeft verklaard. Het College van Beroep heeft de klachtonderdelen alsnog afzonderlijk beoordeeld en de maatregel van berisping ingetrokken.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. Van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw – Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.C. Benjamin, lid-beroepsgenoot.

in de zaak van:

[Appellante], voorheen werkzaam als gezinsvoogd bij de [GI], hierna te noemen: [GI], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

tegen:

[Verweerster], wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. drs. M. Erkens, werkzaam als advocaat bij Advocatenkantoor Erkens te Den Haag.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met bijlagen, van 13 oktober 2016, ontvangen op 18 oktober 2016;
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 18 januari 2017;
– het door appellante ingestelde beroepschrift, met bijlagen, ontvangen op 26 juli 2017;
– de door appellante ingediende aanvulling op haar beroepschrift in de vorm van een schriftelijke verklaring van de gebiedsmanager [locatie] van [GI], ontvangen op 28 augustus 2017;
– het door verweerster ingediende verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 6 september 2017.
– de door gemachtigde van appellante tijdens de zitting van het College d.d. 14 november 2017 overlegde pleitnota.

1.2

Bij beslissing van 1 juni 2017 heeft het College van Toezicht alle klachtonderdelen gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 26 juli 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 6 september 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 november 2017 in aanwezigheid van appellante, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden.
Als toehoorders van de zijde van appellante zijn tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aanwezig geweest [gebiedsmanager], gebiedsmanager [GI], en [bestuurder], bestuurder. Verweerder was vanwege een vergissing van haar zijde in de datum niet aanwezig bij de zitting, haar gemachtigde wel.

1.6

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Verweerster is de moeder van [dochter], geboren op [geboortedatum] 2014, hierna te noemen: [dochter]. Verweerster is belast met het eenhoofdig gezag over [dochter].

2.2

Appellante is als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest bij SKJ van [datum] 2014 tot [datum] 2017. Appellante is van [datum] 2015 tot haar uitdiensttreding bij [GI] op [datum] 2016 bij [dochter] en verweerster betrokken geweest.

2.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 22 oktober 2015 is [dochter] onder toezicht gesteld van [GI]. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

2.4

Verweerster en [dochter] zijn op 29 september 2015 in het kader van een drangtraject verhuisd naar het [opvang] te [plaats], hierna te noemen: [opvang]. Op 26 oktober 2015 hebben zij deze locatie op eigen initiatief verlaten.

2.5

Op 28 oktober 2015 heeft appellante een e-mail gestuurd naar (de contactpersoon van) verweerster (hierna te noemen: [verweerster]) met daarin – voor zover van belang – de volgende passage opgenomen: “Als jeugdzorgwerker ben ik mede verantwoordelijk voor de veiligheid van [dochter]. Ik wil daarom zeker weten dat zij in veiligheid is en dat het goed met haar gaat. Daarom wil ik morgen om 14:30 uur een afspraak, waarbij [verweerster] en [dochter] aanwezig zijn. Ik wil voor 17:00 uur een reactie van u, waarin u aangeeft of [verweerster] hiermee instemt, en een adres op welke locatie ik [dochter] kan zien en controleren of het goed met haar gaat. Wanneer [verweerster] hier niet mee akkoord gaat, zal er vanuit [GI] een Machtiging Uithuisplaatsing worden aangevraagd”.

2.6

Op 28 oktober 2015 heeft de contactpersoon van verweerster bevestigd dat verweerster en [dochter] aanwezig zouden zijn bij de voornoemde afspraak en daarbij een locatie doorgegeven.

2.7

Bij beschikking van de kinderrechter van 22 oktober 2015, uit de herstelbeschikking begrijpt het College 29 oktober 2015, is een spoed machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs, van 29 oktober 2015 tot 12 november 2015. Deze machtiging uithuisplaatsing is nadien verlengd.

2.8

Op 29 oktober 2015 is [dochter] uit huis geplaatst. Sindsdien verblijft zij in een (crisis)pleeggezin op een geheime locatie.

2.9

Bij beslissing van de klachtencommissie van [GI] van 9 november 2016 zijn de door de vader van verweerster ingediende klachten, die deels zagen op het handelen van appellante, ongegrond verklaard.

3 Algemene opmerkingen

3.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht (hierna ook: CvT) van de klachtonderdelen I tot en met VI, die door dat College allen gegrond zijn verklaard.

3.4

Appellante stelt zich allereerst op het standpunt dat het CvT met de gegrondverklaring alleen klachtonderdeel I, en dan nog maar voor een gedeelte, heeft beoordeeld. De overige klachtonderdelen II t/m VI, zijn ten onrechte geschaard onder onheuse bejegening en zonder verdere motivering gegrond bevonden. Nu het CvT de klachtonderdelen II t/m VI niet heeft beoordeeld, voert appellante dezelfde gronden in beroep aan, als die zij eerder als verweer heeft ingediend op de klachten in eerste aanleg.

3.5

Het College heeft bij de mondelinge behandeling in beroep reeds aangegeven, dat de oorspronkelijke klacht door het CvT is samengenomen, en in zijn geheel gegrond is verklaard. Daarbij heeft het CvT inderdaad niet alle klachtonderdelen afzonderlijk beoordeeld. Het College van Beroep heeft tijdens de zitting op 14 november 2017 aangegeven dat zij in beroep de klachtonderdelen I t/m VI alsnog afzonderlijk inhoudelijk zal beoordelen, nu dit bij het CvT niet is gebeurd.

3.6

Hierna zullen de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen, klachtonderdeel I t/m VI, een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel – waar gegeven – van het CvT, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een concluderende beslissing ten aanzien van alle grieven.

4 Klachtonderdeel I

4.1

In het oorspronkelijke klachtonderdeel I stelt verweerster dat appellante op 28 oktober 2015 heeft gedreigd met een uithuisplaatsing als er op 29 oktober 2015 geen afspraak zou komen waarbij appellante [dochter] zou zien. Ondanks dat verweerster heeft voldaan aan deze gestelde eis, heeft appellante de rechtbank in haar verzoekschrift onjuist voorgelicht door te stellen dat verweerster [dochter] aan het gezag had onttrokken en heeft zij daarin niets over het ultimatum en de gemaakte afspraak vermeld. Appellante heeft die afspraak misbruikt om de machtiging uithuisplaatsing te effectueren.

4.2

Het CvT achtte de beslissing tot de spoeduithuisplaatsing van [dochter] een te respecteren beslissing. Het CvT staat achter die beslissing, maar doordat appellante haar e-mail van 28 oktober 2015 eindigde met de zin “wanneer [verweerster] hier niet mee akkoord gaat, zal er vanuit [GI] een machtiging uithuisplaatsing worden aangevraagd.”, heeft zij een onwaarheid geschreven en verweerster onjuist geïnformeerd. Het besluit om een spoeduithuisplaatsing aan te vragen bij de rechtbank was op dat moment immers al genomen in de casuïstiek-bespreking. Het CvT oordeelt dat appellante daardoor het aanzien van de jeugdzorg in zijn algemeenheid alsook de vertrouwensband met verweerster heeft geschaad.

4.3

Appellante voert tegen de beslissing van het CvT als grief aan, dat zij de rechtbank niet onjuist heeft voorgelicht en de gemaakte afspraak niet heeft misbruikt om de uithuisplaatsing te effectueren. Bij beschikking van 22 oktober 2015 is door de kinderrechter de ondertoezichtstelling over [dochter] uitgesproken. Kort daarna, op 26 oktober 2015, is verweerster met [dochter], zonder overleg met appellante, vertrokken van [opvang]. Verweerster heeft daarmee, door zonder overleg te vertrekken en door aldus te handelen, haar dochter aan het gezag van de gecertificeerde instelling (hierna: GI) onttrokken.

4.4

Appellante heeft op 28 oktober 2015 een interdisciplinair overleg gevoerd, waarin is besloten tot het sturen van de bewuste e-mail, waarin de afspraak op 29 oktober 2015 werd gemaakt. In dat overleg is in overweging genomen dat appellante er niet op kon vertrouwen dat verweerster met [dochter] aanwezig zou zijn, indien zij de uithuisplaatsing van [dochter] zou aankondigen. De verwachting was tevens dat verweerster niet bereid zou zijn om zonder enige dreiging te voldoen aan het verzoek om [dochter] te kunnen zien. De veiligheid van [dochter] stond daarbij voorop. Het besluit om een afspraak voor te wenden om [dochter] te kunnen zien is derhalve zorgvuldig overwogen en genomen. Appellante betreurt het dat zij verweerster, hoewel het een zorgvuldig overwogen beslissing was, op een verkeerd spoor heeft gezet. Dat daardoor de vertrouwensband met verweerster is beschadigd is maar zeer de vraag. Verweerster had nooit vertrouwen in hulpverleners, hetgeen ook wordt bevestigd in de raadsrapportage.

4.5

Ter zitting heeft appellante nog aangevoerd dat zij veel overleg heeft gehad over deze casus, maar dat er in deze situatie geen andere oplossing kon worden gevonden dan te handelen zoals is gedaan, omdat alleen zo de veiligheid van [dochter] kon worden gewaarborgd. Tenslotte heeft appellante ter zitting erkend dat zij de rechtbank niet heeft ingelicht over de wijze waarop de uithuisplaatsing zou kunnen worden uitgevoerd, maar, zo stelt appellante, dat is ook niet noodzakelijk. De rechtbank is immers wel ingelicht over het feit dat verweerster haar dochter aan het gezag van de GI had onttrokken.

4.6

Verweerster is van mening dat vast staat dat appellante de rechtbank niet heeft geïnformeerd dat er een afspraak was gemaakt tussen appellante en verweerster, waaraan verweerster moest voldoen om de uithuisplaatsing te voorkomen. De berichtgeving in het verzoekschrift bevat een gedetailleerd overzicht met data en tijdstippen, maar deze stoppen bij 27 oktober 2015. De gemaakte afspraken na deze datum waren op dat moment reeds bekend. Verweerster stelt zich dan ook op het standpunt dat deze afspraken door appellante bewust niet in het verzoekschrift zijn beschreven als gevolg waarvan de rechtbank bewust en in strijd met artikel 3.3 Jeugdwet en artikel 21 RV (waarheidsplicht) niet volledig en derhalve onjuist is voorgelicht en de gezinsvoogd verwijtbaar heeft gehandeld. Voorts stelt verweerster zich op het standpunt dat het zonder meer verwijtbaar is dat de e-mail van 28 oktober 2015 bewust valse informatie bevatte omtrent de mogelijkheid om deze uithuisplaatsing te voorkomen. Appellante had in dit proces andere opties: een afspraak maken zonder de dreiging van een uithuisplaatsing of zonder de belofte dat op deze wijze geen uithuisplaatsing zou plaatsvinden. Concluderend stelt verweerster dat de jeugdzorgwerker verwijtbaar gehandeld heeft door verweerster bewust onjuist in te lichten, de gemaakte afspraak en het valse karakter daarvan niet aan de rechtbank mede te delen, de rechtbank aldus onvolledig en onjuist te informeren en in strijd met de gemaakte afspraak, de verkregen machtiging uithuisplaatsing feitelijk te effectueren.

4.7

Naar het oordeel van het College heeft appellante de rechtbank inderdaad niet volledig ingelicht met betrekking tot de wijze waarop de uithuisplaatsing zou worden geëffectueerd. Dit erkent appellante ook. Het College is echter, met appellante, van mening, dat het voor de rechtbank niet relevant is om te weten op welke wijze de uithuisplaatsing uitgevoerd zal worden, omdat de rechtbank de inhoud van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing toetst, en niet de wijze waarop de uithuisplaatsing ten uitvoer zal worden gebracht.

4.8

Op zich genomen verdient naar het inzicht van het College de wijze waarop de uithuisplaatsing is geëffectueerd geen navolging en dient een keuze om aldus te handelen zoveel mogelijk vermeden te worden. Enigszins vergelijkbaar met het strafrecht kan gesproken worden van een noodtoestand waarin de jeugdzorgwerker bij het uitvoeren van de ondertoezichtstelling en effectueren van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing verkeerde. In die hachelijke situatie zag appellante geen andere oplossing meer waarbij de veiligheid van [dochter] voldoende zou worden gewaarborgd. Nu de jeugdzorgwerker primair verantwoordelijk was voor de veiligheid van het kind en de zorgen die er waren door haar voldoende zijn onderbouwd, en nu de genomen stappen zorgvuldig in een multidisciplinair overleg zijn overwogen, is dit weliswaar een handelwijze die zoveel mogelijk vermeden dient te worden, maar die binnen de in casu gestelde specifieke situatie wel valt binnen de kaders van een redelijke beroepsuitoefening. Het College oordeelt aldus, dat appellante op 28 oktober 2015 niet zo onzorgvuldig heeft gehandeld, dat een tuchtrechtelijk ingrijpen moet volgen. Deze klacht wordt alsnog ongegrond verklaard.

5 Klachtonderdeel II

5.1

Verweerster stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder II – kort samengevat – op het standpunt dat appellante eenzijdig heeft bepaald dat een gezinsopname moest plaatsvinden en dat verweerster moest verblijven in GGZ kliniek [instelling] in [plaats], terwijl de rechtbank in de OTS-beschikking alleen heeft bepaald dat plaatsing in een ‘moeder kind voorziening’ noodzakelijk was, en verweerster zelf al een dergelijke voorziening had gevonden.

5.2

Het CvT heeft, als gevolg van de samengenomen klachtonderdelen I t/m VI, geen specifiek oordeel gegeven over dit klachtonderdeel.

5.3

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat erop ziet dat appellante eenzijdig heeft bepaald dat er een gezinsopname plaats diende te vinden in GGZ kliniek [instelling] te [Plaats], stelt appellante het volgende. Appellante heeft tijdens de zitting bij de rechtbank op 22 oktober 2015 aangegeven dat een opname in een ouder-kind-huis noodzakelijk was om meer zicht te krijgen op de opvoedingscapaciteiten van verweerster, daarbij heeft zij als voorbeeld [instelling] genoemd.
Toen verweerster tijdens de betreffende zitting aangaf niet mee te willen werken aan de opname, heeft de (kinder)rechter benadrukt dat zij mee diende te werken aan een opname in [instelling] en moest samenwerken met de gezinsvoogd. Appellante was voornemens, nadat zij overleg hierover had gehad met de gedragswetenschapper, een afspraak te maken met verweerster om de opname te bespreken. Dit was echter niet mogelijk nu verweerster kort daarop vertrok uit [opvang] zonder appellante te informeren waar zij heen zou gaan met [dochter]. Na de gebeurtenissen met betrekking tot de uithuisplaatsing had appellante op 14 november 2015 voor het eerst weer contact met verweerster. Uiteindelijk vond op 23 november 2015 een gesprek plaats waarin appellante het traject bij [instelling] heeft uitgelegd en waarbij werd afgesproken dat verweerster informatie over [instelling] toegestuurd zou krijgen. Zowel in december 2015 als januari 2016 heeft appellante verweerster herinnerd aan de mogelijke opname en het verzoek om te laten weten of zij mee wilde werken, zodat zij echt een goede kans zou hebben dat [dochter] weer bij haar kon wonen. Op 3 februari 2016 stuurde appellante nogmaals een e-mail aan verweerster met daarin opgenomen dat zij uiterlijk op 18 februari 2016 uitsluitsel wilde hebben over het al dan niet deelnemen van verweerster aan de gezinsopname. Op 18 februari 2016 heeft zij niets van verweerster vernomen. Appellante is van mening dat uit het voornoemd overzicht blijkt dat zij zich bijzonder heeft ingespannen om verweerster over de noodzaak en gewenste hulp met betrekking tot het traject bij [instelling] te informeren.

5.4

Verweerster betwist dat de rechtbank heeft overgenomen dat er specifiek een opname in [instelling] plaats diende te vinden. Indien de rechter dit zou hebben besloten, had dit moeten volgen uit de beschikking, hetgeen niet het geval is. Met verweerster had besproken moeten worden welke keuzes er voor haar waren. Voor verweerster was reeds een specifiek ouder-kind-huis gekozen, hetgeen blijkt uit het contactjournaal d.d. 26 oktober 2015. Naar de mening van verweerster is de kern van de klacht dat de alternatieven niet besproken zijn. Appellante heeft ten onrechte en in strijd met de beroepscode en richtlijnen die gelden voor gezinsvoogden geschetst dat er maar één enkele optie is, en gepoogd medewerking af te dwingen door te dreigen met mogelijke consequenties. Tot slot betwist verweerster dat er voldoende informatie is gegeven over de opname in [instelling]. Verweerster heeft juist gevraagd om uitleg en wilde een folder toegezonden krijgen. Het enige dat appellante echter wilde weten is of verweerster akkoord ging met een opname in [instelling].

5.5

Naar het oordeel van het College heeft verweerster zich te weinig bereid gesteld om samen met appellante tot een oplossing te komen. Appellante heeft, blijkens de contactjournaals, in ieder geval op 23 november 2015, 26 november 2015, 22 december 2015, 4 januari 2016, 5 januari 2016, 7 januari 2016, 14 januari 2016 en 3 februari 2016 contact gehad met verweerster om de mogelijke opname in [instelling] te bespreken. Verweerster heeft op al deze berichten afwachtend of in het geheel niet gereageerd. Op 3 februari 2016 heeft appellante aangegeven dat zij op 18 februari 2016 uitsluitsel wilde op de vraag of verweerster mee wilde werken aan een opname in [instelling]. Op 18 februari 2016 (in het beroepschrift staat 2015, het College begrijpt: 2016), heeft appellante nog altijd geen reactie gekregen op het reeds op 26 november 2015 gestuurde voorstel tot opname in [instelling].

5.6

Na deze periode heeft verweerster naar aanleiding van een zitting op de rechtbank de kans gekregen om, samen met hulpverlening en haar advocaat, een plan op te stellen om haar opvoedingsvaardigheden te kunnen onderzoeken. Dit alternatieve plan is tijdens een zitting, met een meervoudige kamer, beoordeeld en bij beschikking van 28 april 2016 onvoldoende bevonden. Het plan zou niet voldoende zijn gericht op de ontwikkelingsbelangen van [dochter]. Dit oordeel is door het hof bevestigd bij beschikking van 28 juni 2016: “het hof is van oordeel dat dit plan niet in voldoende mate is gericht op de ontwikkelingsbelangen van [dochter], niet neutraal is geformuleerd en de nodige (wetenschappelijke) onderbouwing mist.”

5.7

Aldus is het College gebleken dat appellante zich voldoende heeft ingespannen om in samenwerking met verweerster tot een geschikte plaats voor de opname te komen. Aan verweerster is de mogelijkheid gegeven om zelf met een alternatief plan te komen; dit plan werd als onvoldoende beoordeeld door zowel de meervoudige kamer van de rechtbank als het hof. Het College acht de klacht onder klachtonderdeel II dan ook ongegrond, waardoor deze grief van appellante slaagt.

6 Klachtonderdeel III

6.1

Verweerster stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder III – kort samengevat – op het standpunt dat binnen de verplichte termijn geen fatsoenlijk gesprek met haar heeft plaatsgevonden over wat een ondertoezichtstelling inhoudt, wat de rechten en plichten zijn van verweerster, en wie de vervanger van appellante is wanneer zij afwezig is.

6.2

Het CvT heeft, als gevolg van de samengenomen klachtonderdelen I t/m VI, geen specifiek oordeel gegeven over dit klachtonderdeel.

6.3

Appellante voert tegen de beslissing van het CvT als grief aan, dat zij al bij verweerster betrokken was voordat de ondertoezichtstelling werd uitgesproken. In het indertijd gestarte raadsonderzoek – uitgevoerd vanuit het drangkader – heeft appellante, samen met de betrokken raadsonderzoeker, gesproken met verweerster en uitleg gegeven over de betekenis van een ondertoezichtstelling. Daarnaast is er gesproken over het contact tussen verweerster en appellante, als gezinsvoogd. Er is onder andere gesproken over hoe appellante te bereiken is, wie haar vervangt bij ziekte, wanneer zij niet aanwezig is en wat te doen als er een noodgeval is. Deze informatie staat ook onderaan de e-mails die appellante stuurt en is te horen op haar voicemail. Voorts krijgen alle ouders van pupillen een [GI] map toegezonden met uitleg over [GI] en een ondertoezichtstelling.

6.4

Verweerster betwist dat er voldoende uitleg is gegeven over de ondertoezichtstelling en daaruit voortvloeiende rechten en plichten van verweerster. Nu er geen documentatie is, is deze stelling volgens verweerster lastig te bewijzen. Anderzijds ondersteunt dit haar stelling volgens verweerster: uit de contactjournaals blijkt niet dat hierover gesproken is. Het argument dat appellante reeds betrokken was voor de ondertoezichtstelling en zo verweerster heeft geïnformeerd, volgt verweerster niet. In een ander dan het justitiële kader luisteren ouders ook anders, het is dan immers nog niet zover dat er een ondertoezichtstelling is uitgesproken. Ook is verweerster van mening dat het feitelijk onjuist is voor zover appellante stelt dat er een vervanger is doorgegeven, of dat vervanging onderaan de e-mails staat. Daarbij merkt verweerster op dat bij [GI] standaard wordt nagelaten bekend te maken dat er een vervanger is benoemd. Tot slot heeft appellante nimmer verteld noch staat dat in de informatiemap, waarmee de gemachtigde ambtshalve bekend is, dat een ouder inspraak heeft bij een ondertoezichtstelling. Dit onderdeel van de beroepscode en de richtlijn ‘Samen met ouders en jeugdigen beslissen over passende hulp in de jeugdbescherming’ wordt in het geheel niet nageleefd.

6.5

Naar het oordeel van het College van Beroep heeft appellante voldoende uitleg gegeven over de ondertoezichtstelling. Appellante heeft verweerster, samen met een raadsonderzoeker, gesproken over de ondertoezichtstelling. Appellante heeft onweersproken gesteld dat in dit gesprek uitleg is gegeven over de betekenis van de ondertoezichtstelling, over contact met haar als jeugdzorgwerker, hoe verweerster haar kon bereiken, en wie appellante vervangt op dagen dat zij niet werkt, of wanneer er een noodgeval is. Het verweer van verweerster, dat tijdens dit gesprek de ondertoezichtstelling nog niet was uitgesproken, en zij dus in dat geval op een andere manier zou hebben geluisterd, acht het College niet van doorslaggevende betekenis. Dit klachtonderdeel is dus ongegrond.

6.6

Het College constateert in dit verband dat verweerster een bepaald onderdeel verkeerd heeft begrepen. Het gaat om de zin: “Wanneer moeder [appellante] belde, kon zij daarnaast ook op de voicemail horen wie vervanger was, en hoe het hoofdkantoor kon worden bereikt. Ook onderaan de mails van [appellante] staat dit benoemd.” Het College begrijpt hieruit, dat onderaan de mails staat benoemd hoe het hoofdkantoor kon worden bereikt, en niet, zoals verweerster heeft begrepen, wie de vervanger was. Dit kon zij namelijk vernemen door telefonisch contact op te nemen. Bij afwezigheid van appellante zou zij dan te horen krijgen wie de vervang(st)er was. Ten aanzien van dit aspect oordeelt het College dat dit in het licht van deze procedure feitelijk niet relevant is, omdat appellante in de bedoelde periode niet afwezig is geweest.

7 Klachtonderdeel IV

7.1

Verweerster stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder klachtonderdeel IV – kort samengevat – op het standpunt dat er niet, althans onvoldoende, is gewerkt aan het onderzoeken van de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [dochter].

7.2

Het CvT heeft, als gevolg van de samengenomen klachtonderdelen I t/m VI, geen specifiek oordeel gegeven over dit klachtonderdeel.

7.3

Appellante betwist dat er onvoldoende is gewerkt aan het onderzoeken van de mogelijkheden tot een thuisplaatsing van [dochter]. Verweerster heeft op geen enkele manier meegewerkt aan een onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden. Dit onderzoek was noodzakelijk om vast te kunnen stellen of zij de zorg voor [dochter] in voldoende mate aan zou kunnen. Voorts heeft verweerster de kans gekregen een alternatief plan op te stellen waaruit haar opvoedingscapaciteiten zouden blijken. Zowel [GI], de Raad voor de Kinderbescherming als de rechter hebben dit alternatieve plan onvoldoende geacht.

7.4

Verweerster stelt zich op het standpunt dat appellante zich verschuilt achter het oordeel van de rechter ten aanzien van het klachtonderdeel dat er onvoldoende is gewerkt aan de thuisplaatsing van [dochter]. Het gaat hierbij om het handelen van appellante. Hetgeen appellante aan de rechter voorlegt, bepaalt mede de omvang van het geschil en is daardoor leidend. Nu de gezinsvoogd niet mee wilde werken aan het alternatieve plan, moest de rechter een beslissing nemen. Dit valt veelal uit in het voordeel van de gecertificeerde instelling. De gezinsvoogd is voor de rechter een objectieve professional. De gezinsvoogd wekte richting de rechtbank, verweerster en diens gemachtigde, de indruk dat zij open stond voor een alternatief traject. Toen er een alternatief plan was opgesteld werd dit voornamelijk afgewezen op grond van het verstrijken van de aanvaardbare termijn.

7.5

Voor de beoordeling van dit klachtonderdeel verwijst het College naar het oordeel als uiteengezet onder overweging 5.5. Het College stelt vast dat verweerster onvoldoende heeft meegewerkt aan het tot stand laten komen van een werkbaar plan. Er lag een plan dat door appellante was voorgesteld, namelijk de plaatsing bij [instelling], maar hieraan werd door moeder geen medewerking verleend. Als tegenvoorstel mocht verweerster een eigen alternatief plan indienen. Dit plan is onvoldoende bevonden door zowel de rechtbank als het hof. Het verweer, dat dit plan voornamelijk is afgewezen op basis van de verstreken aanvaardbare termijn, treft volgens het College geen doel. Het hof schrijft in de beschikking: “… het hof is van oordeel dat dit plan niet in voldoende mate is gericht op de ontwikkelingsbelangen van [dochter], niet neutraal is geformuleerd en de nodige (wetenschappelijke) onderbouwing mist.” De aanvaardbare termijn wordt hierin niet als reden genoemd voor het niet accepteren van het alternatieve plan. Het College acht niet bewezen dat door appellante onvoldoende is gewerkt aan het onderzoeken van de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [dochter]. Appellante heeft naar het oordeel van het College, binnen de mogelijkheden die zij had, voldoende inspanningen verricht om tot een voor alle partijen werkbaar plan te komen. Dat dit uiteindelijk niet het resultaat heeft gehad waar de inspanningen op waren gericht, is niet te wijten aan het handelen van appellante, waardoor de grief van appellante slaagt.

8 Klachtonderdeel V

8.1

Verweerster stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder klachtonderdeel V – kort samengevat – op het standpunt dat appellante zonder concrete onderbouwing heeft gesteld dat sprake is van een overschrijding van de aanvaardbare termijn toen klaagster alternatieven voor een gezinsopname dan wel voor een gezinsopname op een andere plek aandroeg.

8.2

Het CvT heeft, als gevolg van de samengenomen klachtonderdelen I t/m VI, geen specifiek oordeel gegeven over dit klachtonderdeel.

8.3

Appellante betwist dat zij zonder concrete onderbouwing heeft gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de aanvaardbare termijn toen verweerster alternatieven voor een gezinsopname, dan wel een gezinsopname op een andere plek, aandroeg. Appellante heeft meerdere keren aangegeven dat binnen een half jaar – naar het College begrijpt: na de uithuisplaatsing – duidelijk moest zijn of verweerster voor [dochter] kon zorgen. Voor een kind van de leeftijd van [dochter] is een half jaar een aanvaardbare termijn. Zoals ook bij grief IV opgemerkt, heeft verweerster niet meegewerkt aan een onderzoek waardoor de termijn van een half jaar niet werd gehaald. In de e-mail van 26 november 2015 van appellante aan verweerster, heeft appellante duidelijk aangegeven dat het voor [dochter] heel belangrijk is dat er niet teveel tijd overheen gaat, omdat zij zich anders teveel gaat hechten binnen het pleeggezin en thuisplaatsing moeilijker gaat worden.

8.4

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het onjuist is dat er een vaste en altijd geldende aanvaardbare termijn in maanden voor een kind van een bepaalde leeftijd geldt. Hiertoe worden door verweerster meerdere bronnen aangevoerd die dit standpunt onderbouwen. In de e-mail van 3 februari 2016 zou nader uitleg gegeven zijn over de aanvaardbare termijn. Hierin is alleen opgenomen dat [dochter] zich steeds meer gaat hechten en dat een terugplaatsing niet mogelijk is omdat de hechting dan verbroken zou worden. Hierbij ontbreekt enerzijds een concrete belangenafweging en is het anderzijds onbegrijpelijk waarom appellante de omgangsregeling met verweerster wil verminderen, juist dan wordt een bestaande goede hechtingsrelatie verbroken.

8.5

Het College volgt verweerster niet in de stelling dat appellante zonder onderbouwing zou hebben gesteld dat sprake is van een overschrijding van de aanvaardbare termijn. In de correspondentie tussen appellante en verweerster is duidelijk te lezen om welke reden appellante het van belang acht dat er snel actie ondernomen wordt en om welke reden verweerster niet langer haar besluiten moet uitstellen. Zo schrijft appellante in een bericht van 5 januari 2016: “Het is voor [dochter] heel erg belangrijk dat een opname niet te lang op zich laat wachten. Hoe langer [dochter] in het pleeggezin woont, hoe meer zij zich gaat hechten in het pleeggezin. Daarnaast is het voor [dochter] heel belangrijk dat zij een vaste plek heeft waar ze woont, en dat het voor haar duidelijk is of ze bij jou woont of ergens anders.” En op 3 februari 2016 schrijft zij: “Zoals ik u eerder heb laten weten, is het voor [dochter] heel erg belangrijk dat het niet te lang duurt voordat een traject bij [instelling] kan starten. Hoe langer het duurt voor dit traject start, hoe meer [dochter] gehecht raakt binnen het pleeggezin. Wanneer zij dan weer weg moet uit het pleeggezin, zal dit voor [dochter] mogelijk een nieuw trauma betekenen, en dat willen we niet. Ook is er een aanvaardbare termijn; dit betekent dat er een periode is waarin duidelijk moet worden of een kindje weer bij zijn ouders kan gaan wonen of niet. Deze aanvaardbare termijn is voor jonge kinderen, zoals [dochter], ongeveer een half jaar. Binnen dat half jaar zou er duidelijkheid moeten zijn over de woonplek van [dochter] voor de toekomst. Dit betekent ook dat het traject bij [instelling] binnen een half jaar afgerond moet zijn. Wanneer u besluiten blijft uitstellen of niet wil meewerken aan een traject bij [instelling], betekent dit automatisch dat [dochter] niet bij u terug kan komen, omdat de aanvaardbare termijn dan ondertussen verloopt. Dit zou erg jammer zijn. Bij [instelling] krijgt u de kans om te laten zien wat uw mogelijkheden zijn in de opvoeding van [dochter]. Tijdens de bezoekregeling zie ik hoe intens veel u van [dochter] houdt. Het zou zonde zijn om deze kans niet met beide handen aan te grijpen.”
Het College is van oordeel dat appellante gelet op het voorgaande voldoende duidelijk is geweest in haar communicatie omtrent de aanvaardbare termijn. Deze grief slaagt aldus.

9 Klachtonderdeel VI

9.1

Verweerster stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder klachtonderdeel VI – kort samengevat – op het standpunt dat appellante onvoldoende respect heeft voor verweerster. Dit zou blijken uit drie omstandigheden. Allereerst dat appellante de rechtbank onjuist en onvolledig heeft voorgelicht met betrekking tot het intelligentieniveau van verweerster. Ten tweede blijkt het gebrek aan respect volgens verweerster ook uit de omstandigheid dat appellante verweerster op geen enkele wijze actief heeft benaderd om te komen tot een samenwerking. Tenslotte heeft de pleegzorgwerker aan appellante gemeld dat er tegen haar was geschreeuwd en zij zich bedreigd heeft gevoeld, waarop appellante meteen de omgang heeft stopgezet zonder eerst het verhaal van verweerster hierover aan te hebben gehoord.

9.2

Het CvT heeft, als gevolg van de samengenomen klachtonderdelen I t/m VI, geen specifiek oordeel gegeven over dit klachtonderdeel.

9.3

Appellante voert in beroep als grief aan, dat zij beschikt over een onderzoek van 18 maart 2015 van [organisatie 1], waarin staat dat verweerster een verstandelijke beperking heeft. Appellante heeft geen stukken gezien waaruit blijkt dat dit anders zou zijn. Appellante meent dat zij, door het overleggen van relevante stukken zoals e-mails, contactjournaals en WhatsApp-gesprekken, wel degelijk heeft aangetoond dat zij verweerster steeds actief heeft benaderd. Voorts heeft appellante de omgang niet stopgezet, maar tijdelijk uitgesteld. Reden hiervoor was dat zij het belangrijk vond dat [dochter] op een prettige manier omgang zou kunnen hebben met verweerster, zonder daarbij spanning te ervaren.

9.4

Verweerster geeft aan dat er in verschillende stukken en procedures meermaals onderzoeken van een latere datum zijn ingebracht dan waar appellante de beschikking over heeft. Bijvoorbeeld het onderzoek van [organisatie 2] waarin is verklaard dat verweerster eerder mogelijk minder heeft gescoord door omgevingsfactoren. Voorts heeft verweerster haar mbo niveau 2 opleiding behaald. Voorts stelt verweerster zich op het standpunt dat appellante ‘goochelt met woorden’ als zij stelt dat de omgang niet was stopgezet, maar uitgesteld. De omgang zou namelijk pas weer worden hervat indien verweerster aan een aantal (eenzijdig bepaalde) voorwaarden zou voldoen. Uitgesteld is een passende term als een bezoek, zonder nadere voorwaarden, wordt verplaatst naar een later tijdstip. Omgang tussen verweerster en [dochter] is ingezet als dwangmiddel om verweerster te bewegen akkoord te gaan met de gestelde voorwaarden van [GI]. Het is als oneigenlijk machtsmiddel ingezet omdat de veiligheid van [dochter] op geen enkele manier in het geding was. Verweerster acht dat geen respectvolle handelswijze.

9.5

Naar het oordeel van het College is onvoldoende feitelijk naar voren gebracht dat er sprake zou zijn van een tekort aan respect. Met betrekking tot de intelligentie heeft appellante zich gebaseerd op een onderzoek dat zij op dat moment in haar bezit had, en ten aanzien waarvan zij erop mocht vertrouwen dat dit een feitelijk goed onderbouwd onderzoek was. Dat in navolgende onderzoeken zou zijn gebleken dat verweerster wel op gemiddeld niveau kan functioneren, neemt niet weg dat in een eerder onderzoek is geconcludeerd dat er sprake is van een bepaalde (verstandelijke) beperking. De kwestie met betrekking tot een mogelijke verstandelijke beperking heeft naar het oordeel van het College, zoals dat ook blijkt uit de overgelegde correspondentie, niet geleid tot enig tekort aan respect naar verweerster toe. Verder is het College gebleken dat appellante verweerster op verschillende momenten actief en met voldoende respect heeft benaderd om te komen tot samenwerking, in tegenstelling tot hetgeen door verweerster wordt gesteld. Tenslotte kan het College verweerster volgen in haar gevoel dat het uitstellen van een omgang onder omstandigheden ervaren kan worden als het stopzetten van omgang. Ook uit dit gegeven blijkt het College echter niet dat er van de zijde van appellante sprake is van te weinig respect. Deze klacht wordt dan ook door het College ongegrond verklaard, waardoor deze grief slaagt.

10 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdelen I, II, III, IV, V, en VI alsnog ongegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 1 juni 2017;
– handhaaft de beslissing van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdelen VII en VIII, welke klachtonderdelen door het College van Toezicht beiden gegrond zijn verklaard en waartegen geen grieven zijn gericht;
– trekt in de maatregel van berisping, welke aan appellante door het College van Toezicht is opgelegd;
– acht de twee overgebleven en gegrond verklaarde klachtonderdelen VII en VIII niet van zodanig gewicht, dat op deze klachtonderdelen een maatregel dient te volgen.

Aldus gedaan door het College in de genoemde samenstelling en op 9 januari 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,
voorzitter

mevrouw mr. R.A.E. Thijssen,
secretaris