Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld rondom de rapportages en een schriftelijke aanwijzing. Evenmin tijdens een zitting bij de kinderrechter.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
de heer mr. A.P. van der Linden, lid-jurist,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[appellante], wonende te [plaatsnaam 1], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

tegen:

[verweerster], werkzaam als medewerkster [afkorting van de GI] bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI, beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met bijlagen, ontvangen op 31 mei 2016, van latere data eveneens binnengekomen bijlagen;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 6 september 2016;
– het door appellante bij het College van Toezicht tweede ingediende klaagschrift ontvangen op 12 september 2016, met later binnengekomen bijlagen;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift met de bijlage ontvangen op 12 oktober 2016;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met de bijlagen, ontvangen op 9 november 2016;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 16.063T-16.135T van 13 april 2017;
– het door appellante ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 7 juni 2017 en de aanvullingen hierop ontvangen op 8 juli 2017 en 8 augustus 2017;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 31 augustus 2017.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 7 juni 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Het College heeft op 30 juni 2017 appellante op grond van artikel 12.7 van het Tuchtreglement in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken het beroepschrift aan te vullen.

1.5

Appellante heeft op 8 juli 2017 haar beroepschrift aangevuld en op 8 augustus 2017 het beroepschrift d.d. 7 juni 2017 en de aanvulling hierop d.d. 8 juli 2017 van een handtekening voorzien.

1.6

Namens verweerster is op 31 augustus 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.7

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 december 2017 in aanwezigheid van verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder van de zijde van verweerster is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aanwezig geweest [toehoorder], een collega van verweerster. Appellante is niet ter zitting verschenen.

1.8

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Appellante is de moeder van de minderjarige tweeling [zoon1] en [zoon2], geboren op [geboortedatum] 2007, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Appellante is gescheiden van de vader van de kinderen. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door appellante en de vader. De kinderen wonen bij appellante.

2.3

De kinderen zijn met ingang van 3 januari 2013 onder toezicht gesteld van de GI.

2.4

Vanaf maart 2015 is de methodiek “Complexe Echtscheiding” ingezet, waardoor aan verweerster is gevraagd om als tweede jeugdprofessional de begeleiding van appellante, de vader en de kinderen ter hand te nemen. Door omstandigheden is verweerster echter pas vanaf de zitting van 11 september 2015 bij de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam 2], als (tweede) jeugdprofessional opgetreden.

2.5

Begin december 2015 heeft verweerster, naar aanleiding van gesprekken die zij gevoerd had met de ouders, een conceptrapportage opgesteld en deze aan hen toegezonden.

2.6

Op 9 december 2015 heeft verweerster over de conceptrapportage een gesprek gehad met appellante. Appellante gaf te kennen dat zij zich niet kon vinden in de inhoud van de rapportage.

2.7

Begin januari 2016 heeft verweerster de slotrapportage toegestuurd naar de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK.

2.8

De RvdK heeft in zijn rapportage van 9 maart 2016 geadviseerd om te starten met een belevingsonderzoek bij de kinderen. In deze rapportage is het volgende opgenomen over een telefoongesprek dat verweerster op 8 februari 2016 heeft gevoerd met een raadsonderzoeker: “Over oma [moederszijde] vertelt de gezinsvoogd dat zij dezelfde negatieve beleving heeft van vader en zijn familie als dat moeder heeft.

2.9

De kinderrechter heeft bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam 2], van 22 maart 2016 het verzoek van de RvdK toegewezen om de ondertoezichtstelling te verlengen tot 11 september 2016 in verband met een door de RvdK te starten belevingsonderzoek. Het belevingsonderzoek had als doel te onderzoeken waar de weerstand van de kinderen vandaan kwam om omgang te hebben met hun vader.

2.10

Per e-mailbericht van 12 april 2016 heeft de advocaat van appellante aan de RvdK laten weten dat appellante overleg wenste, over het in te zetten belevingsonderzoek en de door de RvdK geformuleerde onderzoeksvragen, voordat zij hiervoor toestemming zou geven.

2.11

Op 20 april 2016 heeft verweerster, namens de GI, aan appellante een schriftelijke aanwijzing gegeven, omdat appellante geen toestemming wilde geven voor het uitvoeren van het hiervoor genoemde belevingsonderzoek.

2.12

Op 28 april 2016 heeft appellante toestemming gegeven voor het belevingsonderzoek, nadat de RvdK, op verzoek van appellante, enkele onderzoeksvragen had aangepast.

2.13

In het raadsrapport van 10 juni 2016 wordt naar aanleiding van het uitgevoerde belevingsonderzoek geconcludeerd dat een gedwongen kader nodig is, om zodoende de ouders te blijven motiveren om mee te werken aan de benodigde begeleiding en hulpverlening. De RvdK adviseert in voornoemd rapport om in vier fasen tot contactherstel te komen tussen de kinderen en de vader.

2.14

De kinderrechter heeft bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam 2], van 20 juni 2016 het verzoek van de RvdK toegewezen, inhoudende dat de ondertoezichtstelling van de kinderen tot 11 september 2016 is verlengd.

2.15

Op 5 september 2016 heeft een zitting plaatsgevonden in verband met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar te verlengen. Verweerster heeft ter zitting de GI vertegenwoordigd en heeft, in reactie op het verweer van appellante, aantekeningen overgelegd.

2.16

De kinderrechter heeft bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam 2], van 5 september 2016 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 11 september 2017.

2.17

Verweerster is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2014.

3  De ontvankelijkheid van het beroepschrift

3.1

Verweerster stelt de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde. Het College zal de ontvankelijkheid toetsen alvorens verder te gaan met de inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift.

3.2

Appellante heeft volgens verweerster in zowel het stuk van 7 juni 2017 als in het stuk van 8 juli 2017 onvoldoende de gronden van het beroep kenbaar gemaakt. In het stuk van 7 juni 2017 heeft appellante nagelaten concreet te maken waarom de beslissing in eerste aanleg inhoudelijk onjuist zou zijn. Het aanvullende beroepschrift van 8 juli 2017 is volgens verweerster ingediend nadat de beroepstermijn reeds was verstreken. In hoeverre door het College conform artikel 12.7 van het Tuchtreglement aan appellante de gelegenheid is geboden haar initiële beroepschrift aan te vullen, is verweerster onbekend. Voorts meent verweerster dat, alhoewel appellante drie overwegingen uit de beslissing van het College van Toezicht betwist, zij nagelaten heeft een concrete onderbouwing te overleggen van waarom deze overwegingen inhoudelijk onjuist zouden zijn. Bovendien heeft appellante nagelaten de stukken uit het dossier in eerste aanleg bij de stukken te voegen. Tevens meent verweerster dat appellante met betrekking tot de overwegingen 5.4 en 5.6 inzake de klachtonderdelen V en IX een nieuwe klacht formuleert, namelijk dat de schriftelijke aanwijzing ten onrechte niet zou zijn ingetrokken. Hierover is in eerste aanleg geen oordeel gegeven zodat verweerster stelt dat appellante, voor zover zij niet reeds op voornoemde gronden niet-ontvankelijk is in haar beroep, in elk geval voor wat betreft dit nieuwe klachtonderdeel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.3

Het College overweegt als volgt. In het beroepschrift van 7 juni 2017 heeft appellante aangegeven het beroepschrift nog nader aan te willen vullen. Op grond van artikel 12.7 van het Tuchtreglement is appellante op 30 juni 2017 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken, uiterlijk op 14 juli 2017, het beroepschrift aan te vullen. Abusievelijk is verweerster daarvan destijds niet op de hoogte gesteld. Op 7 december 2017 is – ter kennisneming – alsnog een afschrift van dit bericht aan de gemachtigde van verweerster toegezonden. Het aanvullende beroepschrift van 8 juli 2017 is naar het oordeel van het College binnen de gestelde termijn ingediend. Uit het aanvullende beroepschrift van 8 juli 2017 blijkt voorts naar het oordeel van het College voldoende wat de gronden van het beroep zijn ten aanzien van de beoordeling van de klachtonderdelen II, V en IX uit de beslissing in eerste aanleg. Voor de overige grieven oordeelt het College dat appellante niet-ontvankelijk is omdat het onvoldoende duidelijk is tegen welke andere klachtonderdelen van de beslissing in eerste aanleg het beroep zich richt. Voor zover verweerster zich op het standpunt stelt dat appellante met betrekking tot klachtonderdelen V en IX een nieuwe klacht formuleert, overweegt het College dat alhoewel het juist is dat in de beslissing van het College van Toezicht geen oordeel is gegeven betreffende het niet intrekken van de schriftelijke aanwijzing, appellante echter wel in haar oorspronkelijke klaagschrift als toelichting onder klacht vijf en zes genoemd heeft dat verweerster de schriftelijke aanwijzing niet heeft willen intrekken. Het College oordeelt aldus dat appellante geen nieuwe klacht geformuleerd heeft en ontvankelijk is wat betreft de grieven die betrekking hebben op het al dan niet willen intrekken van de schriftelijke aanwijzing. Het College concludeert derhalve tot ontvankelijkheid van het beroep, wat betreft de klachtonderdelen II, V en IX uit de beslissing in eerste aanleg, en zal in de verdere beoordeling inhoudelijk ingaan op de grieven betreffende voornoemde klachtonderdelen.

4 Algemene opmerkingen

4.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 13 april 2017 van de klachtonderdelen II, V en IX, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard. 

4.4

Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een concluderende beslissing ten aanzien van alle grieven. 

5  Klachtonderdeel II

5.1

Appellante stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder II – kort samengevat – op het standpunt dat verweerster vooroordelen en vooringenomen standpunten heeft. Als toelichting op dit klachtonderdeel geeft appellante aan dat verweerster in gesprekken en in de rapportage van 11 januari 2016 kenbaar heeft gemaakt dat de afwijzende houding van de kinderen ten opzichte van hun vader ongegrond en onverklaarbaar is, terwijl verweerster de kinderen nog nooit gezien of gesproken heeft; verweerster heeft voorts uitlatingen gedaan over oma (moederszijde) zonder dat zij haar zelf gesproken heeft.

5.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Alhoewel [verweerster] zich in minder gelukkige bewoordingen heeft geuit, blijkt uit de toelichting van [verweerster] op de zitting [bij het College van Toezicht] dat de door [verweerster] gehanteerde formuleringen gebaseerd zijn op ofwel eerdere rapportages dan wel op ervaringen van [verweerster] zelf, welke ook voor [appellante] kenbaar waren. Onder deze omstandigheden acht het College [van Toezicht] de wijze waarop [verweerster] heeft gerapporteerd niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.” Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

5.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan dat het College van Toezicht stelt dat de uitspraken van verweerster gebaseerd zijn op eerdere rapportages dan wel op eigen ervaringen. Doordat het College van Toezicht dit algemeen stelt, kunnen vele onzuiverheden onterecht weggestreept worden. Als de bronvermelding niet kenbaar gemaakt hoeft te worden, brengt dit met zich mee dat alles kan worden gezegd, gesteld en aangenomen. Appellante meent ook dat uitleg gegeven moet worden over hetgeen verweerster heeft geuit over de oma (moederszijde), terwijl zij, noch haar collega’s, met de oma (moederszijde) hebben gesproken. Des te meer vergt dit punt uitleg nu verweerster in het verweerschrift van 6 september 2016, onder punt 21, aangeeft dat de opgeschreven mening van de oma (moederszijde) een aanname is geweest. Een aanname welke volgens verweerster gebaseerd is op de brief van de opa (vaderszijde) van 11 november 2015. Appellante vraagt zich af welke zaken uit deze brief nog meer (onterecht) voor waarheid zijn aangenomen en mogelijk in de rapportage zijn verwerkt. Voorts heeft verweerster in het voornoemde verweerschrift, onder punt 24, aangegeven dat zij de brief van opa (vaderszijde) slechts ter kennisneming aangenomen had. Appellante meent dat dit tegenstrijdig is met voornoemde stelling onder punt 21. Appellante stelt dat de oordeelsvorming van verweerster niet zuiver en onprofessioneel is geweest.

5.4

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich volledig kan vinden in de beslissing van het College van Toezicht. Hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft verweerster geen aanleiding gegeven tot het voeren van een ander of nader verweer dan dat zij in eerste aanleg heeft gevoerd. In eerste aanleg heeft verweerster – kort samengevat – betwist dat zij zich bedient van vooroordelen of vooringenomen standpunten.

5.5

Het College overweegt dat appellante zich in de oorspronkelijke klacht op het standpunt stelt dat verweerster vooroordelen en vooringenomen standpunten heeft. De onder 5.1 vermelde rapportage – niet van verweerster maar van haar teammanager – van 11 januari 2016, die bij de stukken is gevoegd, maakt – anders dan appellante betoogt – wel degelijk gebruik van bronvermeldingen en tijdsaanduidingen, zoals bron raadsonderzoek juli 2015, zitting 11 september 2015, hulpverleningsgeschiedenis, huidige situatie en de reden waarom de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd. Verweerster heeft in reactie op de grief van appellante ter zitting nog nader toegelicht dat uit het raadsrapport ten onrechte afgeleid zou kunnen worden dat zij contact gehad heeft met de oma (moederszijde), verweerster heeft echter geen contact gehad met de oma (moederszijde). Verweerster heeft erkend dat de formuleringen in het raadsrapport hieromtrent niet voldoende door haar nagelezen zijn. Alhoewel verweerster aldus erkent dat het controleren van de formuleringen in het raadsrapport beter hadden gekund, is het College van oordeel dat dit niet met zich brengt dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Voorts is naar het oordeel van het College hieruit niet af te leiden dat verweerster zich tijdens haar betrokkenheid van vooroordelen of vooringenomen standpunten heeft bediend, zoals de oorspronkelijke klacht van appellante luidt. Het College heeft uit de door verweerster ingediende stukken en de door haar ter zitting geschetste gang van zaken voldoende de indruk gekregen dat zij zich tijdens haar werkzaamheden onpartijdig, zonder vooroordelen of vooringenomen standpunten, heeft opgesteld. Met betrekking tot de door verweerster opgestelde rapportages volgt het College de beslissing van het College van Toezicht in zoverre dat alhoewel verweerster zich in minder gelukkige bewoordingen heeft geuit, dit niet met zich brengt dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Naar het oordeel van het College faalt aldus de eerste grief.

6  Klachtonderdeel V

6.1

Appellante stelt zich in de oorspronkelijke klacht onder V – kort samengevat – op het standpunt dat verweerster misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie door appellante een schriftelijke aanwijzing te geven terwijl appellante op dat moment in contact was met de RvdK over de door haar nog te ondertekenen toestemmingsverklaring.

6.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Ter zitting is duidelijk geworden dat [appellante] en haar advocaat met [de RvdK] in onderhandeling waren over de formulering van de onderzoeksvragen. De medewerker van [de RvdK] was met vakantie en de waarnemend medewerker heeft tijdens de vakantie gecommuniceerd met [verweerster]. Hierdoor is vertraging opgetreden in de communicatie waardoor voor het College [van Toezicht] aannemelijk is geworden dat [verweerster] in ieder geval tijdens het afgeven van de schriftelijke aanwijzing niet op de hoogte was van het feit dat [appellante] hierover nog in gesprek was met [de RvdK]. Het kan [verweerster] daarom niet worden aangerekend dat zij de schriftelijke aanwijzing heeft afgegeven, omdat zij in de veronderstelling was dat [appellante] niet mee wilde werken aan het verlenen van toestemming voor het door de rechter gelaste belevingsonderzoek, waarmee enige voortvarendheid gemoeid was.” Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

6.3

Appellante erkent allereerst dat zij ook tot de conclusie komt dat verweerster in eerste instantie door de RvdK op het verkeerde been was gezet. Appellante voert echter tegen het oordeel van het College van Toezicht als grief aan dat, hoewel het voor verweerster op een gegeven moment duidelijk was dat appellante met de RvdK in gesprek was, verweerster weigerde de schriftelijke aanwijzing in te trekken. De klacht van appellante ziet dus op het gegeven dat verweerster weigerde de schriftelijke aanwijzing in te trekken, nadat gebleken was dat appellante met de RvdK in gesprek was over onderdelen van het uit te voeren belevingsonderzoek.

6.4

Ter zitting heeft verweerster te kennen gegeven dat op 20 april 2016 de schriftelijke aanwijzing, betreffende de (ontbrekende) toestemming van appellante voor het belevingsonderzoek, aan appellante is gegeven. Op 22 april 2016 is het echter voor verweerster kenbaar geworden dat appellante in gesprek was met de RvdK over de toestemming en dat appellante, alvorens zij toestemming zou verlenen, vragen in voornoemd onderzoek gewijzigd c.q. verwijderd wilde hebben. Nadat door de RvdK een aantal vragen gewijzigd is, heeft appellante op 28 april 2016 toestemming voor het belevingsonderzoek verleend. Wanneer appellante de toestemming alsnog niet gegeven had, had de GI de kinderrechter verzocht de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Gelet op de toestemming van appellante was het echter niet nodig dit de kinderrechter te verzoeken. Verweerster meent dat intrekken van de schriftelijke aanwijzing, wegens gewijzigde omstandigheden, niet aan de orde was.

6.5

Het College volgt het College van Toezicht in het oordeel dat het verweerster niet kan worden aangerekend dat zij de schriftelijke aanwijzing heeft afgegeven, omdat zij immers tot 22 april 2016 in de veronderstelling was dat appellante niet haar toestemming wilde verlenen voor het door de rechter gelaste belevingsonderzoek, waarmee enige voortvarendheid gemoeid was. Verweerster was er immers niet van op de hoogte dat appellante nog in gesprek was met de RvdK over de onderzoeksvragen. Voor het overige volgt het College het standpunt van verweerster in die zin dat op 28 april 2016, door de verleende toestemming van appellante op die dag, er gevolg was gegeven aan de schriftelijke aanwijzing. Onder deze omstandigheden hoefde verweerster de schriftelijke aanwijzing niet in te trekken. Temeer omdat het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing niet heeft plaatsgevonden. Het in stand laten van de schriftelijke aanwijzing heeft dan ook geen verdere gevolgen voor appellante gehad. Naar het oordeel van het College faalt aldus de grief.

7  Klachtonderdeel IX

7.1

Appellante stelt zich in de oorspronkelijk klacht onder IX – kort samengevat – op het standpunt dat verweerster tijdens de zitting van 5 september 2016 bij de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam 2], vermeld heeft dat er een schriftelijke aanwijzing is gegeven, terwijl deze destijds onterecht is opgelegd.

7.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Voor wat betreft het zesde, zevende, achtste en negende klachtonderdeel die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling het volgende. Deze klachtonderdelen richten zich allen op het optreden van [verweerster] ter zitting van de kinderrechter van 5 september 2016. (…) Het stond [verweerster] daarbij vrij om daarbij melding te maken van het feit dat een schriftelijke aanwijzing was gegeven.” Het College van Toezicht verklaart de genoemde klachtonderdelen ongegrond.

7.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat ondanks dat de schriftelijke aanwijzing onterecht was gegeven, verweerster tijdens voornoemde zitting de schriftelijke aanwijzing als argument heeft gebruikt om een negatief beeld over appellante neer te zetten. Namelijk als iemand die niet mee wil werken. Tijdens deze zitting was het verweerster echter al geruime tijd duidelijk dat de onderzoeksvragen door de RvdK waren gewijzigd en appellante toen onmiddellijk haar handtekening had gezet. Van enige onwil of vertraging van appellantes kant is dus geen sprake geweest.

7.4

Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij zich volledig kan vinden in de beslissing van het College van Toezicht. Hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft verweerster geen aanleiding gegeven tot het voeren van een ander of nader verweer dan dat zij in eerste aanleg heeft gevoerd. In eerste aanleg heeft verweerster – kort samengevat – zich op het standpunt gesteld dat de schriftelijke aanwijzing destijds een belangrijke interventie is geweest en derhalve wel van belang was om te noemen ter zitting. Overigens meent verweerster dat de rechtbank het dossier kent en dat zij dan ook reeds op de hoogte was van de schriftelijke aanwijzing.

 7.5

Het College volgt het oordeel van het College van Toezicht betreffende dit klachtonderdeel in zoverre dat het verweerster vrijstond om tijdens de zitting van 5 september 2016 melding te maken van het feit dat een schriftelijke aanwijzing was gegeven. Verweerster heeft immers ter zitting van het College toegelicht dat zij tijdens haar werkzaamheden ervaren heeft dat de samenwerking met appellante ambivalent is verlopen. Naar het oordeel van het College heeft verweerster als voorbeeld van de ambivalente samenwerking aan de kinderrechter kenbaar mogen maken dat sprake is geweest van een schriftelijke aanwijzing, te meer omdat ten tijde van het afgeven van de schriftelijke aanwijzing de benodigde toestemming door appellante immers nog niet gegeven was. Op de zitting van 5 september 2016 is voorts door en namens de moeder schriftelijk en mondeling verweer gevoerd. De moeder is toen ongetwijfeld door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld om de omstandigheden, waaronder de schriftelijke aanwijzing was gegeven, nader toe te lichten. In de beschikking van 5 september 2016 staat op pagina 2 opgenomen als verweer van de moeder: “De moeder stelt kritische vragen over de hulpverlening, maar heeft altijd meegewerkt.” Voor het oordeel van de kinderrechter was ook niet bepalend of moeder al of niet medewerking verleende aan de hulpverlening, maar doorslaggevend was de door de kinderrechter met de RvdK geconstateerde oudervervreemding van de kinderen. Van benadeling van de procespositie van moeder door verweerster is dan ook geen sprake geweest.

Naar het oordeel van het College faalt aldus de grief.

8  De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:
– verklaart appellante ontvankelijk in haar beroep voor wat betreft de grieven die zien op de klachtonderdelen II, V en IX uit de beslissing van het College van Toezicht van 13 april 2017;
– handhaaft voornoemde beslissing van het College van Toezicht, zij het met aanvulling van de gronden ten aanzien van voornoemde klachtonderdelen.

Aldus gedaan door het College in de genoemde samenstelling en op 9 februari 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris