Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdprofessional heeft, zonder nader onderzoek te doen, belastende informatie verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van een raadsonderzoek.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O Mooy, voorzitter;
Mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
Mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [plaatsnaam], ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als behandelcoördinator bij de [Stichting], locatie [plaatsnaam], hierna te noemen: de stichting.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A.W.M. Mans, werkzaam bij Joosten & Verkoeijen Advocaten.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [jurist van de Stichting], werkzaam als jurist bij de [Stichting] te [plaatsnaam].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift binnengekomen op 28 januari 2017 en de aanvulling van 17 februari 2017;
– het verweerschrift van 5 april 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017 in aanwezigheid van de gemachtigde van klaagster, beklaagde en haar gemachtigde. De gemachtigde van klaagster heeft te kennen gegeven dat klaagster verhinderd is.
Het derde lid-beroepsgenoot was door overmacht niet in staat deel uit te maken van het College. Zulks is door de voorzitter bij aanvang van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld; partijen hebben desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen afhandeling van de zaak door het College in de samenstelling, zoals hierboven vermeld.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een zoon, [zoon] (hierna te noemen: [zoon]), geboren op [geboortedatum] 2005.

2.2

Klaagster en haar ex-partner (hierna te noemen vader), zijn sinds 2013 uit elkaar. Ouders hebben gezamenlijk gezag en een co-ouderschapsregeling. De verstandhouding tussen klaagster en vader is niet goed.

2.3

Sinds 2010 is hulpverlening bij klaagster, vader en [zoon] betrokken. [Zoon] krijgt sinds oktober 2015 enkele dagdelen een dagbehandeling bij de stichting tijdens en na school.

2.4

Op 26 april 2016 is een melding gedaan over [zoon]. Op 12 mei 2016 is de melding doorgezet naar de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Op 24 mei 2016 is de Raad gestart met het raadsonderzoek. Op 21 juni 2016 heeft de Raad het raadsrapport uitgebracht. De Raad heeft de kinderrechter verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar vanwege de strijd tussen klaagster en vader, de grote verschillen in opvoedstijlen en het zelfbepalende gedrag dat [zoon] laat zien. De kinderrechter heeft voor [zoon] een ondertoezichtstelling uitgesproken.

2.5

Voor de totstandkoming van het raadsrapport heeft de Raad met informanten gesproken. [Stichting] is als informant benaderd.

2.6

Beklaagde is werkzaam als behandelcoördinator bij de stichting en heeft ten tijde van het bovengenoemde raadsonderzoek de behandeling van [zoon] van een collega overgenomen. Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

2.7

Beklaagde heeft voorzover van belang de volgende informatie over klaagster aan de raadsonderzoeker verstrekt: ‘Informant kreeg zelfs het vermoeden dat moeder zich prostitueerde, hetgeen moeder ontkende. Moeder is getraumatiseerd door de moord op haar zus. Ze lijkt veel aan haar hoofd te hebben, waardoor ze een passieve indruk maakt. Alsof ze alle energie nodig heeft voor zichzelf’. Deze informatie is in het raadsrapport opgenomen.

2.8

Op 3 mei 2016, voorafgaand aan het uitbrengen van het raadsrapport, heeft een beschermingstafel plaatsgevonden waarbij de betrokken hulpverleners, gezinscoaches, klaagster en de vader van [zoon] aanwezig waren.

2.9

Op 10 augustus 2016 heeft klaagster een klacht over beklaagde ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht.

2.10

Op 5 december 2016 heeft een bemiddelingsgesprek tussen klaagster en beklaagde plaatsgevonden. Ook is er een gesprek geweest op 20 februari 2017. Beklaagde heeft op 20 februari 2017 een brief aan klaagster gestuurd.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

De klacht van klaagster heeft betrekking op de in 2.7 genoemde informatie die beklaagde aan de raadsonderzoeker heeft verstrekt.

I:
‘Informant kreeg zelfs het vermoeden dat moeder zich prostitueerde’
Beklaagde heeft deze uitspraak gedaan zonder een individueel gesprek met klaagster te voeren. Deze uitspraak is gebaseerd op een vermoeden. Beklaagde heeft niet met klaagster gesproken en ontkent en betwist met klem dat zij zich ooit heeft geprostitueerd. Zij heeft hier pas kennis van genomen toen zij het raadsrapport onder ogen kreeg.

II:
‘Moeder is getraumatiseerd door de moord op haar zus’
Klaagster stelt dat beklaagde door deze stelling in te nemen een diagnose stelt over haar. Beklaagde heeft niet eerder met klaagster over deze mogelijke diagnose gesproken en heeft nagelaten enig onderzoek te verrichten. Indien de diagnose niet door beklaagde is gesteld, had zij conform de beroepscode haar bron kenbaar moeten maken. Overigens is de stiefzus van klaagster vermoord.

III:
’Zij lijkt veel aan haar hoofd te hebben waardoor ze een passieve indruk maakt’
Beklaagde heeft haar bewering niet onderbouwd en hier ten onrechte een conclusie aan verbonden. Klaagster heeft zich bescheiden opgesteld in gezamenlijke gesprekken omdat zij bij wil dragen aan het hulpverleningstraject van het kind.

Op 9 juni 2016 heeft beklaagde zich akkoord verklaard met de inhoud van hetgeen zij heeft aangegeven. Ook heeft zij verklaard dat zij akkoord gaat met het gebruik van de door haar verstrekte informatie uit het raadsrapport. Uit deze akkoordverklaring blijkt dat zij niet terug is gekomen op haar uitspraken en dat zij derhalve achter de inhoud staat van hetgeen is opgenomen in het raadsrapport.

De uitspraak van beklaagde heeft niet bijgedragen aan een positieve ontwikkeling van de verhouding tussen klaagster en vader. Daarnaast heeft klaagster uit het door de hulpverlener opgestelde Plan van Aanpak afgeleid dat de jeugdzorgwerker van [zoon] ook kennis heeft genomen van de inhoud van het raadsrapport. Tot slot heeft vader een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [zoon]. In die procedure heeft de kinderrechter eveneens kennis genomen van de uitspraken van beklaagde.
Ook [zoon] is bekend met de inhoud van het raadsrapport.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Beklaagde heeft bij het verstrekken van informatie aan de Raad voornamelijk als bron de informatie van haar voorganger uit het dossier gebruikt. Beklaagde heeft nagelaten dit aan de Raad mede te delen. Vervolgens heeft zij de Raad verzocht dit alsnog in het verslag op te nemen, hetgeen niet is gehonoreerd.

Beklaagde heeft klaagster een brief gestuurd op 20 februari 2017. In deze brief heeft beklaagde klaagster op de hoogte gebracht van het bovenstaande en toegelicht waarom de passage over het vermoeden van prostitutie is opgenomen.
Beklaagde heeft ten onrechte de conclusie getrokken dat klaagster getraumatiseerd is en heeft klaagster in voornoemde brief haar oprechte en welgemeende excuses aangeboden.
Beklaagde heeft de beschikbare informatie zo neutraal mogelijk proberen weer te geven. De gedane uitspraken zijn uitspraken van de stichting nu zij als informant is opgetreden.
Beklaagde heeft klaagster tijdens het intakegesprek met [zoon] gesproken. Klaagster heeft tijdens dat gesprek vermoeid gedrag laten zien, vond het lastig om [zoon] te corrigeren en heeft gezegd dat zij veel aan haar hoofd had. Beklaagde heeft tijdens de overdracht van de vorige behandelcoördinator en de hoofdbehandelaar vernomen dat klaagster met hen heeft gesproken over haar zorgen. Tijdens het onder 2.8 genoemde overleg bij de beschermingstafel heeft beklaagde in aanwezigheid van klaagster gemeld dat klaagster alle energie zelf nodig leek te hebben. Na de beschermingstafel heeft nog een gesprek plaatsgevonden met onder meer klaagster, vader en beklaagde. Klaagster is te laat gekomen, heeft het lastig gevonden om het gesprek te voeren, en heeft te kennen gegeven dat een hele dag met [zoon] te veel energie van haar heeft gevraagd. Klaagster heeft dit erkend in het gesprek dat op 17 februari 2017 is gevoerd.

Beklaagde heeft erkend dat haar handelen met betrekking tot de informatieverstrekking aan de Raad beter had gekund. Beklaagde heeft het belang van de gezonde ontwikkeling van [zoon] vooropgesteld. Zij heeft klaagster respectvol bejegend, is de dialoog aangegaan en heeft begrip getoond voor de gevoelens en emoties van klaagster. Beklaagde verwijst naar de onder 2.10 genoemde gesprekken. Zij heeft getracht met klaagster een minnelijke oplossing te bereiken.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.1.3

Ten aanzien van de door beklaagde verstrekte informatie in het raadsrapport vindt slechts een marginale toetsing plaats. Dat wil zeggen dat het College beoordeelt of beklaagde in redelijkheid tot het verstrekken van deze informatie heeft kunnen komen namens de stichting.

5.2

Het College oordeelt als volgt:
Beklaagde heeft aangevoerd dat de gedane uitspraken niet door haar persoonlijk, maar uit de dossier aantekeningen van een collega zijn overgenomen. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde als behandelcoördinator op grond van haar kennis en ervaring informatie aan de Raad verstrekt. Beklaagde heeft hierin een eigen professionele verantwoordelijkheid.

I:
Het eerste klachtonderdeel heeft betrekking op de volgende tekst in het raadsrapport ‘Informant kreeg zelfs het vermoeden dat moeder zich prostitueerde, hetgeen klaagster ontkende’.
Beklaagde heeft erkend dat het niet goed is gegaan en dat zij anders had moeten handelen. Zij heeft nagelaten aan de Raad mede te delen dat zij informatie uit het dossier van haar voorganger heeft gebruikt. Het was naar haar zeggen beter geweest als zij de feiten had benoemd en met klaagster hierover in gesprek was gegaan.

Zij heeft voorts uiteengezet dat zij zich heeft laten leiden door het belang van [zoon] die seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien. In de brief aan klaagster van 20 februari 2017 heeft beklaagde naast dit gedrag ook andere gronden genoemd waarop het vermoeden van haar voorgangster was gebaseerd. Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij niet met klaagster heeft gesproken over het vermoeden. Beklaagde is naar haar zeggen ervan uitgegaan dat haar voorganger met klaagster heeft gesproken.

Hoewel het begrijpelijk is dat beklaagde de informatie over het grensoverschrijdend gedrag van [zoon] aan de Raad heeft verstrekt, mag van beklaagde als jeugdprofessional worden verwacht dat zij op het moment dat zij deze belastende informatie verstrekt aan de Raad, extra zorgvuldigheid betracht en de bron vermeldt. Door dit na te laten heeft beklaagde de suggestie gewekt dat de informatie en het vermoeden van haar afkomstig zijn. Eveneens behoort het tot de taak van beklaagde om het vermoeden van haar voorgangster te onderbouwen met feiten en omstandigheden (de uitlatingen en het gedrag van [zoon]) en met klaagster hierover in gesprek te gaan. Hierdoor heeft klaagster kunnen voelen dat zij niet respectvol is behandeld en is haar vertrouwen in beklaagde afgenomen.

Beklaagde heeft in deze omstandigheden onzorgvuldig gehandeld.

Het College is gebleken dat beklaagde de tekst in het rapport van de Raad heeft gelezen en dat zij akkoord is gegaan met de wijze waarop haar informatie in het raadsrapport is vermeld. Dat beklaagde heeft aangevoerd dat zij de toegestuurde tekst onder tijdsdruk heeft gelezen en de Raad in een later stadium alsnog heeft verzocht om een aanpassing, doet hier niets aan af. Het College verwijt beklaagde ook in deze onprofessioneel gedrag.

Het College komt tot de slotsom dat beklaagde verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

II:
‘Moeder is getraumatiseerd door de moord op haar zus’
Het College is met klaagster van oordeel dat beklaagde zonder nader onderzoek in redelijkheid niet tot deze conclusie heeft kunnen komen.

Beklaagde heeft in het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling bij het College erkend dat zij deze conclusie te snel heeft genomen en dat deze ongelukkig is geformuleerd. In haar brief van 20 februari 2017 heeft beklaagde aan klaagster haar excuses aangeboden.

Het klachtonderdeel is gegrond.

III:
‘Zij lijkt veel aan haar hoofd te hebben waardoor ze een passieve indruk maakt’
Het College is van oordeel dat beklaagde deze klacht gemotiveerd heeft weerlegd. Beklaagde heeft met klaagster gesproken tijdens een intakegesprek en het onder 2.8 genoemde gesprek. Tijdens deze gesprekken heeft beklaagde de houding en het gedrag van klaagster waargenomen. Vervolgens heeft beklaagde haar waarnemingen opgeschreven en dit nader onderbouwd.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.3

Alles in overweging nemende, is het College van oordeel dat beklaagde in strijd gehandeld met de norm uit artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College is van oordeel dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Nu beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen, met klaagster een bemiddelingsgesprek heeft gevoerd en ten aanzien van het tweede klachtonderdeel in februari 2017 haar excuses aan klaagster heeft aangeboden, is het passend en geboden aan beklaagde een maatregel van waarschuwing op te leggen.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel III ongegrond.
– verklaart klachtonderdelen I en II gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van wa arschuwing.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en   op 24 augustus 2017 aan partijen toegezonden.

De heer mr. A. R.O Mooy                                Mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                            secretaris