Maak een selectie

727 van 727

   

Het College van Beroep is ervan overtuigd geraakt dat de maatschappelijk werker van Veilig Thuis niet opzettelijk of bewust geheime informatie over klaagster heeft prijsgegeven aan haar dochter. Onder intrekking van de maatregel van berisping is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;
de heer mr. A.P. van der Linden, lid-jurist;
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot;
de heer drs. M.C. Oosterom, lid-beroepsgenoot;
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. K. Dankers.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist in de zaak van:

[Beklaagde], werkzaam als maatschappelijk werker bij Veilig Thuis [locatie], appellant in beroep, beklaagde in eerste aanleg (hierna te noemen: beklaagde),

tegen:

[Klaagster], wonende te [Woonplaats], verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg (hierna te noemen: klaagster).

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mr. J. Stappaerts-Zijlmans, werkzaam als advocaat bij Claassen Advocaten te Eindhoven.

1   Het verloop van de procedure

1.1

Klaagster heeft op 27 juni 2016 een klacht ingediend bij het College van Toezicht (hierna: het CvT). Beklaagde heeft hierop gereageerd bij verweerschrift van 8 september 2016.

1.2

Met instemming van partijen is de zaak in eerste aanleg op de stukken afgedaan, derhalve zonder het houden van een hoorzitting.

1.3

Bij beslissing van 24 januari 2017 heeft het CvT de klacht van klaagster gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd aan beklaagde.

1.4

Tegen voornoemde beslissing is door beklaagde op 10 maart 2017 beroep ingesteld.

1.5

Bij e-mail van 27 maart 2017 is verweerster in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van zes weken een verweerschrift in te dienen. Daarna is verweerster ook bij brief van 11 mei 2016 nogmaals uitgenodigd om verweer te voeren. Verweerster heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.6

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017 in aanwezigheid van beklaagde en zijn gemachtigde. Als toehoorder is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aanwezig geweest [teammanager], teammanager van beklaagde. Klaagster is niet verschenen.

1.7

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat op 11 juli 2017 de beslissing zal worden verstuurd.

2   De relevante feiten en omstandigheden

Op grond van de in eerste aanleg en in beroep gewisselde stukken alsmede op grond van hetgeen ter zitting is besproken, gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Klaagster heeft een zoon van (thans) 9 jaar en een dochter van (thans) 18 jaar. Daarnaast heeft zij eind 2015/begin 2016 een kind gekregen, dat zij bij de geboorte heeft afgestaan.

2.2

Beklaagde is geregistreerd in het kwaliteitsregister Jeugd sinds [datum] 2013 en werkzaam als maatschappelijk werker bij Veilig Thuis [locatie] (hierna: Veilig Thuis).

2.3

In januari 2016 is er vanuit de basisschool van de zoon van verweerster bij Veilig Thuis een zorgmelding gedaan in verband met veelvuldig schoolverzuim. Naar aanleiding van deze melding is beklaagde een onderzoek gestart naar de opvoedsituatie in het gezin van klaagster. Dit onderzoek richtte zich tevens op de dochter van klaagster omdat ook ten aanzien van haar gebleken was dat er sprake was van veelvuldig schoolverzuim.

2.4

Lopende het onderzoek is beklaagde ermee bekend geworden dat klaagster in december 2015 was doorverwezen naar [de stichting] in verband met een ongewenste zwangerschap en dat klaagster het voornemen had om afstand te doen van haar pasgeboren kind. Deze informatie was in het dossier van klaagster als ‘geheim’ aangemerkt.

2.5

Bij brief van 7 april 2016 heeft beklaagde aan klaagster en haar dochter aangekondigd dat hij, in aanwezigheid van een tolk, op 18 april 2016 een huisbezoek zou afleggen om te praten over de opvoedsituatie.

2.6

Op 18 april 2016, de aangekondigde datum van het huisbezoek, trof beklaagde alleen de dochter van klaagster thuis in gezelschap van haar Nederlandse vriend. Hoewel beklaagde van plan was om eerst met klaagster in gesprek te gaan over het feit dat Veilig Thuis op de hoogte was van het bestaan van de afstandsbaby, heeft hij mede gelet op de aanwezigheid van de tolk ervoor gekozen om toch alvast het gesprek aan te gaan met de dochter van klaagster (derhalve buiten de tegenwoordigheid van klaagster). Dit gesprek verliep stroef, in die zin dat de dochter de vragen van beklaagde enkel beantwoordde met ja of nee. Al doorvragend over de reden waarom zij weinig steun van haar moeder ervaarde, heeft beklaagde aan de dochter gevraagd of zij wist dat er nog een kind was. Hierop wilde de dochter van beklaagde weten waar dit kind dan nu was. Beklaagde heeft vervolgens aangegeven deze vraag niet te kunnen beantwoorden en het gesprek met de dochter afgebroken omdat hij eerst verder met klaagster in gesprek wilde.

2.7

Omdat klaagster op dat moment nog steeds niet thuis was, is beklaagde echter vervolgens met de tolk naar de school van de zoon van klaagster gegaan. Beklaagde wilde namelijk ook de zoon van klaagster graag nog diezelfde dag spreken in verband met een melding over mogelijk huiselijk geweld. Na afloop van dit gesprek werd beklaagde gebeld door klaagster. Klaagster bleek furieus over het feit dat beklaagde zonder haar toestemming contact had met haar kinderen. Beklaagde is daarop samen met de tolk naar het huis van klaagster gegaan.

2.8

Aangekomen bij het huis van klaagster heeft beklaagde klaagster op de hoogte gebracht van het feit dat hij niet alleen de kinderen had gesproken zonder haar toestemming, maar ook dat hij wist van het bestaan van de afstandsbaby alsmede dat hij deze informatie onbedoeld aan haar dochter had prijsgegeven. Klaagster werd door deze informatie erg boos op beklaagde, waarop beklaagde het huis heeft van klaagster heeft verlaten. Beklaagde heeft vervolgens zijn leidinggevende telefonisch op de hoogte gesteld van de gebeurtenissen.

2.9

Naar aanleiding van de gang van zaken tijdens voornoemd huisbezoek heeft er op 31 mei 2016 in aanwezigheid van een begeleider van [de stichting] een gesprek plaatsgevonden tussen de teammanager van beklaagde en klaagster. Daarbij heeft de teammanager namens Veilig Thuis en beklaagde excuses aangeboden voor het onbedoeld naar buiten brengen van het geheim van klaagster tijdens het huisbezoek op 18 april 2016. In een brief van 3 juni 2016 heeft de teammanager de inhoud van het gesprek voor klaagster samengevat en haar daarbij tevens geïnformeerd over de interne klachtprocedure en de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 De beroepsgronden

3.1

Hoewel beklaagde erkent dat zijn woordkeuze tijdens het huisbezoek op 18 april 2016 onzorgvuldig is geweest, kan hij zich niet verenigen met de uitspraak van het College van Toezicht van 24 januari 2017 en de daarbij opgelegde maatregel van berisping. De pijn zit voor beklaagde met name in het feit dat het College van Toezicht hem verwijt dat hij moedwillig en met opzet het geheim van de afstandsbaby en de adoptie zou hebben medegedeeld aan de dochter van klaagster. Dit doet volgens beklaagde geen recht aan zijn intenties, noch aan de feitelijke gang van zaken. Om deze reden heeft beklaagde besloten beroep in te stellen.

3.2

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond heeft beklaagde een viertal grieven geformuleerd tegen de bestreden uitspraak. De afzonderlijke grieven kunnen als volgt worden samengevat.

I

In de uitspraak is bij de opsomming van de feiten onder r.o. 2.6 ten onrechte opgenomen dat het huisbezoek niet liep zoals verwacht omdat appellant het geheim van klaagster over de afstandsbaby bekend heeft gemaakt. Beklaagde betwist dat hij bekend heeft gemaakt dat klaagster een kind ter adoptie heeft afgestaan. Op het moment dat de dochter van klaagster aangaf dat zij geen steun ervaarde van haar moeder, is beklaagde in gesprek gegaan over de mogelijke reden waarom dit zo was. Daarbij heeft hij onbedoeld laten doorschemeren dat klaagster nog een kind had gekregen. Toen beklaagde merkte dat dit bij de dochter hard aankwam, heeft hij direct aangegeven dit verder eerst met klaagster te willen bespreken. Beklaagde benadrukt in dit kader dat hij absoluut niet de bedoeling had om het geheim aan de dochter van klaagster bekend te maken, omdat hij eerst bij klaagster had willen navragen wat de kinderen wisten van het onlangs geboren kind.

II

Beklaagde is van mening dat het College van Toezicht ten onrechte onder r.o. 5.4 (tweede deel) heeft overwogen dat hij bewust de vraag heeft gesteld of de zwangerschap van haar moeder de reden kan zijn van het schoolverzuim. Ook zou beklaagde in deze overweging ten onrechte worden verweten dat hij de dochter bewust heeft geconfronteerd met de geheime informatie over de zwangerschap en de adoptie en dat hij daaraan voorafgaand geen overleg heeft gevoerd met klaagster.
Het bewust confronteren met geheime gegevens veronderstelt volgens beklaagde een wil daartoe, welke in dit geval ontbrak. Dat er geen voorafgaand overleg met klaagster heeft plaatsgevonden, is volgens beklaagde bovendien een rechtstreeks gevolg van het feit dat hij zich onbedoeld heeft versproken.

III

Onder r.o. 5.5 heeft het College van Toezicht volgens beklaagde ten onrechte overwogen dat het hem zeer kwalijk wordt genomen dat hij moedwillig met de dochter heeft gesproken over de geheime zwangerschap en de adoptie zonder voorafgaand overleg met klaagster. Onder verwijzing naar een bespreking van de casus in een multidisciplinair overleg heeft beklaagde in het beroepschrift toegelicht dat het geenszins de bedoeling was om de geheime informatie met de dochter te bespreken, maar dat het plan van aanpak juist zag op het in gesprek gaan met klaagster over de verwerking van de zwangerschap en de adoptie en bij haar te informeren in hoeverre de kinderen hiervan op de hoogte waren. Beklaagde betwist in dit kader nogmaals dat er sprake is geweest van opzet en moedwilligheid.

IV

Onder grief IV komt beklaagde op tegen het oordeel van het College van Toezicht dat zijn handelen zonder meer een voorwaardelijke schorsing rechtvaardigt (r.o. 5.6). Volgens beklaagde doet alleen een waarschuwing recht aan de gebeurtenis, in de zin van een vermaning om in het vervolg zorgvuldiger met zijn woordkeus om te gaan. Verdergaande maatregelen, zoals de opgelegde berisping, zijn niet op zijn plaats aangezien het hier gaat om een onbedoelde verspreking. Beklaagde benadrukt tot slot dat hij nog steeds met de gebeurtenis in zijn maag zit en mede om die reden op zijn initiatief is gestart met supervisie.

3.3

De afzonderlijke grieven zullen hierna bij de beoordeling van het beroep voor zover nodig verder worden besproken.

4 Het verweer

In beroep is er geen verweer gevoerd.

5   De beoordeling van het beroep

5.1

De door beklaagde aangevoerde afzonderlijke grieven tegen de uitspraak van het CvT lenen zich naar het oordeel van het College voor gezamenlijke bespreking. Het College overweegt in dit kader als volgt.

5.2

Op grond van artikel J van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker is een jeugdzorgwerker gehouden informatie over de jeugdige cliënt, diens ouders/opvoeders en hun omstandigheden vertrouwelijk te behandelen. Met het CvT is het College van oordeel dat beklaagde op 18 april 2016 in strijd met deze bepaling uit de Beroepscode heeft gehandeld door de geheime informatie over de baby van klaagster te delen met de dochter van klaagster. Door deze handelwijze heeft beklaagde voorts artikel D van de Beroepscode geschonden. In dit artikel is namelijk bepaald dat de jeugdzorgwerker het vertrouwen in de jeugdzorg dient te bevorderen door het naleven van de beroepsnormen.

5.2

Gelet op het voorgaande staat vast dat door beklaagde de beroepscode is geschonden, hetgeen in beroep door beklaagde ook niet is betwist. Vervolgens komt de vraag aan de orde welke tuchtrechtelijke consequentie hieraan moet worden verbonden. In dit kader is het volgende van belang.

5.3

Voorop staat dat ouders van cliënten er zonder meer op moeten kunnen vertrouwen dat geheime informatie ten aanzien van hun omstandigheden niet zonder voorafgaande toestemming door een jeugdzorgwerker wordt gedeeld met hun kinderen. Anders dan het CvT is het College er echter van overtuigd geraakt dat beklaagde niet opzettelijk of bewust de geheime informatie heeft prijsgegeven aan de dochter van klaagster. Ter zitting heeft beklaagde uitvoerig en gedetailleerd verslag gedaan van de opeenvolgende gebeurtenissen op 18 april 2016 (zie hierboven onder r.o. 2.6 tot en met 2.8). Uit dit feitenrelaas – dat overeenstemt met zijn eerdere schriftelijke verklaringen -blijkt dat beklaagde voornemens was om tijdens het huisbezoek eerst alleen met klaagster in gesprek te gaan over het feit dat hij kennis had van de afstandsbaby en daarbij te verifiëren in hoeverre de kinderen hiervan ook op de hoogte waren. Dit voornemen was geheel in lijn met het in een multidisciplinair overleg besproken plan van aanpak. Op het moment dat beklaagde constateerde dat klaagster niet thuis was op het aangekondigde tijdstip, heeft hij echter vanuit praktisch oogpunt – o.a. vanwege de aanwezigheid van de tolk – besloten dan maar als eerste het gesprek met de dochter van klaagster aan te gaan. In dit gesprek heeft beklaagde zich vervolgens versproken. Van een vooropgezet plan om de dochter, zonder voorafgaand overleg met klaagster, te confronteren met het bestaan van nog een kind is derhalve naar het oordeel van het College geen sprake geweest.

5.4

Het College is dan ook van oordeel dat de verspreking van beklaagde, hoe ongelukkig ook, geen berisping rechtvaardigt. Hierbij neemt het College in aanmerking dat beklaagde ten overstaan van klaagster zijn fout meteen heeft erkend en vervolgens ook adequaat heeft gehandeld door zowel de begeleidster van klaagster bij [de stichting] in te schakelen als zijn leidinggevende direct op de hoogte te stellen. Daarnaast heeft beklaagde bij herhaling te kennen gegeven heel goed te begrijpen dat het niet aan hem was om de geheime informatie aan de dochter van klaagster prijs te geven en daar veel spijt van te hebben. Door op eigen initiatief te starten met supervisie heeft beklaagde bovendien blijk gegeven van het vermogen tot zelfreflectie. Onder deze omstandigheden en vanwege het feit dat beklaagde niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, is het College van oordeel dat het opleggen van de maatregel van waarschuwing volstaat.     

6   De beslissing

Al het voorgaande overwegende brengt het College van Beroep tot de volgende beslissing. Het College van Beroep opnieuw rechtdoende:
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing in plaats van de maatregel van berisping en vernietigt in zoverre de uitspraak van het College van Toezicht van 24 januari 2017;
– laat de uitspraak van het College van Toezicht van 24 januari 2017, onder aanvulling en verbetering van de motivering, voor het overige in stand;
– trekt in de bij uitspraak van 24 januari 2017 opgelegde maatregel van berisping.

Aldus gedaan door het College van Beroep in de genoemde samenstelling en op 11 juli 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
mevrouw mr. K. Dankers, secretaris