Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdprofessional is gezinscoach in vrijwillig kader over de jongste kinderen en (kort) voogd geweest over het oudste kind. Klacht over onder meer het onthouden van zorg en het weghouden van kinderen bij klaagster. Tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld omdat zij als voogd niet aanwezig was bij een bijeenkomst op school aangaande het oudste kind.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [de GI], hierna te noemen: [de GI].

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar huidige partner, de heer [naam partner], als gemachtigde.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 13 januari 2017, met de bijlagen en de aanvullingen hierop;
– het verweerschrift van 4 april 2017, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en hun gemachtigden voornoemd. Als toehoorders van de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling aanwezig geweest: [toehoorder 1], teamleider, en [toehoorder 2], gedragswetenschapper.
Voorts waren als toehoorders aanwezig mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter van het College, alsmede mevrouw N.A. van Lingen, beroepsgenoot van het College.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige [kinderen]: [minderjarige 1], [minderjarige 2] en minderjarige 3], geboren op respectievelijk [geboortedatum] 2004, [geboortedatum] 2005 en [geboortedatum] 2009, hierna: de kinderen.

2.2

Klaagster en haar ex-partner (verder te noemen: de vader) zijn sinds januari 2014 uit elkaar, en wonen sinds juni 2014 apart. [De GI] is belast met de voogdij over [minderjarige 1], vanwege de minderjarigheid van klaagster bij de geboorte. Klaagster is belast met het eenhoofdig gezag over de jongste twee kinderen. De verstandhouding tussen klaagster en de vader is niet goed.

2.3

De kinderen verblijven bij de vader. Klaagster heeft afwisselend gedurende perioden wel en geen contact met de kinderen.

2.4

In de perioden van 1 januari 2013 tot 18 november 2013 en van 1 januari 2015 tot 16 september 2015 was beklaagde namens [de GI] belast met de uitvoering van de voogdij over [minderjarige 1] en contactpersoon voor de ouders.

2.5

In de periode van 1 juli 2014 tot 16 september 2015 was beklaagde in vrijwillig kader betrokken als gezinscoach ten behoeve van de jongste twee kinderen en als zodanig contactpersoon voor de ouders.

2.6

Op 7 november 2014 heeft [de GI] een verzoek tot onderzoek van de opvoedingssituatie van de jongste twee kinderen bij de Raad voor de Kinderbescherming ingediend. Bij brief van 24 maart 2015 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) aan [de GI] bericht dat hij onderzoek heeft verricht en dat er geen sprake is van een zodanig ernstige bedreigde ontwikkeling van de jongste twee kinderen dat een beschermingsmaatregel nodig is in de vorm van een ondertoezichtstelling.
De Raad geeft aan dat ouders op dat moment voldoende bereid en in staat zijn met passende acties en hulp van instanties onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen, maar dat wanneer mocht blijken dat ouders op korte termijn weer vervallen in oud gedrag, noodzakelijke hulpverlening onvoldoende van de grond komt en/of hulpverlening in vrijwillig kader ontoereikend blijkt, de Raad zich dermate veel zorgen maakt dat er alsnog moet worden doorgepakt. De Raad besluit het onderzoek af te ronden met verwijzing van ouders naar vrijwillige hulpverlening zijnde het gezinscoachteam van de gemeente [vestigingsplaats].

2.7

Op 23 juni 2015 heeft beklaagde namens de gemeente [vestigingsplaats] opnieuw een verzoek tot onderzoek bij de Raad ingediend.

2.8

Vanaf 16 september 2015 zijn de jongste twee kinderen onder toezicht gesteld, en is de collega van beklaagde, tegen wie klaagster eveneens een tuchtklacht heeft ingediend, als voogd en gezinsvoogd contactpersoon voor klaagster en de vader.

2.9

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij [de GI].

2.10

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

I

Dat zij op 9 oktober 2014 niet de specialistische zorg heeft ingeschakeld voor de kinderen in overleg met school, zoals beloofd. In dat opzicht heeft beklaagde de zorgen van school niet serieus genomen.

Toelichting:
Klaagster betwist dat de zorgen slechts betrekking hadden op [minderjarige 1], zoals beklaagde stelt. Het ging volgens klaagster om de zorgen die de oudste had over de jongste twee kinderen. Klaagster voelde zich niet ondersteund in haar zorgen.

II

Dat klaagster door toedoen van beklaagde op 11 november 2014, hoewel klaagster eenhoofdig gezag heeft en er sprake is van vrijwillig kader, de kinderen enige tijd niet mag zien. Beklaagde werkt mee aan ouderverstoting en werkt niet samen met de ouder met gezag.

Toelichting:
Klaagster heeft verklaard dat, toen zij besloot de relatie met de vader te beëindigen er onder leiding van beklaagde met de vader besproken en besloten is dat klaagster de woning zou verlaten zodat de vader met de kinderen in de voormalige gezamenlijke woning zou kunnen blijven wonen. Zij geeft aan dat zij de woning aan de vader liet omdat hij geen sociale contacten had, nergens anders heen kon en dat zij het de kinderen niet aan wilde doen dat hun vader op straat kwam te staan. Beklaagde achtte het bovendien in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving bleven wonen. Klaagster is toen van [woonplaats] naar een andere stad, [woonplaats], verhuisd omdat zij bang was voor de vader –hetgeen zij ook aan beklaagde heeft bericht-.
Klaagster zag in dat het wenselijk was dat de vader mede het gezag zou krijgen, en wilde daaraan wel meewerken, maar vond dat de vader dan op zijn beurt zou moeten meewerken aan omgang. Klaagster stelt dat vervolgens een alleszins redelijke omgangsregeling op papier is gezet, inhoudende dat klaagster om de week een weekend omgang had met de kinderen alsmede op woensdagmiddag, maar dat de vader hiermee niet akkoord ging, en dat er toen niets meer is gebeurd.
Klaagster geeft aan dat zij het overigens vreemd vond dat beklaagde een omgangsregeling op papier zette terwijl zij, klaagster, eenhoofdig gezag had; klaagster wist echter toen niet hoe een en ander juridisch in elkaar stak. Klaagster benoemt dat zij in december 2015 beklaagde per email heeft gevraagd of het juist is dat zij de kinderen altijd mag zien omdat zij gezag heeft.
Klaagster geeft aan dat beklaagde haar niet heeft verteld wat de consequenties van haar keuze zouden kunnen zijn. Klaagster had de oprechte hoop dat als er meer tijd over heen zou gaan, de vader meer toegankelijk zou worden voor haar als moeder en haar positie ten opzichte van de kinderen. Klaagster heeft derhalve meegewerkt maar is zeer teleurgesteld dat er uiteindelijk niets van de grond is gekomen, geen hulp en ook geen omgang; zij heeft het nakijken.

III

Dat zij op 10 maart 2015 niets deed tegen het hoge ziekteverzuim van de kinderen, ondanks dat dit meerdere malen kenbaar is gemaakt. Ook in dat opzicht neemt beklaagde de zorgen van school niet serieus.

IV

Dat zij op 18 juli 2015, hoewel zij de voogd is van [minderjarige 1], niet aanwezig is op een bijeenkomst op school, zonder dat zij zich hiervoor heeft afgemeld.

Toelichting:
Klaagster geeft aan dat zij, pas na de datum waarop het gesprek zou plaatsvinden, van beklaagde heeft gehoord dat beklaagde niet aanwezig is geweest bij het gesprek op school, omdat de vader haar kort tevoren nogal agressief had bejegend aan de telefoon. Klaagster heeft beklaagde laten weten ter voorkoming van strijd, in het belang van de kinderen ervan af te zien om bij het gesprek aanwezig te zijn. Voorts heeft klaagster beklaagde gevraagd daarbij aanwezig te zijn. Om die reden vindt zij het kwalijk dat beklaagde uiteindelijk heeft afgezien van het gesprek.

V

Dat zij op 4 september 2015 te kennen heeft gegeven dat de kinderen niet bij klaagster mogen komen, hoewel zij bekleed is met het eenhoofdig gezag, alsmede dat de kinderen op dat moment nog steeds geen specialistische zorg krijgen. Klaagster heeft niet eens eenmaal per zes weken (telefonisch) contact mogen hebben met de kinderen.

VI

Dat zij op 19 augustus 2015 de verklaring van de Raad dat het zeer schadelijk is voor de kinderen als zij weggehouden worden bij de moeder, naast zich neer legt. In dat opzicht belemmert beklaagde de ontwikkeling van de kinderen.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

Gezien de richtlijn “gedeelde besluitvorming” streeft beklaagde naar een gedeelde visie op de vragen en problemen die zich voordoen. Van belang is hierbij dat de wensen en doelen van de ouders en jeugdigen voorop staan en dat de ouders gezamenlijk werken aan het verbeteren van de situatie. In dit geval was de aard van de problematiek bij de kinderen gelegen in de strijd en de gebrekkige samenwerking tussen klaagster en de vader, zodat hieraan gewerkt moest worden. Door een gebrek aan gezamenlijke visie konden de gezamenlijke doelen, zoals het inzetten van passende hulp, niet voldoende worden vastgesteld. Als beklaagde desondanks doelen had gesteld, dan waren dit doelen geweest zonder gedeelde visie, hetgeen in strijd is met de Delta methode want dan waren het de doelen van beklaagde geweest en niet die van klaagster en de vader. Doordat er een verschil van mening was met klaagster en de vader over de reden van de problematiek en dus de gepaste hulp, kwamen de ouders, school en beklaagde, niet tot consensus.
Gezien de richtlijn “echtscheiding en problemen van de jeugdige” is het van belang meerzijdig betrokken te zijn en dus iedere partij te erkennen, teneinde de communicatie tussen de ouders in gang te zetten. Een en ander maakte dat hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond kwam, en dat [de GI] zich zodanige ernstige zorgen maakte over de kinderen dat tot tweemaal toe een raadsmelding is gedaan.
Beklaagde stelt dat waar klaagster het ten aanzien van de benodigde hulpverlening heeft over alle drie de kinderen, dit bovendien alleen betrekking had op [minderjarige 1], en dat zij daarnaast op 9 oktober 2014 niet betrokken was als voogd voor [minderjarige 1], maar slechts als gezinscoach voor de jongste twee kinderen.

II

Gezien de richtlijn “Echtscheiding en problemen van de jeugdige” wordt er meerzijdige partijdigheid verwacht. Om die reden heeft beklaagde beide ouders steeds weer meegenomen in de besluitvorming om een gezamenlijke oplossing te bedenken, in het belang van de kinderen. De strijd was namelijk dusdanig heftig, dat de last van de kinderen steeds meer zichtbaar werd. Hierop gaven zowel klaagster als de vader aan dat ze bereid waren om zich terug te trekken, een stap terug te doen in het contact met de kinderen, met als doel meer rust te creëren voor allemaal. Op het moment dat een van de ouders de kinderen een tijd minder zou gaan zien, zouden de ouders niet meer genoodzaakt zijn om voortdurend te communiceren over afspraken inzake de kinderen. Hierop heeft [de GI] na intern overleg besloten om achter de oplossing van klaagster, dat zij de woning zou verlaten, te gaan staan en vervolgens klaagster te ondersteunen in hoe zij haar rol op afstand vorm zou kunnen gaan geven, in overeenstemming met de vader. Hierbij is meegenomen dat het belangrijk is om oog te blijven houden voor de keuzes en regie die ouders nog wel zelf hebben en ook het gegeven dat de kinderen in [woonplaats] (waar de vader woont) op school zaten en ook daar hun vriendjes hadden. Voorts is daarbij meegenomen dat de school een zeer belangrijke steunende factor voor de kinderen was.
Helaas kwam vervolgens een gezamenlijke afspraak ten behoeve van de omgang echter niet van de grond omdat beide ouders nadien aangaven dat dit niet meer nodig was omdat ze in staat zijn om het zelf te doen, zonder [de GI]. Al snel bleek overigens dat ouders dit niet volhielden en vervielen in oud gedrag, waarna beklaagde een raadsmelding heeft gedaan omdat haar mogelijkheden in vrijwillig kader beperkt waren. Beklaagde heeft voortdurend afgewogen in hoeverre het nog verantwoord was om mee te gaan in de regie en de wensen van de ouders, en heeft daarbij in het oog gehouden dat een gezamenlijke oplossing in beginsel meerwaarde heeft.
Beklaagde geeft aan dat het juist in het belang is van kinderen om beide ouders te blijven zien, en dat dit voortdurend door haar is uitgedragen en gestimuleerd. Maar op het moment dat ouders er niet samen uitkomen doordat ze steeds opnieuw in een conflict terecht komen en/of gemaakte afspraken afzeggen, acht beklaagde haar invloed als professional beperkt.
Beklaagde bestrijdt dat zij meewerkt aan ouderverstoting. Beklaagde geeft aan dat zij steeds weer aandacht heeft gevraagd in al haar gesprekken met beide ouders voor hoe je de andere ouder een plek kunnen geven in het leven van de kinderen en dus hoe je je verdriet en kwetsing over je ex-partner opzij kunt zetten en je rol als opvoeder serieus nemen.

III

Beklaagde meent dat zij wel degelijk actie heeft ondernomen in verband met het gestelde schoolverzuim. Het schoolverzuim betrof slechts [minderjarige 3]. Door school is inderdaad benoemd dat er veel ziekteverzuim was van de jongste. Beklaagde heeft dit onderzocht en besproken met de vader en de kinderen, en kwam tot de conclusie dat er sprake was van geoorloofd verzuim, hetgeen ook school aannam. Beklaagde geeft aan dat met school de afspraak is gemaakt dat school het meldt als er sprake is van ongeoorloofd schoolverzuim. Voorts heeft beklaagde er bij de vader op aangedrongen om naar de huisarts te gaan met [minderjarige 3], als de klachten blijven aanhouden.

IV

Beklaagde meent dat zij goede redenen had om het gesprek op school af te zeggen, en verklaart dat dit is gebeurd na overleg met haar teamleider. Bedoelde redenen hadden te maken met de samenwerking met de vader. Beklaagde geeft aan dat zij van tevoren met de directeur van de school en met de vader heeft gecommuniceerd dat zij niet zou komen en waarom, zulks terwijl klaagster zelf eerder al had laten weten dat zij niet aanwezig zou zijn. Beklaagde geeft aan dat school het er mee eens was dat beklaagde er prioriteit aan zou geven dat er eerst een apart gesprek met de vader zou plaatsvinden waarin de samenwerking zou worden besproken. Beklaagde stelt dat zij school heeft gevraagd het wel aan haar te laten weten als er belangrijke informatie zou zijn.
Tot slot heeft beklaagde aangegeven dat zij vervolgens korte tijd daarna een raadsmelding heeft gedaan, en nadien aan school heeft bericht dat als er belangrijke informatie is, dit aan de Raad gemeld kan worden.

V

Het is de taak van de gezinscoach om stil te staan bij de belangen van de kinderen. Kinderen kijken niet naar wie het gezag heeft, maar naar wie hun ouder is en hoe zij hun rol als ouder invullen. Op dat moment was het niet in het belang geweest als klaagster de jongste twee kinderen onder dwang bij de vader had weggehaald. Kinderen hebben het nodig dat ouders overeenstemming hebben over hun verblijfplek en dat er dus rust en van daaruit veiligheid ontstaat. Beklaagde heeft ouders steeds weer aangesproken op hun eigen aandeel in de strijd en hoe zij dus beiden invloed konden uitoefenen. Ook is er aandacht geweest voor het gegeven dat alleen klaagster het gezag heeft over de jongste twee kinderen. Vader gaf aan graag het gezag aan te willen vragen, echter dit was ook steeds een terugkerend strijdpunt.
Ten aanzien van het klachtonderdeel dat gaat over de specialistische zorg verwijst beklaagde naar haar verweer betreffende klachtonderdeel I. Voorts geeft beklaagde aan dat later op grond van een multidisciplinair besluit specialistische zorg is ingezet nadat [minderjarige 2] zorgelijk gedrag liet zien bij de vader thuis, ten aanzien waarvan de vader vermoedde dat er sprake was geweest van seksueel misbruik. Het ging om Contextuele Behandeling en Leergroepen voor alle betrokkenen van Seksueel misbruik (CLAS) via [jeugdhulpaanbieder]; dit is besproken met beide ouders en ouders zijn akkoord gegaan met de ingezette hulp.

VI

Door de steeds terugkerende strijd tussen ouders, kwamen afspraken over de omgang niet van de grond. Het is schadelijk voor de kinderen als de kinderen geen ruimte voelen om de andere ouder een plekje te mogen geven. Als kinderen in een omgeving opgroeien waarbij ze beide ouders zien maar deze voortdurend ruzie maken en er dus steeds weer spanning heerst, is dit mogelijk nog schadelijker voor kinderen. Vanwege de aanhoudende zorgen is tweemaal een raadsmelding gedaan, en is uiteindelijk ook een ondertoezichtstelling uitgesproken.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I, II, III, V en VI

Het College ziet aanleiding om ten aanzien van de klachtonderdelen I, II, III, V en VI in samenhang te behandelen.

Ten aanzien van deze klachtonderdelen gezamenlijk overweegt het College ten eerste als volgt:
Het College realiseert zich dat beklaagde ten aanzien van de jongste twee kinderen in de uitvoering van haar taak als gezinscoach in het vrijwillig kader in een lastige positie verkeerde, in die zin dat zij te maken had met aan de ene kant klaagster, met gezag, en een aan de andere kant de vader, zonder gezag, bij wie de kinderen verbleven, terwijl tussen deze ouders sprake was van strijd en een gebrekkige samenwerking. Een en ander had tot gevolg dat haar (juridische) mogelijkheden beperkt waren.
Het College heeft er oog voor dat beklaagde zich in deze lastige situatie veel moeite heeft getroost datgene te doen, wat voor de kinderen noodzakelijk was. Daarnaast is van belang dat beklaagde niet de contactpersoon was van de ouders op het moment dat klaagster de voormalige gezamenlijke woning verliet.

Hieronder zal het College vervolgens de verschillende klachtonderdelen ook separaat beoordelen:

In het eerste klachtonderdeel klaagt klager erover dat op 9 oktober 2014 de specialistische zorg niet is ingeschakeld. Te dien aanzien komt uit het verslag van een gesprek op 9 oktober 2014 op school naar voren dat er zorgen zijn om [minderjarige 1] in die zin dat hij de lasten met zich mee draagt, zich verantwoordelijk voelt voor de jongste twee kinderen en zich zorgen maakt over zijn ouders. Bij dit gesprek waren onder meer beklaagde en de ouders aanwezig. Voorts staat in dit verslag vermeld dat wordt afgesproken dat [de GI] oppakt dat er een deskundige komt, die wat vaker met de kinderen in gesprek gaat.
Beklaagde heeft het eerste klachtonderdeel gemotiveerd betwist in die zin dat zij stelt dat, hoewel ook zij bedoelde zorg noodzakelijk achtte, zij bij gebreke aan consensus tussen de ouders over de reden van de problematiek en de gepaste hulp in het vrijwillig kader geen instrumenten heeft om het er toe te leiden dat de gewenste zorg alsnog wordt ingeschakeld. Het College acht deze constatering juist, zodat dit klachtonderdeel niet kan slagen. Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt overigens dat beklaagde op 9 oktober 2014 niet betrokken was bij de zaak, zodat reeds om die reden het klachtonderdeel niet kan slagen.
Voor wat betreft [minderjarige 1] acht het College daarnaast onvoldoende aannemelijk dat deze op 4 september 2015 specialistische hulp behoefde en niet kreeg, zodat het tweede deel van klachtonderdeel V evenmin slaagt.

Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel, waarin klaagster beklaagde verwijt dat zij door haar toedoen de kinderen niet mag zien ondanks haar eenhoofdig gezag en het vrijwillig kader, overweegt het College dat, wat daar ook van zij, vast is komen te staan dat het klaagster is geweest die er uiteindelijk toestemming voor heeft verleend dat de vader met de kinderen in de voormalig gezamenlijke woning in [woonplaats] bleef wonen, welke uiteindelijk onbedoeld tot de verwijdering van de kinderen heeft geleid. Klaagster heeft toegelicht dat de achtergrond van deze keuze was dat de vader geen sociale contacten had, nergens heen kon, zij het de kinderen niet aan wilde doen dat hun vader op straat kwam te staan, en er rust moest komen in het belang van de kinderen. Dat klaagster deze keuze heeft gemaakt, acht het college begrijpelijk. Beklaagde kan hiervan echter geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het zesde klachtonderdeel waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde op 19 augustus 2015 de verklaring van de Raad dat het zeer schadelijk is voor de kinderen als de kinderen weggehouden worden bij de moeder, naast zich neer heeft gelegd, alsmede het eerste deel van klachtonderdeel V waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde op 4 september 2015 heeft aangegeven dat de kinderen niet bij klaagster mogen komen, hoewel zij bekleed is met het eenhoofdig gezag.
Ook in deze is van belang dat er sprake is van vrijwillig kader, en dat het uiteindelijk de beslissing van klaagster zelf was om de kinderen bij de vader in de voormalig gezamenlijke woning achter te laten met vorengenoemde verwijdering tot gevolg. Weliswaar is komen vast te staan dat beklaagde het eens was met de Raad dat het niet in het belang is van de kinderen als zij geen omgang hebben met hun moeder, maar om een omgangsregeling tot stand te brengen is, zeker in het vrijwillig kader, de medewerking van de andere ouder noodzakelijk.
Het College is van oordeel dat beklaagde ook ten aanzien van [minderjarige 1], voogdijpupil, niet buiten de grenzen is getreden van hetgeen van haar als een redelijk bekwame jeugdprofessional verwacht mag worden, door gelet op het belang van de kinderen niet een omgangsregeling met de oudste vast te stellen en omgang te forceren. Het College neemt hierbij in aanmerking dat alle drie de kinderen bij de vader wonen, en dat de juridische situatie voor wat betreft [minderjarige 1] juridisch wel maar de feitelijke niet verschilt van die van de jongste twee. Daarnaast neemt het College hierbij in aanmerking dat er, zoals hierboven reeds overwogen, in het vrijwillig kader sprake was van een gecompliceerde situatie waarin de vader geen gezag heeft ten aanzien van de jongste twee en de moeder wel, waardoor de mogelijkheden van beklaagde in het vrijwillig kader beperkt waren. Ook heeft klaagster zelf heeft aangegeven dat zij het niet in het belang van de kinderen achtte hen onder dwang bij de vader weg te halen.

Hetgeen hierboven is overwogen, geldt naar het oordeel van het College ook voor klachtonderdeel III, waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde op 10 maart 2015 niets deed tegen het hoge ziekteverzuim van de kinderen. Ten aanzien van de begeleiding van de jongste twee kinderen gold immers eveneens dat het vrijwillig kader beklaagde beperkte in haar mogelijkheden. Daarnaast heeft beklaagde onweersproken gesteld dat het schoolverzuim alleen [minderjarige 3] betrof, dat zij het schoolverzuim heeft onderzocht en ook besproken met de vader en de kinderen, en dat zij tot de conclusie kwam dat er sprake was van geoorloofd schoolverzuim, hetgeen ook school aannam. Het College gaat hier dan ook van uit.

Het College meent voorts dat beklaagde, bij gebreke aan instrumenten in het vrijwillig kader, en aanhoudende grote zorgen omtrent het welzijn van de kinderen, juist heeft gehandeld door een raadsmelding te doen.

Aldus is beklaagde derhalve niet getreden buiten hetgeen van haar als redelijk bekwaam jeugdprofessional van haar verwacht mag worden.

De klachtonderdelen I, II, III, V en VI zijn dan ook ongegrond.

IV

In het vierde klachtonderdeel klaagt klaagster erover dat beklaagde op 18 juli 2015, hoewel zij de voogd is van [minderjarige 1], niet aanwezig is op een bijeenkomst op school, zonder dat zij zich heeft afgemeld.

Het College acht van belang dat beklaagde op 18 juli 2015 belast was met de voogdij over het oudste kind. Vast is komen te staan dat er een afspraak op genoemde datum was gepland op school, waarbij de vader, klaagster en beklaagde aanwezig zouden zijn, een en ander op verzoek van school. Voorts is gebleken dat klaagster van tevoren aan beklaagde heeft aangegeven dat zij voornemens was niet naar het gesprek te gaan omdat een recent gesprek op school uiterst naar was verlopen vanwege boosheid van de vader. Daarnaast is gebleken dat het voor beklaagde duidelijk was dat klaagster wilde dat zij aanwezig zou zijn bij dit gesprek. Beklaagde heeft vervolgens om redenen die van doen hadden met de samenwerking met de vader in overleg met de teamleider besloten dat zij zou afzien van het gesprek op school omdat zij eerst afzonderlijk met de vader wilde praten over hetgeen tussen hen in samenwerking was voorgevallen.

Het College acht, gelet op hetgeen beklaagde daarover onweersproken heeft verklaard, voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde zich, anders dan klaagster stelt, voor dit gesprek heeft afgemeld bij de directeur van de school.
Wel is het College van oordeel dat, nu beklaagde op bedoeld moment voogd was van [minderjarige 1], het op haar weg had gelegen om aanwezig te zijn bij het gesprek op school en aldaar de informatie te vernemen die school wilde delen. Hierbij neemt het College in aanmerking dat de veiligheid van beklaagde tijdens het gesprek kennelijk niet in het geding was omdat ook de vader afzag van het gesprek. Een en ander klemt te meer omdat uit het dossier niet naar voren komt dat beklaagde op enig ander moment in deze periode inhoudelijk contact heeft gehad met school.

Aldus is sprake van schending van artikel A van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker, te weten het tot zijn recht laten komen van de jeugdige cliënt en het samenwerken met diens sociale omgeving. De jeugdzorgwerker moet zich op grond van dit artikel immers zoveel mogelijk baseren op onder meer de sociale omgeving van de jeugdige.

Het vierde klachtonderdeel is derhalve gegrond.

5.3

Op grond van het bovenstaande kan beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt met betrekking tot het vierde klachtonderdeel. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen I, II, III, V en VI ongegrond;
– verklaart het klachtonderdeel IV gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 18 augustus 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris