Maak een selectie

727 van 727

   

Net als het College van Toezicht is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdzorgwerker voor een andere en meer neutrale plaats had moeten kiezen voor het voeren van een gezinsgesprek dan een plaats in de woning en in het bijzijn van een gezin uit het netwerk van de ex-partner van de moeder.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, lid-jurist,
mevrouw G.A. van der Veen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[appellante], hierna te noemen appellante en klaagster, wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg,

tegen:

[verweerder], hierna te noemen verweerder en beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [de GI], beklaagde in eerste aanleg.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij [organisatie].

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat bij SUEZ Advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht (hierna: CvT) ingediende klaagschrift, ontvangen op 7 april 2016;
– de bijlagen en de aanvullingen op het ingediende klaagschrift, ontvangen op 12 mei 2016;
– het door verweerder bij het CvT ingediende verweerschrift, ontvangen op 22 juli 2016;
– de door appellante bij het CvT ingediende conclusie in repliek, ontvangen op 12 september 2016,
met bijlagen;
– het door verweerder bij het CvT ingediende verweer in dupliek, ontvangen op 14 oktober 2016;
– het door appellante ingediende pro forma beroepschrift, ontvangen op 3 maart 2017;
– het door appellante ingediende aanvullende beroepschrift, ontvangen op 4 april 2017, met bijlagen;
– het door verweerder ingediende verweerschrift tevens inhoudende incidenteel beroep, met  bijlagen, ontvangen op 19 mei 2017, en aanvulling ontvangen op 1 juni 2017;
– het door appellante ingediende verweerschrift op het incidenteel beroep ontvangen op 28 juni 2017;

1.2

Bij beslissing van 13 januari 2017 heeft het CvT de klachtonderdelen I, III, IV, V en VI ongegrond en klachtonderdeel II (deels) gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 3 maart 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerder is op 19 mei 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend, tevens inhoudende incidenteel beroep.

1.5

Door appellante is op 28 juni 2017 een verweerschrift tegen het incidenteel beroep ingediend.

1.6

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017 in aanwezigheid van appellante, verweerder en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.7

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 5 december 2017 op schrift zal zijn gesteld en aansluitend verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellante is de ouder van: [jeugdige], geboren op [geboortedatum] 2002 (hierna te noemen: [jeugdige]. Naast deze zoon [jeugdige] hebben appellante en mevrouw [ex-partner] nog drie kinderen; twee kinderen zijn inmiddels meerderjarig.

2.2

Appellante en haar ex-vrouw (hierna verder te noemen: [ex-partner]) zijn gescheiden op 12 april 2013. Beide ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [jeugdige].

2.3

De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 mei 2015 [jeugdige] onder toezicht gesteld van  [instelling] (hierna te noemen: [naam instelling]) te [vestigingsplaats], waarbij de feitelijke uitvoering in handen is van beklaagde. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk tot 21 mei 2017, doch per die datum beëindigd.

2.4

[jeugdige] heeft na de scheiding eerst bij appellante gewoond. Sinds 18 december 2015 is hij, door middel van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing woonachtig bij [ex-partner]. Deze machtiging uithuisplaatsing is nadien verlengd, laatstelijk tot 21 mei 2017, de datum van beëindiging van de ondertoezichtstelling.

2.5

Met ingang van 1 januari 2016 is de uitvoering van de maatregel door [naam instelling] bij volmacht overgedragen aan [de GI] (hierna te noemen: [de GI]).

2.6

Verweerder is sinds [datum] 2013 geregistreerd bij SKJ en werkzaam als jeugdzorgwerker bij [de GI]. Verweerder is sinds 21 mei 2015 in het kader van de uitgesproken ondertoezichtstelling belast (geweest) met de uitvoering hiervan.

3 Algemene opmerkingen

3.1

Het beroepschrift in het principaal appel richt zich tegen de beoordeling door het CvT van de klachtonderdelen I, III, IV, V en VI, die door dat College ongegrond zijn verklaard, en tegen klachtonderdeel II onder b. dat eveneens door dat College ongegrond is verklaard.

3.2

Het incidenteel beroep richt zich tegen de beoordeling door het CvT van de klachtonderdelen II onder a. en c., die door dat College gegrond zijn verklaard, als gevolg waarvan aan verweerder de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

3.3

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.4

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4  In het principaal appel:
De eerste klacht, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven en het verweer in beroep alsmede het oordeel van het College van Beroep

4.1

Het College van Beroep zal thans overgaan tot beoordeling van de eerste klacht.

Appellante stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat verweerder discriminerend heeft gehandeld ten opzichte van appellante, haar relatie met een vrouw en de omstandigheid dat zowel appellante als haar partner [naam partner] van geslacht zijn veranderd.

4.2

Het CvT oordeelde dat verweerder zich enkele malen versproken heeft ten aanzien van het geslacht c.q. de geslachtsaanduiding van appellante dan wel van haar partner [naam partner], het CvT heeft echter geen aanwijzingen gevonden dat verweerder dit met opzet heeft gedaan, laat staan met het opzet om appellante dan wel haar partner te discrimineren.

4.3

Appellante voert tegen de beslissing van het CvT als grief aan, dat discriminatie niet enkel tot uitdrukking komt in uitspraken die door verweerder zijn gedaan, maar ook in de benadering en behandeling van appellante en haar partner door verweerder. Het CvT heeft daarnaast gemeend zich uit te mogen laten over de geaardheid en geslacht van de partner van appellante. Hiermee heeft het CvT bevestigd dat zij niet onpartijdig is en dat zij stigmatiserend en bevooroordeeld haar beslissing heeft genomen.

4.4

Verweerder is van mening dat voor zover de klachten van appellante zien op de partijdigheid van het CvT, deze niet thuishoren in de onderhavige procedure. Deze klachten zien immers niet op het handelen van verweerder, maar op het handelen van het CvT. Een feitelijke onderbouwing van het standpunt van appellante dat er sprake is van discriminatie door verweerder ontbreekt in het beroepschrift, zoals dat ook ontbrak in eerste aanleg. Verweerder wil in aanvulling hierop opmerken dat hij bij het schrijven van de rapportages steeds getracht heeft zorgvuldig zijn woorden te kiezen bij het duiden van appellante en verwijst naar de laatste rapportage waarin hij onder meer spreekt over ‘moeder [achternaam]’ en ‘haar partner’.

4.5

Naar het oordeel van het College van Beroep faalt deze eerste grief. Concrete voorbeelden of feiten ontbreken, anders dan de vergissingen die verweerder aanvankelijk heeft gemaakt waarvoor hij ook excuus heeft aangeboden. Appellante heeft in het licht van het verweer, dat verweerder heeft gevoerd, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder al dan niet opzettelijk discriminerend heeft gehandeld of gesproken jegens haar of haar partner [naam partner].

5  De tweede en vierde klacht, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven en het verweer in beroep alsmede het oordeel van het College van Beroep

5.1

Appellante stelt zich in de tweede klacht – kort samengevat – op het standpunt dat zij door verweerder is buitengesloten:

a. doordat zij niet door verweerder is geïnformeerd over (de inhoud en de locatie van) gesprekken tussen verweerder en [jeugdige],

b. doordat haar geen gelegenheid is geboden om contact te onderhouden met [jeugdige] en

c. doordat zij door verweerder niet is geïnformeerd over het wel en wee van [jeugdige].

5.2

De vierde klacht houdt – kort gezegd – in, dat beklaagde ouderverstoting faciliteert door er voor te zorgen dat klaagster geen enkele contactmogelijkheid heeft met [jeugdige].

5.3

Onderdeel a. en c. van de tweede klacht zijn door het CvT gegrond verklaard en die onderdelen zullen door het College van Beroep besproken worden in het incidenteel appel, dat tegen die onderdelen ingesteld is door verweerder.

5.4

Ten aanzien van onderdeel b. heeft het CvT geoordeeld, dat [jeugdige] wel contact wenste met klaagster, maar uitsluitend in afwezigheid van haar partner [naam partner]. Klaagster was echter van mening dat [jeugdige] aan een hernieuwd contact geen voorwaarden mocht verbinden. Het CvT was van mening, dat beklaagde terecht met de uitdrukkelijke wens van de veertienjarige [jeugdige] rekening heeft willen houden. Het is aan de eigen keuze van klaagster te wijten, dat er geen contact tot stand is gekomen tussen haar en haar zoon.

Ten aanzien van de vierde klacht heeft het CvT nog eens herhaald, dat het volstrekt aan klaagsters eigen keuze is te wijten dat er tot op heden geen contact tot stand is gekomen tussen haar en [jeugdige].

5.5

Volgens appellante wordt door het CvT ten onrechte gesteld dat zij eisen heeft gesteld aan contactherstel. Appellante stelt zich op het standpunt dat het juist verweerder was die het contact tussen appellante en [jeugdige] wilde voorkomen. Alle pogingen tot contactherstel kwamen van appellante af en niet van verweerder. Dat pogingen tot contactherstel puur op onjuiste uitspraken van verweerder door het CvT anders uitgelegd worden is een kwalijke zaak en getuigt volgens appellante van partijdigheid van het CvT.

Verweerder heeft uit zichzelf geen enkele poging ondernomen om contactherstel te bewerkstelligen, terwijl dit juist een van zijn taken is bij een uithuisplaatsing conform de richtlijnen uithuisplaatsing.

5.6

Verweerder betwist dit relaas van appellante ten zeerste.

Verweerder respecteert appellante als moeder van [jeugdige], hij heeft gezocht naar manieren om tot samenwerking en overeenstemming te komen met appellante in zaken betreffende [jeugdige] en om tot contactherstel tussen hen beiden te komen. Verweerder betreurt het voor alle betrokkenen maar bovenal voor [jeugdige] dat het tot op heden niet is gelukt om appellante en haar zoon en appellante en haar ex-partner tot elkaar te brengen. Hij begrijpt dat dit voor appellante een teleurstelling is. Ook kan verweerder zich voorstellen dat het voor appellante pijnlijk en verdrietig is dat de reden van [jeugdige] dat hij niet meer bij appellante wil wonen is gelegen in de persoon van de partner van appellante. Dit rechtvaardigt echter niet de ernstige en ongefundeerde beschuldigingen, die zij zich jegens verweerder meent te kunnen permitteren.

Verweerder betwist voorts dat hij appellante zou buitensluiten. In de rapportage die verweerder heeft geschreven met betrekking tot de evaluatie en beëindiging van de ondertoezichtstelling, heeft hij als ontwikkelingsbedreiging genoemd dat er sinds de uithuisplaatsing geen contact meer is geweest tussen appellante en [jeugdige] en dat daaraan gewerkt dient te worden. Dat verweerder zou hebben willen voorkomen dat er contact kwam tussen appellante en [jeugdige] is volledig onjuist en blijkt nergens uit.

Verweerder betwist tenslotte dat hij tijdens de hoorzitting in eerste aanleg onjuistheden heeft verteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het CvT terecht en op goede gronden heeft overwogen dat het volstrekt aan de eigen keuzes van appellante te wijten is dat er tot op heden geen contact tot stand is gekomen tussen haar en [jeugdige].

5.7

Het College van Beroep is van oordeel dat het CvT juist en op goede gronden tot het oordeel is gekomen, dat het de tweede klacht onder b. en de vierde klacht ongegrond zijn. Naar het oordeel van het College van Beroep heeft appellante niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist, dat zij slechts contact met haar zoon [jeugdige] wenste in het bijzijn van haar partner [naam partner]. Het CvT heeft terecht geoordeeld dat beklaagde met de uitdrukkelijke wens van de veertienjarige [jeugdige] rekening heeft willen houden. Nu [jeugdige] geen contact wenste met de partner van appellante, [naam partner], is het aan de eigen keuze van appellante te wijten, dat er geen contact tot stand is gekomen tussen haar en haar zoon. Er is dan ook geen sprake van, dat verweerder ouderverstoting heeft gefaciliteerd.

6  De derde en vijfde klacht, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven en het verweer in beroep, alsmede het oordeel van het College van Beroep

6.1

De derde klacht houdt – kort samengevat – in, dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn macht door een in scène gezette crisis als gevolg waarvan door de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is verleend.

De vijfde klacht houdt in, dat verweerder zich niet aan wet- en regelgeving heeft gehouden omdat aan de wettelijke voorwaarden voor een (spoed)uithuisplaatsing nimmer is voldaan.

6.2

Ten aanzien van de vijfde klacht heeft het CvT als volgt geoordeeld:

“Het College stelt vast dat een opeenstapeling van omstandigheden en mededelingen (onder meer van [jeugdige] zelf) heeft geleid tot de beslissing van beklaagde en de GI om tot aanvraag van een spoeduithuisplaatsing van [jeugdige] over te gaan. De spoed bestond erin, zo is het College voldoende gebleken, dat een uithuisplaatsing diende te worden gerealiseerd zonder dat klaagster daarvan tevoren op de hoogte zou zijn, vanwege de verwachting dat er thuis bij klaagster en [naam partner] druk op [jeugdige] zou worden uitgeoefend wanneer zij daarvan wèl op de hoogte zou worden gebracht. Er was, zo blijkt uit de stukken, sprake van een emotioneel bedreigende situatie voor [jeugdige]. De afweging die is gemaakt tussen enerzijds het laten terugkeren van [jeugdige] bij klaagster na een vakantie bij [partner] met in het vooruitzicht de behandeling van een verzoek tot uithuisplaatsing en anderzijds het realiseren van een spoed uithuisplaatsing , waarbij [jeugdige] na een vakantie bij [partner] niet terug zou keren bij klaagster, is naar het oordeel van het College door beklaagde weloverwogen en op goede gronden gemaakt. Het verzoek is terecht als “spoed” gekwalificeerd, in aanmerking genomen de te verwachten zware emotionele druk waaronder [jeugdige] thuis bij klaagster zou komen te verkeren wanneer een regulier verzoek tot uithuisplaatsing was gedaan.”

6.3

Ten aanzien van de derde klacht heeft het CvT verwezen naar de bespreking van de hiervoor weergegeven vijfde klacht. Volgens het CvT is geen sprake geweest van een in scène gezette crisis, noch is gebleken dat verweerder bij de aanvraag van een spoed uithuisplaatsing misbruik heeft gemaakt van zijn macht.

6.4

Appellante stelt zich op het standpunt dat het CvT het vijfde klachtonderdeel onjuist heeft beoordeeld. Het College heeft zich puur en alleen gericht op de spoedmachtiging uithuisplaatsing. Hoewel deze ook in strijd is met de wetgeving zijn er veel meer wetten die verweerder overtreden heeft. Door een toets die de [Werkgroep] heeft gedaan is vast komen te staan dat verweerder zich nauwelijks aan de wet- en regelgeving houdt en misbruik maakt van de wetten waar mogelijk.

Volgens appellante heeft verweerder zich, in tegenstelling tot wat het CvT concludeert, wel degelijk schuldig gemaakt aan machtsmisbruik nu deze een crisis heeft bedacht en deze heeft neergelegd bij de rechtbank. Er was geen sprake van spoedeisendheid noch van onmiddellijk en onafwendbaar gevaar. Dat blijkt volgens haar ook uit de cassatieprocedure rondom de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. Daarnaast heeft verweerder zich naar de mening van appellante schuldig gemaakt aan machtsmisbruik nu deze informatie van derden – zoals de school – aan appellante heeft geblokkeerd en zich op de school heeft voorgedaan als de voogd van [jeugdige].

6.5

Verweerder voert tegen de beide grieven gezamenlijk verweer. Verweerder betwist dat er sprake is geweest van machtsmisbruik en/of het niet naleven van wet- en regelgeving. Ten aanzien van de stelling van appellante dat verweerder zich als voogd uitgeeft, wordt door verweerder  opgemerkt, dat veel mensen het woord ‘voogd’ gebruiken voor diegene die de ondertoezichtstelling uitvoert. Verweerder stelt zich in ieder geval op het standpunt dat hij geen beslissingen betreffende de school heeft genomen waartoe hij niet bevoegd was.

6.6

Het College van Beroep is van oordeel dat het CvT terecht en op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat deze klachten ongegrond zijn. Het College van Beroep neemt deze gronden hier over. Ook volgens het College van Beroep is geen sprake geweest van een in scène gezette crisis, noch is gebleken dat verweerder bij de aanvraag van een spoed uithuisplaatsing misbruik heeft gemaakt van zijn macht. Het verzoek is terecht als “spoed” gekwalificeerd, gelet op de te verwachten zware emotionele druk waaronder [jeugdige] thuis bij appellante zou komen te verkeren wanneer een regulier verzoek tot uithuisplaatsing was gedaan.

7 De zesde klacht, het oordeel van het College van Toezicht, de grief en het verweer in beroep, alsmede het oordeel van het College van Beroep

7.1

In de zesde klacht is appellante van mening, dat de registratie van haar geloofsovertuiging in strijd is met wet- en regelgeving.

7.2

Het CvT constateerde dat op dit punt geen sprake is van overtreding van de wet- of regelgeving.

7.3

Appellante acht het registreren van de geloofsovertuiging, geaardheid en sekse door verweerder wel degelijk in strijd met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (hierna te noemen: Wbp). Appellante is van mening dat het College van Toezicht ten onrechte dit klachtonderdeel niet gegrond heeft verklaard.

7.4

Ten aanzien van de klacht over het registreren van geloof, geaardheid en sekse verwijst verweerder naar het Plan van Aanpak, dat door appellante in eerste aanleg is overlegd en dat volgens haar in strijd zou zijn met artikel 16 Wbp. Verweerder is verbaasd over dit verwijt, nu dit bij het opstellen van het Plan van Aanpak nooit een punt van discussie tussen appellante en hem  is geweest. Het noteren van de godsdienst/levensovertuiging/culturele achtergrond is een vast format van het Plan van Aanpak en betreft een keuze van de organisatie. Deze informatie wordt noodzakelijk geacht omdat [de GI] een instelling op godsdienstige c.q. levensbeschouwelijke grondslag is (artikel 17 lid 1 sub b Wbp). Daarnaast dient op grond van artikel 2.4 lid 3 sub b Jeugdwet bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering redelijkerwijs rekening te worden gehouden met onder meer de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Reden waarom er voor is gekozen deze informatie in de rapportage op te nemen.

7.5

Het College van Beroep oordeelt, dat in dit geval geen sprake is van overtreding van wet- of regelgeving op het stuk van de privacy, alleen al aangezien verweerder op grond van artikel 2.4 lid 3 sub b Jeugdwet bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen redelijkerwijs rekening dient te houden met onder meer de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Het College merkt tevens op dat het op de weg van appellante had gelegen om eerder kenbaar te maken indien zij het niet eens was met het registreren van de genoemde gegevens.

8 In het incidenteel beroep: De tweede klacht onder a. en c., het oordeel van het College van Toezicht, de grief en het verweer in beroep, alsmede het oordeel van het College van Beroep

8.1

Teneinde misverstanden over de aanduiding van partijen te voorkomen, wordt in het incidenteel appel niet gesproken van (incidenteel) appellant en (incidenteel) verweerster, maar van beklaagde en klaagster.

8.2

Klaagster stelt zich in de tweede klacht – kort samengevat – op het standpunt dat zij door beklaagde is buitengesloten:

a. doordat zij niet door beklaagde is geïnformeerd over (de inhoud en de locatie van) gesprekken tussen beklaagde en [jeugdige]

b. doordat haar geen gelegenheid is geboden om contact te onderhouden met [jeugdige] en

c. doordat zij door beklaagde niet is geïnformeerd over het wel en wee van [jeugdige].

8.3

Het incidenteel beroep richt zich tegen de beoordeling door het CvT van de tweede klacht onder a. en c., welke klachtonderdelen door het CvT gegrond zijn verklaard, als gevolg waarvan aan verweerder de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

8.4

Ten aanzien van het klachtonderdeel onder a. heeft het CvT -kort samengevat- overwogen dat aanvankelijk de afspraak was, dat het gesprek dat beklaagde met [jeugdige] zou hebben op diens school  zou plaatsvinden. Toen [jeugdige] hiertegen bezwaar maakte, heeft beklaagde ervoor gekozen dat te voeren in de woning en in het bijzijn van een gezin uit het netwerk van de ex-partner van klaagster. Dat gezin had echter nadrukkelijk niet het vertrouwen van klaagster, hetgeen beklaagde bekend was.  Door dit gesprek daar toch te laten gebeuren, heeft beklaagde onvoldoende blijk gegeven van onpartijdigheid, beklaagde had voor een neutrale plek moeten kiezen.

8.5

Beklaagde voert tegen deze beslissing van het CvT in incidenteel beroep het volgende aan:

Het CvT heeft ten onrechte ten aanzien van dit klachtonderdeel overwogen dat verweerder onvoldoende blijk heeft gegeven van onpartijdigheid door af te wijken van de schoollocatie voor een gesprek met [jeugdige] en het gesprek te voeren in de woning en in bijzijn van een gezin uit het netwerk van de ex-partner van appellante.

Ter toelichting voert beklaagde nog het volgende aan. Hij had een gezinsgesprek gevoerd bij mevrouw [ex-partner] thuis. De oudere broer van [jeugdige] benoemde in dit gesprek dat [jeugdige] zich in dat gesprek anders over de thuissituatie (bij klaagster thuis) had uitgelaten dan wat hij eerder tegenover hem had gezegd. Beklaagde heeft toen voorgesteld nog een gesprek met de jongens samen te hebben zonder de aanwezigheid van [ex-partner]. De broer van [jeugdige] wilde niet dat dit gesprek op school zou plaatsvinden en in samenspraak met de jongens en [ex-partner] is toen besloten dit gesprek bij de buren te laten plaatsvinden. Beklaagde stelt dat hij de beslissing om het gesprek bij de buren te laten plaatsvinden in het belang van de kinderen van klaagster heeft genomen. De eis van klaagster dat de kinderen alleen door een onafhankelijke vertrouwenspersoon zouden mogen worden bijgestaan en zo niet, haar partner bij het gesprek aanwezig diende te zijn, achtte verweerder te ver gaan en niet in het belang van de kinderen. Uiteindelijk heeft het gesprek bij de buren geen doorgang gevonden, omdat [jeugdige] op dat moment bij klaagster was en klaagster niet toestond dat [jeugdige] naar dat gesprek zou gaan. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het CvT deze aspecten heeft meegewogen en beklaagde stelt zich op het standpunt dat indien dit wel het geval zou zijn dit klachtonderdeel ongegrond zou moeten zijn verklaard.

8.6

Klaagster stelt zich daartegenover op het standpunt dat het CvT ten aanzien van dit klachtonderdeel terecht heeft geoordeeld dat beklaagde onvoldoende blijk heeft gegeven van onpartijdigheid. Beklaagde heeft er voor gekozen om [jeugdige] in een omgeving te horen waar deze niet vrijuit kon spreken. Beklaagde heeft daarmee willens en wetens [jeugdige] in een loyaliteitsconflict gebracht. Daarnaast stelt klaagster zich op het standpunt dat beklaagde daarmee het gezag van klaagster heeft ondermijnd en het respect van [jeugdige] jegens zijn gezaghebbende moeder heeft teniet gedaan.

De oudere broer van [jeugdige] is volgens klaagster diegene die feitelijk de regie heeft in het gezin en niet  beklaagde. Ook de Raad voor de Kinderbescherming maakte zich volgens klaagster ernstige zorgen over de slechte invloed van de oudere broer op het gezin. Omdat beklaagde als jeugdreclasseerder ook voor de oudere broer optreedt, zou hij naar de mening van klaagster moeten weten dat [jeugdige] volledig ondergesneeuwd werd door deze oudere broer en door de buren. [Jeugdige] zou niet vrijuit kunnen spreken, wanneer de oudere broer of de buren deelnamen aan het gesprek of hier enkel bij aanwezig waren.

Beklaagde stelt dat de buren fungeren als vertrouwenspersoon van [jeugdige]. Appellante is echter van mening dat een vertrouwenspersoon conform de Jeugdwet werkzaam dient te zijn bij een geregistreerde rechtspersoon, en een verklaring omtrent gedrag moet kunnen overleggen en onpartijdig behoort te zijn. Beklaagde had naar de mening van klaagster [jeugdige] moeten verwijzen naar AKJ of WJN, hij heeft dit nagelaten.

8.7

Naar het oordeel van het College van Beroep faalt deze grief van beklaagde. Rekening houdende met alle omstandigheden, zoals die door beklaagde hiervoor onder 8.5 zijn geschetst, had beklaagde voor een andere en meer neutrale plaats moeten kiezen dan een plaats in de woning en in het bijzijn van een gezin uit het netwerk van de ex-partner van klaagster. Dit gezin had nadrukkelijk niet het vertrouwen van klaagster, hetgeen bij beklaagde voldoende bekend was.  Het College van Beroep deelt dan ook het oordeel van het CvT, dat beklaagde door dit gesprek daar toch te willen laten gebeuren, onvoldoende blijk heeft gegeven van onpartijdigheid. Dat het bedoelde gesprek uiteindelijk niet heeft plaats gevonden, maakt dit oordeel niet anders.

8.8

Ten aanzien van het klachtonderdeel onder c. heeft het CvT -kort samengevat- overwogen, dat bij gelegenheid van de hoorzitting is gebleken, dat beklaagde geen stappen heeft ondernomen sinds de uithuisplaatsing van [jeugdige] bij [ex-partner] om laatstgenoemde te bewegen contact te onderhouden c.q. informatie te verstrekken aan klaagster. Het vlottrekken van de communicatie tussen de ex-partners was immers een van de doelen van de ondertoezichtstelling. Het geven van aanwijzingen aan [ex-partner], desnoods schriftelijk, lag voor de hand en door niet te handelen heeft beklaagde het beeld doen ontstaan van onvoldoende objectieve onpartijdigheid.

8.9

Volgens beklaagde heeft het CvT ten onrechte op dit punt overwogen dat beklaagde in verzuim is gekomen door geen stappen te ondernemen sinds de uithuisplaatsing van [jeugdige] bij [ex-partner]. Beklaagde had immers contact met beide ouders en heeft bij beiden benadrukt, dat zij de eerst aangewezen personen waren om over belangrijke zaken met elkaar te communiceren. Hij wilde er ook voor waken dat hij onderdeel van de strijd zou worden tussen beide ouders. Tijdens de huisbezoeken bij [ex-partner] is het contact tussen beide ouders geregeld een onderwerp van gesprek geweest. Hij heeft overigens geen schriftelijke aanwijzingen aan [ex-partner] gegeven, omdat zijn verwachting was dat dit tot meer spanningen tussen de ouders zou leiden. Hoewel klaagster stelt dat zij geen informatie kreeg, heeft beklaagde van [ex-partner] vernomen, dat zij klaagster wel van informatie voorzag, maar dat klaagster zei niets ontvangen te hebben.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft beklaagde aangegeven, dat het contact uiteindelijk via school liep en dat de school informatie doorgaf. Verder kwam de oudste zoon elke twee weken bij klaagster. Hij vertelde volgens beklaagde dan hoe het ging met [jeugdige].

Beklaagde heeft dus wel degelijk actie ondernomen om klaagster door [ex-partner]geïnformeerd te houden over [jeugdige] en stelt zich daarom op het standpunt dat dit klachtonderdeel ten onrechte gegrond is verklaard.

8.10

Klaagster acht dit klachtonderdeel door het CvT terecht gegrond verklaard. Beklaagde had voldoende middelen ter beschikking om de communicatie op gang te brengen. Beklaagde heeft in zijn geheel niets ondernomen om de communicatie weer op gang te helpen. Beklaagde verbood klaagster om contact op te nemen met [jeugdige], maar keurde het gedrag goed van [ex-partner], die niet wilde communiceren met klaagster. Klaagster stelt zich op het standpunt dat zijzelf juist onophoudelijk heeft getracht weer tot communicatie te komen. Tot slot betwist klaagster dat beklaagde informatie aan haar verstrekte. Alle informatie die klaagster heeft verkregen, heeft zij uit procedures en Wbp-verzoeken bij diverse partijen.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft klaagster aangevoerd dat zij   inmiddels [jeugdige] al lange tijd niet heeft gezien en dat zij daarvan heel emotioneel is. Zij wilde wel degelijk contact maar zou er graag een professional bij hebben gehad vanwege de grote impact van het gebeuren op haar. Volgens haar heeft zij dit aan beklaagde voorgelegd maar dit werd door hem niet geregeld.

8.11

Het College van Beroep oordeelt over dit klachtonderdeel als volgt. Het moge zo zijn, dat beklaagde wel degelijk enige actie heeft ondernomen om klaagster geïnformeerd te houden over [jeugdige], beklaagde heeft het College niet kunnen overtuigen, dat hij in de gegeven situatie voldoende heeft ondernomen om klaagster geïnformeerd te houden over het welzijn van [jeugdige] na de spoed uithuisplaatsing. Het College realiseert zich daarbij, dat klaagster het totaal oneens was met deze uithuisplaatsing en dat alle berichten van de zijde van beklaagde de nodige weerstand zouden kunnen opwekken. Niettemin hoort het tot de competentie van een gezinsvoogd om juist in dergelijke omstandigheden adequaat te reageren en in ieder geval te controleren of en in welke mate de communicatie tussen klaagster en haar betreffende zoon naar behoren verliep. Hierbij is het College tevens van mening dat een kind niet de persoon kan zijn om informatie over een broer door te geven aan een ouder.

De grief van beklaagde tegen dit klachtonderdeel faalt dus.

Nu alle grieven in beroep falen, blijft de gehele beslissing van het College van Toezicht in stand. Het College is dus van oordeel dat verweerder bij zijn handelen onvoldoende acht heeft geslagen op de in de beroepscode voor de Jeugdzorgwerker onder artikel 2E (respect) en 2J (vertrouwelijkheid) opgenomen gedragsregels.
Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, acht het College van Beroep, met het College van Toezicht, de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

9 De beslissing, zowel in het principaal als in het incidenteel beroep

Alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • Handhaaft de beslissing van het College van Toezicht volledig, inclusief de opgelegde maatregel van waarschuwing, zij het met aanvulling van gronden.

Aldus gedaan door het College van Beroep in de genoemde samenstelling en op 5 december 2017 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink                                               mevrouw mr. R.A.E. Thijssen

voorzitter                                                                            secretaris