Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen de jeugdbeschermer met name over het niet oppakken van de zorgen van de vader en het dwingen van de kinderen tot omgang met de moeder.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw M.H. Bijnoe, lid-beroepsgenoot;
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als gezinsvoogd bij de [GI], hierna te noemen: de GI.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door [naam manager], manager bij de GI, gemachtigde.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 11 januari 2017, met de bijlagen en de aanvullingen hierop;
– het verweerschrift van 20 februari 2017, met de bijlagen, en een emailbericht van 13 april 2017 waarin het verweerschrift is verbeterd.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en haar gemachtigde voornoemd.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van twee minderjarige kinderen, […], geboren op respectievelijk [geboortedatum in] 2002 en [geboortedatum in] 2005, hierna te noemen: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, hebben van 1986 tot 2009 samengewoond. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de ouders. De kinderen verblijven thans bij klager en zijn huidige partner.

2.3

In april 2016 hebben ouders de afspraak gemaakt aangaande de omgang dat de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot en met zondagavond bij moeder zijn en de helft van de vakanties en feestdagen.

2.4

Bij beschikking van 12 mei 2015 is een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken over [kind 1]. Bij beschikking van 3 augustus 2015 is een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden uitgesproken over beide kinderen, omdat de kinderen knel zitten vanwege conflicten tussen de ouders, waardoor er sprake is van loyaliteitsproblematiek. Nadien is de ondertoezichtstelling verlengd. De huidige ondertoezichtstelling loopt tot 3 augustus 2017.

2.5

Gedurende de ondertoezichtstelling hebben meermaals klacht- of bemiddelingsgesprekken plaatsgevonden tussen klager en de GI, laatstelijk op 11 november 2016.

2.6

Bij beschikking van 7 december 2016 heeft de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing van de GI aan [klager] van 27 oktober 2016, bekrachtigd, en aan [klager] een dwangsom van € 500,- opgelegd voor iedere dag dat hij de aanwijzing niet nakomt tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. De schriftelijke aanwijzing heeft onder andere betrekking op het nakomen van voornoemde omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen.

2.7

Beklaagde is werkzaam als gezinsvoogd bij de GI en is sinds 3 augustus 2015, samen met een collega, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de kinderen. Beklaagde is namens de GI, samen met een collega, de contactpersoon voor de ouders en kinderen.

2.8

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klager beklaagde het volgende:

I

Beklaagde heeft niets met de aangegeven klachten gedaan c.q. doet niets met de zorgen die klager heeft over de situatie van de kinderen bij de moeder.

Toelichting:
Klager geeft aan dat hij heel duidelijk zijn zorgen aangaande de situatie bij de moeder heeft aangegeven, maar dat er niets mee werd gedaan. Hij stelt dat hij tegen beklaagde heeft gezegd dat de moeder een wolf in schaapskleren is; de moeder wil op de voorgrond staan en is narcistisch. De grootste zorg van klager is dat de moeder onder invloed van alcoholhoudende drank in de auto met de kinderen tegen een boom rijdt, waardoor hij de kinderen kwijt is. Klager voelt zich wel gesteund door de tweede gezinsvoogd die naast beklaagde is aangesteld; deze collega-gezinsvoogd heeft aan de vader verteld dat de moeder de adviezen wel opneemt maar er vervolgens niets mee doet. Het gaat ook veel beter met de kinderen sinds ze bij klager wonen; ze blijken veel beter te kunnen leren dan eerst werd aangenomen. Uit een GGZ-onderzoek is voorts gebleken dat het de moeder is die beperkingen heeft en niet [kind 1], zo stelt klager. De moeder laat het bovendien nu ook afweten; inmiddels is er al drie maanden geen omgang geweest tussen haar en de kinderen.

II

Beklaagde dwingt de kinderen omgang te hebben met de moeder, terwijl de moeder de kinderen mishandelt en de kinderen niet naar de moeder willen.

Toelichting:
Klager heeft aangegeven dat hij nimmer achter de omgangsregeling zoals vermeld onder 2.3 heeft gestaan en dat er dus in dat opzicht geen sprake is van een afspraak; de regeling is klager opgedrongen door de GI. Klager geeft aan dat hij bijvoorbeeld gedwongen is eraan mee te werken dat de kinderen gedurende de afgelopen kerstvakantie maar liefst een week bij de moeder verbleven, hetgeen er toe geleid heeft dat klager –die na een slopend jaar op vakantie was in [naam land]- stiekem werd gebeld door de kinderen, met de mededeling dat hun telefoon door de moeder was afgepakt, dat zij niet mochten bellen en in een afgesloten kamer moesten verblijven. Klager geeft aan dat de maat toen vol was voor hem, en dat hij de kinderen niet meer naar de moeder wilde laten gaan.
Desgevraagd heeft klager aangegeven dat hij al voor het verblijf van de kinderen in de kerstvakantie zorgen had over de situatie bij de moeder; hij had reeds vanaf de start een gevoel van onveiligheid van de kinderen bij de moeder. Als de kinderen bij de moeder waren, kreeg hij de kinderen huilend aan de telefoon.

III

In de laatste twee verslagen staan onduidelijkheden vermeld.

Toelichting:
Desgevraagd heeft klager op de hoorzitting dit klachtonderdeel verduidelijkt door aan te geven dat de huidige tweede gezinsvoogd een concept gespreksverslag, dat door beklaagde was gemaakt en letterlijk en figuurlijk “zwart” was, “blauw” heeft gemaakt. Aldus heeft de tweede gezinsvoogd het concept een andere draai gegeven waardoor klager zich beter gehoord voelde. Desgevraagd geeft klager aan dat hij steeds door beklaagde in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de door haar opgemaakte conceptverslagen, maar dat het hem niet lukte om een reactie te geven omdat hij steeds dichtsloeg.

IV

Beklaagde werkt eenzijdig naar moeder toe.

V

Klachten van de kinderen worden genegeerd dan wel niet serieus genomen.

VI

Beklaagde bedient zich van machtsvertoon.

Toelichting:
Desgevraagd heeft klager tijdens de zitting verklaard dat hij in dit klachtonderdeel erop doelt dat beklaagde eerst een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven en het er vervolgens toe heeft geleid dat de rechter een dwangsom heeft opgelegd.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde is in de overtuiging dat zij steeds zorgvuldig en professioneel heeft gehandeld en verzoekt derhalve de klacht ongegrond te verklaren.
Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

Beklaagde geeft aan dat klager thans ter zitting voor het eerst heeft gezegd dat de kinderen hem opbellen met de mededeling dat ze door de moeder geslagen worden. Beklaagde vertelt dat ze een patroon ziet bij klager: als klager dezelfde feitelijkheden vaker beschrijft, worden ze in de loop van de tijd steeds erger.
De zorgen die door klager zijn geuit, zijn door beklaagde serieus genomen. Onder andere is bij het oudste kind een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd. De hierna geïndiceerde hulpverlening is gestart.
Beklaagde heeft goed naar alle klachten van klager geluisterd. De klachten zijn meermaals met de kinderen besproken alsook met de moeder, er zijn afspraken met de moeder gemaakt die blijvend worden geëvalueerd en er is informatie opgevraagd bij de huisarts van de moeder.
Ook de zorgen van klager over het alcoholgebruik door de moeder zijn door beklaagde met de moeder besproken, en er zijn concrete afspraken gemaakt: de moeder heeft beklaagde verteld dat zij inderdaad alcohol drinkt, maar niet met alcohol aan het verkeer deelneemt. Beklaagde geeft aan dat, om eventuele verwarring te voorkomen, zij met de moeder afgesproken heeft dat zij helemaal niet drinkt waar de kinderen bij zijn.
Beklaagde vertelt voorts dat klager eerder ook klachten bij de teamleider heeft ingediend aangaande haar collega-gezinsvoogden, die in het verleden met de zaak waren belast.

II

Om de doelen te behalen zoals omschreven in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is gestart met de methode Kind-uit-de-Strijd, welke methodiek zich enerzijds richt op de stem van het kind en anderzijds ouders wijst op verantwoordelijkheden binnen het ouderschap. Teneinde deze methodiek zorgvuldig uit te voeren, wordt altijd gewerkt met twee gezinsvoogden: zo is het mogelijk meervoudig partijdig te kunnen zijn en collegiaal te toetsen. Beklaagde volgt hiervoor maandelijks intervisiebijeenkomsten. Daarnaast is er veelvuldig collegiaal en multidisciplinair overleg geweest.
De vermoedens die de kinderen noemen over de grensoverschrijdingen van moeder, zijn binnen het onderzoek van de GI nooit bevestigd. Ook in gesprekken met de scholen van de kinderen komen deze zorgen niet naar voren. Beklaagde geeft aan dat de kinderen op verschillende momenten verschillende signalen afgeven van grensoverschrijdend gedrag van moeder over eenzelfde situatie.
Beklaagde heeft klager een schriftelijke aanwijzing gegeven aangaande onder meer de omgangsregeling. Aldus heeft beklaagde klager in de gelegenheid gesteld om de besluitvorming van de GI te laten toetsen door de kinderrechter. De kinderrechter heeft de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd en beklaagde voert deze beschikking uit. Hierbij staat het belang van de kinderen voorop en tevens het recht en de plicht van de kinderen op omgang met hun moeder en vice versa.

III

Beklaagde geeft aan dat dit klachtonderdeel haar niet duidelijk is en zij niet weet waar klager op doelt.

IV

Beklaagde geeft aan dat klager haar niet meer als gezinsvoogd accepteert, en dat dit zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. Om niet strijd verhogend te werken, onderhoudt een collega-gezinsvoogd op dit moment de contacten met klager. Voorts kan beklaagde daarmee beter de continuïteit voor de kinderen waarborgen.

V

De zorgen die door de kinderen zijn geuit, zijn door beklaagde serieus genomen. Onder andere is bij het oudste kind een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd. De hierna geïndiceerde hulpverlening is gestart.
Beklaagde heeft goed naar alle klachten van de kinderen geluisterd. De klachten zijn meermaals met de kinderen besproken en met de moeder, er zijn afspraken met de moeder gemaakt die blijvend worden geëvalueerd en er is informatie opgevraagd bij de huisarts van de moeder.

VI

Beklaagde geeft aan dat de GI vanaf oktober 2016 meer stelling is gaan nemen ten aanzien van de omgang tussen de kinderen en de moeder. Klager voelde zich hierdoor niet gehoord en heeft met ondersteuning van het AKJ een klacht ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Om te voorkomen dat vader in een machtsstrijd terecht zou komen met de GI, heeft beklaagde gehandeld naar eer en geweten door klager een schriftelijke aanwijzing te geven. Beklaagde heeft klager zo in de gelegenheid willen stellen om de besluitvorming van de GI te laten toetsen door de kinderrechter, en heeft ook de idee erachter aan klager uitgelegd. De kinderrechter heeft de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd, en de GI voert de rechterlijke beschikking uit. Hierbij staat het belang van de kinderen en het recht en de plicht van de kinderen op omgang met hun moeder en vice versa. Beklaagde meent dat zij de keuzes die de GI heeft gemaakt zo goed mogelijk geprobeerd heeft uit te leggen aan klager en aan klager ruimte heeft gegeven zijn visie te verwoorden, zo ook in het klachtgesprek met het AKJ. Beklaagde betwist dan ook dat sprake is van machtsvertoon.

4.2

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I

Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen I, II, V en VI zich lenen voor gezamenlijke behandeling.
De rode draad in deze klachtonderdelen is de angst van klager aangaande de veiligheid van de kinderen wanneer zij bij de moeder zijn, welke angst zo ver gaat dat klager zich niet laat dwingen om medewerking te verlenen aan de omgangsregeling.
In deze klachtonderdelen klaagt klager erover dat beklaagde niets doet met de zorgen die klager heeft over de situatie van de kinderen bij de moeder, dat beklaagde de kinderen dwingt om omgang te hebben met de moeder, terwijl de moeder de kinderen mishandelt en de kinderen niet naar moeder willen, dat klachten van de kinderen door beklaagde genegeerd worden dan wel niet serieus genomen, en dat beklaagde zich bedient van machtsvertoon.
Het College acht voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde genoegzaam heeft geluisterd naar de klachten en de frustraties van klager en de kinderen, en deze heeft onderzocht; zo heeft beklaagde verteld dat de signalen die de kinderen hebben afgegeven over zorgelijk gedrag van moeder zijn getoetst door hierover met moeder in gesprek te gaan, afspraken te maken met moeder en bij de kinderen vervolgens te toetsen of moeder zich aan die afspraken gehouden heeft, hetgeen overigens ook het geval was. Tevens heeft er een persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden ten aanzien van [kind 1], waaruit geen signalen naar voren zijn gekomen anders dan dat zij heel veel last heeft van de strijd tussen ouders. Voorts heeft beklaagde contact gehad met de huisarts en de Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG)-begeleidster van de moeder. De signalen die klager heeft afgegeven zijn derhalve getoetst, maar niet door de betrokken professionals bevestigd. Evenmin blijkt dat de scholen van de kinderen zorgsignalen hebben afgegeven.
Het College acht voorts voldoende aannemelijk geworden dat van reële onveiligheidsaspecten rond de kinderen in de situatie bij de moeder niet is gebleken. Het College neemt er nota van dat in het Raadsrapport van 8 juli 2015, als een van de doelstellingen van de ondertoezichtstelling is vermeld dat de kinderen een onbelaste omgang moeten kunnen hebben met beide ouders, die op een adequate manier gezamenlijk invulling geven aan hun ouderschap. Op grond van het vorenstaande is het College van oordeel dat beklaagde in redelijkheid binnen het kader van de ondertoezichtstelling stappen heeft ondernomen om te komen tot een omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen, en dat zij hiermee is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening. Daarnaast is het College van oordeel dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld door klager een schriftelijke aanwijzing te geven waarin de omgangsregeling is opgenomen, zodat klager hiermee in de gelegenheid is gesteld om de besluitvorming van de GI te laten toetsen door de kinderrechter. Het College wil wel aannemen dat het gebruik van het middel van een schriftelijke aanwijzing bij klager overkomt als machtsvertoon, maar gelet op het vorenstaande maakt dit niet dat het handelen van beklaagde niet professioneel zou zijn.

De klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.

II

Ten aanzien van klachtonderdeel III, waarin klager erover klaagt dat in de laatste twee verslagen onduidelijkheden staan vermeld, overweegt het College dat, wat er zij van de inhoud van deze verslagen, beklaagde klager de mogelijkheid heeft gegeven om op de concepten van deze verslagen te reageren, en zo een reactie heeft kunnen geven op eventuele onduidelijkheden dan wel onjuistheden. Nu klager geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid, kan dit klachtonderdeel niet slagen.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

III

Ten aanzien van klachtonderdeel IV waarin klager erover klaagt dat beklaagde eenzijdig naar de moeder toewerkt, komt het College tot het oordeel dat, mede in het licht van het eerste klachtonderdeel, beklaagde de zorgen die klager heeft ten aanzien van de veiligheid van de kinderen bij de moeder genoegzaam heeft onderzocht. Aldus en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat beklaagde eenzijdig naar de moeder heeft toegewerkt.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

Verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 29 juni 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris