Maak een selectie

727 van 727

   

De klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht over jeugdbeschermers in het algemeen. De overige klachtonderdelen zijn onvoldoende onderbouwd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
mevrouw drs. E.A. van Ek, lid-beroepsgenoot;
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot;
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

de heer [klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

mevrouw [beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als pleegzorgbegeleider bij [instelling].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Inden, advocaat bij Marree Dijkxhoorn advocaten te Amersfoort.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift binnengekomen op 10 januari 2017;

– het verweerschrift ontvangen op 23 februari 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017 in aanwezigheid van beklaagde, de hiervoor genoemde gemachtigde en een toehoorder. Klager heeft daags voor de zitting bericht niet aanwezig te kunnen zijn.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige, geboren op [geboortedatum] 2005 (hierna te noemen: de minderjarige).

2.2

Klager en moeder van de minderjarige zijn uit elkaar. Beide ouders zijn belast met het gezag.

2.3

De minderjarige heeft een halfbroer [naam halfbroer] (hierna te noemen: halfbroer) uit een eerdere relatie van klager. Uit een latere relatie van klager en zijn huidige vrouw heeft de minderjarige nog een halfbroer. Laatstgenoemde woont bij klager.

2.4

Klager en de minderjarige hebben geen vaste omgangsregeling. Deze regeling is wisselend geweest, afhankelijk van het pleeggezin waar de minderjarige verbleef. Op dit moment is er geen omgang. Tussen de minderjarige en de moeder is een vaste omgangsregeling.

2.5

Bij de moeder is in 1994 schizofrenie vastgesteld. Moeder kan hierdoor na de geboorte niet voor de minderjarige  zorgen en vader wegens een full time baan ook niet. De minderjarige wordt vaak ondergebracht bij grootmoeder van vaderszijde.

2.6

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 7 juni 2005 is een ondertoezichtstelling (hierna te noemen: OTS) uitgesproken en deze is sindsdien verlengd. Bij beschikking van de rechtbank d.d. 13 december 2005 is een machtiging uithuisplaatsing (hierna te noemen: MUHP) uitgesproken en ook deze is sindsdien telkens verlengd.

2.7

Met de MUHP is de minderjarige ondergebracht bij grootmoeder (hierna: pleegmoeder). Dit gezin van grootmoeder wordt aangemerkt als netwerkpleeggezin. Met instemming van klager is ook [halfbroer] in dit netwerkpleeggezin gaan wonen van augustus 2006 tot april 2011.

2.8

Op 30 oktober 2015 is pleegmoeder overleden. Vanaf 30 oktober 2015 tot 4 januari 2016 is de minderjarige  verbleven bij haar nicht van vaderszijde.

2.9

Vanaf 4 januari 2016 tot 20 december 2016 heeft de minderjarige gewoond bij een bestandspleeggezin van pleegzorgorganisatie [instelling].

2.10

Vanaf 20 december 2016 tot heden verblijft de minderjarige bij een ander bestandspleeggezin van [instelling].

2.11

Beklaagde is werkzaam als pleegzorgbegeleider bij [de instelling] en sinds 6 maart 2012 betrokken als pleegzorgbegeleider bij het gezin. Als pleegzorgbegeleider rapporteert zij over de ontwikkeling van de minderjarige  en over het verloop van de plaatsing aan de gezinsvoogd.

2.12

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klager beklaagde het volgende:

3.1.1

Sinds de geboorte van de minderjarige is er een OTS en woont de minderjarige elders. Tijdens de OTS is ontheffing van het ouderlijk gezag van de ouders nooit ter discussie gesteld.

3.1.2

De totale verwaarlozing door pleegzorg van de biologische oudercontacten is onbegrijpelijk en laakbaar en duidt op onvermogen en/of moedwil van de pleegzorgbegeleider om de pleegouders aan hun verplichtingen jegens de biologische ouders te houden.

3.1.3

Beklaagde heeft nooit iets gedaan om de omgang tussen de ouders en de minderjarige te verbeteren en heeft daarmee bijgedragen aan oudervervreemding.

3.1.4

Beklaagde heeft na de dood van pleegmoeder in eerste instantie een niet gescreende pleegouder ingezet, een familielid waarvan bekend was dat zij zeer negatief was over klager en moeder, waardoor de pleegzorgbegeleider actief heeft bijgedragen aan ouderverwijdering.

3.1.5

Beklaagde heeft ervoor gezorgd dat de minderjarige in een beginnend en niet capabel pleeggezin is geplaatst. De pleegmoeder gebruikte antidepressiva en bleek niet in staat de minderjarige af te schermen van de familie in de tweede lijn, die slechts bezig was met de verdere stigmatisering van de biologische ouders. Het gebrek aan begeleiding was desastreus en duurde tot december 2016 toen de minderjarige met spoed werd overgeplaatst naar een ander bestandspleeggezin.

3.1.6

Beklaagde heeft door het ontbreken van daadkrachtige hulp, of juist het leveren van negatieve hulp gezorgd voor oudervervreemding van zowel klager als moeder tot de minderjarige. Klager was onwetend over de verblijfplaats van de minderjarige en heeft de minderjarige sinds oktober 2015 niet meer gesproken, dan wel kunnen vasthouden, terwijl contact met familieleden in de tweede lijn werd aangehaald.

3.1.7

Beklaagde heeft tot op heden niet de moed gehad om te informeren naar de omstandigheden van de oudere halfbroer [halfbroer] die eenzelfde traject heeft doorlopen onder leiding van dezelfde hoofdrolspelers.

Concluderend beperkt klager zich tot de kern namelijk taakverzuim met ernstige oudervervreemding tot gevolg.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1

Beklaagde merkt op dat de overweging en de beslissing over een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel valt onder de verantwoordelijkheid van de gezinsvoogd. De gezinsvoogd heeft in september 2015 laten weten dat het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) naar een verderstrekkende maatregel was gestart nu door de gezinsvoogd was aangegeven dat het perspectief van de minderjarige niet bij vader lag. Dit onderzoek is gestaakt nadat pleegmoeder is komen te overlijden. De Raad heeft toen besloten dat de minderjarige eerst één jaar stabiliteit moest hebben voordat deze maatregel opnieuw zou worden overwogen. Er is door de Raad een rapportage opgesteld, maar vanwege de privacy is dat geen onderdeel van het pleegzorgdossier. De inhoud daarvan is voor beklaagde daarom onbekend.

Beklaagde vraagt het College om bij dit klachtonderdeel klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht nu het aanvragen van een verderstrekkende maatregel niet haar rol of verantwoordelijkheid is.

4.1.2

Vanaf het begin van de plaatsing bij het pleeggezin in 2005 tot aan het overlijden van pleegmoeder, kwam klager regelmatig in het pleeggezin om de minderjarige te bezoeken en pleegmoeder praktisch te ondersteunen. Er was geen vaste bezoekregeling. Beklaagde weet dat de gezinsvoogd heeft getracht om een bezoekregeling vast te leggen, maar dat is nooit van de grond gekomen. Klager was wisselend in zijn wensen. De bezoekregeling met moeder was eenmaal in de vier weken en moeder belde eenmaal per week. Omdat de minderjarige zich niet prettig voelde bij deze omgangsvorm, is deze gewijzigd naar een dagdeel in het weekend vanuit het huis van pleegmoeder. De recente ontwikkeling is dat de minderjarige tijdens de kerstvakantie in 2016 bij moeder heeft gelogeerd. Voor de voorjaarsvakantie in 2017 is dit opnieuw gepland. De bezoekregeling met moeder lijkt weer te zijn gestart.

Beklaagde heeft na het overlijden van pleegmoeder de gezinsvoogd altijd ondersteund in het maken van afspraken over een bezoekregeling. Beklaagde heeft contact tussen de minderjarige en de biologische ouders waar mogelijk gestimuleerd. Zij verzoekt het College de klacht ongegrond te verklaren.

4.1.3

Klager had dagelijks contact met de minderjarige toen de minderjarige verbleef bij pleegmoeder. Er was geen officiële bezoekregeling. De vraag aan pleegzorg om daarbij ondersteuning te bieden, is nooit gesteld. Niet door de gezinsvoogd en ook niet door klager. Beklaagde heeft binnen de begeleiding steeds aandacht besteed aan het contact met klager. Relevante informatie over het contact tussen de klager en de minderjarige heeft beklaagde doorgegeven aan de gezinsvoogd. Beklaagde heeft ook steeds de toekomst van de minderjarige besproken door aan te geven dat een netwerkberaad belangrijk was, om te bepalen wie er voor de minderjarige ging zorgen, mocht pleegmoeder dat niet meer kunnen. Dit is besproken met de pleegmoeder en de minderjarige. De pleegmoeder sloot zich bij dit plan aan. In de periode voor het verzoek om een verderstrekkende maatregel, is benoemd dat klager dan wellicht de zorg voor de minderjarige op zich kon nemen. Vandaar dat beklaagde het belangrijk vond dat de minderjarige meer tijd met klager zou doorbrengen. De gezinsvoogd was hierin echter leidend en wilde eerst met klager in gesprek over de verderstrekkende maatregel.

Beklaagde heeft naar haar mening steeds gedaan wat kon om het contact tussen de minderjarige en de biologische ouders in stand te houden, dan wel te herstellen. Beklaagde verzoekt het College het klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

4.1.4

Klager heeft na het overlijden van pleegmoeder zelf ingestemd met een verblijf van de minderjarige bij de nicht van vaderszijde. Klager wilde het liefst zelf voor de minderjarige zorgen, maar de gezinsvoogd vond dit geen optie, vanwege het onderzoek naar de verderstrekkende maatregel. Ook hier geldt dat dit een beslissing was van de gezinsvoogd. De nicht van vaderszijde gaf aan dat de minderjarige wel zo snel mogelijk moest worden doorgeplaatst, omdat zij klager als dreigend ervoer. Nadat de gezinsvoogd in maart 2016 bij [de instelling] een netwerkscreening van de nicht had aangevraagd, is een plaatsing van langere duur bij deze nicht ook niet geschikt geacht. Een belangrijke reden was ook, dat klager niet achter deze plaatsing stond. Ingroeien in een neutrale pleeggezin was het doel en het meest passend. De minderjarige heeft vanaf 30 oktober 2015 tot 4 januari 2016 bij de nicht gewoond. Daarna is de minderjarige naar een bestandspleeggezin gegaan.

Beklaagde heeft samen met de gezinsvoogd de afweging gemaakt, dat de minderjarige de steun van de familie van vaderszijde nodig had, vlak na het verlies van pleegmoeder. De gezinsvoogd had hierin echter de beslissende stem. Klager was daarmee akkoord. Toen later bleek dat de nicht van vaderszijde als pleegmoeder geen draagvlak had bij klager en ook de minderjarige aangaf in [plaatsnaam] de basisschool te willen afmaken, is gekozen voor een neutraal pleeggezin.
Beklaagde verzoekt het College de klacht ongegrond te verklaren.

4.1.5

Voor de minderjarige werd een geschikt pleeggezin van [instelling] in [plaatsnaam] gevonden. Het klopt dat dit een beginnend pleeggezin was zonder ervaring op het gebied van pleegzorg. Wel was er ruime opvoedervaring. Het gezinsonderzoek was positief afgerond. De contacten tussen pleegouders en de familie van vaderszijde werden onderling binnen de familie gedeeld en dat veroorzaakte ruis. Beklaagde heeft tijdens de begeleiding besproken dat de pleegouders afstand moesten nemen van de familie van vaderszijde. Pleegouders kregen de opdracht om de familie van vaderszijde door te verwijzen naar de gezinsvoogd. Door de afstand kwam er meer rust in het pleeggezin. Beklaagde is van mening dat er geen sprake is van een conflict tussen de pleegouders en de familie van klager. Dit is niet de reden van het beëindigen van de plaatsing bij dit pleeggezin. In het kort komt het erop neer, dat de pleegouders van tevoren niet goed hebben ingeschat wat de plaatsing van een pleegkind teweeg kan brengen in een gezin.

Beklaagde neemt ten aanzien van de contacten in de tweede lijn aan dat dit de oom van vaderszijde betreft. Hij is het enige familielid waarmee structureel contact is. Met de andere familieleden van vaderszijde is het contact verbroken, ook op aandringen van klager. Hier wil beklaagde nog vermelden dat moeder een stabiele factor is. Zij belt wekelijks met de minderjarige, stuurt kaartjes en verschijnt op verjaardagen of andere gelegenheden. Het contact met de oom van vaderszijde is niet aangehaald, maar was er altijd al. De minderjarige geeft zelf aan dat het contact met de oom van vaderszijde belangrijk is en dat de minderjarige zich door hem gesteund voelt. Beklaagde kan vanuit haar rol niet inschatten/overzien in hoeverre er sprake is van ‘roddel en achterklap’. Beklaagde ziet wel dat dit een positief contact is voor de minderjarige en is daarom van mening dat het niet in het belang van de minderjarige is, om ook dit contact te verbreken. Beklaagde verzoekt het College de klacht niet gegrond te verklaren.

4.1.6

Klager geeft aan dat hij de minderjarige sinds oktober 2015 niet meer heeft gezien of gesproken. Dit klopt en dat is niet in het belang van de minderjarige. Klager heeft de ruimte gekregen om het contact met de minderjarige in de periode na januari 2016 te herstellen. De minderjarige heeft zelf na het overlijden van pleegmoeder aangegeven geen contact te willen met klager, onder andere door het incident dat heeft plaatsgevonden. Beklaagde heeft vervolgens klager meerdere malen op de hoogte gebracht, maar klager gaf aan niet gediend te zijn van contact met beklaagde. Na overleg met de gezinsvoogd is besloten om klager uit te nodigen voor een kennismaking met de pleegouders. De gedachte was dat dit een stap in het herstel van de relatie met de minderjarige kon zijn. Dit was in januari 2016. Klager heeft niet op deze uitnodiging gereageerd. In februari 2016 maakte moeder kennis met het pleeggezin. Op 17 februari 2016 heeft klager per e-mail laten weten dat hij de pleegouders graag wil ontmoeten. Op 3 maart 2016 is er een kennismaking gepland. Op 13 maart 2016 laat klager per e-mail weten dat hij zeer content is met de plaatsing bij het pleeggezin en dat hij zijn harde woorden terugneemt.

Klager geeft daarna aan dat hij zelf met een voorstel zal komen om het contact met de minderjarige te herstellen. Een concreet voorstel blijft uit tot 17 mei 2016. Op 17 mei 2016 heeft klager met de gezinsvoogd een gesprek waar goede afspraken zijn gemaakt. Hij heeft aangegeven te willen beginnen met telefonisch contact. Op 27 juni 2016 doet de gezinsvoogd een voorstel dat de belafspraken zouden beginnen op 30 juni 2016. Aan klager is gevraagd of hij daarmee akkoord kon gaan. Dit deed hij niet, maar hij belde wel op 30 juni 2016 naar het pleeggezin. Op het moment dat klager belde, gaven de pleegouders aan dat dit niet uitkwam. Dat was onhandig, maar vervolgens hebben de pleegouders wel teruggebeld naar klager en volgde er een gesprek met de minderjarige. In een gesprek met klager heeft beklaagde aangegeven dat zij zijn emoties van verbazing en verdriet, dat de pleegouders kennelijk niet op de hoogte waren van de belafspraak, kon begrijpen.

Tijdens een gesprek op 4 juli 2016 is klager geconfronteerd met twee zaken die door beklaagde aan de gezinsvoogd zijn gecommuniceerd. De eerste ging over het incident van de vriendin van klager en het tweede ging over het contact van de minderjarige met de halfbroer. Doordat klager op dat moment geconfronteerd werd met deze twee punten kan beklaagde zich voorstellen dat dit niet transparant overkwam. Beklaagde heeft echter gehandeld in het belang van de minderjarige en in dit geval ook in het belang van de [halfbroer]. Op 5 juli 2016 heeft beklaagde een gesprek gehad met klager om haar beweegredenen uit te leggen. Beklaagde ging ervan uit dat het daarmee uitgesproken was en ze verder konden. Maar daarna volgde een e-mail van klager over het contact met de minderjarige met andersoortige afspraken. Klager heeft ervoor gekozen nog slechts schriftelijk contact te hebben met de minderjarige, omdat er tussen hen te veel schade was ontstaan. In overleg met de gezinsvoogd heeft beklaagde het initiatief verder bij klager gelegd.

Voorts is in december 2016 de plaatsing van de minderjarige in het pleeggezin geëindigd. Beklaagde heeft klager uitgenodigd voor een gesprek op 8 december 2016 om hem dit nieuws te vertellen. Echter, klager had het nieuws al vernomen via een kennis. In het gesprek heeft klager aangegeven zelf voor de minderjarige te willen zorgen. De gezinsvoogd is achteraf op de hoogte gesteld van deze informatie nu klager niet wilde dat zij aanwezig zou zijn bij dit gesprek. Aan klager heeft beklaagde tijdens dit gesprek proberen uit te leggen dat de gezinsvoogd en niet [instelling] uiteindelijk het besluit over de vervolghulpverlening neemt. Rondom de overplaatsing naar het volgende pleeggezin op 20 december 2016 is klager wederom geïnformeerd door de gezinsvoogd. Klager is niet op de hoogte gebracht van het adres van de huidige pleegouders. Op 9 januari 2017 heeft beklaagde naar klager een bericht gestuurd om hem uit te nodigen om kennis te maken met het nieuwe pleeggezin. In een reactie daarop gaf klager aan dat hij een klachtenprocedure tegen beklaagde is gestart en een andere pleegzorgbegeleider wil.

Zowel beklaagde, als de gezinsvoogd hebben herhaaldelijk pogingen ondernomen om het contact tussen klager en de minderjarige te herstellen door klager daartoe steeds uit te nodigen. Een aantal afspraken die gemaakt is, is afgezegd door klager. Op eigen initiatief van klager verliep het contact in 2016 voor een groot deel schriftelijk. Het ontbreken van contact was niet te wijten aan niet-daadkrachtige hulp van de pleegzorgbegeleiding. Beklaagde verzoekt het College dit klachtonderdeel niet gegrond te verklaren.

4.1.7

Vanaf 6 maart 2012 is beklaagde betrokken als pleegzorgbegeleider. [halfbroer] woonde destijds niet meer bij het pleeggezin. De begeleiding van beklaagde was dus niet gericht op [halfbroer] en zijn omstandigheden.

Beklaagde verzoekt het College bij dit klachtonderdeel klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I
Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel dat jeugdzorg en de gezinsbeschermers nimmer de OTS ter discussie hebben gesteld, merkt het College het volgende op. In het tuchtrecht kan er geen klacht worden ingediend tegen de jeugdzorg en de gezinsbeschermers in het algemeen. Een tuchtklacht dient betrekking te hebben op het individuele handelen van een specifieke jeugdprofessional.

Nu dit klachtonderdeel zich richt tot anderen dan beklaagde verklaart het College klager niet-ontvankelijk.

II
Het College stelt ten aanzien van het tweede klachtonderdeel het volgende vast. Het College heeft voor de stelling van klager dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan om de pleegouders aan hun verplichtingen jegens de biologische ouders te houden in de klacht geen voorbeelden of nadere motivering gevonden. Beklaagde heeft klager verschillende keren uitgenodigd voor gesprekken en bezoeken. Klager heeft daarop telkens of niet gereageerd, of kort van tevoren afgezegd. Het is het College uit de stukken en door hetgeen ter zitting is besproken ook overigens niet gebleken dat beklaagde zich in dit verband onvoldoende zou hebben ingespannen jegens klager.

Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

III
In dit derde klachtonderdeel, waarin klager heeft gesteld dat beklaagde nooit iets heeft gedaan om de omgang tussen de minderjarige en de ouders te verbeteren, spreekt klager mede uit naam van de moeder. Het College heeft echter geconstateerd dat de moeder van de minderjarige geen klacht heeft ingediend. Voorts is niet gebleken dat vader mede namens de moeder de onderhavige tuchtklacht jegens beklaagde heeft ingediend. Het College zal de klacht van klager dan ook opvatten als de klacht dat beklaagde nooit iets heeft gedaan om de omgang tussen de minderjarige en klager te verbeteren.

Het verwijt aan beklaagde dat de omgang tussen klager en de minderjarige door haar toedoen onvoldoende was en dat zij daarmee heeft bijgedragen aan oudervervreemding, daarvan is het College niet gebleken. Klager heeft dit klachtonderdeel ook niet verder onderbouwd. Beklaagde heeft op talrijke momenten, zo blijkt uit het schriftelijke verweer als ook uit het gestelde tijdens de mondelinge behandeling, hiertoe met klager in contact willen komen, maar klager heeft het hierbij telkens laten afweten. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat beklaagde hierin niet heeft gehandeld, zoals verwacht mag worden van een jeugdprofessional.

Het gehele klachtonderdeel, dat bestaat uit twee delen, is ongegrond.

IV
In het vierde klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat er een niet gescreende pleegouder is ingezet, namelijk een nicht van vaderszijde. Het College stelt vast dat op de dag dat pleegmoeder overleed er acuut een vacuüm optrad in de zorg voor de minderjarige. Klager wilde het liefst zelf voor de minderjarige zorgen, maar de gezinsvoogd vond dit, vanwege het onderzoek naar de verderstrekkende maatregel, geen optie. Bovendien wilde de minderjarige als gevolg van een incident op de dag van de begrafenis van pleegmoeder niet mee met klager. Op dat moment diende zich de nicht aan. Klager heeft toen ingestemd met een verblijf van de minderjarige bij zijn nicht. Deze plaatsing heeft twee maanden geduurd. Reeds omdat er sprake was van een acute situatie en er instemming was van klager voor de plaatsing van de minderjarige bij de nicht kan deze beslissing beklaagde niet tuchtrechtelijk verweten worden.

Het klachtonderdeel wordt om die reden ongegrond verklaard.

V
In het vijfde klachtonderdeel verwijt klager beklaagde de minderjarige in een beginnend en niet capabel pleeggezin geplaatst te hebben, en dat bovendien het gebrek aan begeleiding desastreus was en te lang duurde, namelijk tot december 2016 toen de minderjarige werd overgeplaatst naar een ander bestandspleeggezin. Het eerste gedeelte van dit klachtonderdeel is ongegrond. Het klachtonderdeel gaat uit van een onjuiste feitelijke grondslag. Het is immers niet de pleegzorgwerker die beslist over de plaatsing.

Het tweede gedeelte van dit klachtonderdeel heeft betrekking op de begeleiding van het pleeggezin. Hoewel klager dit heeft gesteld, heeft hij dit niet met voorbeelden onderbouwd. Beklaagde heeft in haar schriftelijke verweer en tijdens de mondelinge behandeling voldoende duidelijk gemaakt zeer frequent contact te hebben gehad met de pleegouders. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling nog benadrukt dat zij wekelijks contact had, regelmatig begeleidingsgesprekken heeft gevoerd en extra modules heeft aangeboden, waaronder een training van omgaan met getraumatiseerde kinderen. Daarmee heeft beklaagde in de ogen van het College frequente en passende begeleiding geboden.

Het College verklaart dit klachtonderdeel in zijn geheel ongegrond.

VI
Het eerste deel van dit klachtonderdeel, waarin klager klaagt dat het ontbreken van daadkrachtige, of juist het geven van negatieve hulp, gezorgd heeft voor oudervervreemding van zowel klager als moeder tot de minderjarige, sluit aan bij klachtonderdeel III. Het College heeft geconstateerd dat de moeder van de minderjarige geen klacht heeft ingediend en dat voorts niet is gebleken dat vader mede namens de moeder de tuchtklacht heeft ingediend. Het College zal de klacht van klager ook hier opvatten als de klacht dat beklaagde nooit iets heeft gedaan om de omgang tussen de klager en de minderjarige te verbeteren. Het verwijt aan beklaagde dat de omgang tussen klager en de minderjarige door haar toedoen onvoldoende was en dat zij daarmee heeft bijgedragen aan oudervervreemding, is het College niet gebleken. Deze klacht is ook niet onderbouwd. Beklaagde heeft daarentegen op talrijke momenten, zo blijkt uit haar schriftelijke verweer, hiertoe met klager in contact willen komen, maar klager heeft het telkens laten afweten. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat beklaagde hierin niet heeft gehandeld, zoals verwacht mag worden van een jeugdprofessional.

In het tweede deel van het klachtonderdeel klaagt klager dat hij de minderjarige al lange tijd niet meer heeft gezien. Klager heeft in dit deel van de klacht verder niet onderbouwd op welke wijze beklaagde hiervoor vanwege niet professioneel handelen verantwoordelijk gesteld kan worden. Aan het College zijn overigens, noch uit de stukken, noch uit hetgeen ter zitting is besproken, feiten of omstandigheden gebleken die de stelling van klager kunnen onderbouwen.

Het College verklaart dit gehele klachtonderdeel ongegrond.

VII
Tot slot heeft klager geklaagd over het feit dat beklaagde niet heeft geïnformeerd naar de omstandigheden van haar voormalige cliënt, [halfbroer], die eenzelfde traject heeft doorlopen bij dezelfde pleegouders. Dit klachtonderdeel is echter door klager niet onderbouwd. Het College stelt vast dat er geen professionele relatie heeft bestaan tussen beklaagde en [halfbroer] en zij op geen enkele manier betrokken is geweest bij [halfbroer]. Ook overigens zijn aan het College geen feiten of omstandigheden gebleken die de stelling van klager kunnen onderbouwen.

Het College acht het klachtonderdeel ongegrond.

Ter zitting is door het College aan beklaagde de vraag gesteld of haar rol voor klager wel duidelijk was. Beklaagde heeft daarop geantwoord zich te kunnen voorstellen dat door haar werkhouding, of door de manier waarop zij werkt en doordat zij enkele taken van de gezinsvoogd heeft overgenomen, dit niet voldoende duidelijk was. Klager wilde geen contact meer met de gezinsvoogd. Om die reden is beklaagde in het gat gesprongen dat daardoor in de communicatie tussen pleeggezin en klager is ontstaan en is er mogelijk bij klager verwarring ontstaan. Beklaagde heeft klager meerdere keren uitgelegd wat de taken van de gezinsvoogd zijn en dat haar taak ligt op het vlak van begeleiding. Gezien de emotionele staat waarin klager regelmatig verkeerde, is het de vraag of die uitleg over de taakverdeling ook daadwerkelijk is overgekomen. Terugkijkend neemt beklaagde zich voor een volgende keer in een vergelijkbare situatie duidelijker te zijn in haar uitleg over haar bevoegdheden en zal zij minder snel taken van de gezinsvoogd op zich nemen.

5.3

Het College concludeert als volgt:

Het College komt tot de slotsom dat het handelen van beklaagde geen schending van de Beroepscode of anderszins van de voor haar geldende professioneel standaard behelst. Er kan derhalve dan ook geen sprake zijn van het opleggen van een maatregel.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– Klager is niet-ontvankelijk in klachtonderdeel I;
– De overige klachtonderdelen II tot en met VII zijn ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 10 augustus 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter secretaris