Maak een selectie

727 van 727

   

Anders dan het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat de jeugdbeschermer door de zaak aan te nemen niet buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening is getreden.

Het College van Beroep, hierna ook te noemen: het College, heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr.P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. A.P. van der Linden, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[appellante], appellante in principaal appel tevens verweerster in incidenteel appel, wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg, verder te noemen: de moeder,

tegen:

[verweerster], verweerster in principaal appel tevens appellante in incidenteel appel, tot [datum] 2016 werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], beklaagde in eerste aanleg, verder te noemen: de jeugdbeschermer, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.R. Gans, advocaat te Groningen.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

1   Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het door de moeder bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 april 2016, en het aanvullende e-mailbericht van 25 juli 2016;
– het door de jeugdbeschermer bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, ontvangen op 1 september 2016;
– de beslissing van het College van Toezicht van 23 december 2016;
– het e-mailbericht van de moeder van 2 februari 2017 waarin zij aangeeft dat zij beroep wenst in te stellen;
– het door de moeder ingediende beroepschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2017;
– het door de jeugdbeschermer ingediende verweerschrift tevens houdende incidenteel appel met bijlagen, ontvangen op 25 april 2017;
– het door de moeder ingediende verweerschrift tegen het incidenteel appel, ontvangen op 1 juni 2017.

1.2

Bij beslissing van 23 december 2016 heeft het College van Toezicht klachtonderdeel IV gegrond verklaard. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Aan de jeugdbeschermer is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3

Ten aanzien van het door de moeder ingestelde beroep merkt het College van Beroep het navolgende op:

De moeder heeft bij e-mailbericht van 2 februari 2017 aangegeven dat zij beroep wenst in te stellen. Hierop is haar, namens het College van Beroep, op 3 februari 2017 bericht dat haar e-mailbericht niet voldoet aan de vereisten voor een beroepschrift zoals in het Tuchtreglement vermeld, en dat zij in de gelegenheid wordt gesteld een aanvullend beroepschrift in te dienen, desgewenst met hulp van een onafhankelijk klachtondersteuner. Bij e-mailbericht van 3 februari 2017 heeft de moeder verklaard graag gebruik te maken van de diensten van een onafhankelijk klachtondersteuner. Hierop is haar namens het College van Beroep op 9 februari 2017 bericht dat zij voor 9 maart 2017 het aanvullend beroepschrift moet indienen. De moeder heeft op 6 maart 2017 het aanvullend beroepschrift ingediend.

1.4

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 december 2017 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdbeschermer en de gemachtigde van de jeugdbeschermer. Als toehoorder van de zijde van de moeder is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aanwezig geweest haar partner, [toehoorder].

1.5

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2   De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden:

2.1

De moeder heeft samen met haar ex-partner, de vader, twee minderjarige kinderen, [jeugdige 1], geboren op [geboortedatum in] 2007, en [jeugdige 2], geboren op [geboortedatum in] 2011. De moeder en haar ex-partner hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen.

2.2

Bij beslissing van de rechtbank [locatie] van 19 april 2016 zijn [jeugdige 1] en [jeugdige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 18 juli 2016. De ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door [de GI].

2.3

De jeugdbeschermer was werkzaam bij [de GI] en vanaf 19 april 2016 belast met de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen.

2.4

De jeugdbeschermer is op 21 april 2016 en 2 mei 2016 bij de moeder op huisbezoek geweest om kennis te maken met de moeder en de kinderen.

2.5

Op 28 april 2016 heeft de jeugdbeschermer haar arbeidsovereenkomst met [de GI] opgezegd, per [datum] 2016.

2.6

De jeugdbeschermer is na intern overleg met de gedragswetenschapper aan de slag gegaan om de omgangsregeling met de vader op te starten. In overleg met de moeder is besloten dat de eerste omgang met de vader plaats zou vinden op kantoor van [de GI]. In het e-mailbericht van 3 mei 2016 van de jeugdbeschermer aan de moeder hierover is voor zover van belang vermeld: “Gistermorgen was ik bij je thuis en heb ik [jeugdige 1] en [jeugdige 2] gesproken, ze vertelden me dat ze het prettig vinden in hun nieuwe huis en gaven in eerste instantie aan dat ze niet naar hun vader wilden. Even later benoemden ze allebei dat ze hem toch ook weer wel wilden zien en zoals je weet, is dat ook de opdracht die ik als gezinsvoogd heb gekregen. (…) Ik stel daarom voor dat er maandag 9 mei aanstaande een bezoek is bij ons op kantoor, van 15:00-16:30 uur. (…) Ik blijf zelf de hele tijd bij het bezoek aanwezig.” (…)

2.7

Op 11 mei 2016 (twee dagen later dan oorspronkelijk voorgesteld) heeft het eerste begeleide bezoek plaatsgevonden. De jeugdbeschermer is tijdens het bezoek in de ruimte bij de vader en de kinderen aanwezig geweest. De moeder en haar nieuwe partner hebben buiten de ruimte plaatsgenomen. De jeugdbeschermer heeft tweemaal de ruimte verlaten, eerst om wat te drinken te halen en daarna om één van de kinderen te begeleiden naar de wc. Na afloop van het bezoek heeft er een woordenwisseling plaatsgevonden tussen de jeugdbeschermer en de moeder.

2.8

De dag hierop heeft de jeugdbeschermer contact gehad met de gedragswetenschapper over de wijze waarop het begeleide contact is verlopen. De jeugdbeschermer heeft voorts haar werkbegeleider bericht dat ze snel een gesprek wilde met de moeder.

2.9

De week na het begeleid bezoek heeft de jeugdbeschermer tijdens de casuïstiekbespreking dit bezoek aan de orde gesteld. Afgesproken werd dat er een gesprek met de moeder en haar nieuwe partner zou dienen te volgen om de gang van zaken rond het bezoek te evalueren.

2.10

De jeugdbeschermer heeft op 19 mei 2016 tevergeefs telefonisch contact gezocht met de moeder waarna zij haar een sms heeft gestuurd met het voorstel om met de moeder en haar partner een gesprek te hebben. De jeugdbeschermer liet hierbij tevens weten dat zij met vakantie was van 19 mei tot 7 juni 2016 en na haar vakantie contact op zou nemen met de moeder.

2.11

Op 14 juni 2016 heeft de werkbegeleider aan de medewerker van [onafhankelijke vertrouwenspersoon], die namens de moeder had geïnformeerd over de gang van zaken, het volgende gemaild: “[De jeugdbeschermer] is vorige week van haar vakantie teruggekomen en moest nog drie weken werken waarvan ze nu in de tweede week is, volgende week is de laatste week, er zal dus een nieuwe gezinsvoogd komen. Het is ons bekend dat moeder gebeld heeft en ze is ook te woord gestaan. Binnen onze organisatie hebben we nooit vaste vervangers als iemand op vakantie is daarvoor is de bureaudienst.

(…) Ik heb met [de moeder] afgesproken dat ik zorg dat er volgende week een nieuwe gezinsvoogd op komt en dat diegene contact gaat leggen met moeder. (…)”

2.12

Op 16 juni 2016 is de jeugdbeschermer gebeld door een raadsonderzoeker en heeft zij de raadsonderzoeker geïnformeerd over het verloop van de omgangsregeling in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling.

2.13

Bij brief van 20 juni 2016 is de moeder schriftelijk bericht dat de jeugdbeschermer per 1 juli 2016 uit dienst zou treden en dat de heer [naam contactpersoon] vanaf dat moment als contactpersoon op zou treden.

2.14

Op 7 juli 2016 is door de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: RvdK, verzocht om een reguliere ondertoezichtstelling. In het rapport van de RvdK van 6 juli 2016 is in de kolom “Over de omgangsregeling tussen vader en [jeugdige 2] en [jeugdige 1]” geschreven: “Tijdens de omgang tussen [jeugdige 2], [jeugdige 1] en vader was de gezinsvoogd aanwezig. Uit de dingen die de kinderen zeiden kan geconcludeerd worden dat ze instructies gehad hebben over wat ze wel of niet tegen hun vader moeten zeggen. Zo noemden de kinderen hun vader in eerste instantie bij de voornaam. Eén van de kinderen versprak zich, waarna de andere zei dat hij vader bij de voornaam moest noemen, omdat ze anders niet naar de Mc Donalds zouden gaan. De gezinsvoogd heeft tijdens de omgang een warm en ontspannen contact tussen vader en de kinderen waargenomen.” 

2.15

Op 23 juli 2016 heeft de moeder het [gezinsplan] van [de GI] van 20 juli 2016 ontvangen. In de kolom “Ingevuld door” is de naam van de jeugdbeschermer vermeld. Bij brief van 25 juli 2016 aan de directie van [de GI] heeft de moeder kenbaar gemaakt dat op verschillende punten dit verslag volgens haar onjuiste, onware en onvolledige informatie bevatte.

2.16

De rechtbank [locatie] heeft op 27 juli 2016 de ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken voor de duur van een jaar.

3   Inhoudelijke beoordeling van het principaal en incidenteel beroep

3.1

Het beroepschrift in het principaal appel richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de klachtonderdelen I, II, III en V in de bestreden beslissing, welke ongegrond zijn verklaard. Voorts richt het beroepschrift in het principaal appel zich tegen de beslissing van het College van Toezicht de maatregel van waarschuwing op te leggen. Volgens de moeder had een berisping dan wel schorsing van de inschrijving in het Kwaliteitsregister Jeugd meer voor de hand gelegen.

3.2.

Het beroepschrift in het incidenteel appel richt zich tegen de gegrondverklaring door het College van Toezicht van klachtonderdeel IV voornoemd en dus ook tegen de opgelegde maatregel van waarschuwing.

3.3

Het College wijst bij de beoordeling van de onderhavige klachten allereerst op het volgende:

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.4 Klachtonderdeel I van de moeder luidt als volgt:

De jeugdbeschermer heeft ondeskundig gehandeld door tweemaal de ruimte te verlaten tijdens het eerste bezoek van de vader met de kinderen op 11 mei 2016, waardoor deze laatsten in gevaar zijn geweest.

De ongegrondverklaring van klachtonderdeel I heeft het College van Toezicht als volgt gemotiveerd:

“Beklaagde heeft in overleg met klaagster de voorwaarden bepaald waaronder het begeleide bezoek heeft plaatsgevonden. Het bezoek heeft mede daarom plaatsgevonden op kantoor van [de GI], waarbij beklaagde kenbaar heeft gemaakt aan klaagster dat zij bij het gehele bezoek aanwezig zou zijn. Tijdens het bezoek heeft beklaagde op basis van haar kennis en ervaring een inschatting gemaakt van de veiligheid van de kinderen. Beklaagde heeft op basis van deze inschatting gemeend dat zij tweemaal de ruimte kortstondig kon verlaten. Alhoewel het College begrijpt dat het voor klaagster wellicht niet prettig is geweest dat beklaagde zich niet letterlijk aan de afspraak heeft gehouden, is voor het college niet vast komen te staan dat beklaagde door haar handelen de kinderen toen in een gevaarlijke situatie heeft gebracht. Beklaagde heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat zij slechts kortstondig uit de ruimte is geweest waardoor de veiligheid van de kinderen geen moment in gevaar is gekomen. Het College is derhalve niet gebleken dat beklaagde een gevaarlijke situatie heeft laten ontstaan door kort tweemaal de ruimte te verlaten.”

De moeder voert tegen de beslissing van klachtonderdeel I van het College van Toezicht het volgende aan:

Ten onrechte is bij de beoordeling voorbij gegaan aan het huiselijk geweld dat in haar gezin heeft plaatsgevonden. De moeder betwist voorts dat de jeugdbeschermer slechts kort de ruimte heeft verlaten: het ging om langere tussenpozen, van respectievelijk drie en acht minuten. Dit terwijl de jeugdbeschermer uitdrukkelijk had beloofd de kinderen niet alleen te laten. De moeder meent dat er wel sprake was van een gevaarlijke situatie en verwijst ter zake naar het rapport van [de zorgaanbieder] van 1 september 2016. Op de terugweg hebben beide kinderen gehuild en heeft de jongste in zijn broek geplast. Door ondanks haar belofte de ruimte toch te verlaten, heeft de jeugdbeschermer het vertrouwen van de moeder geschonden. De moeder wijst er bovendien op dat een voorlopige ondertoezichtstelling alleen wordt opgelegd in crisissituaties.

De jeugdbeschermer heeft zich hiertegen als volgt verweerd:

Zij geeft aan dat zij pas de ruimte heeft verlaten nadat zij eerst gedurende geruime tijd heeft kunnen observeren dat het contact goed verliep. Van enige angst bij de kinderen was geen sprake en de kinderen gaven er duidelijk blijk van het contact met de vader op prijs te stellen. Het ging wel degelijk om zeer korte momenten en de jeugdbeschermer bevond zich de eerste keer naast de deur van de ruimte. Zij verwijst ter zake naar foto’s van de ruimte die grenst aan de kamer waarin het begeleid bezoek plaatsvond. De veiligheid van de kinderen is geen enkel moment in gevaar geweest; dat de moeder grote zorgen had, betekent niet dat de jeugdbeschermer daar zonder meer in mee zou moeten gaan. De jeugdbeschermer heeft hierin haar eigen verantwoordelijkheid. De jeugdbeschermer is aan de angst van de moeder in zoverre tegemoet gekomen dat het eerste contact begeleid was en op neutraal terrein. De jeugdbeschermer geeft aan dat er weliswaar sprake was geweest van huiselijk geweld, maar dat dit niet alleen van de zijde van de vader kwam, maar van twee kanten.

Het College van Beroep oordeelt als volgt:

Met betrekking tot dit klachtonderdeel is het College van oordeel dat het College van Toezicht terecht en op goede gronden heeft overwogen dat niet vast is komen te staan dat de jeugdbeschermer door haar handelen de kinderen in een gevaarlijke situatie heeft gebracht door de ruimte tweemaal gedurende een korte tijd te verlaten. Voorts is terecht en op goede gronden overwogen dat de jeugdbeschermer op basis van haar kennis en ervaring ter plekke aan de hand van het verloop een goede inschatting heeft kunnen maken van de veiligheid van de kinderen. De moeder heeft naar het oordeel van het College in beroep geen argumenten naar voren gebracht die leiden tot de conclusie dat deze afweging onjuist dan wel onzorgvuldig was. Dat de kinderen op de terugweg hebben gehuild kan mogelijk een andere oorzaak hebben, zoals de woordenwisseling tussen de moeder en de jeugdbeschermer na afloop van het bezoek. Het College volgt de beslissing in eerste aanleg dan ook.

Ten overvloede overweegt het College van Beroep het volgende:

Het College is van oordeel dat daar waar sprake was van een moeizame relatie tussen ex-partners en het begeleid bezoek plaatsvond nadat contact tussen de vader en de kinderen al zes weken was uitgebleven, waarbij er grote angst was bij de moeder voor dit bezoek, het beter was geweest dat de jeugdbeschermer niet expliciet aan de moeder had bericht dat zij de hele tijd bij het begeleide bezoek aanwezig zou zijn. Nu het er echter bij de tuchtrechtelijke toetsing niet om gaat of het handelen beter had gekund, leidt een en ander niet tot een ander oordeel ten aanzien van dit klachtonderdeel.

3.5 Klachtonderdeel II van de moeder luidt als volgt:

De jeugdbeschermer heeft op onzorgvuldige wijze gerapporteerd aan de RvdK over de moeder en haar kinderen en heeft de moeder hierover op voorhand niet geraadpleegd.

De ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel heeft het College van Toezicht als volgt gemotiveerd:

“Beklaagde is op 16 juni 2015 gebeld door de medewerker van de RvdK. Beklaagde, die zelf niet rapporteert, is door de RvdK gehoord als informant. De RvdK, die het rapport opstelt en dit in concept aan alle betrokkenen voorlegt, is er voor verantwoordelijk dat betrokkenen de mogelijkheid wordt gegeven om hierop een reactie te geven. Beklaagde is niet gehouden om datgene dat in het gesprek met de RvdK is besproken voor te leggen aan klaagster. Het College is overigens niet gebleken dat beklaagde tijdens dit gesprek onjuiste mededelingen heeft gedaan. Beklaagde heeft zich beperkt tot het noemen van feiten die zij zelf van de kinderen heeft gehoord.”

De moeder voert tegen de beslissing van klachtonderdeel II van het College van Toezicht het volgende aan:

De jeugdbeschermer heeft wel degelijk op eigen initiatief gerapporteerd aan de RvdK, zonder overleg met de werkbegeleider, hoewel dit volgens de werkbegeleider wel had gemoeten. Voorts stelt de moeder dat het College van Toezicht ten onrechte geen uitspraak doet over haar klacht inhoudende dat de jeugdbeschermer onzorgvuldig rapporteert. De moeder stelt dat de jeugdbeschermer onzorgvuldig rapporteert, omdat zij hele negatieve dingen over haar schrijft, terwijl zij haar slechts vijf minuten telefonisch had gesproken.

De jeugdbeschermer heeft zich hiertegen als volgt verweerd:

Zij betwist dat zij op eigen initiatief heeft gerapporteerd. De stelling van de moeder dat door de jeugdbeschermer onzorgvuldig zou zijn gerapporteerd, wordt bovendien niet toegelicht.

Het College van Beroep oordeelt als volgt:

Het College acht voldoende aannemelijk geworden dat, zoals te doen gebruikelijk is in een Raadsonderzoek, de RvdK in het kader van het beschermingsonderzoek informatie heeft ingewonnen bij derden, onder meer bij de jeugdbeschermer als voorlopig gezinsvoogd. Aldus heeft de jeugdbeschermer als informant voor de RvdK gefungeerd. Op pagina 17 van het Raadsrapport van 6 juli 2016 staat ook vermeld dat [de GI] zich op 21 juni 2016 als informant akkoord heeft verklaard met de door de RvdK weergegeven informatie. Het College acht niet aannemelijk geworden dat de jeugdbeschermer uit eigen initiatief contact heeft opgenomen met de RvdK, zoals door de moeder gesteld. Evenmin is er naar het oordeel van het College sprake van onzorgvuldig rapporteren, zoals door de moeder betoogd. De jeugdbeschermer was toen zij als informant optrad reeds tweemaal bij de moeder thuis geweest – te weten op 21 april 2016 en op 2 mei 2016 –, waarbij zij eenmaal met de moeder alleen had gesproken en eenmaal in tegenwoordigheid van de kinderen. Voorts heeft de jeugdbeschermer onweersproken verklaard dat zij informatie heeft meegenomen, die zij had uit haar gesprek met school, uit haar contact met [de zorgaanbieder] en van een medewerkster van de gemeente, afdeling WMO. Het College is van oordeel dat dit klachtonderdeel dan ook terecht ongegrond is verklaard.

3.6 Klachtonderdeel III van de moeder luidt als volgt:

De jeugdbeschermer heeft op onzorgvuldige wijze een landscapeverslag opgemaakt en heeft daarin onjuiste informatie opgenomen, zonder betrokkenen te raadplegen.

De ongegrondverklaring van klachtonderdeel III heeft het College van Toezicht als volgt gemotiveerd:

“Ter zitting heeft beklaagde verteld dat het verslag dat zij heeft opgesteld een concept is geweest. Bij het opstellen van een conceptverslag verschijnt automatisch de naam van de opsteller in het document. Na de beëindiging van haar dienstverband is het verslag door haar collega verder ingevuld. Ten onrechte is de naam van beklaagde als opsteller van het document blijven staan. Het college acht de uitleg van beklaagde hierover aannemelijk. Alhoewel het ongelukkig is dat de naam van beklaagde ten onrechte in het document is blijven staan, kan beklaagde van de inhoud van het definitieve rapport geen persoonlijk verwijt worden gemaakt, nu beklaagde bij de totstandkoming van het definitieve rapport niet meer betrokken is geweest.”

De moeder voert tegen de beslissing van klachtonderdeel III van het College van Toezicht het volgende aan:

De jeugdbeschermer was volgens de betrokken werkbegeleider wel degelijk verantwoordelijk voor het rapport. De betrokken werkbegeleider, die hierover geen schriftelijke verklaring mag afleggen, is desgewenst bereid een getuigenverklaring af te leggen.

De jeugdbeschermer heeft zich hiertegen als volgt verweerd:

Zij heeft slechts het conceptverslag opgesteld, en heeft dit ten behoeve van de overdracht van de zaak intern naar haar opvolger gestuurd zodat die niet helemaal vanuit het niets zou hoeven beginnen. Het conceptverslag is kennelijk echter – op een moment dat de jeugdbeschermer reeds vertrokken was bij [de GI] – abusievelijk door het secretariaat van [de GI] naar de ouders toegestuurd als zijnde het definitieve verslag. [De GI] heeft deze misslag overigens gecorrigeerd door aan de ouders te berichten dat het slechts ging om een concept en heeft dit concept vervolgens ingetrokken, met de toezegging dat de nieuwe gezinsvoogd een nieuw concept zou maken. Intrekking heeft overigens plaatsgehad om administratieve redenen en niet omdat het concept inhoudelijk onjuist zou zijn.

Het College van Beroep oordeelt als volgt:

Het College begrijpt dat het door de jeugdbeschermer geschreven conceptverslag door het secretariaat van [de GI] na het vertrek van de jeugdbeschermer abusievelijk naar de ouders is gezonden als definitief verslag. Het College is met de jeugdbeschermer van oordeel dat dit betreurenswaardig is, maar dit valt niet aan de jeugdbeschermer persoonlijk te verwijten. [De GI] heeft dit richting de ouders ook gecorrigeerd. Het College acht aannemelijk dat niet alleen het door de opvolger van de jeugdbeschermer opgestelde definitieve verslag in het dossier bewaard dient te worden, maar om redenen van procesrisico ook het eerdere ten onrechte aan de ouders gestuurde  concept van de (onderhavige) jeugdbeschermer, hoewel dat laatste concept noch inhoudelijk noch extern meer gebruikt mag worden. Gelet op hetgeen door de moeder en namens de jeugdbeschermer hierover ter zitting is verklaard, is voldoende aannemelijk dat de door de moeder aangehaalde stelling van de werkbegeleider hierop ziet dat het conceptverslag van de jeugdbeschermer zich nog in het dossier bevindt. Het College acht zich hieromtrent dan ook voldoende ingelicht, en ziet geen aanleiding om in te gaan op het aanbod van de moeder om de werkbegeleider te horen. Ook overigens is het College niet gebleken van onjuistheden en onjuiste informatie. De grief faalt derhalve.

3.7 Klachtonderdeel IV van de moeder luidt:

De jeugdbeschermer was in de vakantieperiode van 19 mei 2016 tot 7 juni 2016 en aansluitend tot haar vertrek niet bereikbaar dan wel heeft geen zorg gedragen voor een vervangende gezinsvoogd.

De gegrondverklaring van klachtonderdeel IV heeft het College van Toezicht als volgt gemotiveerd:

“Ter zitting heeft beklaagde verteld dat zij gebukt ging onder een hoge werkdruk door de grote hoeveelheid zaken waarvoor zij verantwoordelijk was. Beklaagde heeft daarbij ook gezegd dat zij niet de mogelijkheid had om een zaak die haar van hogerhand werd opgedragen, te weigeren. Het College kan zich voorstellen dat het voor beklaagde in haar positie als werknemer moeilijk kan zijn om een zaak die vanuit de organisatie wordt opgedragen, te weigeren. Dit neemt echter niet weg dat de jeugdzorgwerker zelf verantwoordelijk is voor het waarborgen van de kwaliteit van de door hem geboden begeleiding. Dit is ook expliciet verwoord in artikel Q van de beroepscode. Feitelijk is beklaagde, in een periode dat zij een (te) volle portfolio had, als gezinsvoogd bij klaagster gestart en bij deze zaak van 19 april 2016 tot 27 juni 2016 betrokken geweest terwijl zij bij de start wist dat deze periode niet anders zou worden. Dat beklaagde klaagster hiervan op de hoogte heeft gesteld is niet gebleken. Het College is gezien het voorgaande van oordeel dat het beklaagde aan te rekenen is dat zij, in de wetenschap dat zij op korte termijn de zaak zou moeten overdragen wegens haar vertrek uit de organisatie toch heeft besloten om de zaak op zich te nemen. Dit klemt te meer nu beklaagde ter zitting heeft verklaard dat het haar van begin af aan duidelijk was dat het niet om een eenvoudige zaak ging. Daarbij komt dat beklaagde in de periode voorafgaand aan haar vertrek ook nog drie weken vakantie heeft opgenomen, waardoor klaagster na de begeleide omgang op 11 mei 2015, welke niet soepel verliep, lang heeft moeten wachten op een vervolggesprek en in onduidelijkheid verkeerde over wie de nieuwe gezinsvoogd zou worden. Met het aannemen van de zaak heeft beklaagde naar het oordeel van het College de beroepsplicht om zorg te dragen voor continuïteit van de contacten met klaagster en haar kinderen geschonden. Te meer nu het ging om begeleiding in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling. Nu beklaagde al op voorhand kon voorzien dat zij niet aan deze plicht kon voldoen had zij mede in het licht van de door haar te onderkennen grenzen aan een adequate beroepsuitoefening, zoals neergelegd in artikel O van de beroepscode aan haar manager – met klem – kenbaar moeten maken dat zij de zaak van klaagster niet op zich kon nemen.  Zij had hierin naar het oordeel van het College duidelijker stelling kunnen en moeten nemen.”

De jeugdbeschermer voert tegen de beslissing van klachtonderdeel IV van het College van Toezicht het volgende aan:

Het College van Toezicht heeft zijn oordeel gebaseerd op een aantal onjuiste feitelijke uitgangspunten. Bij binnenkomst liet de zaak zich namelijk niet kwalificeren als “moeilijk”. Er was weliswaar sprake van een voorlopige ondertoezichtstelling maar daarmee was niet zonder meer gegeven dat het een “moeilijk” dossier was. Weliswaar was sprake van een verstoorde verhouding tussen de ouders, maar dat betekent niet dat een ervaren gezinsvoogd niet in staat zou zijn om op professionele wijze het contact tussen de vader en de kinderen op gang te brengen.

In maart 2016 had de jeugdbeschermer nog in overleg met personeelszaken haar contract per 1 april 2016 teruggebracht van 3,5 dagen per week naar 3 dagen om haar werkdruk te verminderen en zo te kunnen doorwerken tot haar pensioen. Toen de jeugdbeschermer de zaak kreeg toegewezen, had zij (nog) niet besloten uit dienst te treden. De jeugdbeschermer stelt dat zij die moeite niet zou hebben genomen, als zij toen al had geweten dat zij uit dienst zou treden. Voorts geeft de jeugdbeschermer aan dat zij de enige bleek die reageerde op een e-mailbericht van de leidinggevende aan het team met een vraag over de wijze van aanpak van de zaak. Op verzoek van haar leidinggevende heeft zij de zaak opgepakt omdat deze zei dat andere collega’s in verhouding zwaarder waren belast. Na het aannemen van de zaak werd de werkdruk echter nog hoger door bezuinigingen en het vertrek van collega’s. Dit heeft de jeugdbeschermer ertoe doen besluiten op 28 april 2016 te verzoeken haar arbeidsovereenkomst te beëindigen, omdat zij het gezien de werkdruk niet meer verantwoord vond haar mooie maar ook verantwoordelijke vak te blijven uitoefenen.

Wat de geplande vakantie betreft, die zou pas enige tijd later aanvangen waardoor voordien nog wel de omgangsregeling op gang gebracht kon worden.

Zoals gebruikelijk heeft de jeugdbeschermer na interne afstemming haar vakantie opgenomen. Normaliter geeft een vakantie geen problemen omdat er zorg gedragen wordt voor een adequate vervanging. De vakantie is bij het aannemen van de zaak wel aan de orde gekomen, maar door de leidinggevende geen beletsel geacht. De beslissing om definitief te stoppen heeft de jeugdbeschermer dus pas enige weken na de acceptatie van de onderhavige zaak genomen.

De jeugdbeschermer heeft zo snel mogelijk een omgangsregeling geprobeerd tot stand te brengen, waarbij het belang van de kinderen steeds voorop heeft gestaan. De “blokkade” van de moeder heeft zij opgelost door het eerste contact begeleid te laten plaatsvinden. Pas na afloop van het begeleide contact is sprake geweest van een escalatie, waarbij het niet mogelijk was om met de moeder in gesprek te komen. Vanwege de escalatie tussen de moeder en de jeugdbeschermer heeft de jeugdbeschermer intern overlegd waarbij de werkbegeleider heeft aangegeven dat in verband met vertrek van de jeugdbeschermer de nieuwe gezinsvoogd de zaak zou overnemen. Hierover heeft de jeugdbeschermer op 19 mei 2016 tevergeefs getracht in overleg te komen met de moeder.

Al met al was ten tijde van het aannemen van de zaak niet voorzienbaar dat deze op 11 mei 2016 zou escaleren. De jeugdbeschermer meent dat haar geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.

De moeder heeft zich hiertegen als volgt verweerd:

De jeugdbeschermer had niet alleen de opdracht om een omgangsregeling op papier te zetten maar ook om de veiligheid van de kinderen in dit kader te onderzoeken. De moeder geeft aan dat zij tijdens de vakantie van de jeugdbeschermer elke dag tevergeefs heeft gebeld naar [de GI], maar uiteindelijk niets meer heeft vernomen van de jeugdbeschermer. De moeder vindt dit heel erg. De moeder verwijst bovendien naar de doelen in het kader van de definitieve ondertoezichtstelling die de rechtbank heeft vastgesteld.

Daarnaast verwijst de moeder naar het contactjournaal van een e-mailbericht van 13 mei 2016 waarin de werkbegeleider aan de jeugdbeschermer bericht dat “het misschien goed is dat deze zaak direct van je wordt overgenomen omdat het wel duidelijk is dat we er even boven op moeten zitten”.

Het College van Beroep oordeelt als volgt:

De jeugdbeschermer heeft verklaard dat zij bij het aannemen van de zaak nog niet had besloten om haar arbeidsovereenkomst te beëindigen. Integendeel, in maart 2016 had de jeugdbeschermer nog in overleg met personeelszaken haar contract per 1 april 2016 teruggebracht van 3,5 dagen per week naar 3 dagen om haar werkdruk te verminderen en zo te kunnen doorwerken tot haar pensioen. De jeugdbeschermer stelt dat zij die moeite niet zou hebben genomen, als zij toen al had geweten dat zij uit dienst zou treden. Voorts geeft de jeugdbeschermer aan dat zij de enige bleek die inhoudelijk reageerde op een e-mailbericht van de leidinggevende aan het team met een vraag over de wijze van aanpak van de zaak, en vervolgens op verzoek van haar leidinggevende de zaak heeft opgepakt omdat deze zei dat andere collega’s in verhouding zwaarder waren belast. Na het aannemen van de zaak werd de werkdruk echter nog hoger door bezuinigingen en het vertrek van collega’s. Dit heeft de jeugdbeschermer ertoe doen besluiten op 28 april 2016 te verzoeken haar arbeidsovereenkomst te beëindigen omdat zij het gezien de werkdruk niet meer verantwoord vond haar vak te blijven uitoefenen.

Een en ander komt het College geloofwaardig en zorgvuldig voor. Anders dan het College van Toezicht gaat het College er dan ook vanuit dat de jeugdbeschermer, toen zij de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling op zich nam, niet had besloten per 1 juli 2016 uit dienst te treden. Evenmin acht het College – in tegenstelling tot het College van Toezicht – aannemelijk dat van meet af aan evident was dat het om een moeilijke zaak ging. Weliswaar betrof het een voorlopige ondertoezichtstelling, waaruit blijkt dat er met het optreden van de gezinsvoogd niet gewacht kan worden, maar de inschatting van de jeugdbeschermer lijkt juist dat dit kwam omdat er al langer geen contact was geweest tussen de vader en de kinderen. Voor een ervaren jeugdbeschermer als zij was dit geen moeilijke zaak. Het was nodig om met de ouders in gesprek te gaan en vervolgens een (begeleid) bezoek te plannen. De jeugdbeschermer heeft verklaard dat haar pas duidelijk werd dat het een moeilijk dossier was, na de gesprekken met de moeder en de vader en nadat zij vanuit [plaatsnaam] het bericht kreeg dat de moeder geen toestemming gaf om het dossier aan [de GI] toe te zenden. Ook dit relaas komt het College geloofwaardig voor. Het College meent dat de jeugdbeschermer door de zaak aan te nemen dan ook niet getreden is buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening. Het College acht het incidenteel beroep dan ook gegrond.

Ten overvloede overweegt het College dat het beter was geweest als de jeugdbeschermer in haar bericht van 19 mei 2016 duidelijker was geweest naar de moeder. De moeder had immers beter geweten waar zij aan toe was als de jeugdbeschermer haar had bericht dat zij na haar vakantie de voorlopige ondertoezichtstelling niet meer zou uitvoeren, maar het op dat moment nog niet duidelijk was wie haar opvolger zou zijn. Het College is van oordeel dat de jeugdbeschermer de moeder in dit opzicht meer adequaat van informatie had kunnen voorzien. Ook is het College van oordeel dat de jeugdbeschermer na terugkomst van haar vakantie er beter aan had gedaan alsnog contact op te nemen met de moeder, ondanks dat zij op dat moment niet meer de contactpersoon in de zaak was. De jeugdbeschermer had dit immers expliciet in haar bericht van 19 mei 2016 verwoord. Hierdoor zou de hulpverlening beter zijn afgesloten. Omdat het bij de tuchtrechtelijke toetsing er niet om gaat of het handelen beter had gekund, wijzigt zulks het oordeel van het College niet ten aanzien van deze klacht.

3.8 In klachtonderdeel V beklaagt de moeder zich dat zij door de jeugdbeschermer onheus bejegend is.

De ongegrondverklaring van klachtonderdeel V heeft het College van Toezicht als volgt gemotiveerd:

“Beklaagde weerspreekt dat zij klaagster onheus heeft bejegend. De lezingen van partijen lopen op dit punt uiteen en het college kan derhalve niet vaststellen dat sprake is geweest van onheuse bejegening.  Dit klachtonderdeel wordt daarom wegens gebrek aan feitelijke grondslag afgewezen.”

De moeder voert tegen de beslissing van klachtonderdeel V van het College van Toezicht het volgende aan:

De werkbegeleider is een andere mening toegedaan. Bovendien heeft de huidige gezinsvoogd de omgangsregeling wel stopgezet. De moeder verwijst ter zake naar het onderzoek van [de zorgaanbieder]. De moeder stelt tegen de jeugdbeschermer hetzelfde gezegd te hebben als tegen [de zorgaanbieder].

De jeugdbeschermer kan zich vinden in de overweging van het College van Toezicht. Zij wijst erop dat de werkbegeleider – voor zover deze inderdaad een andere mening zou hebben – nimmer contact heeft gehad met beide ouders, en dus waarschijnlijk uit eigen wetenschap daarover niets zou kunnen verklaren.

Het College acht niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van onheuse bejegening door de jeugdbeschermer. Dat de huidige gezinsvoogd de omgangsregeling wel heeft stopgezet, doet hieraan niet af, evenmin als het rapport van [de zorgaanbieder], dat van na de voorlopige ondertoezichtstelling dateert. Het College is van oordeel dat dit klachtonderdeel dan ook terecht ongegrond is verklaard.

3.9

Nu klachtonderdeel IV alsnog ongegrond wordt verklaard, en alle andere klachtonderdelen eveneens ongegrond zijn, kan van oplegging van een maatregel geen sprake meer zijn. De bestreden beslissing wordt dan ook vernietigd voor zover daarbij de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

4   De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel IV ongegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 23 december 2016;
  • trekt in de maatregel van waarschuwing;
  • bekrachtigt voormelde beslissing van het College van Toezicht voor het overige.

Aldus gedaan door het College van Beroep in de genoemde samenstelling en op 9 februari 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris