Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdprofessional heeft zorgvuldig gehandeld bij de uitvoering van de spoedtaxatie en de periode daarna.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Mevrouw M.H. Bijnoe, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als zelfstandig systeemtherapeut.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift binnengekomen op 29 december 2016 en de aanvulling van 13 februari 2017 met bijlagen;
– het verweerschrift binnengekomen op 8 februari 2017 en de aanvulling op het verweerschrift d.d. 27 februari 2017 en 4 april 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde, de gemachtigde van klaagster, mevrouw mr. E.J. Brouwer- Van Vliet, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand en de gemachtigde van beklaagde, [gemachtigde beklaagde].
De echtgenoot van klaagster is als toehoorder aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is gehuwd en moeder van [zoon 1], geboren op [geboortedatum] 2007 (hierna te noemen: [zoon 1]). [zoon 1] heeft een oudere broer, [zoon 2].

2.2

Klaagster en haar echtgenoot, hierna te noemen: vader, gezamenlijk aan te duiden als: ouders, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [zoon 1] en [zoon 2]. [zoon 1] en [zoon 2] wonen bij de ouders.

2.3

De casusregisseur van de [gemeente], heeft beklaagde verzocht om een spoedtaxatie van de behoefte van de gezinsleden ten behoeve van een mogelijk behandeltraject. Beklaagde is zelfstandig systeemtherapeut en sinds 1 november 2016 betrokken bij het gezin van klaagster. De hulpverlening heeft in het vrijwillige kader plaatsgevonden.

2.4

Beklaagde heeft met ouders twee gesprekken gevoerd op 16 november 2016 (in aanwezigheid van [zoon 1] en [zoon 2]) en 1 december 2016 (zonder [zoon 1] en [zoon 2]).

2.5

Op 6 december 2016 heeft de school van de kinderen zorgen over [zoon 1] gemeld aan de casusregisseur.

2.6

Beklaagde heeft de bovengenoemde aandachtspunten tijdens een huisbezoek op 7 december 2016 met ouders willen bespreken. Klaagster heeft tijdens dit gesprek de woning verlaten. Beklaagde heeft de ontstane situatie als crisissituatie aangemerkt en contact opgenomen met de casusregisseur en haar geadviseerd ambulante spoedzorg in te zetten voor intensieve ondersteuning in de gezinssituatie. Vader heeft hiervoor schriftelijke toestemming gegeven.

2.7

Op 15 december 2016 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden in aanwezigheid van beklaagde, ouders, de casusregisseur, een medewerker van spoedzorg en de broer van klaagster.

2.8

Beklaagde heeft in een brief d.d. 16 december 2016 de casusregisseur geïnformeerd over haar contacten met het gezin van klaagster. Beklaagde heeft in deze brief te kennen gegeven dat werkzaamheden van beklaagde zijn beëindigd nu de crisisondersteuning in samenwerking met de wijkconsulent het gezin van klaagster zal ondersteunen.

2.9

Beklaagde is sinds [datum] 2014 geregistreerd bij SKJ.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

I

Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld. Zij heeft ouders tijdens het onder 2.6 genoemde gesprek verteld dat de kinderen uit huis zouden worden geplaatst als klaagster het huis niet zou verlaten terwijl de hulpverlening in een vrijwillig kader plaatsvindt. Beklaagde heeft er niet voor gezorgd dat klaagster bij de kinderen kon blijven en heeft aangestuurd op een vertrek van klaagster.

II

Zonder toestemming van ouders heeft beklaagde op 6 december 2016 overlegd met de casusregisseur van de gemeente. Voorts heeft beklaagde ouders niet van de inhoud van dit gesprek op de hoogte gebracht (met uitzondering van de zorgmelding en de veiligheid van de kinderen). Beklaagde heeft ouders van de verkeerde informatie voorzien nu volgens de school van de kinderen geen zorgmelding is gedaan en de casusregisseur te kennen heeft gegeven dat zij enkel het gezin van klaagster heeft willen bespreken in een gemeentelijk intervisieteam om advies te krijgen over de beste aanpak.

III

De psycholoog van instelling [instelling] en de huisarts van klaagster hebben beklaagde op 8 en 9 december 2016 herhaaldelijk gebeld en haar voicemail ingesproken op 8 en 9 december 2016 met het verzoek om contact op te nemen. Beklaagde heeft met hen echter geen contact opgenomen.

IV

Beklaagde wil niet reflecteren op haar handelen en leren van de situatie. Tijdens het onder 2.7 genoemde gesprek heeft beklaagde desgevraagd te kennen gegeven dat zij terugkijkend op de situatie een volgende keer niet anders zou handelen.

V

Beklaagde heeft nagelaten zelf onderzoek te verrichten naar de situatie bij klaagster. Zij is afgegaan op verhalen van anderen; de casusregisseur heeft met de orthopedagoog gesproken en laatstgenoemde is geïnformeerd door de intern begeleider. Beklaagde heeft naar aanleiding van het verhaal van klaagster niet doorgevraagd.

VI

Zonder toestemming van ouders heeft beklaagde over de situatie bij klaagster gerapporteerd aan de gemeente.

VII

Beklaagde ontkent dat zij tijdens het onder 2.6 genoemde gesprek gezegd heeft: ‘moeder eruit of de kinderen eruit’.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

Beklaagde heeft tijdens het onder 2.6 genoemde huisbezoek niet aangestuurd op een vertrek van klaagster maar heeft aangestuurd op een door beide ouders opgesteld en gedragen plan voor het omgaan met spanningsvolle gezinssituaties. Beklaagde heeft benoemd dat als een dergelijk plan ontbreekt, de situatie onhoudbaar is en mogelijk escaleert, wat kan betekenen dat de beslissing uit de handen van ouders wordt genomen. Klaagster heeft op eigen initiatief, zonder overleg met beklaagde, de woning verlaten zonder mededelingen te doen over haar verblijfplaats of de duur van haar afwezigheid.

II

De casusregisseur heeft op 6 december 2016 beklaagde gemaild en gebeld met de mededeling dat het met [zoon 1] zowel op school als thuis niet goed ging. Zij heeft beklaagde verzocht om ouders te vragen om een toestemmingsverklaring voor een bespreking in het [instelling 2]. Tijdens het huisbezoek op 7 december 2016 heeft beklaagde ouders verteld over het telefoongesprek en de door school gemelde zorgen. Beklaagde is niet door de casusregisseur op de hoogte gesteld van de inhoud van deze zorgen.

Nadat klaagster het huis heeft verlaten, heeft vader deze akkoordverklaring getekend.

III

Beklaagde heeft [instelling] op 9 december 2016 teruggebeld. Voor beklaagde is er geen gemiste oproep en terugbelverzoek bekend van de huisarts. Beklaagde heeft op 8 december 2016 en 9 december 2016 oproepen van een privénummer gemist en heeft niet terug kunnen bellen nu deze telefoonnummers niet zichtbaar verschijnen. De voicemail was ook niet ingesproken, waardoor ook niet kon worden teruggebeld.

IV

Het is voor beklaagde redelijkerwijs niet mogelijk te reflecteren op iets dat zij niet gezegd heeft en waarvan zij ook niet wist dat het speelde. Pas na het reflectiegesprek op 15 december 2016 heeft beklaagde vernomen dat school vlak voor het huisbezoek van beklaagde op 7 december 2016 met vader heeft gesproken en dat de termen uithuisplaatsing en leefgroep aan de orde zijn gekomen.

In een gesprek met de casusregisseur heeft beklaagde uitgebreid inhoudelijk gereflecteerd. Ten aanzien van de communicatie met betrekking tot de verwijzing en de privacy naar cliënten is uitgesproken dat een grotere mate van zorgvuldigheid naar zorgaanbieder en cliënten in het vervolg in acht wordt genomen.

V

Redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat het in deze casus noodzakelijk was om extra ondersteuning in de gezinssituatie van klaagster te bieden. Het advies van beklaagde is in deze casus passend geweest.

VI

Op verzoek van de casusregisseur heeft beklaagde op 16 december 2016 een terugkoppeling geschreven over het verloop van haar dienstverlening in het gezin van klaagster en heeft beklaagde, als zorgaanbieder, de opdracht terug gegeven aan de gemeente als opdrachtgever.

De casusregisseur stelt in situaties als deze een integraal plan op met ouders en draagt zorg voor de toestemmingsverklaring. Beklaagde was bij de start van haar inzet, in de veronderstelling dat de toestemmingsdocumenten reeds door de ouders waren ondertekend. Na het verzoek van de casusregisseur op 6 december 2016 was het beklaagde pas duidelijk dat deze formulieren door ouders nog niet eerder ondertekend was.

Vader heeft op 7 december 2016 de toestemmingsverklaring voor gegevensuitwisseling tussen de gemeente [vestigingsplaats] en de zorgaanbieder getekend. Het was niet mogelijk om de schriftelijke toestemming van klaagster te vragen aangezien zij op dat moment de woning reeds verlaten had.

Beklaagde realiseert zich terdege dat zij de toestemming van de ouders had moeten controleren. In het vervolg zal beklaagde steeds bij de kennismaking met cliënten nagaan of het integrale plan en de toestemmingsverklaring door hen gezien en getekend zijn.

VII

Het registratieformulier voor het aanmelden van spoedzorg is ingevuld door de casusregisseur en is gericht aan instelling [de instelling 3]. De tekst op het registratieformulier is een onvolledige weergave van de terugkoppeling van beklaagde en is niet eerst aan beklaagde voorgelegd.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I, V en VII
Gezien de samenhang zal het College de klachtonderdelen I, V en VII gezamenlijk beoordelen.

Klaagster heeft gesteld dat beklaagde ouders heeft medegedeeld dat de kinderen uit huis zouden worden geplaatst als klaagster het huis niet zou verlaten. Beklaagde heeft dit betwist. Tijdens het huisbezoek op 7 december 2016 heeft beklaagde naar haar eigen zeggen onderzocht of ouders tot een plan konden komen waarbij zowel de belangen van ouders als de belangen van de kinderen waren gediend. Beklaagde heeft benoemd dat bij het ontbreken van een plan en de bestaande huidige zorgen van de gemeente en school, de mogelijkheid bestond dat ouders niet meer zelf konden beslissen.

Ouders en beklaagde hebben een verschillende beleving van het gesprek. Mogelijk is dit een gevolg van een gesprek tussen vader en school waarin is gesproken over de mogelijkheid van een uithuisplaatsing van [zoon 1]. Het College acht het begrijpelijk dat dit bij ouders tot onrust heeft geleid. Beklaagde heeft gesteld dat zij hiervan ten tijde van het huisbezoek niet op de hoogte was en dat de casusregisseur haar op 15 december 2016 hierover telefonisch heeft geïnformeerd.

Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen of beklaagde aan klaagster de door haar gestelde mededeling heeft gedaan omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van klaagster niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt.

Beklaagde heeft gemotiveerd toegelicht dat de onder 2.4 genoemde gesprekken bedoeld waren om te taxeren welke hulpverlening het gezin van klaagster nodig had. Beklaagde is na de gebeurtenissen op 7 december 2016 niet toegekomen aan de bespreking van de behandeldoelen van het gezin. Het College heeft voorts uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling geen aanknopingspunten kunnen vinden die tot de conclusie kunnen leiden dat beklaagde is afgegaan op verhalen van anderen en niet heeft doorgevraagd op het moment dat klaagster haar verhaal deed.

Beklaagde heeft betwist dat zij tijdens het huisbezoek heeft gezegd ‘moeder eruit of de kinderen eruit’. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat de casusregisseur de tekst heeft opgenomen in het registratieformulier voor spoedhulp en dat beklaagde niet in de gelegenheid is gesteld op deze tekst te reageren. Nu het College noch heeft kunnen vaststellen dat de tekst afkomstig is van beklaagde noch dat zij met de tekst heeft ingestemd, kan dit gedeelte van de klacht niet gegrond worden verklaard.

De klachtonderdelen I, V en VII zijn ongegrond.

II en VI
Gezien de samenhang zal het College ook klachtonderdelen II en VI gezamenlijk beoordelen.

Klaagster heeft gesteld dat beklaagde op 6 december 2016 zonder toestemming van ouders inhoudelijk overleg met de casusregisseur heeft gevoerd over de gezinssituatie van klaagster.

Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de casusregisseur toestemming van ouders heeft verkregen totdat zij op 6 december 2016 door de casusregisseur werd gebeld met het verzoek om ouders om toestemming te vragen voor overleg over de situatie van [zoon 1] in het [instelling 2].

Beklaagde heeft toegelicht dat zij op dit verzoek is ingegaan nadat de casusregisseur te kennen heeft gegeven dat zij geen tijd had voor een huisbezoek en de aanmelding voor het [instelling 2] van belang was. Beklaagde was naar haar zeggen niet geïnformeerd over de inhoud van de zorgen die door de school van [zoon 1] aan de casusregisseur zijn gemeld. Haar is medegedeeld dat het met [zoon 1] thuis en op school niet goed ging.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling heeft het College niet kunnen afleiden dat beklaagde met de casusregisseur inhoudelijk heeft overlegd over het gezin van klaagster.

Het College is van oordeel dat het niet tot de verantwoordelijkheid van beklaagde behoort om zorg te dragen voor de toestemming van ouders. Beklaagde heeft het College inzicht gegeven in haar afwegingen. Hoewel het beter was geweest als beklaagde niet was ingegaan op het verzoek van de casusregisseur, is beklaagde binnen de grenzen van het beroepsmatig handelen gebleven.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is voorts gebleken dat vader op 7 december 2016 toestemming heeft gegeven voor de ambulante spoedhulp. Nu klaagster tijdens dit gesprek de woning had verlaten en niet bereikbaar was, kan het ontbreken van de toestemming van klaagster, beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

III
Beklaagde heeft te kennen gegeven dat zij de huisarts niet heeft kunnen terugbellen nu zij met een privénummer zonder nummerherkenning is gebeld, hetgeen het College aannemelijk acht.
Beklaagde heeft voorts uiteengezet dat zij [instelling] teruggebeld heeft. Dat zij slechts een keer [instelling] heeft teruggebeld, weegt niet zo zwaar dat haar een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

IV
Anders dan klaagster stelt is het College van oordeel dat beklaagde wel degelijk heeft gereflecteerd op haar handelen. Zij heeft uiteengezet dat zij de hulpverlening met de casusregisseur heeft geëvalueerd en dat zij tot de conclusie is gekomen dat zij professioneel heeft gehandeld. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat het beter was geweest als zij bij de start van het traject had onderzocht of een toestemmingsverklaring aanwezig was.

Dat klaagster mogelijk een andere uitkomst van deze reflectie heeft verwacht, is voor klaagster begrijpelijk teleurstellend maar beklaagde valt hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 17 augustus 2017 aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy                                                                          mevrouw mr. A.C. Veerman
Voorzitter                                                                                                      Secretaris