Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen gezinsvoogd over dat klager geen of minimaal contact heeft met zijn kinderen en dat het slecht met hen gaat.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
mevrouw S.J. Ephraïm, lid-beroepsgenoot;
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot;
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klager], wonende te [Woonplaats], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[Beklaagde] werkzaam als gezinsvoogd bij [naam Gecertificeerde Instelling] te [Vestigingsplaats] (voorheen [naam]), hierna te noemen: beklaagde.

Beklaagde is in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het e-mailbericht van klager d.d. 11 december 2016, met bijlagen;

– het e-mailbericht van klager d.d. 20 december 2016 (9.46 uur);

– het klaagschrift d.d. 20 december 2016, met bijlagen;

– het e-mailbericht van klager d.d. 20 december 2016 (21.18 uur), met bijlagen;

– het e-mailbericht van klager d.d. 20 december 2016 (21.33 uur), met bijlagen;

– het e-mailbericht van klager d.d. 21 december 2016, met bijlage;

– het e-mailbericht van klager d.d. 28 december 2016, met bijlagen;

– het e-mailbericht van klager d.d. 12 januari 2017;

– het e-mailbericht van klager d.d. 24 januari 2017;

– een brief van klager d.d. 24 januari 2017;

– het e-mailbericht van klager d.d. 8 februari 2017;

– het verweerschrift d.d. 13 februari 2017, met bijlagen;

– het e-mailbericht van klager d.d. 15 februari 2017 (17.39 uur);

– het e-mailbericht van klager d.d. 15 februari 2017 (19.54 uur).

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 6 april 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en zijn gemachtigde zoals voornoemd. Als toehoorder van de zijde van klager is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [naam toehoorder]. Als toehoorder van de zijde van beklaagde zijn [naam teammanager] (teammanager) en [naam HR-functionaris] (HR-functionaris) aanwezig geweest.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1 Uit de relatie van klager met zijn ex-partner (hierna: moeder) zijn twee zonen geboren: zoon [naam zoon 1] (hierna te noemen: [zoon 1]) op [geboortedatum] 1999 en zoon [naam zoon 2] (hierna te noemen [zoon 2]) op [geboortedatum] 2005. Het ouderlijk gezag berust bij moeder.

2.2 [Gecertificeerde Instelling] (hierna [GI]) is sinds 12 maart 2013 bij [zoon 1] betrokken naar aanleiding van een verzoek tot ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing. Beklaagde is op 19 maart 2013 door [GI] toegewezen als vaste gezinsvoogd van [zoon 1].

2.3 Op 25 maart 2013 is het verzoek tot ondertoezichtstelling (hierna: OTS) en uithuisplaatsing (hierna: UHP) van [zoon 1] inhoudelijk door de rechtbank behandeld. Hierbij waren de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), beklaagde, klager, de advocaat van klager en [zoon 1] aanwezig.

2.4 Op 15 april 2013 is een spoedmachtiging afgegeven voor een gesloten UHP van [zoon 1] in [instelling] in [vestigingsplaats], een Jeugdzorg plus instelling voor gesloten jeugdzorg voor jongeren tussen 12 en 18 jaar. Op 16 april 2013 is het spoedverzoek tot een gesloten UHP inhoudelijk door de rechtbank behandeld.

2.5 In mei 2013 heeft een kennismakingsgesprek tussen klager en beklaagde plaatsgevonden, ten einde de begeleide contacten tussen klager en [zoon 1] in [instelling] te kunnen starten. Klager heeft vervolgens één keer per maand een begeleid bezoek met [zoon 1] in [instelling] gekregen.

2.6 Op 31 mei 2013 heeft een combi-zitting plaatsgevonden waarbij de gesloten machtiging tot UHP van [zoon 1] is verlengd tot 12 september 2013 en een OTS is uitgesproken voor [zoon 2] voor één jaar. Sinds 31 mei 2013 is beklaagde derhalve ook de gezinsvoogd van [zoon 2].

2.7 Op 9 september 2013 is de gesloten machtiging UHP van [zoon 1] door de rechtbank verlengd tot 12 december 2013.

2.8 Op 1 oktober 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager en beklaagde op het kantoor van de advocaat van klager. Tijdens dit gesprek zijn de zorgen besproken rond het contact tussen klager en [zoon 2] en zijn er afspraken gemaakt over het bezoek.

2.9 Op 7 november 2013 is in het Multi Disciplinair Team overleg geweest over de situatie van [zoon 2] en is het besluit genomen achter de beslissing van moeder te staan om [zoon 2] niet mee te geven aan klager, in verband met de veiligheid. Besloten is om de bezoekregeling tijdelijk te stoppen tot de kinderrechter een beslissing heeft genomen op het ingediende verzoek om de bezoeken met klager onder begeleiding van [GI] voort te zetten.

2.10 Op 3 december 2013 heeft de inhoudelijke behandeling van het verzoek tot begeleide omgang van klager met [zoon 2] plaatsgevonden. De rechtbank [vestigingsplaats] heeft bij beschikking van 3 december 2013 bepaald dat [zoon 2] bij klager zal zijn als volgt: begeleid bezoek op een doordeweekse dag, één maal per maand voor de duur van twee uur.

2.11 Op 6 december 2013 heeft de inhoudelijke behandeling van het verzoek van klager tot gezag en uitbreiding van de omgang plaatsgevonden. De uitspraak zou worden gedaan op 10 januari 2014.

2.12 Op 3 maart 2014 is [zoon 1] opnieuw gesloten geplaatst, ditmaal bij [Naam en locatie instelling]. Op 5 maart 2014 is de OTS van [zoon 1] verlengd met één jaar en is de machtiging gesloten UHP afgegeven voor zes maanden, waarbij de overige zes maanden zijn aangehouden.

2.13 In de periode van juli 2014 tot juni 2015 heeft geen contact tussen klager en [GI] plaatsgevonden.

2.14 Op 24 februari 2015 is de situatie van [zoon 2] in het Multi Disciplinair Team besproken en is besloten om de zaak ter toetsing bij de Raad aan te bieden en te verzoeken om de OTS van [zoon 2] af te sluiten. De zaak is op 3 maart 2015 bij de Raad aangeboden.

2.15 Op 30 mei 2015 is de OTS van [zoon 2] opgeheven.

2.16 Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager heeft een aantal klachtonderdelen geformuleerd. Het College verwijst voor de volledige weergave van de klacht naar het klaagschrift en de aanvullende stukken, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt het college vast dat de klachten van klager in de kern neerkomen op de omstandigheid dat klager geen dan wel minimaal contact heeft met zijn kinderen en het slecht met hen gaat. Hoewel beklaagde als gezinsvoogd verantwoordelijk is voor het welzijn van de kinderen, heeft klager de stellige indruk dat hij als een slechte vader wordt neergezet in zijn omgeving en als vader niet serieus wordt genomen. Klager neemt beklaagde dit kwalijk.

4 Het verweer

Beklaagde stelt in de eerste plaats vast dat het klaagschrift van klager niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen (van artikel 7.4, sub c, van het Tuchtreglement SKJ). Nu de concrete klacht en de feiten en gronden waarop deze berust niet helder en eenduidig uit de klacht en aanvullingen daarop blijken, verzoekt beklaagde het College dan ook primair om klager niet-ontvankelijk te verklaren.

Subsidiair voert beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

In algemene zin geldt dat beklaagde steeds heeft gehandeld conform de professionele standaard en dat hij te allen tijde binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven. Hij heeft steeds de Beroepscode nageleefd, ook waar het de bejegening van klager of diens belangen betreft. Feit is nu eenmaal echter dat beklaagde primair het belang van de kinderen dient en dat dit soms kan botsen met de belangen van ouders, zeker waar het een ouder zonder ouderlijk gezag betreft. Dat betekent niet dat hij geen oog heeft voor het belang van een dergelijke ouder, integendeel, maar dat betekent wel dat hij een dergelijke ouder niet altijd tegemoet kan komen in hetgeen hij of zij wil. Ook in dit geval doet zich dat voor.

Beklaagde hecht eraan te benadrukken dat hij begrip heeft voor de situatie waar klager zich in bevindt en dat hij te allen tijde in gesprek wilde en nog steeds wil gaan met klager om te bezien in hoeverre klager geholpen kan worden. Hiervoor is echter wel vereist dat klager zich coöperatief opstelt, hetgeen tot op heden niet het geval is. Klager heeft bijvoorbeeld aangegeven géén rechtstreeks contact met beklaagde (of andere hulpverleners) te willen onderhouden. Ook heeft hij herhaaldelijk aangegeven alleen in gesprek te willen gaan met beklaagde en/of [GI] als hij bepaalde informatie uit het dossier krijgt. Als niet gezaghebbende ouder heeft klager echter slechts recht op globale en feitelijke informatie, één en ander voor zover het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Aan de voorwaarde die klager stelt, kan en mag derhalve niet worden voldaan. Aldus is er een patstelling ontstaan tussen beklaagde en [GI] enerzijds en klager anderzijds die tot de dag van vandaag voortduurt.

Contact tussen beklaagde en klager
De contacten tussen beklaagde en klager zijn vanaf het begin moeizaam geweest. Klager heeft vanaf het begin (met uitzondering van het eerste gesprek) de behoefte gehad om gesprekken te voeren in het bijzijn van zijn advocaat. Klager stond in het begin van de OTS van zijn beide kinderen nog open voor gesprek. Toen de zorgen inzichtelijk werden en door een breed scala aan betrokkenen werden gedragen, werd het contact echter moeilijker. Klager wilde de contacten niet meer rechtstreeks laten plaatsvinden, maar uitsluitend nog via zijn advocaat. Hierdoor was telefonisch contact niet meer mogelijk. Er zijn enkele momenten geweest dat er telefonisch contact was tussen klager en beklaagde. Klager was echter zeer wisselend over de aanvaardbaarheid van dit contact.

Beklaagde heeft getracht de contacten met klager aan te houden door in emailcontacten klager als hoofdgeadresseerde te gebruiken en zijn advocaat in de cc te zetten. Hierbij reageerde klager echter boos. Klager wilde wel informatie van beklaagde ontvangen, maar niet door met hem in gesprek te gaan of door hem op te bellen. De contacten raakten nog meer verstoord nadat [zoon 1] aangaf geen contact meer met zijn vader te willen.

[Zoon 1] is een jongen over wie veel zorgen zijn geweest en waarbij die zorgen tot op heden blijven bestaan. Klagers visie op deze zorgen week en wijkt echter af van de visie van de hulpverlening die bij [zoon 1] is betrokken. Klager neemt met name beklaagde veel kwalijk van wat er mislukt is c.q. mislukt en hoe het in algemene zin ging en gaat met zijn zoon. Beklaagde herkent zich niet in de vele negatieve, grove en beledigende kwalificaties die klager van hem geeft (bijv. ‘volslagen zieke ziel’, zie bijlage bij de klacht d.d. 11 december 2016).

Klager bleef en blijft in mails en brieven zijn zorgen uiten om [zoon 1] en [zoon 2], maar volhardt in zijn weigering om in gesprek te gaan. Na de uitspraak van de kinderrechter d.d. 3 december 2013, waarbij de bezoeken met beide kinderen zijn gewijzigd naar begeleide bezoeken heeft klager zich teruggetrokken. Klager heeft aangegeven geen contact meer te willen met zijn kinderen om hen de rust te geven waarvan de hulpverlening vindt dat zij die nodig hebben. Klager wilde geen contact meer met beklaagde, waardoor het contact stil is komen te liggen. Telefonisch contact was op dat moment al geruime tijd niet meer haalbaar. Klager bleef en blijft volhouden dat het contact moet blijven lopen via zijn advocaat. Hij wil wel informatie ontvangen maar hij wil geen contact en geen gesprekken met beklaagde. Klager wil zonder eigen initiatief of actie informatie ontvangen over zijn kinderen. Omdat klager echter geen ouderlijk gezag heeft, heeft hij niet zonder meer recht op (gedetailleerde) informatie. Hierdoor is er een patstelling ontstaan waardoor het contact schaars is geworden. Klager heeft verschillende uitnodigingen ontvangen om in gesprek te gaan met teammanagers en beklaagde. Echter blijft de patstelling bestaan omdat klager pas in gesprek wil nadat hij de dossiers van zijn beide zoons heeft ontvangen.

Contact tussen [zoon 1] en klager
Beklaagde hecht er tevens aan het één en ander op te merken over de omgang en het contact tussen klager en zijn kinderen. Aanvankelijk had [zoon 1], toen hij in [instelling] verbleef in 2013, nog contact met klager. Klager is enkele keren, zij het beperkt, op bezoek geweest in [instelling]. De bezoeken van klager brachten bij [zoon 1] ernstige spanningen teweeg, die tot uiting kwamen in verbale en fysieke agressie. Doordat klager uitspraken tegen [zoon 1] deed over zijn moeder, ontstond er bij [zoon 1] verzet tegen zijn moeder. Tijdens de behandeling bij [instelling] is ingestoken op het contact tussen [zoon 1] en zijn ouders. [Zoon 1] wilde echter op enig moment geen contact meer met zijn vader.

Beklaagde heeft altijd zoveel mogelijk het onderwerp besproken met [zoon 1]. Ook voor de hulpverlening is contact tussen [zoon 1] en zijn vader altijd onderwerp van gesprek geweest. Op enig moment was de problematiek bij [zoon 1] echter van dien aard dat het contact met klager minder prioriteit kreeg. Er volgde een periode die werd gekenmerkt door weglopen en vermissingen. Inmiddels is [zoon 1] gestart met zijn behandeling. De huidige behandeling van [zoon 1] richt zich op diverse zaken waaronder het contact met ouders. Tijdens de intake heeft beklaagde toegelicht wat de relevante ontwikkelingen zijn geweest in het contact met ouders in het verleden tot nu.

Contact tussen [zoon 2] en klager
Met betrekking tot [zoon 2] geldt dat hij later onder toezicht is gesteld dan [zoon 1]. Voordien kreeg hij al hulp vanuit de Opvoedpoli. Van hieruit kreeg hij ambulante hulp en behandeling. Gedurende deze behandeling is uitgebreid stilgestaan bij het contact tussen [zoon 2] en klager, ook nadat er geen bezoeken meer plaatsvonden.

In evaluatiegesprekken met de Opvoedpoli, beklaagde en moeder is het onderwerp besproken en invulling gegeven aan de begeleiding door de Opvoedpoli.

Los van de ouders heeft beklaagde vóór het indienen van het verzoek voor begeleid bezoek, op 3 september 2013, op 16 september 2013 en op 13 oktober 2013 met [zoon 2] gesprekken gevoerd op school. Hierbij heeft beklaagde gebruik gemaakt van de methodiek ‘Signs of safety’, onder andere door het tekenen van drie huizen. Verder heeft beklaagde uitleg gegeven over de stappen die hij heeft gezet om de verandering in de omgang met klager vorm te geven en over het verzoek om de bezoeken voortaan onder begeleiding te laten plaatsvinden. Beklaagde heeft het contact met ouders en broer [zoon 1] op speelse wijze met [zoon 2] besproken.

[Zoon 2] ondervond veel angsten en spanningen rondom te bezoeken van klager. Deze zijn door de Opvoedpoli opgepakt. In de periode van de OTS heeft [zoon 2] aangegeven wel bezoeken te willen van zijn vader maar niet zonder aanwezigheid van zijn broer [zoon 1]. Nadat de bezoeken waren gestopt, ervaarde [zoon 2] veel rust en stabiliteit. De OTS is geëindigd in 2015, de hulp vanuit de Opvoedpoli is nog een korte tijd doorgelopen.

Conclusie
Beklaagde verzoekt het College om klager primair niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht en subsidiair de klacht(en) van klager af te wijzen als zijnde onbewezen en/of ongegrond.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

Ontvankelijkheid klacht
De mondelinge behandeling ter zitting heeft aangetoond dat beklaagde weet waar de klacht van klager op ziet en hij heeft zich daartegen ook behoorlijk kunnen verweren. Het College verklaart klager derhalve ontvankelijk in zijn klacht.

Beoordeling klacht
Beklaagde is sinds 19 maart 2013 de gezinsvoogd van [zoon 1] en sinds 31 mei 2013 ook van [zoon 2]. Als gezinsvoogd is het de taak van beklaagde om het welzijn van de twee kinderen te waarborgen en voor hen een adequate omgeving te zoeken. Uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting heeft het College kunnen constateren dat het door toedoen van beklaagde is geweest dat het slecht met beide kinderen gaat en dat [zoon 1] diverse justitiecontacten heeft.

Het College stelt tevens vast dat het beklaagde niet kan worden verweten dat klager het gevoel heeft gekregen dat hij als een slechte vader wordt neergezet in zijn omgeving en als vader niet serieus wordt genomen.

Het College sluit de ogen niet voor de omstandigheid dat het voor klager lastig is om invulling te geven aan het vaderschap door het minimale contact dat klager met zoon [zoon 2] heeft en het algehele gebrek aan contact met zoon [zoon 1]. De moeilijke positie waarin klager zich daardoor bevindt, maakt het oordeel van het College over het handelen van beklaagde in deze echter niet anders. De klacht is derhalve ongegrond.

Conclusie:
Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

− verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 1 juni 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort
voorzitter secretaris