Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdzorgwerker, betrokken in het drangkader, heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld omtrent de communicatie met klaagster. Zij heeft klaagster geen gelegenheid geboden te reageren op een conceptrapportage en klaagster is onvoldoende geïnformeerd over de pleegzorgplaatsing van haar zoon.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter;
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot;
mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [Woonplaats], ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als medewerker bij [GI1], hierna te noemen: [GI1].

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, [gemachtigde], werkzaam bij AKJ te [Vestigingsplaats].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 28 oktober 2016, binnengekomen op 8 november 2016, met de bijlagen;
– het verweerschrift van 16 januari 2017, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder met het gezag van de minderjarige, [zoon], geboren op [geboortedatum] 2000, hierna te noemen: de zoon.

2.2

Op 6 februari 2016 wordt de zoon naar aanleiding van een crisisinterventie door [GI2] en de politie, met instemming van klaagster, in een crisisopvang te [Vestigingsplaats] geplaatst. De evaluatie van de crisisplaatsing vindt plaats op 23 februari 2016. Vanaf deze datum, 23 februari 2016, wordt de begeleiding van klaagster en de zoon in het drangkader vanuit [GI2] overgenomen door [GI1].

2.3

Op 23 maart 2016 wordt de zoon in een pleeggezin geplaatst. Klaagster gaat akkoord met de pleegzorgplaatsing. De instelling [jeugd- en opvoedhulporganisatie] geeft uitvoering aan de pleegzorgbegeleiding.

2.4

Naar aanleiding van een (geëscaleerd) gesprek op 12 april 2016 tussen beklaagde en klaagster, treedt beklaagde op 13 april 2016 in overleg met een gedragswetenschapper van [GI1]. Dit overleg resulteert erin dat beklaagde aanleiding ziet om een Jeugdbeschermingstafel voor de zoon te beleggen. Ter voorbereiding van de Jeugdbeschermingstafel stelt beklaagde een conceptrapportage vanuit [GI1] op. De conceptrapportage is op 28 april 2016 goedgekeurd door een gedragswetenschapper van [GI1]. Op 29 april 2016 wordt door beklaagde de conceptrapportage naar de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) en klaagster verstuurd. Klaagster wordt op 29 april 2016 tevens uitgenodigd voor de Jeugdbeschermingstafel van 3 mei 2016 om 14:00 uur. Naar aanleiding van de Jeugdbeschermingstafel van 3 mei 2016 ziet de Raad geen gronden om een onderzoek te starten.

2.5

Na overleg met de pleegzorgwerker op 13 juni 2016 en met een gedragswetenschapper van [GI1] op 15 juni 2016 wordt besloten dat de begeleiding vanuit [GI1] per 21 juni 2016 zal worden afgesloten. Klaagster en de zoon worden daarvan per e-mail op de hoogte gebracht op 21 juni 2016.

2.6

Op 8 augustus 2016 vindt een klachtgesprek plaats tussen klaagster en de teammanager van [GI1] naar aanleiding van de door klaagster ingediende klacht tegen beklaagde. Op 13 september 2016 ontvangt klaagster naar aanleiding van het klachtgesprek de rapportage van [GI1] met de door haar benoemde correcties en aanvullingen en tevens ontvangt zij het verslag van het klachtgesprek.

2.7

Beklaagde is werkzaam als medewerker [GI1] en is sinds 23 februari 2016 tot 21 juni 2016 in het drangkader vanuit [GI1] de verantwoordelijke medewerker en contactpersoon voor klaagster en de zoon geweest.

2.8

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

I

Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld door contant geld te vragen. Klaagster heeft contant geld aan beklaagde moeten geven voor de reiskosten van de zoon. Op 10 maart 2016 heeft klaagster aan beklaagde voor de reiskosten € 300,- gegeven. Door het aannemen van contant geld, zonder enkele kwitantie of andere vormen van bewijs, heeft beklaagde niet gehandeld binnen de grens van een bekwame beroepsuitoefening. Dit maakt dat beklaagde klaagster in een afhankelijke positie gemanoeuvreerd heeft en dat beklaagde de hulpverlening niet op een transparante wijze heeft uitgevoerd.

II

Beklaagde is nalatig geweest in het informeren van klaagster over de stand van zaken betreffende de hulpverlening van de zoon. Beklaagde heeft in de periode van 23 februari 2016 tot 12 april 2016 geen enkele informatie aan klaagster verstrekt over deze hulpverlening.

III

Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld door aan te sturen op beperking van het contact tussen klaagster en de zoon in plaats van contact te stimuleren.

IV

Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld door klaagster geen inzage te geven in, en instemming te vragen over de conceptrapportage, zodat in de definitieve rapportage op geen enkele manier de visie van moeder was terug te vinden. Klaagster is enorm geschrokken van de, wat haar betreft tendentieuze, rapportage. Klaagster meent dat beklaagde niet zorgvuldig heeft geluisterd, waardoor een totaal verkeerde interpretatie aan haar verhaal is gegeven. Volgens de instructies van [GI1] dienen gezaghebbende ouders actief betrokken te worden bij het opstellen van een rapportage. Beklaagde heeft zich hier niet aangehouden.

V

Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld ten tijde van de pleegzorgplaatsing door moeder geen kennis te laten maken met het pleeggezin en het adres zonder redenen geheim te houden. Klaagster acht het van groot belang dat beklaagde in staat is te motiveren waarom zij tot het oordeel is gekomen dat sprake moest zijn van een geheime plaatsing. Klaagster is tevens van mening dat het te lang heeft geduurd voordat zij als gezaghebbende ouder kennis heeft kunnen maken met de pleegzorgorganisatie en de pleegouders.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

Beklaagde betwist dat zij contant geld in ontvangst heeft genomen. Het klopt dat beklaagde klaagster heeft verzocht een bijdrage te leveren aan de reiskosten van de zoon. Klaagster heeft echter aangegeven niet over de nodige financiële middelen te beschikken, hetgeen maakt dat klaagster op 10 maart 2016 geen geld aan beklaagde heeft gegeven.

II

Beklaagde heeft tijdens het gesprek van 23 februari 2016 klaagster toegezegd dat zij klaagster per e-mail op de hoogte zou houden van de ontwikkelingen van de zoon. Beklaagde erkent dat het na dit gesprek een tijd geduurd heeft voordat beklaagde contact opgenomen heeft met klaagster. De reden hiervan is dat beklaagde niet over het e-mailadres van klaagster beschikte. Dit is misgegaan in de overdracht van [GI2] naar [GI1]. Tot 10 maart 2016 is er om deze reden, behoudens sms-berichten, geen contact geweest tussen beklaagde en klaagster. Beklaagde begrijpt dat het beter was geweest wanneer zij eerder met klaagster contact zou hebben gehad.

III

Beklaagde betwist uitdrukkelijk dat zij heeft aangestuurd op een beperking in het contact tussen klaagster en de zoon. Klaagster heeft rechtstreeks contact gehad met de zoon, van een beperking door beklaagde daarin is geen sprake geweest. Beklaagde heeft dit reeds in diverse e-mailberichten aan klaagster kenbaar gemaakt.

IV

Beklaagde heeft bij het opstellen van de conceptrapportage grotendeels gebruik gemaakt van de rapportage van [GI2]. Beklaagde ging ervan uit dat klaagster met de inhoud van de conceptrapportage akkoord was en dat beklaagde, door aan te geven dat het een conceptrapportage was, dit kon toezenden naar de Raad. Achteraf bezien begrijpt beklaagde dat het beter was geweest als zij klaagster vooraf toestemming had gevraagd. In een volgend vergelijkbaar geval zal beklaagde de toestemming van de betrokkenen vragen.

V

De plaatsing van de zoon in het pleeggezin was, in overleg met de pleegzorgbegeleiding, in beginsel een geheime plaatsing. Er waren hiervoor meerdere redenen. Een van de redenen was het zorgelijke gedrag van klaagster richting de zoon, evenals haar uitspraken richting beklaagde. Zowel [GI1] als de pleegzorgbegeleiding achtten het noodzakelijk dat de start van de pleegzorgplaatsing goed en rustig zou verlopen. Voorts is de geheime plaatsing in overleg met de zoon besloten. Beklaagde heeft hierbij het belang van de zoon voorop gesteld. Beklaagde heeft aan klaagster meerdere malen aangegeven dat zij in gesprek met klaagster en de pleegzorgbegeleiding wilde om afspraken te maken over de plaatsing en kennismaking. Van dat aanbod heeft klaagster, tot aan de Jeugdbeschermingstafel op 3 mei 2016, geen gebruik gemaakt.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

Op grond van de ingebrachte stukken en het behandelde ter zitting wordt allereerst door het College geconstateerd dat klaagster en beklaagde elkaar op het gebied van communicatie niet hebben kunnen vinden. Dat beklaagde tijdens de eerste ontmoeting op 23 februari 2016 heeft toegezegd dat zij klaagster per e-mail op de hoogte zou houden van de ontwikkelingen van de zoon en dat zij vervolgens deze belofte (in de eerste twee weken na haar betrokkenheid) niet heeft kunnen nakomen, heeft een bijdrage geleverd aan de spaak gelopen communicatie. Zowel klaagster als beklaagde hebben ter zitting (h)erkend dat zij elkaar op het gebied van communicatie niet hebben kunnen vinden.

I

Het College overweegt dat beklaagde op 10 maart 2016 op huisbezoek bij klaagster is geweest. Voorafgaand aan dit huisbezoek heeft beklaagde klaagster verzocht geld te overhandigen voor de reiskosten van de zoon. Omdat klaagster niet over de financiële middelen beschikte, heeft zij tijdens het huisbezoek van 10 maart 2016 geen geld aan beklaagde overhandigd. Dit hebben zowel klaagster als beklaagde ter zitting erkend. Nu het klachtonderdeel slechts toeziet op het huisbezoek van 10 maart 2016, wordt het klachtonderdeel ongegrond verklaard.
Uit de stukken en ter zitting is echter gebleken dat klaagster op een eerder moment, tijdens de evaluatie van de crisisplaatsing op 23 februari 2016, op verzoek van de voorganger en in bijzijn van beklaagde, € 150,- contant geld aan de zoon heeft overhandigd. Beklaagde is tijdens deze evaluatie aanwezig geweest en heeft dit gegeven ter zitting niet betwist. Om misverstanden te voorkomen, merkt het College ten overvloede op dat bij het overhandigen van contanten het de aanbeveling verdient een kwitantie aan de betrokkene(n) te verstrekken.

II

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, overweegt het College dat het beklaagde tot in ieder geval 10 maart 2016 niet gelukt is om het e-mailadres van klaagster te achterhalen. Beklaagde heeft ter zitting naar voren gebracht dat, nu zij niet over het e-mailadres van klaagster beschikte en haar belofte was dat zij klaagster zou e-mailen, zij geen andere mogelijkheden zag om contact op te nemen met klaagster. Het College betreurt het dat beklaagde geen andere mogelijkheden heeft gezien om contact op te nemen met klaagster. Naar het oordeel van het College had beklaagde ook op andere wijze contact kunnen zoeken met klaagster, en had zij uit kunnen leggen waarom het contact per e-mail niet tot stand kwam. Zo had beklaagde het e-mailadres per sms bij klaagster kunnen opvragen, nu beklaagde wel over haar telefoonnummer beschikte. Een brief per post sturen was ook mogelijk geweest. Op 10 maart 2016 is er wel contact geweest tussen klaagster en beklaagde, maar in de periode na 10 maart 2016 is de communicatie tussen beklaagde en klaagster verder spaak gelopen. Het is beklaagde ten tijde van haar betrokkenheid volgens het College onvoldoende gelukt om op betrekkingsniveau met klaagster te communiceren. Het gevolg hiervan is geweest dat klaagster niet op een juiste wijze is geïnformeerd betreffende de hulpverlening van de zoon. Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard. Beklaagde heeft in strijd gehandeld met de artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

III

Hoewel klaagster gesteld heeft dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door aan te sturen op beperking van het contact tussen klaagster en de zoon, is van een beperking in het contact tussen beiden niet gebleken noch is dit klachtonderdeel door klaagster onderbouwd. Nu de vaststelling van deze feiten ontbreekt, kan het College hier geen oordeel over geven. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

IV

Beklaagde heeft in de stukken en ter zitting erkend dat het achteraf bezien beter was geweest als zij klaagster vooraf toestemming had gevraagd met betrekking tot het toezenden van de conceptrapportage naar de Raad. Ter zitting heeft beklaagde aangegeven dat zij heeft geleerd van deze casus en dat zij sindsdien in soortgelijke gevallen eerst toestemming van de betrokkene(n) vraagt alvorens een rapportage door te sturen. Het College is van oordeel dat, gelet op artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, het op de weg van beklaagde had gelegen om klaagster de gelegenheid te bieden om een reactie te kunnen geven op de opgestelde conceptrapportage. Hoewel klaagster wel de conceptrapportage toegestuurd gekregen heeft, is zij door beklaagde niet uitgenodigd hierop (schriftelijk) te reageren. Ook ten aanzien van dit klachtenonderdeel oordeelt het College dat de spaak gelopen communicatie tussen klaagster en beklaagde hieraan ten grondslag heeft gelegen. Nu klaagster onvoldoende is meegenomen in het opstellen c.q. het aanvullen van de (concept)rapportage, is het College van oordeel dat beklaagde in strijd gehandeld heeft met artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

V

Ten aanzien van de geheime plaatsing van de zoon overweegt het College het volgende. Allereerst stelt het College vast dat de zoon ten tijde van de pleegzorgplaatsing vijftien jaar is geweest en dat beklaagde bij klaagster en de zoon in het drangkader betrokken is geweest. De leeftijd van de zoon en het kader waarin beklaagde betrokken is geweest, maakt dat beklaagde de informatie over de hulpverlening van de zoon, in dit geval de pleegzorgplaatsing, kenbaar bij klaagster had moeten maken. Beklaagde heeft echter in de stukken en ter zitting geprobeerd uit te leggen welke grondslag aan het besluit van de geheime pleegzorgplaatsing heeft gelegen. Allereerst was dit besluit in overleg met de pleegzorgbegeleiding genomen. Ten tweede heeft het zorgelijke gedrag van klaagster richting zowel de zoon als richting beklaagde aan dit besluit ten grondslag gelegen. Voorts heeft beklaagde de wensen van de zoon in dit besluit meegenomen. Tot slot heeft beklaagde meermaals aan klaagster aangegeven dat zij in gesprek met klaagster (in aanwezigheid van klaagsters behandelaar) en de pleegzorgbegeleiding wilde om afspraken te maken over de (geheime) pleegzorgplaatsing en over de kennismaking met het pleeggezin. Klaagster is op deze voorstellen niet ingegaan. Het College betreurt het ten zeerste dat ook ten aanzien van dit onderdeel de communicatie tussen beklaagde en klaagster spaak gelopen is. Alhoewel het College de voornoemde overwegingen van beklaagde kan volgen, neemt dit niet weg dat het College van oordeel is dat beklaagde de informatie betreffende de pleegzorgplaatsing van de zoon reeds in een eerder stadium (namelijk ten tijde van de plaatsing van de zoon in het pleeggezin) met klaagster had moeten delen. Van een geheime plaatsing in het drangkader kan volgens het College, mede gelet op de leeftijd van de zoon, immers geen sprake zijn. Juist de vrijwilligheid van het drangkader maakt dat de instemming van de gezaghebbende ouder over de hulpverlening (voor de zoon) noodzakelijk is. Nu beklaagde verzuimd heeft klaagster voldoende te informeren over de pleegzorgplaatsing van de zoon en beklaagde betrokken is geweest in het drangkader, is het College van oordeel dat beklaagde in strijd gehandeld heeft met de artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

5.3

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen II, IV en V een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College houdt echter rekening met het feit dat beklaagde slechts een korte periode betrokken is geweest bij klaagster en dat de schending van de Beroepscode met name ziet op de communicatie tussen beklaagde en klaagster. Het College wil beklaagde erop wijzen dat zij dient in te zien dat kleine communicatiemisverstanden aanzienlijke gevolgen kunnen hebben, het College neemt aan dat deze beslissing bijdraagt aan deze bewustwording. Het College neemt voorts in overweging dat ten aanzien van klachtonderdeel IV, en meer in het bijzonder ten aanzien van het opstellen van een (concept)rapportage, beklaagde ter zitting blijk gegeven heeft van zelfreflectie en dat zij heeft aangegeven lering uit deze casus te hebben getrokken. Dit alles is voor het College aanleiding om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
– verklaart klachtonderdelen I en III ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen II, IV en V gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 14 juli 2017 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris