Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen een jeugdbeschermer over beperkte omgang met de uit huis geplaatste kinderen, vooringenomenheid en onvoldoende betrekken bij het opvoedingsperspectief, en het dwingen tot het geven van toestemming voor niet noodzakelijke medische handeling.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
Mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door de heer M.E. Kranenburg, werkzaam bij AKJ.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. I.M.I. Apperloo, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 17 maart 2017, met de bijlagen en aanvullingen;
– het verweerschrift van 6 juni 2017, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en hun gemachtigden voornoemd. Als toehoorder van de zijde van beklaagde was tijdens de mondelinge behandeling aanwezig: [toehoorder], teammanager.
Het derde lid-beroepsgenoot was door overmacht niet in staat deel uit te maken van het College. Zulks is door de voorzitter bij aanvang van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld; partijen hebben desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen afhandeling van de zaak door het College in de samenstelling, zoals hierboven vermeld.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4], geboren op respectievelijk [geboortedatum] 2005, [geboortedatum] 2007, [geboortedatum] 2010 en [geboortedatum] 2011, hierna tezamen te noemen: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, zijn thans gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over alle vier de kinderen. Tot medio 2016 was de moeder alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4].

[Minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn van juli 2009 tot oktober 2014 onder toezicht gesteld geweest. [Minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] staan sinds 23 maart 2015 onder toezicht van de GI. Deze ondertoezichtstelling is sedertdien steeds verlengd.

De kinderen zijn sinds 15 december 2015 op grond van een daartoe strekkende machtiging gedurende dag en nacht uit huis geplaatst. [Minderjarige 1] en [minderjarige 4] zijn samen in een pleeggezin geplaatst, en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn samen in een ander pleeggezin geplaatst.

De kinderen zijn opgegroeid in een gezin waarin sprake is van jarenlange relatieproblematiek tussen de ouders en verbaal en huiselijk geweld waarvan de kinderen getuige zijn geweest.
De GI heeft het toekomstperspectief onderzocht door middel van dossieranalyse en de beoordelingsboog van [pleegzorgaanbieder]. Op 25 juli 2016 heeft [pleegzorgaanbieder] geadviseerd de kinderen niet terug te plaatsen bij de moeder en niet te plaatsen bij de vader.

In december 2016 heeft [jeugdhulpaanbieder 1] rapport uitgebracht aangaande de voortgang van de behandeling van de kinderen. De resultaten sluiten aan bij het advies van [pleegzorgaanbieder] en het toekomstperspectief dat de GI voor ogen heeft.

2.3

Ten aanzien van de in het gezin in de afgelopen jaren ingezette hulpverlening en de andere feiten en omstandigheden heeft het gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 14 februari 2017 het volgende overwogen:
“De ouders hebben van 2007 tot 2009 ondersteuning gehad van maatschappelijk werk. Nadat de moeder de vader in 2009 heeft verlaten, is zij opgevangen in een Blijfhuis en heeft zij zelf een periode ondersteuning van maatschappelijk werk gehad. In 2010 heeft [pleegzorgaanbieder] mediation aangeboden, welk aanbod door de vader is afgewezen. De strijd tussen de ouders in aanwezigheid van de kinderen hield aan. Daarnaast had de moeder een irreële bezorgdheid om de gezondheid van de kinderen. Zij stelde hen bloot aan onnodige medische onderzoeken, wisselde regelmatig van huisarts en meldde de kinderen veelvuldig ziek op school.
[Jeugdhulpaanbieder 2] is in 2014 betrokken bij het gezin en heeft geconstateerd dat de kinderen belast zijn door de vele conflicten en huiselijk geweld in de vorm van fysiek en verbaal geweld. In dezelfde periode is door het [ziekenhuis] een melding bij het AMK gedaan vanwege de angst van de moeder voor ziekte bij de kinderen, welke angst voor de kinderen belastend was. Om uithuisplaatsing te voorkomen achtte [jeugdhulpaanbieder 2] het noodzakelijk dat de ouders zouden meewerken aan het opstellen van een veiligheidsplan, dat er ambulante opvoedingsondersteuning zou worden ingeschakeld en dat een vertrouwensarts voor de moeder zou worden ingezet om haar zorgen weg te nemen.
De kinderen zijn verwezen naar [jeugdhulpaanbieder 1] voor therapie en behandeling van hun trauma’s, maar de moeder heeft hulpverlening door [jeugdhulpaanbieder 1] afgewezen. Ook de vertrouwensarts is door de moeder afgewezen. Zij heeft laten weten dat zij voor zichzelf evenmin hulpverlening wenst. Vanwege de aanhoudende strijd tussen de ouders is het opstellen van een veiligheidsplan onder begeleiding van [jeugdhulpaanbieder 3] niet (tijdig) gelukt.
Nadat de oudste zoon zich op 14 december 2015 ’s avonds op het kantoor van de GI heeft gemeld en vertelde dat de moeder hem in het gezicht had geslagen en dat hij niet meer naar huis wilde, zijn de kinderen een dag later met spoed uit huis geplaatst. Recent zijn de ouders er alsnog in geslaagd om met ondersteuning van [zorgaanbieder] een veiligheidsplan op te stellen.

De moeder heeft een persoonlijkheidsstoornis NAO en is erg gericht op details. Zij heeft niet of nauwelijks een netwerk dat haar ondersteunt. Zij is voortdurend overbelast door de zorg voor de vier kinderen en neemt te weinig leiding over hen, hetgeen bij de kinderen leidt tot zelfbepalend gedrag. Zij is sinds ongeveer twee jaar in behandeling bij haar psychiater. Tijdens de behandeling, een langdurig traject, leert zij hoofd- van bijzaken te onderscheiden, op een niet-agressieve manier een gesprek te voeren en te herkennen wat de intenties van een gesprekpartner zijn. In periodes dat de moeder spanning voelt, verloopt de communicatie met haar niet goed.

Ten aanzien van de kinderen is uit het verhandelde ter zitting en de stukken in het dossier het volgende gebleken. De kinderen hebben ieder hun eigen problematiek. [Minderjarige 1] heeft duidelijk veel moeite om over zijn verleden te praten. Hij heeft moeite om zijn gevoelens onder woorden te brengen en lijkt zich terug te trekken in verdriet en/of angst. Er zijn aanwijzingen voor een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast zijn er zorgen over zijn grote mate van verantwoordelijkheidsgevoel. [Minderjarige 2] lijkt te kampen met gevoelens van boosheid en onmacht. Hij lijkt te zijn tekort gekomen in emotionele ondersteuning en begeleiding. [Minderjarige 3] vermijdt het om te praten over de nare gebeurtenissen in zijn leven.
Voor de kinderen is het nodig dat de nare gebeurtenissen in het verleden bespreekbaar worden en dat zij samen een levensverhaal maken. Daarnaast is TGV begeleiding van de opvoeders nodig, gericht op traumasensitief opvoeden. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is voorts individuele dan wel groepsbehandeling nodig. [Minderjarige 3] heeft PCIT training nodig en voor [minderjarige 4] is nodig dat er aandacht komt voor zijn spraak- en taalontwikkeling.
De kinderen hebben het bij de pleegouders naar hun zin. Zij zijn gehecht aan de pleegouders en lijken er rust te ervaren.

Gebleken is dat voor de kinderen hulpverlening noodzakelijk is, terwijl de moeder hulpverlening voor de kinderen in het verleden telkens heeft afgehouden of naar eigen inzicht heeft willen vormgeven. De moeder heeft vanwege haar eigen functioneren hulpverlening nodig. Gezien haar eigen problematiek is het de moeder tot op heden niet gelukt om de kinderen, die hun eigen problematiek hebben, te bieden wat zij nodig hebben. Bovendien is nog niet duidelijk of de strijd tussen de ouders definitief is geëindigd. Na jarenlange conflicten waar de kinderen getuige van zijn geweest en in welke periode de ouders niet in staat zijn gebleken de belangen van de kinderen voorop te stellen, zijn de moeder en de vader sinds enkele maanden onder begeleiding van een mediator in staat om met elkaar te overleggen. Dat is positief. Deze ontwikkeling is echter (veel) te pril om de thuissituatie bij de moeder op dit moment als stabiel, rustig en veilig aan te merken.”

Het gerechtshof heeft bij genoemde beschikking van 14 februari 2017 bepaald dat er op dit moment geen aanleiding is om de machtiging uithuisplaatsing te beëindigen en dat, alvorens verder te beslissen, hij het NIFP zal verzoeken een deskundige een onderzoek te laten uitvoeren, waarin –voor zover in deze van belang- dient te worden onderzocht of er (contra-)indicaties voor thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder zijn.

2.4

In april 2016 heeft de GI op advies van [pleegzorgaanbieder] bepaald dat de ouders eenmaal per twee weken begeleide omgang hebben met de kinderen, en dat de kinderen elkaar eenmaal per maand zien bij de pleegouders. Ouders zijn het niet eens met deze omgangsregeling en hebben zich ter zake vervolgens tot de rechtbank gewend. De rechtbank heeft vervolgens de omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen verruimd, en klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek omdat er geen sprake was van een schriftelijke aanwijzing doordat klager op dat moment geen gezag had over [minderjarige 2, minderjarige 3 en minderjarige 4].

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en sinds december 2015 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Beklaagde is namens de GI dan ook contactpersoon voor ouders.

2.6

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klager beklaagde het volgende:

I

Dat zij geen antwoord heeft gegeven op de vragen van klager over de reden van zijn beperkte bezoekregeling met zijn kinderen. Klager heeft namelijk slechts eenmaal per twee weken omgang met de kinderen terwijl de moeder tweemaal per week omgang heeft; de reden van het verschil is klager niet duidelijk. Het antwoord van beklaagde dat dit in het belang is van de kinderen, acht klager niet toereikend.

II

Dat zij vanuit vooringenomenheid werkt, klager onvoldoende heeft betrokken bij het opvoedingsperspectief van de kinderen en dat klager geen kans is gegeven om aan te tonen dat het opvoedingsperspectief bij hem als vader goed zou zijn voor de kinderen;

Toelichting:
Klager stelt dat beklaagde in december 2015 heeft besloten dat het toekomstperspectief niet meer thuis bij ouders is. Klager meent dat zij nadien met oogkappen op heeft ingezet op het onderbouwen van die mening. Tijdens verschillende sessies heeft beklaagde klager lijnrecht tegenover de moeder gezet, met als gevolg dat de communicatie niet op gang kwam. De eerdere ondertoezichtstelling is opgeheven op basis van een zeer positief rapport van [jeugdhulpaanbieder 2]; het is niet juist dat daarover niets is vermeld in de huidige rapportages.
Klager geeft aan dat ouders ter zitting bij de rechtbank op 29 februari 2016 voor het eerst van beklaagde hebben vernomen dat zij dit toekomstperspectief voor zich zag. Voorts geeft klager aan dat beklaagde hem in maart 2016, slechts een dag voor het overleg over het veiligheidsplan, heeft gezegd dat het opstellen van een veiligheidsplan niet door zou gaan. Beklaagde heeft klager toen als onderbouwing aangegeven dat er een beoordelingsboog van [pleegzorgaanbieder] op basis van het dossieronderzoek van de GI zou komen, op grond waarvan het toekomstperspectief zou worden bepaald. Deze onderzoeken zijn een wassen neus omdat kennelijk al in februari 2016 het perspectief vaststond. Beklaagde was opdrachtgever voor [pleegzorgaanbieder] en daardoor is [pleegzorgaanbieder] niet neutraal; bovendien is het advies van [pleegzorgaanbieder] gebaseerd op een door beklaagde aangedikt rapport. Klager vindt dat de ouders verdergaand betrokken hadden moeten worden bij het bepalen van het toekomstperspectief van de kinderen.
Klager meent dat ten aanzien van [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geen hulp noodzakelijk is die een thuisplaatsing in de weg staat, en dat voor [minderjarige 1] plaatsing bij klager een reële mogelijkheid is.
Klager kan zich daarnaast niet vinden in het rapport van [jeugdhulpaanbieder 1], en meent dat het onderzoek heeft plaatsgehad op basis van onjuiste informatie van beklaagde in die zin dat niet is gemeld dat de machtiging uithuisplaatsing was afgegeven voor een kortere periode. Bovendien is het standpunt van [jeugdhulpaanbieder 1] dat de behandeling van de kinderen en TGV niet kan worden gestart omdat de situatie is gewijzigd, onjuist. De situatie is immers niet gewijzigd.

III

Dat zij niet samenwerkt met ketenpartners, in die zin dat zij zich onvoldoende heeft ingezet voor een goede samenwerking met de [zorgaanbieder]. Klager verwijst ter zake naar een brief van de psychiater van de moeder. Klager meent dat beklaagde hierdoor buiten de grenzen van haar beroep is getreden en op de stoel is gaan zitten van de [zorgaanbieder].

IV

Dat zij hem dwingt toestemming te geven voor een medische handeling bij [minderjarige 3] die niet medisch noodzakelijk is. Beklaagde heeft gedreigd een verzoek vervangende toestemming medische behandeling in te dienen bij de rechtbank als klager geen toestemming zou geven. Uit de informatie van het ziekenhuis blijkt echter dat het niet gaat om een medisch noodzakelijke ingreep.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

I

De door de GI bepaalde omgangsregeling is te herleiden tot een advies van [pleegzorgaanbieder] om meer rust voor de kinderen te creëren. Dit advies is tot stand gekomen op basis van onder meer een gesprek met klager, de moeder, de kinderen en de pleegouders. Ook is gekeken naar de ontwikkeling van de kinderen. De GI acht meer omgang niet in het belang van de kinderen. De aan de moeder hieromtrent gegeven schriftelijke aanwijzing is door de rechter aangepast. Klager werd echter niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek zodat deze regeling niet door de rechter is aangepast. Klager is volledig op de hoogte van het hoe en waarom van de beperktere omgangsregeling.

II

Beklaagde heeft op grond van door deskundigen opgemaakte rapportage aangegeven dat het toekomstperspectief van de kinderen in beginsel niet meer bij de ouders ligt. Van vooringenomenheid is geen sprake; de visie is gebaseerd op gefundeerd onderzoek waarin het belang van de kinderen voorop is gesteld. Bovendien bepaalt de rechter het toekomstperspectief van de kinderen en niet beklaagde.
De complexe voorgeschiedenis heeft uiteindelijk geleid tot een situatie waarin klager zijn kinderen minder vaak ziet dan hij wil. Klager zou theoretisch alleen in de praktijk kunnen aantonen dat hij, anders dan uit de opgemaakte rapportages blijkt, geschikt zou zijn om de kinderen op te voeden. Het behoort niet tot de bevoegdheden van de jeugdbeschermer om deze praktijk te realiseren, buiten alle onderzoeksresultaten en multidisciplinaire beslissingen om.
In april 2016 heeft beklaagde nog aangegeven dat het goed is als beide ouders ervan doordrongen zijn dat zij met elkaar moeten gaan samenwerken om een veiligheidsplan te maken. [Jeugdhulpaanbieder 1] is benaderd om met de ouders een veiligheidsplan te maken, de kinderen te onderzoeken en te behandelen. In die fase leek het erop dat het zou gaan om een kortdurende plaatsing, waarbij het perspectief nog niet helder was, maar tegelijkertijd werden er in ouderfactoren verschillende risicofactoren gezien. Er zijn wel degelijk kansen geboden.
Mede gelet op de chronische relatieproblematiek die onderliggend is en voortdurend bij ouders speelt en het ontbreken van onderling basisvertrouwen van de ouders in elkaar, terwijl de kinderen rust en stabiliteit in de pleeggezinnen ervaren, is de GI van mening dat de uithuisplaatsing dient te worden gecontinueerd. Klager wordt onvoldoende competent geacht op het gebied van verzorging en opvoeding; hij kan wel zorgen voor huisvesting, voeding en andere praktische zaken, maar klager vindt het lastig om zich in te leven in de kinderen, waarbij tevens de vraag bestaat in hoeverre klager emotioneel beschikbaar is voor de kinderen en hoeveel hij fysiek aanwezig kan zijn voor de kinderen, vanwege een fulltime baan. Klager vindt bovendien hulp voor zichzelf niet nodig; ook niet op het gebied van agressieregulatie. Wat betreft veiligheid, bescherming bieden en respecteren van grenzen van het kind, heeft klager laten zien dit onvoldoende te kunnen bieden. Klager heeft huiselijk geweld gebruikt in de thuissituatie in aanwezigheid van de kinderen en de kinderen vertonen soms angstig gedrag. Er is sprake van een combinatie van zowel veel ouderfactoren, gezinsfactoren als kind-factoren die het risico van mishandeling en verwaarlozing groot maken, als de kinderen weer bij (één van de) ouders worden geplaatst.

III

Beklaagde velt geen (eigen) psychiatrische oordelen. Beklaagde is samen met haar teammanager met de behandelend psychiater van de moeder in overleg getreden, in samenspraak met de moeder. De GI heeft het voorstel van deze psychiater om haar praktijk de kinderen te laten onderzoeken afgewezen, omdat deze praktijk niet onafhankelijk is.

IV

De GI baseert zich op informatie van [pleegzorgaanbieder] die de hulpverlening uitvoert. [Minderjarige 3] ondervond problemen bij het plassen. Het zou om die reden wenselijk zijn om hem te besnijden, maar dit was medisch niet noodzakelijk. Klager lijkt zijn eigen belang te laten prevaleren boven het belang van zijn zoon.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I

In het eerste klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat zij geen antwoord heeft gegeven op de vragen van klager over zijn bezoekregeling.
Vast staat dat beklaagde de omgangsregeling tussen de kinderen en respectievelijk klager en de moeder heeft vastgesteld op basis van een advies van [pleegzorgaanbieder] teneinde –kort gezegd- meer rust te creëren. Het advies van [pleegzorgaanbieder] en de toelichting hierop zijn door klager als bijlage bij zijn klacht overgelegd. Voorts is door klager overgelegd een verslag van een uitvoerdersoverleg van 13 april 2016 bij welk overleg onder meer klager, de moeder, pleegzorgwerkers en beklaagde aanwezig waren. In dit verslag staat vermeld dat [pleegzorgaanbieder] op basis van observaties van de begeleide omgangsregeling, gesprekken met ouders en de kinderen een advies heeft geformuleerd, welk advies dit is en waarom. Voorts staat in dit verslag vermeld dat de GI het advies van [pleegzorgaanbieder] overneemt.
Gebleken is dat de moeder nadien de door de GI bepaalde omgangsregeling bij de rechtbank heeft aangevochten, en dat de rechtbank de schriftelijke aanwijzing van de GI ter zake de omgangsregeling met de moeder vervallen heeft verklaard en een iets uitgebreidere omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen heeft vastgesteld. Klager heeft eveneens de omgangsregeling aangevochten bij de rechtbank, maar hij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek omdat er ten aanzien van hem geen sprake was van een schriftelijke aanwijzing omdat hij op dat moment geen gezag had.
Van het dossier maakt voorts deel uit een brief van beklaagde aan klager van 23 januari 2017 waarin zij klager in antwoord op zijn vraag betreffende de frequentie van de omgangsregeling feitelijk uiteenzet hoe de totstandkoming van de omgangsregeling is verlopen.

Ter zitting heeft beklaagde naar voren gebracht dat de GI de omgangsregeling zoals destijds door haar op basis van het advies van [pleegzorgaanbieder] vastgesteld, het meest in het belang van de kinderen acht en dat zij daarom de frequentie van de omgangsregeling van klager ongewijzigd heeft gelaten, nadat de rechtbank de omgangsregeling ter zake de moeder had aangepast.

Gelet op vorenstaande is het College van oordeel dat beklaagde genoegzaam heeft uitgelegd wat reden is van de beperkte frequentie van zijn omgangsregeling met de kinderen. Dat beklaagde geen antwoord zou hebben gegeven op de vraag van klager dienaangaande, acht het College evenmin aannemelijk.

Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

II

In het tweede klachtonderdeel klaagt klager erover dat beklaagde vooringenomen is en klager onvoldoende heeft betrokken bij het opvoedperspectief van de kinderen.

Vast staat dat de GI het toekomstperspectief heeft onderzocht aan de hand van dossieranalyse en de beoordelingsboog, opgemaakt door [pleegzorgaanbieder]. De bevindingen aangaande de voortgang van de behandeling die [jeugdhulpaanbieder 1] nadien heeft uitgebracht, sloten aan bij die van [pleegzorgaanbieder] en de GI.
Klager heeft aangevoerd dat [pleegzorgaanbieder] niet neutraal zou zijn omdat zij zich baseert op informatie van de GI.
Het is het College niet gebleken dat sprake is van vooringenomenheid aan de zijde van beklaagde. De beoordelingsboog is immers een uitgebreid instrument dat pleegzorgwerkers helpt om een advies te geven over het toekomstperspectief van het kind. Beklaagde heeft tijdens de hoorzitting onweersproken verklaard dat aan de beoordelingsboog onder meer gesprekken met klager, de moeder, de kinderen en pleegouders ten grondslag lagen; in die zin is klager hierbij in ieder geval betrokken. Bij de beoordelingsboog wordt weliswaar ook gebruik gemaakt van informatie van de GI, maar deze wordt verwerkt in de verschillende factoren die systematisch worden afgewogen ten behoeve van het advies; een en ander maakt nog niet dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid.

Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de bevindingen van [jeugdhulpaanbieder 1] ondeugdelijk zijn door onjuiste informatie die beklaagde zou hebben verstrekt, en dat zulks te wijten zou zijn aan vooringenomenheid van beklaagde. Aan klager kan worden toegegeven dat in de brief van 1 december 2016 van [jeugdhulpaanbieder 1] aan beklaagde waarin de conclusies van de uitgevoerde diagnostiek weliswaar per abuis is vermeld dat de machtiging uithuisplaatsing is afgegeven tot en met december in plaats van tot 23 september 2016 en dat zulks [jeugdhulpaanbieder 1] de gelegenheid gaf om een traject te starten waarbij de toen bestaande situatie waarin de kinderen verbleven tot en met december kon worden gewaarborgd. Blijkens genoemde brief betrof dit echter informatie die naar voren is gekomen vanuit de intake op 5 juli 2016 waarbij zowel beide ouders, pleegouders, [pleegzorgaanbieder] als beklaagde aanwezig waren. Reeds om die reden is niet komen vast te staan dat het beklaagde was die de bedoelde informatie foutief aan [jeugdhulpaanbieder 1] heeft verschaft, nog los van een eventuele mogelijkheid van correctie door de aanwezigen.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

III

Het derde klachtonderdeel ziet op de klacht dat beklaagde niet samenwerkt met ketenpartners, in die zin dat zij zich onvoldoende heeft ingezet voor een goede samenwerking met de psychiater van de moeder. Ter adstructie van deze klacht heeft klager een klachtbrief bijgevoegd van de behandelend psychiater van de moeder, [psychiater] van [zorgaanbieder], gericht aan de GI, waarin de psychiater aangeeft dat beklaagde beter lijkt te weten dan artsen wat de diagnoses bij de ouder en de kinderen zijn, hoe de therapie zal verlopen en medische gegevens selectief interpreteert. Ter zitting is gebleken dat beklaagde hierop samen met haar teammanager in gesprek is gegaan met de behandelend psychiater van de moeder en dat deze psychiater vindt dat de kinderen door haar praktijk nader onderzocht zouden moeten worden, maar dat de GI zulks niet geschikt acht omdat zij als behandelend psychiater niet voldoende onafhankelijk is.

Het College acht gelet op deze gemotiveerde betwisting door beklaagde onvoldoende aannemelijk geworden dat beklaagde niet het contact aangaat met de behandelaar van de moeder. Voorts is het College van oordeel dat beklaagde door niet in te gaan op het voorstel van de behandelend psychiater van de moeder de kinderen door haar praktijk te laten onderzoeken, niet getreden is buiten de grenzen van hetgeen van haar als redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar verwacht mag worden.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

IV

In het vierde klachtonderdeel betoogt klager dat beklaagde hem dwingt toestemming te geven voor een medische behandeling bij [minderjarige 3] die niet medisch noodzakelijk is.
Het College acht gelet op de gemotiveerde betwisting door beklaagde –de ingreep was niet strikt medisch noodzakelijk maar de klachten wel zodanig hinderlijk voor [minderjarige 3] dat het wenselijk was dat hij behandeld zou worden- niet aannemelijk geworden dat beklaagde door te dreigen met een verzoek vervangende toestemming daar waar klager aangaf geen toestemming te geven voor de medische handeling, heeft gehandeld buiten haar professionele kaders. Het zou nadien aan de rechtbank zijn geweest om op dit verzoek vervangende toestemming te beslissen.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.3

Tot slot overweegt het College dat hij van oordeel is dat beklaagde zich niet alleen heeft gedragen zoals van een redelijk bekwame professional verwacht mag worden maar ook dat zij meer dan gemiddeld oog heeft gehouden voor de belangen van de kinderen in een complexe situatie.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 24 augustus 2017 aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris