Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen gedragswetenschapper over het zonder toestemming en zonder voorafgaand informeren van de vader aangaan van een behandelrelatie.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw drs. S. van der Kroon-Pantelić, lid-beroepsgenoot,
mevrouw drs. G.H.G. van Creij, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klager], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], werkzaam als teamhoofd en gedragswetenschapper bij [organisatie] te [vestigingsplaats], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

− de klachtmelding d.d. 18 oktober 2016;

− het klaagschrift d.d. 3 november 2016, met bijlage;

− het verweerschrift d.d. 16 december 2016, met bijlagen.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 6 april 2017 in aanwezigheid van beklaagde. Als gemachtigde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht opgetreden [gemachtigde] en als toehoorder van de zijde van beklaagde is aanwezig geweest: [toehoorder] (manager kwaliteit van [Organisatie]).

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Uit de relatie van klager met zijn toenmalige echtgenote (hierna: moeder) is op [geboortedatum] 2000 zoon [zoon] (hierna te noemen: [zoon]) geboren. Klager en moeder zijn thans gescheiden. Het ouderlijk gezag berust bij klager en moeder.

2.2

[Zoon] is onder toezicht gesteld, omdat er grote zorgen zijn over zijn gedrag thuis en op school en zijn ouders het niet eens kunnen worden over de hulp die ingezet zou moeten worden. De ondertoezichtstelling (hierna: OTS) wordt uitgevoerd door een [jeugdbeschermer] van de gecertificeerde instelling X. te [vestigingsplaats]. De [jeugdbeschermer] heeft van de rechtbank de opdracht gekregen om de communicatie tussen ouders, in het belang van [zoon], te verbeteren en hierbij hulpverlening voor [zoon] te organiseren.

2.3

Op 20 januari 2016 is een bepaling jeugdhulp afgegeven door instelling X. voor een combinatie van hulp aan [zoon], in de thuissituatie bij moeder en op school. Op 21 januari 2016 is [zoon] door de [jeugdbeschermer] en moeder aangemeld bij [Organisatie]. De hulp wordt uitgevoerd door de jeugdzorgwerker van het team [team] (hierna: [team]) van [Organisatie].

2.4

Vanwege de verslechterde situatie op school, is aan beklaagde gevraagd om een aanvullend onderzoek bij [zoon] te doen naar de capaciteiten en vaardigheden van [zoon] met als doel vast te stellen of hij ondersteuning nodig heeft bij de keuze voor het vervolgonderwijs en welke ondersteuning dat dan moet zijn.

2.5

Klager heeft echter geen toestemming gegeven voor de hulp en heeft vanuit de [jeugdbeschermer] een schriftelijke aanwijzing gekregen om dat alsnog te doen. Desondanks wil klager zijn medewerking niet verlenen.

2.6

De [jeugdbeschermer] heeft [organisatie] gewezen op een artikel in de KNMG-wegwijzer, waarbij de WGBO ruimte biedt om een kind te behandelen ook als één van beide ouders geen toestemming geeft of de behandeling weigert. Betreft het een kind in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar dat zelf instemt met de behandeling, terwijl één van zijn gezag dragende ouders daarmee niet instemt, dan kan een arts op grond van de WGBO (artikel 7:450, lid 2) toch behandelen als het kind de behandeling zelf weloverwogen blijft wensen en de behandeling ‘kennelijk nodig is om ernstig nadeel’ voor het kind te voorkomen.

2.7

Op 1 maart 2016 is een afstemmingsgesprek gevoerd op de school van [zoon] met alle betrokkenen: moeder, [zoon], de [jeugdbeschermer], vertegenwoordigers van school, de jeugdzorgwerker en beklaagde. Afgesproken is dat de [jeugdbeschermer] klager zou informeren over de hulpverlening en de naam van de jeugdzorgwerker zou doorgeven. In overleg met [zoon] zou de jeugdzorgwerker contact maken met klager voor een kennismakingsgesprek.

2.8

Hoewel het in de maanden daarop met [zoon] beter is gegaan op school, bleven er nog wel zorgen bestaan over zijn werkhouding. De jeugdzorgwerker heeft beklaagde daarom verzocht om door middel van een IQ-test en vragenlijsten onderzoek te doen. Beklaagde heeft de [jeugdbeschermer] verzocht klager om toestemming te vragen. Klager heeft echter geen toestemming gegeven waarna de [jeugdbeschermer] beklaagde toch heeft gevraagd het onderzoek uit te voeren.

2.9

Op 5 oktober 2016 heeft beklaagde een gesprek met [zoon] en moeder gevoerd over het aanstaande onderzoek en er zijn afspraken gemaakt over de test (op 26 oktober 2016) en de vragenlijsten.

2.10

Klager heeft op 17 oktober 2016 een e-mail naar beklaagde gestuurd, waarop beklaagde op 18 oktober 2016 heeft gereageerd en klager heeft uitgenodigd voor een gesprek. Klager is niet op de uitnodiging ingegaan en heeft bij [organisatie] een klacht ingediend. Klager is vervolgens uitgenodigd voor een klachtgesprek. Klager is niet naar dit gesprek gekomen. De test is uiteindelijk afgelast, omdat [zoon] heeft gemeld niet tegen de wens van klager in te willen gaan.

2.11

De OTS is eind november 2016, na de zestiende verjaardag van [zoon], afgesloten.

2.12

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2016.

3 De klachten

Klager heeft vier klachtonderdelen geformuleerd en verwijt beklaagde het volgende:

3.1

Beklaagde is zonder toestemming van klager een behandelrelatie met [zoon] aangegaan. Beklaagde stelt ten onrechte dat daarvoor geen toestemming van beide ouders nodig is.

3.2

Beklaagde heeft ten onrechte beweerd dat [zoon] wel toestemming heeft gegeven voor een behandelrelatie.

3.3

Beklaagde heeft klager niet vooraf geïnformeerd over de behandelrelatie.

3.4

Beklaagde heeft niet gereageerd op het verzoek van klager om haar BIG registratienummer, dan wel de registratiegegevens van de beroepsvereniging, aan klager te doen toekomen.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

4.1

Beklaagde heeft, in overleg met onder andere een jurist en een leidinggevende, de afweging gemaakt om in het belang van [zoon] op grond van de WGBO (art 7:450, lid 2) toch te handelen. [Zoon] en moeder wilden graag hulp en op school dreigde het helemaal mis te gaan. [Zoon] en moeder hebben toestemming gegeven voor de hulp. [Zoon] was op dat moment inmiddels geschorst en school heeft uitgesproken dat hij van school zou moeten als de hulp langer uitbleef. [Zoon] moest dan naar een [passend onderwijs] en dat zagen moeder en [zoon] niet zitten. De [jeugdbeschermer] heeft, sinds de OTS is uitgesproken, op allerlei manieren geprobeerd om in gesprek te gaan met klager. Klager heeft echter uitgesproken niet te zullen meewerken aan hulp. Het blijft voor [zoon] belangrijk dat klager hem steunt en mee participeert in zijn hulpverlening. In haar rol als gedragswetenschapper heeft beklaagde in deze de jeugdzorgwerker steeds ondersteund en geadviseerd. Beklaagde heeft, toen haar werd verzocht om aanvullend onderzoek te doen, geprobeerd toestemming te krijgen van klager. Ook al was het in de lijn van de lopende hulpverlening en het gezinsplan waarvan klager reeds op de hoogte was, was het belangrijk dat klager zich uitgenodigd bleef voelen om [zoon] in deze te ondersteunen.
Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de tuchtzitting bij SKJ meegedeeld dat zij geen kennis van de Beroepscode voor Psychologen (NIP, 2015) heeft en dat zij deze bij het maken van afwegingen met betrekking tot de besluiten binnen de behandeling en conflict van plichten ook niet heeft geraadpleegd. Beklaagde heeft voorts aangegeven dat zij in de veronderstelling was dat zij in verband met haar registratie bij SKJ bij een behandeling van [zoon] slechts onder de beroepscode Jeugdzorgwerker viel. Beklaagde bevestigt desgevraagd zich niet bewust te zijn geweest dat het doorzetten van haar onderzoek zonder toestemming strijdig is met haar beroepscode.

4.2

[Zoon] heeft in meerdere situaties uitgesproken dat hij akkoord was met de hulp. Dat klager tegen hulpverlening voor [zoon] was, was voor [zoon] een heel ingewikkelde situatie. Derhalve werden afwegingen steeds in overleg gemaakt. De [jeugdbeschermer] en de jeugdzorgwerker hebben met [zoon] besproken wat hij wilde en wat hij nodig had in deze. Wat betreft het aanvullende onderzoek heeft beklaagde, in samenwerking met de jeugdzorgwerker en de [jeugdbeschermer], geprobeerd zorgvuldig te handelen. [Zoon] heeft bedenktijd gekregen na de evaluatie waarin het onderzoek is besproken. [Zoon] heeft vervolgens naar de jeugdzorgwerker toe uitgesproken het onderzoek te willen. Beklaagde heeft hem samen met zijn moeder uitgenodigd voor een gesprek hierover op 5 oktober 2016. Tijdens dit gesprek heeft [zoon] nogmaals uitgesproken dat hij het onderzoek wil en ook waarom hij dit wil. In de week van het onderzoek heeft hij zijn toestemming echter weer ingetrokken, waarna de jeugdzorgwerker direct een afspraak met [zoon] heeft gemaakt om hierover in gesprek te gaan. [Zoon] heeft toen uitgesproken niet tegen de wens van zijn vader in te willen gaan. Het onderzoek is daarom niet doorgegaan.
Beklaagde heeft desgevraagd aangegeven bij de verschillende afwegingen de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming niet te hebben gebruikt en daar geen kennis van te hebben. De beklaagde heeft desalniettemin wel benoemd dat er bij [zoon] mede vanwege de scheiding van zijn ouders sprake was van verschillende loyaliteitsconflicten naar zijn vader en moeder.

4.3

Klager was niet aanwezig bij het afstemmingsgesprek waarin de betrokkenen zich voorgesteld hebben. Gezien de situatie is afgesproken dat de [jeugdbeschermer] klager zou informeren. Dit heeft de [jeugdbeschermer], voor zover beklaagde weet, steeds gedaan en dit is regelmatig nagevraagd door de jeugdzorgwerker. De jeugdzorgwerker heeft klager een kennismakingsgesprek aangeboden, waarop klager niet is ingegaan. In mailcontact is zij hem blijven uitnodigen. Ook heeft de [jeugdbeschermer] klager gemeld dat beklaagde het onderzoek gaat doen en heeft hem, op verzoek van beklaagde, om zijn akkoord gevraagd. De [jeugdbeschermer] had klager wellicht nog expliciet kunnen mailen dat het onderzoek doorgang zou vinden, maar klager had zo heftig gereageerd op haar mail dat zij heeft besloten om dit niet te doen. Het zou de situatie nog meer op het spits hebben gedreven en het uitvoeren van het onderzoek nog moeilijker voor [zoon] hebben gemaakt. Beklaagde heeft klager na zijn eerste mail aan haar uitgenodigd voor een gesprek, maar klager is hierop niet ingegaan en heeft direct een klacht ingediend.

4.4

Op 17 oktober 2016 heeft klager de eerste mail naar beklaagde gestuurd. De volgende dag heeft klager een tweede mail gestuurd, waarin hij beklaagde heeft gemeld dat hij haar registratienummer inmiddels al via de beroepsvereniging had ontvangen. Beklaagde was nog bezig met de beantwoording van de eerste mail van klager, toen zij deze tweede mail binnen kreeg. Beklaagde heeft toen in haar antwoord gerefereerd aan deze mail. Het verstrekken van de gegevens was dus niet meer nodig.

Beklaagde verzoekt het College om de klachten niet-ontvankelijk te verklaren en deze af te wijzen als zijnde ongegrond respectievelijk onbewezen.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

Met betrekking tot klachtonderdeel 1:
Het College stelt vast dat er vanaf 1 maart 2016 in het kader van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en in het kader van artikel 1.3 van de Beroepscode voor Psychologen (NIP) een behandelrelatie en professionele relatie bestond tussen [zoon] en beklaagde. Reeds vanaf dat moment had beklaagde daarvoor – behoudens heel zwaarwegende uitzonderingen – van beide ouders toestemming moeten krijgen. Het College heeft geconstateerd dat klager expliciet geen toestemming heeft gegeven voor een behandeling, terwijl niet is gebleken van een zwaarwegend belang waardoor toestemming van beide ouders niet noodzakelijk zou zijn (artikel 7:450, lid 2, van de WGBO).
Tevens constateert het College dat beklaagde niet in overeenstemming met artikel 7 (NIP) heeft gehandeld. [Zoon] had op het moment van behandeling de leeftijd van 15 jaar, waardoor de beklaagde de uit de beroepscode voortvloeiende verplichtingen jegens [zoon] en diens beide gezaghebbende ouders had moeten nakomen, waaronder gerichte toestemming van beide gezaghebbende ouders.

Voorts overweegt het College dat, ook op het moment dat het team (bestaande uit de [jeugdbeschermer], de jeugdzorgwerker en de gedragswetenschapper) besluit dat het goed is voor [zoon] om zich binnen het kader van de OTS te laten behandelen, beklaagde een zelfstandig besluit moest nemen over de vraag of aan de voorwaarden zijn voldaan die voor haar op dat moment gelden, namelijk de codes van het Nederlandse Instituut van Psychologen (NIP). Beklaagde heeft zich in haar beroepsmatig handelen echter niet laten leiden door de beroepscode voor Psychologen (artikel 2, psychologen nemen in de uitvoering van hun beroep de zorgvuldigheid in acht door te handelen naar de beroepscode). Daarnaast is het van belang dat beklaagde bij een conflict van plichten overleg had moeten plegen met een – niet bij de professionele relatie betrokken – ervaren collega gedragsdeskundige en/of haar beroepsvereniging. Tevens had beklaagde de onverenigbare belangen en haar eigen positiekeuze in deze, namelijk behandeling en onderzoek versus de ontbrekende toestemming hiervoor vanuit klager, in een zo vroeg mogelijk stadium aan álle betrokkenen dienen te expliciteren (artikel 49, NIP). Hoewel het College van oordeel is dat beklaagde met de beste intenties heeft gehandeld, is zij op deze punten in gebreke gebleven en onzorgvuldig gebleken (artikel 2 en 15, NIP). Hierbij heeft het College tevens laten meewegen dat beklaagde heeft onderkend geen kennis te hebben van de voor haar geldende beroepscode.

Het klachtonderdeel is gegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 2:
Hoewel gesteld, is niet gebleken dat beklaagde ten onrechte heeft beweerd dat [zoon] toestemming heeft gegeven voor een behandelrelatie. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 3:
Beklaagde heeft erkend dat zij klager vooraf niet zelf heeft geïnformeerd over haar behandelrelatie met [zoon] en het aanvullende onderzoek dat zij zou verrichten, omdat was afgesproken dat de [jeugdbeschermer] dit zou doen. Het is echter de eigen verantwoordelijkheid en taak van beklaagde om klager hierover zelfstandig te informeren. Hierbij is door beklaagde onvoldoende rekening gehouden met het uitgangspunt vanuit de beroepscode (artikel 63, NIP) en de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming en de professionele standaard (artikel 16, NIP). Beklaagde heeft geen toestemming van klager bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie met [zoon] (artikel 7, artikel 61 en 62, NIP), geen zelfstandige informatie aan klager bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie met [zoon] verstrekt (artikel 63, NIP) en geen gerichte toestemming van klager gekregen (artikel 1.12 NIP).

Het klachtonderdeel is gegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 4:
Klager heeft kort na zijn eerste verzoek tot verstrekking van de registratiegegevens van beklaagde, aangegeven dat hij deze gegevens reeds via de beroepsvereniging had ontvangen. Het was derhalve niet langer noodzakelijk dat beklaagde deze gegevens zelfs nog aan klager zou verstrekken. Onder die omstandigheden is het klachtonderdeel ongegrond.

Conclusie

Het is het College gebleken dat beklaagde zich, ook tijdens de mondelinge behandeling, niet bewust is van haar eigen professionele verantwoordelijkheid als psycholoog binnen het team waarin zij werkt en hoe die eigen verantwoordelijkheid vorm dient te krijgen vanuit de verplichtingen van de NIP beroepscode en haar professionele standaard in het algemeen.

Bij de vraag of en, zo ja, welke maatregel passend is weegt het College de aard, de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de fouten die zijn gemaakt, alsmede de mate waarin beklaagde tijdens de procedure blijk heeft gegeven in staat te zijn te reflecteren op het eigen professioneel handelen.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, acht het College in dit geval de maatregel van een berisping passend.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen II. en IV. ongegrond;

– verklaart klachtonderdelen I. en III. gegrond;

– legt aan beklaagde de maatregel van berisping op.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 1 juni 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy
voorzitter

mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort
secretaris