Maak een selectie

727 van 727

   

Pleegmoeder klaagt over handelen van jeugdbeschermer. Het College heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw S.J. Ephraïm, lid-beroepsgenoot,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[beklaagde], werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: beklaagde.

Klaagster is in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. M. Janse, werkzaam bij Reezigt Rouwette Advocaten te Apeldoorn

Beklaagde is in deze zaak bijgestaan door heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

− het klaagschrift d.d. 11 oktober 2016, met bijlagen;
− het aanvullende klaagschrift d.d. 20 november 2016, met bijlagen;
− het verweerschrift d.d. 19 januari 2017, met bijlagen;
− het oordeel van de klachtencommissie van de [GI] d.d. 26 januari 2017;
–  de door de mr. Janse tijdens de mondelinge behandeling overlegde aantekeningen.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 maart 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en hun gemachtigden zoals voornoemd. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest de [naam toehoorder].

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1 Klaagster is pleegmoeder van [dochter 1], geboren op [datum] 2003 (verder: dochter 1.), en [dochter 2], geboren op [datum] 2006 (verder: dochter 2.). Klaagster is de biologische moeder van [zoon]., geboren op [datum] 2002.

2.2 [dochter 1] is op 13 juli 2006 bij het gezin van klaagster geplaatst toen zij drie jaar en drie maanden oud was, na de eerste drie jaar van haar leven bij oma moederszijde te hebben gewoond. Bij beschikking van 20 april 2011 is [dochter 1]. onder voogdij gesteld bij de voorloper van [GI] (hierna: GI).

2.3 [dochter 2]. is als baby vijf dagen bij haar biologische moeder geweest en daarna in een crisisgezin geplaatst. Op 6 januari 2007 is [dochter 2]. bij het gezin van klaagster geplaatst. Bij beschikking van 14 maart 2007 is [dochter 2] onder voogdij gesteld bij de voorloper van [GI].

2.4 [dochter 1 en dochter 2] hebben vanaf 5 mei 2012, na de scheiding van de pleegouders (feitelijk in 2011, formeel in 2012), op het nieuwe adres bij klaagster gewoond tot aan het moment van de uithuisplaatsing op 30 september 2016.

2.5 De (voormalige) pleegvader heeft geen omgangsregeling met de kinderen.

2.6 [dochter 1] heeft één keer in de zes weken begeleid contact met haar biologische moeder, daarnaast is er telefonisch contact. Met haar biologische vader heeft [dochter 1] veel minder contact. [dochter 2] heeft in het geheel geen contact met haar biologische ouders totdat zij op 13 juli 2016 voor het eerst haar biologische moeder heeft ontmoet.

2.7 Beklaagde is sinds december 2009 als jeugdbeschermer (gezinsvoogd) verbonden aan [GI] en is sinds januari 2010 – in opvolging van twee eerdere voogden – de voogd van beide pleegkinderen. Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

2.8 Eind 2015 is een persoonlijkheidsonderzoek omtrent [dochter 1] door [GGZ instelling] opgestart. Uit het psychodiagnostisch onderzoeksrapport van [GGZ instelling] (maart 2016) volgt dat bij [dochter 1] sprake is van een reactieve hechtingsstoornis en van een ontwikkeling richting een persoonlijkheidsstoornis. Ook [dochter 2] is door [GGZ instelling] onderzocht. Uit het psychodiagnostisch onderzoeksrapport (maart 2016) volgt dat bij [dochter 2] sprake is van een stoornis in de kinderleeftijd en van een ontwikkeling richting een gegeneraliseerde angststoornis.

2.9 [GI] heeft, naar aanleiding van de onder punt 8 genoemde onderzoeken, op 18 april 2016 besloten om het verblijf van [dochter 1 en dochter 2 te wijzigen en heeft daartoe op 20 juni 2016 een verzoek vervangende toestemming tot wijziging verblijf voogdijpupil voor zowel [dochter 1] als dochter 2 ingediend bij de rechtbank. Klaagster heeft de rechtbank verzocht om de verzoeken af te wijzen. Op 17 augustus 2016 heeft de rechtszaak plaatsgevonden.

2.10 Bij beschikking van 12 september 2016 heeft de rechtbank aan [GI] vervangende toestemming verleend tot wijziging van de verblijfplaats van [dochter 1] en [dochter 2].

2.11 Op 21 september 2016 heeft beklaagde aan de kinderen verteld dat er een andere plek voor hen gevonden zal worden. Op 27 september 2016 heeft beklaagde gemeld dat er een plek is gevonden in een gezinshuis. Op 30 september 2016 zijn [dochter 1] en [dochter 2] naar een crisisplek gegaan.

2.12 Op 26 januari 2017 heeft de klachtencommissie van [GI] een oordeel uitgebracht, naar aanleiding van een door klaagster op 29 september 2016 ingediende klacht tegen [GI] (met aanvulling op 1 december 2016). De klachten hebben – kort gezegd – betrekking op de overplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] De commissie achtte de klachten ongegrond en heeft zich op twee onderdelen van een oordeel onthouden.

3 De klachten

Klaagster heeft een aantal klachtonderdelen geformuleerd. Het College verwijst voor de volledige weergave van de klacht naar het klaagschrift, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Kort samengevat verwijt klaagster beklaagde het volgende:

3.1 Beklaagde heeft jarenlang stelselmatig de zorgsignalen over [dochter 1] genegeerd. Al in 2009 heeft klaagster, samen met ex-pleegvader, aangegeven dat [dochter 1] hulp nodig heeft, onder meer in het Pleeggezinbegeleidingsplan van [pleegzorgaanbieder]. Beklaagde heeft echter op het informatieblad van betrokken professionals aangegeven dat er geen zorgen zijn. Tijdens een gesprek in 2014 met beklaagde zijn de zorgpunten van [dochter 1] aan de orde geweest. Hoewel beklaagde aangaf dat klaagster ook met de pleegzorg kon stoppen, gaf klaagster juist aan dat niet te willen, maar hulp te willen krijgen. Hiervan heeft klaagster geen verslag ontvangen.

3.2 Beklaagde heeft de onderzoeksrapporten van [GGZ instelling] misbruikt om een uithuisplaatsing van [dochter 2] en [dochter 1] te realiseren, in plaats van hen te helpen. Bovendien heeft beklaagde de onderzoeken negatief beïnvloed. Beklaagde heeft de uithuisplaatsing van [dochter 2] gerealiseerd door foutieve informatie naar de kinderrechter te sturen. Tevens is [dochter 2] ‘meegelift’ met de gedragsproblemen van haar pleegzus [dochter 1]. Beklaagde heeft hierdoor niet gehandeld in het belang van het kind.

3.3 Beklaagde heeft niet in het belang van de kinderen gehandeld en heeft geen vertrouwensband met hen. Beklaagde spreekt immers niet met de kinderen, maar over de kinderen. Beklaagde heeft voorts geen enkele connectie met de kinderen. De kinderen zijn zelfs bang voor beklaagde. Beklaagde biedt ook niet de ondersteuning die zij heeft toegezegd.

3.4 Beklaagde heeft de signalen en klachten van ex-pleegvader over klaagster jarenlang genegeerd.

3.5 Beklaagde heeft zowel in de stukken die naar de rechtbank zijn uitgegaan als in het laatste voogdijverslag aangegeven dat bij klaagster sprake is van een onveilige situatie. Beklaagde heeft echter nooit gevraagd om een onderzoek door de Raad van de Kinderbescherming of een andere onafhankelijke instelling.

3.6 Beklaagde is niet eerlijk geweest in de communicatie over de crisisplek. Beklaagde heeft gemeld dat de plaatsing van de kinderen in een gezinshuis zou plaatsvinden, maar later bleek dat het ging om een tijdelijke crisisplek.

3.7 Beklaagde heeft de levenswens van [dochter 2] om haar biologische moeder te ontmoeten genegeerd. Nadat een gedragstherapeut van [GI] voor [GGZ instelling] een aantal onderzoeksvragen had opgesteld, heeft klaagster daaraan zelf een hulpvraag moeten toevoegen, inhoudende of [dochter 2] het aan zou kunnen om haar biologische moeder te ontmoeten en welke begeleiding daarbij nodig zou zijn. Uit het psychodiagnostisch onderzoek volgt dat [dochter 2] het ontmoeten van haar biologische moeder lijkt aan te kunnen, mits dit onder begeleiding van een neutraal persoon plaatsvindt. Klaagster staat hier volledig achter en heeft dit meerdere malen bij beklaagde aangegeven.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

4.1 Dat klaagster in 2009 zou hebben verzocht om een persoonlijkheidsonderzoek van [dochter 1] blijkt niet uit het dossier van de voorganger van beklaagde. In 2012 is gestart met therapie bij [naam instelling]. In januari 2015 heeft de gedragsdeskundige aangegeven geen noodzaak voor onderzoek van [dochter 1] aanwezig te achten. Op 3 maart 2015 heeft beklaagde [dochter 1] toch aangemeld voor onderzoek naar aanleiding van het schoolgesprek en na overleg met de pleegzorgvoorziening. [dochter 1] werd op een wachtlijst geplaatst bij [naam] GGZ te [plaatsnaam], maar blijkt later van die lijst te zijn gehaald, omdat de situatie door [naam] als te complex werd beoordeeld. In augustus 2015 heeft beklaagde [dochter 1] aangemeld voor onderzoek door [GGZ instelling].

4.2 Beklaagde is van mening dat dit verwijt niet is onderbouwd en geen doel treft. Uit niets blijkt dat de intentie van beklaagde vooringenomen was. Wel had zij zorgen, waarvan klaagster op de hoogte was. Beklaagde heeft volgens de voogdijrapportage van 22 juni 2016 getracht haar plan van aanpak te bespreken en uit te leggen aan klaagster, in elk geval op 29 juni 2016.

4.3 Beklaagde heeft, juist in deze casus, gekozen voor de veiligheid van de kinderen. Zij bevonden zich in een systeem waarin klaagster geen inzicht toonde, de hulpverlening beschuldigde van de ontstane situatie en daarvoor steun zocht en vond in haar netwerk. De kinderen toonden wenselijk gedrag jegens klaagster, onder meer door verklaringen af te leggen als door klaagster in de procedure gebracht. Op de crisisplek en in het gezinshuis hebben [dochter 1] en [dochter 2] laten weten dat ze deze brieven van klaagster moesten schrijven. Beklaagde betreurt het zeer dat zij er niet in is geslaagd om deze verwikkelingen te voorkomen, maar zij kunnen haar ook niet worden aangerekend.

4.4 Direct nadat beklaagde de signalen van de ex-pleegvader van de kinderen ontving op 19 februari 2014, heeft zij deze gedeeld met de gedragsdeskundige en met [naam instelling]. [GI1] meende echter dat dit een aandachtspunt voor de pleegzorgvoorziening was.

4.5 Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming was geen optie, omdat reeds sprake was van voogdij en de Raad daardoor al betrokken was geweest. De Raad was betrokken bij [dochter 2] na haar geboorte en bij [dochter 1] bij de uitspraak van de OTS en voor de tweede keer bij de uitspraak inzake de voogdij. De rechtbank heeft de onderbouwing van de verzoeken adequaat geoordeeld en de second opinion terzijde geschoven, reeds omdat de psycholoog de kinderen niet had gezien.

4.6 Beklaagde heeft wel degelijk beide opties (plaatsing in een gezinshuis en in een tijdelijke crisisplaats) besproken. Het verwijt mist derhalve grond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde voorts nog aangevoerd dat de crisisplaats plek bood aan zowel [dochter 1] als [dochter 2] en dat een plaatsing samen in het belang van de twee kinderen werd geacht.

4.7 Beklaagde heeft zich ingespannen om het contact met de moeder van [dochter 2] te realiseren en heeft veel moeite gedaan om de moeder van [dochter 2] te laten inzien dat het voor [dochter 2] erg belangrijk is om haar te leren kennen. Beklaagde heeft uiteindelijk weten te realiseren dat moeder en [dochter 2] elkaar konden zien. Vooralsnog is dit bij enkele keren gebleven, maar beklaagde verwacht dat er in de toekomst hernieuwd contact tussen moeder en [dochter 2] zal plaatsvinden.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

Met betrekking tot klachtonderdeel 1:
Beklaagde heeft de zorgsignalen omtrent [dochter 1] niet genegeerd. Zij heeft getracht om iets aan de zorgen die er rondom [dochter 1] bestonden te doen en deze bespreekbaar te maken binnen de organisatie, maar de direct leidinggevende van beklaagde verwees de zorgen door naar pleegzorgvoorziening [naam instelling]. Pas op het moment dat er binnen de organisatie een wijziging van teamhoofd had plaatsgevonden, heeft beklaagde daadwerkelijk iets met de zorgsignalen kunnen doen.

Het klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 2:
Niet is gebleken dat reeds bij de start van het onderzoek door [GGZ instelling] vaststond dat daarop een uithuisplaatsing van [dochter 2] en [dochter 1]. zou volgen. Na afloop van het onderzoek heeft beklaagde pas geconcludeerd tot de uithuisplaatsing van de pleegkinderen, waarbij zij ook haar eigen observaties heeft meegenomen. Van misbruik van de rapporten is niet gebleken. Evenmin is het College gebleken dat beklaagde het onderzoek negatief heeft beïnvloed dan wel dat zij foutieve informatie aan de rechtbank heeft gegeven. Ten slotte is het College niet gebleken van enig ‘meeliften’ van [dochter 2] met de gedragsproblemen van haar pleegzus [dochter 1]. De uithuisplaatsing van [dochter 2] is een zelfstandige beslissing geweest.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 3:
Ter onderbouwing van haar standpunt dat geen sprake was van een vertrouwensband en dat de pleegkinderen bang waren voor beklaagde, heeft klaagster een tweetal door de pleegkinderen geschreven brieven aan het College overgelegd. Uit het dossier en het verhandelende tijdens de zitting is echter gebleken dat [dochter 1] en [dochter 2] die brieven in opdracht van klaagster hebben moeten schrijven. Voorts heeft beklaagde het gestelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ontkend. Reeds onder die omstandigheden kan niet worden gesteld dat geen sprake was van een vertrouwensband noch dat de pleegkinderen bang voor beklaagde waren.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 4:
Beklaagde heeft de signalen en klachten van ex-pleegvader niet genegeerd. Zij heeft de signalen gedeeld met de gedragsdeskundige en met [naam instelling]. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde daarmee voldoende gedaan met de signalen en klachten van de ex-pleegvader.

Het klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 5:
Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming was niet mogelijk vanwege de eerdere betrokkenheid van de Raad. Het is het College gebleken dat beklaagde haar zorgen – al vóór haar inschrijving op [datum] 2013 – bespreekbaar heeft gemaakt binnen de organisatie.

Het klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 6:
Door beklaagde is op enig moment de beslissing genomen tot uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] en is zij voor hen op zoek gegaan naar een gezinshuis. Tijdens die zoektocht is beklaagde gestuit op een tijdelijke crisisplek waar beide pleegkinderen samen ondergebracht konden worden. Gelet daarop, vindt het College het zeer begrijpelijk dat beklaagde heeft gekozen voor de tijdelijke crisisplek.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 7:
Het College is van oordeel dat beklaagde, met de handelingen die zij in dit kader heeft gepleegd, op heel zorgvuldige wijze invulling heeft gegeven aan de wens van [dochter 2] om haar biologische moeder te ontmoeten. Die ontmoeting is uiteindelijk ook door beklaagde gerealiseerd en er wordt gewerkt aan hernieuwd contact.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Overweging van het College
Het College constateert dat beklaagde vanaf [datum] 2013 bij SKJ staat ingeschreven en dat zij vanaf die datum onder de Beroepscode voor Jeugdzorgwerkers valt. Die Beroepscode houdt onder meer in dat beklaagde altijd actie moet ondernemen op het moment dat zij bekend wordt met een onveilige thuissituatie van een jeugdige bij een (pleeg)gezin. Sinds haar inschrijving volstaat het niet langer om een dergelijke situatie slechts te melden bij haar leidinggevende en zich neer te leggen bij diens beslissing om daarmee niets te doen. Beklaagde heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid.

Het College sluit de ogen niet voor de omstandigheid dat het proces van de rolverandering van de jeugdzorgwerker binnen de hiervoor genoemde Beroepscode een bewustwordingsproces is dat langzaam is opgekomen en dat de volledige bewustheid daarvan pas later in tijd plaats heeft gevonden. Hoewel een deel van het optreden van beklaagde in deze casus is gelegen van voor haar inschrijving bij SKJ stelt het College vast dat de minder veilige situatie van [dochter 1] en [dochter 2] bij klaagster eerder door haar had kunnen worden weggenomen. Het College is op grond van het hier voorstaande van oordeel dat het optreden van beklaagde beter had gekund, maar dat zij tijdens haar beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

− verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 30 maart 2017 en op 23 mei 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy,
voorzitter

mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort,
secretaris