Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht van vader over begeleiding traject voor gescheiden ouders, inzake bejegening, onpartijdigheid en niet kunnen verstrekken van eerste versie van verslag.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
de heer W.V.V. Toebosch, lid-beroepsgenoot;
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats], bijgestaan door zijn zus, [zus klager], die optreedt als gemachtigde, ingediende klacht

tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als medewerker bij [jeugdhulpaanbieder], bijgestaan door mevrouw mr. B.E.A. Lamping, advocaat te Almelo.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 13 september 2016, ontvangen op 30 september 2016, met de bijlagen;
– het verweerschrift van 14 november 2016, ontvangen op 14 november 2016, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017 in aanwezigheid van beklaagde en haar advocaat. De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een verzoek van de zijde van klager tot aanhouding van de mondelinge behandeling – kort gezegd als onvoldoende gemotiveerd en tardief – afgewezen; een herhaald verzoek tot aanhouding, gedaan op de avond voor de mondelinge behandeling, heeft de voorzitter ter zitting eveneens afgewezen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen; zijn gemachtigde evenmin.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan beklaagde medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen en aan partijen zal worden toegezonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2011, en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2013, hierna te noemen: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van voornoemde kinderen zijn sinds mei 2012 uit elkaar. Klager heeft geen ouderlijk gezag over de kinderen. Uit een eerdere relatie heeft klager nog twee, thans meerderjarige, kinderen.

2.3

Klager had sinds eind 2012 geen omgang met zijn minderjarige kinderen. In april 2015 heeft de rechtbank [locatie] bepaald dat ouders dienen deel te nemen aan het traject “[naam traject jeugdhulpaanbieder]”. Dit traject is gestart op 8 april 2015 en geëindigd op 28 april 2016. De Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) had dit traject geadviseerd in haar rapport van 24 februari 2015. Voorts is een forensisch onderzoek bij klager verricht. In oktober 2015 is vanuit het traject “[naam traject jeugdhulpaanbieder]” begeleide omgang tussen de kinderen en klager opgestart in het omgangshuis van [naam jeugdhulpaanbieder] te [locatie]. Deze begeleide omgang heeft één keer in de veertien dagen anderhalf uur plaatsgevonden (op de zaterdagochtend).

2.4

Beklaagde is vanuit het traject “[naam traject jeugdhulpaanbieder]”, een interventie vanuit [jeugdhulpaanbieder], de betrokken hulpverlener geweest, en aldus de contactpersoon voor ouders.

2.5

Naar aanleiding van een brief van 11 april 2016 van een vertrouwenspersoon van het AKJ, namens klager, heeft er op 9 mei 2016 een klachtgesprek plaatsgevonden waarbij de directeur van [jeugdhulpaanbieder], beklaagde, klager en diens vertrouwenspersoon van het AKJ aanwezig waren. Op 30 mei 2016 heeft de directeur van [jeugdhulpaanbieder] een door hem opgestelde gespreksnotitie van het klachtgesprek aan klager en diens vertrouwenspersoon verzonden.

2.6

In het door beklaagde opgemaakte “verslag Omgangshuis” van 5 november 2015 met informatie ten behoeve van de medewerkers van het Omgangshuis, staat –voor zover hier van belang- vermeld:
“(…) Gegevens vanuit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming: febr. 2015.
Vader heeft in de periode van het raadsonderzoek moeten meewerken aan een forensisch psychologisch onderzoek. (…)
Vader is een man van middelbare leeftijd. Hij laat in zijn persoonlijkheid beperkingen zien. Instabiliteit en – verbaal – zwak. Vader heeft weinig zicht op zijn emoties. Hij kan ze moeilijk reguleren. Hij heeft neiging problemen te bagatelliseren of te ontkennen en focust zich op positieve dingen om de realiteit te vermijden. Vader kan zijn behoeftebevrediging moeilijk uitstellen en heeft moeite om de gevoelens en intenties van de anderen te begrijpen. Hij heeft onvoldoende zicht op het effect van zijn gedrag op anderen. (..)”

2.7

Beklaagde heeft – voor zover hier van belang – in het eindverslag van “[naam traject jeugdhulpaanbieder]” van 14 april 2016 het volgende opgenomen:
“Op grond van alle beschikbare informatie, vanuit het raadsonderzoek en vanuit het forensisch onderzoek van vader, komt de Raad van de Kinderbescherming tot de conclusie dat er zorgen zijn omtrent vaders persoonlijkheid en functioneren. (…) Het zal zich moeten uitwijzen, wat vaders problematiek betekent voor de mogelijkheden voor contact met [de kinderen]. (…)
Conclusie en advies
(…) [De kinderen] hebben de kans gekregen om hun vader te leren kennen. Het is nog niet wenselijk dat het contact van [de kinderen] met hun vader zonder begeleiding plaatsvindt. Het is een meerwaarde voor de ontwikkeling van [de kinderen] dat ze hun vader ook in de komende periode kunnen blijven ontmoeten. Kinderen en vader (naar het College begrijpt: “Kinderen”) hebben binnen de kaders van het omgangshuis een positieve omgang met vader. Daarnaast laat vader in zijn communicatie binnen de gesprekken met moeder en met de medewerkers van [naam traject jeugdhulpaanbieder] onvoorspelbaar gedrag zien, zowel fysiek als in zijn mening en visie. [De kinderen] zijn speelse enthousiaste drukke kinderen en kunnen gezien hun leeftijd nog geen grens aangeven en verwoorden wat fijn, minder prettig of goed is. Vader zal binnen de grenzen van het omgangshuis kunnen groeien in zijn rol als ouder.
Het advies vanuit [naam traject jeugdhulpaanbieder] is om deze begeleide omgang opnieuw in te zetten voor [de kinderen], gezien de leeftijd, 1 keer in de 14 dagen anderhalf uur. Dit zal dan alleen vorm krijgen in de begeleide omgang – met daarnaast evaluatiemomenten voor ouders gemiddeld 1 keer per half jaar. (…) [naam traject jeugdhulpaanbieder] zal hierbij afsluiten. (…) Ouders kunnen terugkijken op een intensief en positief traject.”

2.8

Klager heeft zowel de directeur van [jeugdhulpaanbieder] als beklaagde op 24 augustus 2016 verzocht onjuiste beschuldigingen in een eerste versie van het verslag ten behoeve van het omgangshuis terug te nemen en het voornoemde eindverslag te herstellen.

2.9

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Klager verwijt beklaagde in de kern samengevat en zakelijk weergegeven dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld jegens hem door:

I Haar houding en onprofessionele gedrag. Klager voelt zich hierdoor onheus bejegend en geïntimideerd;

Klager meent dat beklaagde hem in de eerste versie van haar verslag ten behoeve van het omgangshuis van 15 oktober 2015 zeer negatief en incorrect heeft beschreven. Bovendien kreeg klager slechts een aantal dagen voor het eerste omgangsmoment, ter plekke, de gelegenheid om hierop te reageren; hij kon wel of niet akkoord gaan, maar in het laatste geval zou de omgang niet doorgaan. Klager voelde zich hierdoor onder druk gezet.
Klager geeft aan dat beklaagde weliswaar de belastende beschrijving later in de tweede versie van het verslag heeft afgezwakt maar dat de medewerkers van het omgangshuis toen al wel kennis hadden genomen van de eerste versie, en dat dit hun kijk op de begeleide omgang negatief heeft beïnvloed. Tot slot geeft klager aan dat hij evenmin akkoord is gegaan met de tweede versie van de brief, maar dat beklaagde hierop tegen klager heeft gezegd dat het traject [naam traject jeugdhulpaanbieder] dan stopgezet zou worden.

II Niet helder/correct te communiceren;

Klager meent dat beklaagde onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd over belangrijke zaken betreffende de omgang. Klager geeft aan dat een Raadsmedewerker begin 2015 tegen hem heeft gezegd dat er een traject in het omgangshuis komt, met als doel het opbouwen van de relatie met de kinderen en het herstellen van de communicatie tussen ouders; bekeken zou worden hoe de kinderen op de omgang zouden reageren, of ze omgang met klager zouden accepteren. Klager stelt dat hem hierbij is verteld dat dit traject een jaar tot maximaal anderhalf jaar zou duren en bedoeld was als voorbereiding op normale omgang. Klager stelt dat hij er steeds op vertrouwd heeft dat beklaagde met dit doel voor ogen het traject inzette. Hij geeft aan dat hij echter tijdens de omgangsmomenten van de medewerkers in het omgangshuis te horen kreeg dat hij bepaalde privileges niet genoot omdat die alleen waren voorbestemd voor ouders die een traject volgen naar onbegeleide omgang. Daarnaast geeft klager aan dat hij onlangs van de bijzonder curator heeft vernomen dat beklaagde heeft geadviseerd dat hij zijn kinderen de rest van zijn leven alleen in het omgangshuis zou mogen zien, terwijl beklaagde tegen hem iets anders heeft gezegd.
Klager stelt dat hij opmerkingen en gebeurtenissen tijdens het traject die hem behoorlijk raakten, besprak met beklaagde, maar dat zij op haar beurt liet weten dat zij hier niets mee kon omdat zij er niet bij was geweest, het verslag van het omgangshuis niet had gelezen dan wel dat wat hij benoemde niet in het verslag stond. Beklaagde voelde zich hierdoor niet gehoord of serieus genomen.

III Niet onpartijdig in het traject te hebben gestaan en hierdoor situaties niet objectief te hebben beoordeeld;

Klager geeft aan dat de rechter moeder een informatieregeling heeft opgelegd, maar dat moeder in de loop van 2015 deze regeling niet meer nakwam. Klager stelt dat beklaagde, toen klager haar hiervan op de hoogte stelde, heeft gezegd dat zij achter het besluit van moeder stond.
Klager brengt naar voren dat beklaagde hem eens heeft laten weten dat zij ook had kunnen besluiten om omgang met vader en kinderen te stoppen, waarna hij ter plekke in huilen uitbarstte. Klager meent dat hij tijdens het traject weinig tot geen emoties heeft kunnen laten zien vanwege de druk die hij ondervond. Ook dat werd echter weer in zijn nadeel uitgelegd, aldus klager.

IV Een onjuist advies aan de Raad te geven;

V Ondanks erkenning in het klachtgesprek van 9 mei 2016 te weigeren haar eindverslag van 14 april 2016 aan te passen;

VI Zich schuldig te maken aan belediging c.q. laster c.q. smaad in geschrift;

VII De oorspronkelijke, onjuiste, zeer kwetsende versie van de eerste brief niet te kunnen verstrekken aan klager, doch slechts de verbeterde, afgezwakte versie doordat het bestand is overschreven.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde heeft verweer gevoerd. Het College verwijst voor de volledige weergave van het verweer naar het verweerschrift, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. Beklaagde ontkent dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen en stelt zich in de kern samengevat en zakelijk weergegeven op het volgende:

I Beklaagde bestrijdt hetgeen klager stelt. Beklaagde geeft aan dat [jeugdhulpaanbieder] in opdracht van de Raad gestart is met het traject [naam traject jeugdhulpaanbieder], en dat een belangrijk onderdeel van dit traject is dat er begeleide contacten in het omgangshuis plaatsvinden. Het behoort daarmee tot de taak van beklaagde om de betrokken medewerkers van het omgangshuis te voorzien van informatie, zodat die op hun beurt de omgang kunnen begeleiden en observeren. Beklaagde geeft aan dat de informatie waarop beklaagde doelt, door haar letterlijk uit het Raadsrapport is overgenomen. Voorts geeft beklaagde aan dat zij eerst driemaal met ouders samen heeft gesproken voordat de begeleide contacten plaatsvonden, en dat zij daarbij steeds heeft besproken dat informatie uit het Raadsrapport zou worden opgenomen in het verslag ten behoeve van het omgangshuis. Beklaagde stelt dat klager, toen hij op de donderdag voorafgaande aan het eerste omgangscontact op zaterdag kennisnam van de inhoud van haar verslag, alsnog schrok, en dat zij toen samen zijn uitgekomen op een alternatieve tekst. Beklaagde geeft aan dat zij toen heeft afgesproken met klager dat de begeleide omgang zou starten op basis van de oude versie van het verslag en dat zij na haar vrije dagen het verslag zou aanpassen.
Beklaagde betwist dat klager voor de verzending van de tweede brief geen toestemming heeft gegeven en betwist tevens dat zij heeft aangegeven dat het traject zou worden stopgezet als hij geen toestemming zou geven.

II Beklaagde betwist dat zij niet helder of correct communiceert. Zij stelt dat zij bedoelde termijn in het omgangshuis van maximaal een tot anderhalf jaar niet heeft genoemd. Beklaagde geeft aan dat immer de inzet is geweest het tot stand brengen van een goed contact tussen ouder en kind. Beklaagde brengt naar voren dat zij bij de door klager aangehaalde voorvallen in het omgangshuis niet aanwezig is geweest, en dat het gaat om een interpretatie van klager die niet overeenkomt met hetgeen in de observatieverslagen staat. Beklaagde geeft aan dat zij de bijzonder curator slechts heeft geïnformeerd over dat wat in het eindverslag staat, nadat zij dit al met ouders had gecommuniceerd.
Beklaagde verklaart dat klager gedurende het traject zeer onvoorspelbaar was; zulks heeft ook te maken met zijn problematiek. Beklaagde geeft aan dat klager tijdens het traject vaker heeft aangegeven onvoldoende vertrouwen hierin te hebben, dat zij hem hierop steeds de mogelijkheid en ruimte heeft gegeven dit te bespreken met zijn advocaat, maar dat hij uiteindelijk telkens aangaf wel verder te willen gaan met het traject.

III Beklaagde meent dat zij wel degelijk objectief was. Zij heeft gedurende het hele traject zowel de belangen van klager als die van moeder en in het bijzonder de belangen van de kinderen centraal gesteld. Beklaagde geeft aan dat zij zag dat de kinderen enorm genoten van het contact met klager, dat zij steeds voor ogen heeft willen houden dat de contacten met begeleiding positief verliepen en dat zij geen consequenties heeft verbonden aan de omstandigheid dat vader zich niet hield aan de voorwaarde van de behandeling bij de psycholoog. Beklaagde stelt dat zij vooral vooruitgang zag in de omgang tussen klager en de kinderen, en dat klager de adviezen vanuit de begeleiding goed oppakte.
Beklaagt erkent dat het punt rondom afspraken over het informeren van klager door moeder, voor verwarring heeft gezorgd. Het is immers niet aan [jeugdhulpaanbieder] om uitspraken te doen over deze gemaakte afspraken. Echter, in de praktijk is de ervaring veelal dat door omgang een eerder gemaakte afspraak inzake informatieverschaffing minder relevant wordt omdat er een belangrijk beter alternatief voor terugkomt, namelijk omgang met het kind. Regelmatig, een keer per twee à drie weken vonden gesprekken plaats met ouders om de omgang te evalueren. Ouders konden dan over en weer vragen stellen en informatie verstrekken over de kinderen. Door deze werkwijze werden beide ouders op de hoogte gehouden. Aan klager is gemeld dat hij zelf ook foto’s mocht maken, aldus beklaagde.
Beklaagde betwist dat zij aan klager heeft gezegd dat er ook besloten had kunnen worden de omgang te stoppen. Beklaagde geeft aan dat zij klager heeft ervaren als een betrokken vader die er veel voor over heeft om zijn kinderen te kunnen zien.

IV Beklaagde geeft aan dat het eindverslag een weergave is van het traject [naam traject jeugdhulpaanbieder], dat in de conclusie en het advies de visie van beklaagde is te lezen, en dat zij deze visie heeft gevormd naar aanleiding van bemiddelingsgesprekken, de informatie die vanuit de aanmelding is meegestuurd, en de terugkoppelingen van de omgangen. Ook zijn er gedurende het hulpverleningstraject diverse momenten geweest waarop reflectie door beklaagde is georganiseerd door casuïstiekbesprekingen, intervisie en betrokkenheid van gedragsdeskundigen. Beklaagde meent dat volgens de Beroepscode is gehandeld in het belang van de kinderen.

V Beklaagde geeft aan het klachtgesprek met klager op 9 mei 2016 naar tevredenheid is verlopen, en dat dit klachttraject ten einde is gekomen door middel van de brief van de directeur van 30 mei 2016. Naar aanleiding van een emailbericht dat de advocaat van klager vervolgens op 12 augustus 2016 heeft verzonden waarin werd gesteld dat de goede naam van klager is aangetast in het eindverslag, en hem daarmee het recht is ontnomen op een volwaardige contactregeling, is door de directeur van [jeugdhulpaanbieder] in een mail van 23 augustus 2016 in de lijn van het eerdere klachtgesprek gereageerd. De directeur heeft daarin aangegeven dat in het eindverslag een objectief beeld is gegeven, dat in de beleving van [jeugdhulpaanbieder] de eindconclusie juist is weergegeven en dat deze niet zal worden aangepast. Beklaagde stelt dat, zoals dit in het klachtgesprek ook is erkend, klager slechts kort de tijd had om het verslag met informatie ten behoeve van het omgangshuis te lezen, maar dat dit er niet aan afdoet dat de inhoud van het eindverslag juist is.

VI Beklaagde betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan gestelde strafbare feiten. Zij geeft aan dat zij niets anders gedaan heeft dan de voor het omgangshuis relevante informatie uit het Raadsrapport in een brief opnemen.

VII Beklaagde geeft aan dat zij overeenkomstig de afspraak met klager de informatie in de brief aan het omgangshuis heeft aangepast na afloop van haar vrije dagen, en dat zij hierbij het oorspronkelijke digitale document heeft overschreven. Aldus beschikt zij niet meer over de eerste brief, en alleen nog over de tweede brief.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende.

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.1.3

Het College overweegt en oordeelt het volgende met betrekking tot de afzonderlijke klachtonderdelen.

5.2

In het eerste klachtonderdeel klaagt klager erover dat hij zich door de houding en het onprofessionele gedrag van beklaagde onheus bejegend voelt en geïntimideerd.
Vast is komen te staan dat beklaagde een verslag aan de betrokken medewerkers van het omgangshuis heeft doen toekomen, waarin informatie is opgenomen die nodig is om de omgang te kunnen begeleiden en observeren. Gebleken is dat de informatie in dit verslag letterlijk is overgenomen uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, en dat de oorspronkelijke tekst waarin klager zich niet kon vinden, door beklaagde is vervangen door passages uit het Raadsrapport waarin klager zich wel kon vinden. Daarnaast acht het College, gelet op hetgeen beklaagde hierover ter zitting heeft verklaard, voldoende aannemelijk geworden dat klager en beklaagde hebben afgesproken dat het eerste omgangscontact zou plaatsvinden op basis van de eerste versie van het verslag, en dat nadien beklaagde na haar vrije dagen het verslag in aangepaste vorm aan het omgangshuis zou sturen. Het College is niet gebleken dat beklaagde klager aldus onheus heeft bejegend of zich hiermee onprofessioneel heeft gedragen. Voorts is noch uit het dossier noch ter zitting gebleken dat beklaagde klager aldus onder druk heeft gezet.

Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.3

In het tweede klachtonderdeel heeft klager naar voren gebracht dat beklaagde niet helder dan wel correct zou communiceren.
Het is het College niet bekend wat de bijzonder curator tegen klager heeft gezegd. Reeds om die reden kan het College hierover geen inhoudelijk oordeel geven. Ook overigens is het College niet uit het dossier dan wel ter zitting gebleken dat beklaagde niet helder zou communiceren. Integendeel, het College acht gelet op hetgeen beklaagde naar voren heeft gebracht, aannemelijk geworden dat zij zich in hoge mate heeft ingespannen om in het traject [naam traject jeugdhulpaanbieder] ook rekening te houden met de mening en de wensen van klager en met hem te blijven communiceren.

Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.4

In het derde klachtonderdeel voert klager aan dat beklaagde niet onpartijdig in het traject heeft gestaan en situaties niet objectief heeft beoordeeld.
Hoewel klager stelt dat beklaagde niet onpartijdig is en niet objectief heeft geoordeeld, is het College van oordeel dat de voorbeelden die klager ter onderbouwing van dit klachtonderdeel noemt, geen aanleiding geven tot een dergelijk oordeel.
Beklaagde erkent dat het punt rondom afspraken over het informeren van klager door moeder, voor verwarring heeft gezorgd, en dat het niet aan [jeugdhulpaanbieder] is om hierover uitspraken te doen, en heeft in dat opzicht op haar eigen handelen gereflecteerd. Zij heeft voorts aangegeven dat wat zij hierover tegen klager gezegd heeft, aldus bedoelde dat haar ervaring is dat veelal door omgang een eerder gemaakte afspraak minder relevant wordt omdat er een belangrijk beter alternatief voor terugkomt, namelijk omgang met het kind, zoals ook in de zaak van klager is gebeurd. Een en ander tezamen genomen, is het College van oordeel dat beklaagde aldus niet is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Ook overigens is het College niet gebleken dat beklaagde zich niet onpartijdig heeft opgesteld.

Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

5.5

Het vierde klachtonderdeel waarin klager erover klaagt dat beklaagde een onjuist advies aan de Raad heeft gegeven, is ongegrond, reeds omdat klager verzuimd heeft aan te geven in welk opzicht het advies van beklaagde aan de Raad onjuist zou zijn.

5.6

In het vijfde klachtonderdeel klaagt klager erover dat beklaagde weigert het eindverslag aan te passen ondanks dat in het klachtgesprek door [jeugdhulpaanbieder] erkend is dat het op een aantal punten beter had gekund.

Beklaagde heeft hiertegen in gebracht dat weliswaar in het klachtgesprek aan klager is toegegeven dat het op een aantal punten binnen het traject [naam traject jeugdhulpaanbieder] beter had gekund, maar dat dat niet automatisch inhoudt dat daarmee het eindverslag niet correct is en aangepast zou moeten worden. Het College volgt beklaagde hierin. Het College acht, gelet op hetgeen partijen hierover naar voren hebben gebracht, niet aannemelijk geworden dat wat in de begeleiding binnen het traject [naam traject jeugdhulpaanbieder] beter had gekund, zou moeten leiden tot aanpassing van het eindverslag. Bovendien gaat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om of dat handelen beter had gekund. Ten overvloede overweegt het College dat het klager bovendien als ouder vrijstaat om te allen tijde opmerkingen te maken aangaande het eindverslag, welke opmerkingen dan – al dan niet separaat – worden toegevoegd aan het eindverslag.

Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

5.7

Het zesde klachtonderdeel, waarin klager stelt dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan belediging dan wel laster dan wel smaad in geschrift, is ongegrond. Het is het College van Toezicht niet gebleken dat hiervan op enigerlei wijze sprake is.

5.8

Het zevende en laatste klachtonderdeel betreft de klacht dat beklaagde de eerste versie van haar verslag aan het omgangshuis niet heeft kunnen verstrekken, omdat deze is overschreven ten behoeve van de tweede versie.
Beklaagde heeft erkend dat zij niet meer beschikt over de eerste versie van het verslag ten behoeve van het omgangshuis omdat zij deze eerste versie digitaal heeft overschreven toen zij het stuk overeenkomstig de afspraak met klager aanpaste. Het College gaat hier dan ook vanuit.
Het ware naar het oordeel van het College beter geweest dat beklaagde een eerdere versie van een verslag, als dit is verspreid, in haar dossier bewaart en zo nodig kan reproduceren. Het College acht een en ander echter niet zodanig zwaarwegend dat beklaagde hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.9

Het College komt op basis van het vorengaande tot de vaststelling dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in al zijn klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan en op 4 mei 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

Mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris