Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdbeschermer, betrokken in het drangkader, heeft onder meer onvoldoende contact onderhouden met klager en de kinderen. Ook zijn meerdere gemaakte afspraken door hem niet nagekomen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Dhr. mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Mw. mr. H.C.A. Wintgens, lid;
Mw. M. de Roos, Dhr. mr. E.A.J. Ouwerkerk, Dhr. E.H. Weise, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden Mw. mr. A. Tingen.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de ingediende klacht door:

[klager], hierna te noemen: klager

tegen:

[beklaagde] jeugdbeschermer, hierna te noemen: beklaagde, gemachtigde mr. E. Lam.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
– Het klaagschrift met de bijlagen van 27 september 2016;
– Het verweerschrift met de bijlagen van 11 november 2016;
– De e-mail van klager met bijlage van 25 januari 2017.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016 in aanwezigheid van klager en beklaagde. Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat bij Suez Advocaten te Amsterdam.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

2.1

Klager heeft samen met zijn ex-vrouw twee kinderen, genaamd [kind 1], geboren [geboortedatum] 2000 en [kind 2], geboren [geboortedatum] 2002.

2.2

Beide ouders hebben gezag. De kinderen verbleven bij vader.

2.3

Op 24 november 2015 is [kind 1] naar haar moeder gegaan en heeft zij te kennen gegeven daar te willen blijven. Moeder heeft zich op deze dag gemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) voor het krijgen van ondersteuning.

2.4

Op 19 mei 2016 is aan de gecertificeerde instelling [GI] door het Jeugdbeschermingsplein [vestigingsplaats] verzocht om in het vrijwillige kader een zogenoemd “drangtraject” te bieden aan klager, zijn kinderen en moeder.

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI] en was als jeugdbeschermer in het kader van voornoemd traject bij het gezin van klager en zijn ex-partner betrokken.

2.6

Beklaagde is sinds [datum] 2013 ingeschreven in het Kwaliteitsregister voor de Jeugdzorg.

2.7

Beklaagde heeft in mei 2016 gesprekken gevoerd met moeder, [kind 1] en klager.

2.8

Op 31 mei 2016 en 22 augustus 2016 waren er afspraken gepland met klager dan wel zijn dochter die niet doorgegaan zijn wegens verhindering van beklaagde.

2.9

Beklaagde heeft een brief aan klager gestuurd, gedateerd 20 september 2016 waarin voor zover van belang het volgende is vermeld: “Als eerste wil ik mijn oprechte excuses aanbieden omdat ik de afgelopen maanden weinig tot geen contact met u heb onderhouden omtrent de ontwikkeling van uw kinderen [kind 1] en [kind 2]. Ik wil graag op maandag 27 september 2016 om 19:00u bij u op huisbezoek komen om de ontwikkeling van de kinderen te bespreken. Tevens wil ik graag het gezinsplan bespreken. Een kopie zal ik als bijlage toevoegen. Het lukt mij niet om met moeder en [kind 1] in contact te komen, terwijl er zorgen zijn over bijvoorbeeld de schoolgang. Het [GI] heeft besloten om het [GI] in Vestigingsplaats] in te lichten over deze situatie en zal verzoeken om een onderzoek te laten plaats vinden naar een juridische maatregel.”

2.10

De afspraak op 27 september 2016 is beklaagde vergeten.

2.11

Eind oktober 2016 is het beklaagde gelukt om weer contact te krijgen met moeder.

2.12

Op 17 oktober 2016 heeft er in verband met de door klager ingediende klacht bij het [GI] over de handelwijze van beklaagde een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Aanwezig waren klager, beklaagde en de coördinator van het [GI].

2.13

In het gespreksverslag is voor zover van belang het volgende opgenomen over de gemaakte afspraken.
“Deze week worden er afspraken gemaakt over de schoolgang van [kind 1] wanneer deze niet worden nagekomen zal het [GI] direct opschalen naar de [GI].
De risico’s om de thuissituatie worden ingeschat en hierop zal indien nodig hulp worden ingezet,
Er wordt ingezet op contactherstel tussen [kind 1] en vader, en onderzocht wordt of alle partijen bereid zijn mee te werken.
Het [GI] zal met de gedragsdeskundige bepalen wat er deze week gedaan kan worden om aan de schoolgang te werken. Deze week zal vader een brief ontvangen.
Vader geeft binnen 2 weken aan of […] nog een kans krijgt of er een wijziging [GI] plaats moet vinden.
Het plan van aanpak zal worden bijgesteld, vader kan op het aangepaste plan reageren wat er moet worden bijgesteld en wat er feitelijk niet klopt. Het [GI] zal aanpassingen doen. Feiten worden aangepast.”

2.14

Eind oktober 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de leerplichtambtenaar, moeder, [kind 1] en de andere ex-partner van klager en beklaagde over het schoolverzuim van [kind 1].

2.15

Op 3 november 2016 heeft er een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij klager en [kind 2] en beklaagde in gesprek zijn gegaan.

2.16

Op 9 november 2016 heeft beklaagde een gesprek gehad met [kind 2], en een vervolg afspraak gepland, voor 21 november welke is afgezegd door beklaagde.

2.17

Op 22 november 2016 laat beklaagde aan klager weten dat [kind 1] zich een dag heeft ziek gemeld op school en dat zowel school als de leerplichtinstelling hier meteen opgedoken zijn en moeder gewezen is op haar verantwoordelijkheid.

2.18

Op 23 november 2016 heeft een gesprek met [kind 2] plaatsgevonden waarbij beklaagde het niet aangepaste ouderschapsplan heeft besproken met [kind 2], zonder medeweten van klager.

2.19

Op 9 januari 2017 meldt beklaagde aan klager over de schoolgang van [kind 2] dat voor de kerstvakantie alles op orde was en dat hij geen zicht had op de resultaten en hij hierover bij school zou informeren en klager hierover op de hoogte zou brengen.

2.20

Tijdens het gesprek op 19 januari 2017 heeft beklaagde aan klager laten weten dat er eigenlijk geen contact mogelijk was met moeder en [kind 1] en dat hij de meeste informatie via school had verkregen en niet goed wist hoe het verder moest. Tijdens dit gesprek heeft klager laten weten geen vertrouwen meer in beklaagde te hebben en hem de deur gewezen.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven dat hij onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld door:

I Zich diverse malen niet aan de gemaakte afspraken te houden dan wel deze niet na te komen;

II In het door beklaagde opgestelde gezinsplan en correspondentie diverse onwaarheden en onjuistheden te vermelden en dit gezinsplan op 23 november 2016 zonder voorafgaand overleg met klager met [kind 2] te bespreken en dit niet aan te passen ondanks de gemaakte afspraken hierover;

III Na te laten om eerder op te schalen naar de jeugdbeschermingstafel. Maar juist maanden afwachtte toen het niet lukte om in contact te komen met moeder en [kind 1].

IV De gemaakte afspraken tijdens het bemiddelingsgesprek van 17 oktober 2016 te schenden.

4 Verweer

Beklaagde heeft in zijn verweer erkend dat een aantal zaken beter had gekund. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat met name in het eerste deel van het traject, voor het bemiddelingsgesprek, beklaagde heeft nagelaten om contact te onderhouden met [kind 2] en zich te passief heeft opgesteld door een aantal afspraken met klager niet na te komen. Voor het overige stelt beklaagde zich op het standpunt dat hij na het bemiddelingsgesprek wel voldoende contacten heeft onderhouden met [kind 2] en zich op de hoogte heeft laten stellen over de schoolgang van [kind 1], onder andere door afspraken te maken met de leerplicht ambtenaar. Voor zover van belang wordt hieronder nader op het verweer ingegaan.

5 Beoordeling

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

5.1

Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel over de communicatie tussen beklaagde, klager en zijn beide dochters overweegt het College als volgt. Beklaagde heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat de wijze waarop hij het contact met klager en zijn dochters heeft onderhouden beneden de maat is geweest. Beklaagde heeft een aantal malen zonder geldige redenen een afspraak afgezegd of zelfs vergeten. Het College kan zich voorstellen dat klager en zijn dochters zich onder deze omstandigheden niet serieus genomen hebben gevoeld. De door beklaagde tijdens de zitting gegeven verklaring voor zijn opstelling in het contact met klager, te weten, dat door de houding van klager bij beklaagde passief gedrag werd opgeroepen is voor het College onduidelijk.

Beklaagde gaf daarbij te kennen dat hij zich met de opstelling van klager geen raad wist. Het College is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid is van beklaagde in zijn rol als professional om met voldoende distantie om te gaan met de gevoelens die verschillende persoonlijkheden kunnen oproepen bij de professional zelf. Indien vanwege wat voor omstandigheden dan ook de professional zelf bemerkt deze distantie niet in acht te kunnen nemen, dient de jeugdprofessional hierover te reflecteren met beroepsgenoten en dit kenbaar te maken aan zijn leidinggevende en in voorkomende gevallen de casus over te dragen aan een collega. Een en ander vloeit voort uit artikel D en I van de beroepscode. Beklaagde heeft dit niet gedaan en het College rekent beklaagde dit aan. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

5.2

Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel over het niet aanpassen van het gezinsplan en dit zonder medeweten van klager te bespreken met [kind 2] het volgende. Tijdens het bemiddelingsgesprek op 16 oktober 2016 is de afspraak gemaakt dat feitelijke onjuistheden die in het gezinsplan door beklaagde waren opgenomen zouden worden gecorrigeerd. Het College begrijpt onder deze omstandigheden niet dat beklaagde ervoor heeft gekozen om het niet gecorrigeerde gezinsplan te bespreken met [kind 2], zonder dat klager hiervan wist. Beklaagde heeft aldus gehandeld in strijd met artikel G van de Beroepscode. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

5.3

Voor wat betreft het derde klachtonderdeel over het niet tijdig opschalen naar de jeugdbeschermingstafel, ook niet nadat hierover tijdens het bemiddelingsgesprek afspraken waren gemaakt het volgende. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat eind oktober 2016 toch contact mogelijk was met klagers ex-partner en toen afspraken zijn gemaakt over de schoolgang van [kind 1]. Beklaagde heeft het derhalve niet nodig geacht om eerder op te schalen naar de jeugdbeschermingstafel. Beklaagde werd op de hoogte gehouden van de situatie van [kind 1] door het CJG en door de betrokken leerplichtambtenaar. Het College stelt vast dat het gebrek aan contact met moeder vanaf het begin van de bemoeienis van beklaagde met het gezin een belangrijk punt van zorg is geweest. Beklaagde heeft van mei tot eind oktober 2016 geen contact met moeder kunnen krijgen. Beklaagde heeft klager per brief op 20 september 2016 laten weten dat opgeschaald zou worden naar de jeugdbeschermingstafel. Dit is echter niet gebeurd. Op 17 oktober 2016 is afgesproken dat diezelfde week afspraken zouden worden gemaakt over de schoolgang van [kind 1] en dat wanneer deze afspraken niet zouden worden nagekomen direct zou worden opgeschaald naar de JBT. Ook deze afspraak is feitelijk niet nagekomen, nu een week later, eind oktober, beklaagde met moeder afspraken heeft gemaakt over de schoolgang van [kind 1], welke hebben geleid tot een wisseling van school. Het is beklaagde ook in de periode daarna niet gelukt om contact met moeder te houden. Tijdens het laatste gesprek op 19 januari 2017 heeft beklaagde ook erkend dat hij niet wist hoe het nu verder moest, omdat hij geen contact met moeder kon krijgen. Onder deze omstandigheden had het op de weg van beklaagde gelegen om conform de gemaakte afspraken op te schalen naar JBT. Het College rekent het beklaagde aan dat hij dit heeft nagelaten, door aldus te handelen heeft beklaagde het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevorderd en gehandeld in strijd met artikel D van de Beroepscode. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

5.4

Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel dat gaat over het schenden van de tijdens het bemiddelingsgesprek gemaakte afspraken het volgende. Het College stelt vast dat beklaagde de afspraak over het bijstellen van het ouderschapsplan en de afspraak over het opschalen naar de jeugdbeschermingstafel niet is nagekomen. Het College rekent beklaagde dit aan, te meer daar de afspraken zijn gemaakt in het kader van een bemiddelingsgesprek waarbij het vertrouwen dat voor een werkbare relatie tussen cliënt en jeugdbeschermer noodzakelijk is, reeds was geschonden en beklaagde door middel van de gemaakte afspraken een laatste kans kreeg om dit vertrouwen te herstellen. Door aldus te handelen heeft beklaagde artikel D van de Beroepscode geschonden. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Nu alle klachtonderdelen gegrond zijn verklaard is een maatregel op zijn plaats. Voor wat betreft de zwaarte van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Duidelijk is dat sprake is van een reeks van omissies door beklaagde. Zelfs nadat een bemiddelingsgesprek had plaatsgevonden en beklaagde van klager een laatste kans had gekregen om het geschonden vertrouwen te herstellen. Alhoewel beklaagde ter zitting kenbaar heeft gemaakt lering te hebben getrokken uit de gebeurtenissen, heeft beklaagde eveneens volhard in zijn standpunt dat hem in het tweede traject, dus na het bemiddelingsgesprek geen verwijt valt te maken. Daarbij heeft beklaagde een deel van de verantwoordelijkheid voor zijn passieve handelen, naar het oordeel van het College geheel ten onrechte, geweten aan opstelling van klager. Onder deze omstandigheden acht het College een berisping op zijn plaats. Beklaagde heeft tijdens de zitting weinig zelfvertrouwen laten zien, waardoor het College beklaagde aanraadt in het kader van zijn professionele ontwikkeling een supervisietraject te volgen.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:
– Verklaart de klacht in al zijn onderdelen gegrond en berispt beklaagde.

Aldus gedaan op 13 april 2017 door het College van Toezicht en op deze datum aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mr. A. Tingen, secretaris