Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen gezinsvoogd over het weghalen van een kind bij een pleeggezin vanwege één anonieme melding.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot;
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw N.S. Willems Ettori-Oort.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [gecertificeerde Instelling], hierna: GI, locatie: [plaatsnaam].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door mr. M.R. Gans, werkzaam bij Plas Bossinade Advocaten N.V. te Groningen.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

− het klaagschrift van 19 augustus 2016, met de bijlagen en de aanvullingen hierop;

− het verweerschrift van 19 december 2016, met bijlagen;

− de door de gemachtigde van beklaagde toegestuurde stukken, te weten een kopie van een brief d.d. 12 december 2016 van kinderarts [naam kinderarts] en een kopie van de daarbij gevoegde brief aan huisarts [naam huisarts], d.d. 24 mei 2016.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 20 april 2017 in aanwezigheid van beklaagde en diens gemachtigde, zoals voornoemd. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest: [toehoorder].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is pleegmoeder van [jeugdige], geboren op [datum] 2012. [jeugdige] is vanwege een zeer bedreigende thuissituatie op 11 mei 2015 bij klaagster geplaatst in het kader van een crisisplaatsing. Op 2 juni 2015 is deze crisisplaatsing omgezet in een reguliere (perspectief zoekende) plaatsing.

2.2

Beklaagde is sinds 12 april 2016, in opvolging van de eerste gezinsvoogd, de nieuwe gezinsvoogd van [jeugdige] geworden.

2.3

Op 20 mei 2016 heeft een kennismakingsgesprek tussen klaagster en beklaagde plaatsgevonden. Bij dit gesprek was ook de pleegzorgbegeleidster van [pleegzorgorganisatie] aanwezig.

2.4

Op 31 mei 2016 heeft de pleegzorgbegeleidster een zorgmelding over [jeugdige] ontvangen, inhoudende dat [jeugdige] rondjes om het huis zou moeten fietsen, omdat zij een stimulans nodig had om in actie te komen, en dat klaagster [jeugdige] met haar hoofd in een ton regenwater zou hebben geduwd toen [jeugdige] niet wilde luisteren. Vanwege de ernst van de melding heeft de pleegzorg-begeleidster beklaagde hiervan op de hoogte gebracht.

2.5

Op 1 juni 2016 hebben beklaagde en de pleegzorgbegeleidster een gesprek met de zorgmelder gehad. Vervolgens zijn beklaagde en de pleegzorgbegeleidster bij klaagster langsgegaan om de zorgmelding te bespreken.

2.6

Beklaagde heeft op 1 juni 2016 besloten dat [jeugdige] niet langer bij klaagster kon wonen. De pleegzorgplaatsing is per direct beëindigd en [jeugdige] is nog diezelfde dag ondergebracht in een ander pleeggezin.

2.7

Op 15 juni 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere klaagster, de pleegzorgbegeleidster, de behandelcoördinator en een medewerker van [naam organisatie], teneinde het verloop van de plaatsing van [jeugdige] te bespreken en te reflecteren op de gebeurtenissen. Aan klaagster is toen medegedeeld dat [pleegzorgorganisatie] heeft besloten om de samenwerking met klaagster als pleegouder te beëindigen.

2.8

Op 12 juli 2016 heeft een overleg plaatsgevonden tussen onder andere klaagster, beklaagde, de pleegzorg-begeleidster en de behandelcoördinator. Beklaagde heeft tijdens dat gesprek aan klaagster de keuze voor de overplaatsing van [jeugdige] uitgelegd.

2.9

Klaagster heeft ook een klacht ingediend bij de Klachtencommissie [GI] tegen beklaagde. De klachtencommissie heeft op 8 december 20106 uitspraak gedaan en is met betrekking tot vier van de acht klachten tot een gegrondverklaring gekomen.

2.10

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2014.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

3.1.1

Beklaagde heeft [jeugdige] bij klaagster weggehaald op grond van één anonieme melding, zonder daarover met klaagster een gesprek te hebben gevoerd en zonder navraag en nader onderzoek te hebben gedaan.

3.1.2

Beklaagde heeft [jeugdige] op een onveilige manier in zijn auto vervoerd. Daartoe is aangevoerd dat [jeugdige] zonder zitverhoger, met alleen een heupgordel om, in de auto is meegenomen.

3.1.3

Beklaagde heeft klaagster niet duidelijk over de zorgmelding verteld en de melding telkens veranderd.

3.1.4

Beklaagde wil geen normaal gesprek met klaagster voeren.

3.1.5

Beklaagde mag een kind niet op grond van één anonieme melding weghalen bij een pleeggezin. Klaagster heeft meer rechten, omdat [jeugdige] op 1 juni 2016 al meer dan een jaar bij klaagster woonde. Beklaagde had de kinderrechter moeten consulteren voor toestemming.

3.1.6

Beklaagde heeft [jeugdige] een enorm trauma bezorgd door zijn handelen.

3.1.7

Beklaagde heeft klaagster vals beschuldigd en [jeugdige] onterecht bij klaagster weggehaald.

3.2

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.2

Op 12 april 2016 is beklaagde, in opvolging van een collega, gezinsvoogd van [jeugdige] geworden. Enige tijd nadien heeft de feitelijke overdracht plaatsgevonden. Uit het overdrachtsgesprek, waarbij ook de pleegzorgwerkster van [pleegzorgorganisatie] aanwezig was, bleek met name dat er al geruime tijd twijfel bestond omtrent de opvoedkundige kwaliteiten van klaagster. [jeugdige] werd namelijk ernstig in haar ontwikkeling bedreigd en had een meer dan gemiddelde behoefte aan sensitiviteit en responsiviteit om tot ontwikkeling te komen. Het bieden van geborgenheid was daarom van essentieel belang. Ondanks de intensieve begeleiding die klaagster heeft gekregen – niet alleen van de voorgangster van beklaagde, maar ook van de pleegzorgwerkster van [pleegzorgorganisatie] – hield klaagster onvoldoende rekening met de achterliggende problematiek van [jeugdige] en wat zij in dat kader nodig had, met name geborgenheid. Klaagster had een heel andere visie op de zorg die voor [jeugdige] nodig was.

Klaagster legde bijvoorbeeld zeer veel nadruk op een vermoeden harerzijds van ontwikkelingsstoornissen en afwijkend gedrag van [jeugdige]. Ook was volgens haar, zonder verdere onderbouwing, sprake geweest van seksueel misbruik. Voor het standpunt van de gezinsvoogd en de pleegzorgwerkster stond klaagster in het geheel niet open. Onder meer ging zij niet in op adviezen om aansluiting te zoeken bij [jeugdige] en om vooral het accent te leggen op koestering en het bieden van veiligheid. Klaagster legde met name de nadruk op het corrigeren van vermeend fout gedrag om een gedragsverandering bij [jeugdige] te bewerkstelligen, waarbij vooropstond het systeem van dwingen en straffen. Geconstateerd werd dat sprake was van een foutieve “insteek” wat betreft hetgeen [jeugdige] nodig had en dat klaagster doorging op basis van haar eigen inzichten over de opvoeding van [jeugdige] en niet openstond voor aanwijzingen en hulp van de voorgaande gezinsvoogd en de pleegzorgwerkster.

In het kennismakingsgesprek van 20 mei 2016 heeft beklaagde één en ander uitvoerig met klaagster besproken en heeft hij [jeugdige] zelf geobserveerd. Wat hem opviel was dat bij [jeugdige] inderdaad geen sprake was van bijzonder afwijkend gedrag, maar dat klaagster overtuigd was van de juistheid van haar opvoedkundige aanpak. In ieder geval heeft beklaagde zijn zorgen duidelijk kenbaar gemaakt. Na afloop heeft hij dit gesprek met de pleegzorgwerkster geëvalueerd en de conclusie was eenduidig.

Op 31 mei 2016 kwam een zorgmelding binnen via de pleegzorgwerkster, die zeer zorgelijk was en duidelijk aangaf dat het pedagogisch handelen van klaagster niet langer zou kunnen, indien en voor zover hetgeen werd gemeld ook juist was. Onder meer betrof dit het onderdompelen van [jeugdige] in een waterbak en het langdurig (ca. één uur) moeten fietsen dan wel hinkelen om het huis. Voorts werd aangegeven dat klaagster deze “maatregelen” besprak op een emotieloze wijze en eerder getuigde van “kilheid”. Dit vormde een extra reden voor zorg.

Voor beklaagde waren deze berichten zodanig ernstig, dat hij dit – in het kader van de zorgvuldigheid – eerst met collega’s heeft besproken en op basis daarvan heeft besloten om samen met de pleegzorgwerkster met de zorgmelders te spreken. Het intercollegiaal overleg leidde tot de conclusie dat, indien de zorgmelding juist was, [jeugdige] niet bij klaagster zou kunnen blijven. Beklaagde heeft dit ook nog besproken met de gedragswetenschapper van [GI], om diens oordeel te vragen en te toetsen of de conclusies van het intercollegiaal overleg juist waren. Dit werd onderschreven.

Vervolgens is een afspraak gemaakt om met de zorgmelders te spreken en daarna – in het kader van hoor en wederhoor – met klaagster. Daarbij was het uitgangspunt dat (pas) indien klaagster zou aangeven dat hetgeen de zorgmelders hadden gemeld, juist was, [jeugdige] naar een crisispleeggezin zou worden gebracht. Er was van tevoren nog geen definitieve beslissing genomen wanneer klaagster de juistheid van de zorgmelding zou ontkennen.

Op 1 juni 2016 heeft het gesprek met de zorgmelders plaatsgevonden. Zij hebben duidelijk verklaard omtrent de melding. Daarbij heeft beklaagde ook nog doorgevraagd, onder meer om te bezien of mogelijkerwijs sprake was van andere redenen voor de zorgmelders om deze beschuldigingen te uiten. Dit is niet gebleken: de zorgmelders waren oprecht.

Beklaagde heeft hierna opnieuw overleg gehad met de gedragswetenschapper om zijn bevindingen door te geven. De conclusie was wederom hetzelfde. Of ingegrepen zou worden, hing (aldus) af van de uitkomst van het gesprek met klaagster.

Vervolgens heeft het gesprek met klaagster plaatsgevonden. Beklaagde heeft de reden van het gesprek toegelicht en heeft zijn zorg geuit omtrent met name de klacht dat [jeugdige] door klaagster in een waterbak zou zijn gedompeld bij wijze van straf. Klaagster heeft geantwoord dat dit “maar één keer was voorgekomen”. Andere keren kon zij volstaan met het gooien van een “plens water in het gezicht van [jeugdige]”. Volgens klaagster zorgde dit voor voldoende schrikeffect. Beklaagde heeft klaagster zeer uitdrukkelijk gevraagd of zij dit een goede opvoedkundige methode vond. Klaagster gaf aan geheel achter haar methode te staan, “omdat het wel werkte”.

In het gesprek zijn ook nog andere zaken aan de orde gekomen, zoals bijvoorbeeld de koude douche en het overeten van [jeugdige] en de wijze waarop klaagster hiermee omging, namelijk het stimuleren in plaats van het afremmen van dit eetgedrag. Het was voor beklaagde duidelijk (gegeven ook hetgeen was voorbesproken en al eerder was geconstateerd) dat klaagster niet degene was die geacht moest worden in staat te zijn om [jeugdige] de dringend noodzakelijke zorg te bieden. Daarop is besloten [jeugdige] te plaatsen in een crisispleeggezin.

Voor zover is aangevoerd dat voor de uithuisplaatsing geen grond was, omdat geen sprake was van een “levensbedreigende situatie”, merkt beklaagde op dat dit voor een beslissing als de onderhavige dit niet nodig is en ook niet conform het beleid van [GI] is. Indien sprake is van een situatie die voldoende bedreigend is voor het welzijn van [jeugdige], rustte op beklaagde de plicht om voorrang te geven aan het belang van het kind en over te gaan tot een uithuisplaatsing.

Hetgeen zich ten tijde van de uithuisplaatsing heeft voorgedaan, in combinatie met de eerder verkregen informatie, rechtvaardigt dat beklaagde – na overleg, zowel intercollegiaal als met de gedragswetenschapper – heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan. Voor hem stond het belang van het kind voorop, namelijk op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling. Beklaagde stelt dat hij op zorgvuldige wijze heeft gehandeld.

Tenslotte voert beklaagde aan dat het niet aan hem was om de vraag tot het treffen van de onderhavige maatregel voor te leggen aan de kinderrechter, doch wordt een dergelijk verzoek door [GI] ingediend als “gecertificeerde instelling”. Bovendien verbleef [jeugdige] op het moment dat beklaagde de maatregel nam nog geen jaar bij klaagster. Daarvoor is immers niet relevant het moment van de crisisplaatsing (op 11 mei 2015), maar het moment van de daadwerkelijke (doch ook tijdelijke) plaatsing op 2 juni 2015. Daarvan uitgaande was nog geen jaar verstreken. De periode van één jaar ziet op de periode van “opvoeden en verzorgen als behorende tot het gezin”. Daarvan was (nog) geen sprake gedurende de periode van de crisisplaatsing.

Samenvattend stelt beklaagde zich op het standpunt dat hetgeen klaagster beklaagde in de kern verwijt tuchtrechtelijk niet kan worden gekwalificeerd als een persoonlijk handelen dat valt buiten de norm van een redelijk, handelend vakgenoot. Derhalve dient de klacht in al haar onderdelen als zijnde ongegrond afgewezen te worden.

4.3

Voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroeps-uitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

5.2.1

Hoewel klaagster heeft ervaren dat [jeugdige] is weggehaald op grond van één anonieme melding, volgt uit het verweer van beklaagde echter dat hij hiertoe (na intercollegiaal overleg) heeft besloten op vier gronden, te weten:

– de omstandigheid dat de langdurige psycho-educatie van klaagster niet beklijfde;

– het ‘boterham incident’, waarbij klaagster [jeugdige] een overdadige hoeveelheid boterhammen liet eten (negen boterhammen totdat [jeugdige] overgaf en vervolgens nog drie boterhammen, in verband met de door klaagster geconstateerde obsessie van [jeugdige] voor eten);

– de zorgen van kinderarts [naam kinderarts] over de handelwijze van klaagster;

– de zorgmelding van 31 mei 2016 en de daarop volgende gesprekken met de zorgmelder en met klaagster zelf.
Het College is van oordeel dat bovenstaande gronden voldoende waren voor de beslissing van beklaagde tot de spoed-uithuisplaatsing van [jeugdige].

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.2

Hoewel gesteld, is het College niet gebleken dat [jeugdige] door beklaagde op een onveilige manier is vervoerd.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.3

Naar het oordeel van het College blijkt uit de stukken dat het voor klaagster duidelijk was dat de zorgmelding zag op het door klaagster onderdompelen van [jeugdige] in een ton regenwater.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.4

Het College merkt in de eerste plaats op dat de bemoeienis van beklaagde met [jeugdige] en klaagster zich in een periode van slechts twee weken heeft afgespeeld. Immers, op 20 mei 2016 heeft het kennismakingsgesprek plaatsgevonden en op 1 juni 2016 is de zorgmelding met klaagster besproken. Niet is gebleken dat deze twee gesprekken niet op een normale wijze zouden zijn verlopen. Hetgeen klaagster daartoe heeft aangevoerd is reeds onvoldoende om te komen tot het oordeel dat beklaagde geen normaal gesprek met klaagster heeft willen voeren, mede gelet op hetgeen beklaagde daarover zelf heeft gesteld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.5

Zoals hiervoor reeds overwogen onder I, heeft een opeenstapeling van zorgen geleid tot het gesprek van 1 juni 2016 met klaagster. Naar aanleiding van de tijdens dat gesprek door klaagster gegeven antwoorden, ontstond er een acute dreigende situatie waarin beklaagde [jeugdige] direct uit huis heeft geplaatst. Het heeft het College verbaasd dat beklaagde er niet aan heeft gedacht om hiervoor eerst toestemming aan de kinderrechter te vragen en dat ook de gedragsdeskundige (dan wel een andere collega) beklaagde daarop niet heeft geattendeerd tijdens de bespreking op 31 mei 2016.

Ongeacht of het de taak van beklaagde zelf dan wel die van de gecertificeerde instelling was om – al dan niet via een mondelinge spoedaanvraag – toestemming voor de uithuisplaatsing van [jeugdige] aan de kinderrechter te vragen, komt het in elk geval voor rekening van beklaagde dat hij [jeugdige] op 1 juni 2016 zonder die toestemming heeft meegenomen. Hoewel de uithuisplaatsing van [jeugdige], gelet op de acute situatie, begrijpelijk is, laat dat onverlet dat beklaagde dit zonder de benodigde toestemming van de kinderrechter heeft gedaan. Anders dan beklaagde stelt is de periode waarin [jeugdige] bij klaagster verbleef niet zodanig kort dat geen toestemming van de kinderrechter noodzakelijk was. Het College acht dit klachtonderdeel derhalve gegrond.

5.2.6

Hoewel gesteld, is het College niet gebleken dat beklaagde [jeugdige] een enorm trauma heeft bezorgd door zijn handelen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.2.7

Het College is van oordeel dat hetgeen klaagster heeft gesteld niet ziet op het doen van een valse beschuldiging, maar dat sprake was van het afwegen van de belangen van [jeugdige] door beklaagde. Voorafgaand aan het gesprek met klaagster op 1 juni 2016, heeft hij uitvoerig overleg gepleegd over de zorgen die er waren en hoe daarop te reageren. Tijdens het gesprek met klaagster heeft beklaagde van haar een bevestiging gekregen van de zorgen die er waren, hetgeen de aanleiding was voor de directe uithuisplaatsing van [jeugdige].

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.3

Conclusie:
Het College acht klachtonderdeel V gegrond. Het was de verantwoordelijkheid van beklaagde om [jeugdige] niet zonder toestemming van de kinderrechter mee te nemen, ook al was het feitelijk de gecertificeerde instelling die het verzoek moest indienen (al dan niet via een mondelinge spoedaanvraag). Nu de verplichting om een dergelijke toestemming aan de rechter te vragen pas is ingegaan kort vóór 1 juni 2016 namelijk op 11 mei 2016, [jeugdige] pas net een jaar bij klaagster verbleef en de overschrijding van de periode waarin nog geen toestemming nodig was derhalve zeer kort was, komt het College in dit geval tot het oordeel dat het opleggen van een maatregel niet op zijn plaats is. Daarbij heeft het College ook de omstandigheid betrokken dat beklaagde blijk heeft gegeven de onjuistheid van zijn eigen professionele handelen op dit punt in te zien en in staat te zijn op die tekortschieting te reflecteren.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

− verklaart klachtonderdelen I, II, III, IV, VI en VII ongegrond;

− verklaart klachtonderdeel V gegrond, maar acht een oplegging van een maatregel in dit geval niet noodzakelijk.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 15 juni 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy mevrouw mr. N.S. Willems Ettori-Oort
voorzitter secretaris