Maak een selectie

727 van 727

   

Beklaagde heeft als raadsonderzoeker gehandeld binnen de grenzen van het beroepsmatig handelen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw F. Leeflang, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[naam klager], hierna te noemen: klager, en [naam klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], samen aan te duiden als: klagers, ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, [vestigingsplaats], hierna te noemen: de Raad.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door de heer mr. H.M.Th. de Pont, werkzaam bij De Pont Reijrink Advocaten, Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift van 7 november 2016, met bijlagen;

– de aanvullingen op het klaagschrift d.d. 16 november 2016, d.d. 31 januari 2017 en 13 maart 2017 met bijlagen;

– het verweerschrift van 5 april 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde zoals voornoemd.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige kinderen: [naam kind 1] geboren op [geboortedatum] 2010 en [naam kind 2] geboren op [geboortedatum] 2012, hierna samen aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, zijn sinds 24 juli 2015 gescheiden en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Klaagster woont sinds 2015 samen met klager.

2.3

De kinderen verblijven bij klagers. Op 16 september 2015 heeft klaagster de rechtbank verzocht om het eenhoofdig gezag aan haar toe te wijzen en de omgang met vader te wijzigen.
Bij beschikking d.d. 3 februari 2016 heeft de rechtbank [vestigingsplaats] een voorlopige omgangsregeling vastgesteld. Het contactmoment tussen vader en de kinderen vindt een dag in de veertien dagen plaats van 11:00 tot 15:30 uur.

2.4

De Raad heeft op verzoek van de rechtbank onderzocht of de handhaving van het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is of dat het verzoek van klaagster moet worden toegewezen. Voorts heeft de Raad onderzocht of een zorgregeling met vader in het belang van de kinderen is.

2.5

Beklaagde is werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad en heeft het raadsonderzoek uitgevoerd samen met haar collega [naam collega] tegen wie klagers een gelijkluidende klacht hebben ingediend. De collega van beklaagde heeft met klaagster gesproken. Beklaagde heeft het gesprek met vader gevoerd. Beklaagde en haar collega hebben gezamenlijk met de kinderen gesproken.

2.6

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

2.7

Op 12 april 2016 heeft de collega van beklaagde met klaagster telefonisch een adviesgesprek gevoerd naar aanleiding van het concept raadsrapport.

2.8

Op 22 april 2016 heeft de Raad het raadsrapport uitgebracht. De Raad heeft de rechtbank onder meer geadviseerd het verzoek van klaagster om te worden belast met het eenhoofdig gezag af te wijzen omdat dit niet in het belang van de kinderen wordt geacht. Voorts heeft de Raad geadviseerd om een zorgregeling vast te leggen.

2.9

Klagers hebben op 28 april 2016 een klacht ingediend bij de Raad.

2.10

Op 30 mei 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden in aanwezigheid van klagers, de advocaat van klagers, de regiodirecteur, een jurist en de klachtbehandelaar van de Raad. Op 31 mei 2016 heeft de klachtbehandelaar van de Raad een gesprek gevoerd met het betrokken onderzoeksteam, de regiodirecteur en de jurist van de Raad.

2.11

Op 7 juni 2016 heeft de klachtbehandelaar namens de regiodirecteur een beslissing genomen. Ten aanzien van drie klachtonderdelen heeft de klachtbehandelaar zich onthouden van een beslissing. Een klachtonderdeel is ongegrond verklaard.

2.12

Op 19 juni 2016 hebben klagers zich gewend tot de klachtencommissie. De klachtencommissie heeft de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

3 De klacht

3.1

Samengevat en zakelijk weergegeven, verwijt klaagster beklaagde het volgende:

I

Beklaagde is niet pedagogisch onderlegd.

II

Beklaagde heeft niet naar klagers geluisterd en het advies van de Raad telefonisch met klaagster besproken.

III

Beklaagde heeft geen goede kennis van volwassenen en kinderen.

IV

Beklaagde heeft niet gekeken naar feiten en bewijsstukken.

V

Beklaagde heeft bedreigingen geuit.

VI

Beklaagde heeft gedreigd de persoonlijke gegevens van klaagster aan haar ex-partner te verstrekken.

4 Het verweer

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Beklaagde heeft als orthopedagoog de vereiste opleiding, ervaring en attitude (kennis, kunde en kunst) om in de functie van raadsonderzoeker haar werk op een juiste wijze uit te voeren.

Beklaagde erkent dat de gang van zaken met betrekking tot het gevoerde adviesgesprek dat op 12 april 2016 telefonisch plaats vond, ongelukkig is geweest. Achteraf bezien had dit gesprek, gelet op de inhoud ervan en de emoties die dat bij klaagster opriep, niet telefonisch moeten plaatsvinden, althans had overgegaan moeten worden in een face tot face gesprek nadat klaagster haar emoties uitte. De overweging dat beide partijen gelijk moesten worden behandeld en ook gelijktijdig dienden te worden ingelicht, had niet doorslaggevend moeten zijn. Door de emotionele lading konden ook andere onderwerpen niet meer op de juiste wijze worden besproken en bij klaagster mogelijk onjuist zijn overgekomen. Beklaagde en haar collega hebben op dit punt een inschattingsfout gemaakt en in die zin had de gang van zaken met betrekking tot het adviesgesprek zorgvuldiger en beter gekund. Ondanks die vaststelling is beklaagde van oordeel dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

De klachtencommissie heeft enkele klachtonderdelen gegrond verklaard. Dat betekent echter niet dat beklaagde ook een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
De klachtencommissie heeft vastgesteld dat de raadsonderzoekers zowel naar de visie van klaagster hebben geluisterd als naar vader. Beklaagde heeft samen met haar collega voldoende gemotiveerd op wat voor wijze zij tot het in het rapport opgenomen advies zijn gekomen. Voorts blijkt uit het raadsrapport en het advies dat voldoende aandacht is besteed aan de zorgen van klaagster. Enkele opmerkingen van klaagster, die de weergave van haar visie raakt, zijn niet gecorrigeerd. Deze omissie maakt evenwel nog niet dat beklaagde hierdoor in tuchtrechtelijke zin verwijtbaar heeft gehandeld.

De klacht met betrekking tot het niet meenemen van bewijsstukken respectievelijk het niet aannemen van bewijsstukken in het kader van het raadsonderzoek is door de klachtencommissie ongegrond verklaard. De overwegingen van de klachtencommissie op dit punt maakt beklaagde tot de hare.
Beklaagde heeft bij de klachtencommissie naar voren gebracht dat klagers de voornoemde stukken niet hebben aangeboden. De klachtencommissie heeft na het lezen van de betreffende stukken geoordeeld dat de bedoelde stukken niet tot wijziging van het reeds uitgebrachte advies zal leiden.

De jurist van de Raad heeft beklaagde en haar collega medegedeeld dat, nu klaagster en vader belast zijn met het gezamenlijk gezag, vader recht had om te weten waar de kinderen naar school gaan. Nu beklaagde en haar collega het onwenselijk vonden om vader op de hoogte te brengen via het raadsrapport is klaagster de mogelijkheid geboden de naam van de school aan vader bekend te maken. Dat klaagster dit heeft opgevat als dreigement wordt door beklaagde betreurd, want dat was geenszins de bedoeling. Ten onrechte hebben klagers en de klachtencommissie dit aangemerkt als een dreigement.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I en III:
Nu de klachtonderdelen I. en III. betrekking hebben op de opleiding en kennis van beklaagde, zal het College deze gezamenlijk beoordelen. Uit de stukken heeft het College niet kunnen afleiden dat beklaagde incompetent zou zijn. In haar verweerschrift heeft beklaagde uiteengezet welke opleiding zij heeft gevolgd. Ook heeft beklaagde desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het College de door haar gevolgde verplichte standaardtrainingen onder meer ten aanzien van methodieken en agressietrainingen toegelicht. Daarnaast staat beklaagde ingeschreven in het register van SKJ.

Voorts heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling bij het College naar voren gebracht dat het huisbezoek ten doel had om een gesprek met de kinderen te voeren in het kader van het raadsonderzoek. Tijdens het huisbezoek heeft beklaagde gemerkt dat de kinderen gespannen waren. Het is aannemelijk dat beklaagde bewust aansluiting bij de kinderen heeft gezocht door zich volgend op te stellen. Mogelijk hebben klagers de opstelling van beklaagde als stroef aangemerkt en zijn zij hierdoor de mening toegedaan dat er geen klik was tussen beklaagde en de kinderen. Het is voorts begrijpelijk dat klagers teleurgesteld zijn over het huisbezoek nu dit als gevolg heeft gehad dat met name [naam kind 1] last heeft gehad van nachtmerries, ’s nachts niet meer zindelijk is en druk gedrag heeft vertoond.
In het licht van het raadsonderzoek is het echter noodzakelijk om met de kinderen te spreken. Ook in het dossier en tijdens de mondelinge behandeling ter zitting heeft het College geen aanknopingspunten kunnen vinden die deze klachtonderdelen ondersteunen. De klachtonderdelen I en III zijn ongegrond.

II
Het is het College uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling bij het College niet gebleken dat beklaagde niet naar klagers heeft geluisterd. Het behoort tot de werkwijze van de Raad dat in eerste instantie een gezamenlijk gesprek met ouders wordt ingepland. Nadat klaagster en haar hulpverlener te kennen hebben gegeven dat een gezamenlijk gesprek voor klaagster te belastend is, heeft beklaagde dat gerespecteerd. Met klaagster en vader zijn afzonderlijke gesprekken gevoerd. Klaagster heeft noch voorafgaand aan het gesprek noch tijdens het gesprek gevraagd of medegedeeld dat zij een vertrouwenspersoon mee wilde nemen naar het gesprek.

Dat een advies van de Raad met cliënten telefonisch wordt besproken, is niet ongebruikelijk. Beklaagde heeft uiteengezet dat zij klaagster van te voren per e-mail heeft geïnformeerd over de datum en tijdstip van het telefonisch advies gesprek. De telefoon stond op de speaker zodat beklaagde het gesprek samen met haar collega heeft kunnen voeren. Beklaagde heeft klaagster aan het begin van het telefoongesprek gevraagd of zij gelegen belde hetgeen klaagster bevestigde en heeft vervolgens het advies medegedeeld. Op het moment dat klaagster het bericht te horen kreeg dat de naam van de school in het onderzoek genoemd zou worden, is zij emotioneel geworden. Het was naar het oordeel van het College beter geweest indien klaagster de mogelijkheid was geboden te kiezen tussen een persoonlijk- of een telefonisch advies. Beklaagde heeft erkend dat zij door de emoties van klaagster de andere onderwerpen niet meer op de juiste wijze zijn besproken en bij klaagster zijn overgekomen.
Het College overweegt dat beklaagde tijdens het telefoongesprek klaagster alsnog had kunnen uitnodigingen voor een persoonlijk gesprek.
Een en ander weegt echter niet zo zwaar dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Beklaagde is binnen de grenzen van het beroepsmatig handelen gebleven zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

IV:
Uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling en uit het dossier is gebleken dat beklaagde gedurende het raadsonderzoek gebruik heeft gemaakt van informanten, waaronder de school van de kinderen. Beklaagde heeft onweersproken te kennen gegeven dat zij met klaagster heeft besproken welke informanten zouden worden benaderd. Klaagster heeft hier ook toestemming voor gegeven. Daarnaast zijn klaagster, de kinderen en het netwerk gehoord. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat klaagster geen stukken heeft aangedragen ten tijde van het raadsonderzoek hetgeen door klager eveneens niet is weersproken.
Het concept rapport is verstuurd aan klagers en beiden zijn in de gelegenheid gesteld om hierop commentaar te geven. Het College heeft in het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden die tot de conclusie kunnen leiden dat de inhoud van het rapport onjuist zou zijn. Het klachtonderdeel is ongegrond.

V en VI:
Deze klachtonderdelen worden vanwege hun samenhang gezamenlijk behandeld.
Nu klaagster en vader belast zijn met het gezamenlijk gezag, brengt dit met zich mee dat beklaagde de wettelijke verplichting heeft vader volledig te informeren. Dat klaagster in de gelegenheid is gesteld om vader zelf te informeren voordat het rapport naar vader zou worden verstuurd acht het College zorgvuldig en geen blijk van enige dreiging. Voorts vloeit uit een zorgvuldig uitgevoerd raadsonderzoek voort dat de bronnen dienen te worden vermeld. In dat licht is het noodzakelijk om de informanten, waaronder de school van de kinderen, met naam en toenaam in het rapport te noemen. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de bekendmaking van de naam van de school aan vader voor klagers grote gevolgen heeft gehad.
Hoewel het College de ontstane situatie van klagers betreurt, kan hieruit niet worden geconcludeerd dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klachtonderdelen V en VI zijn ongegrond.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 6 juli 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy                                                              mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                          secretaris