Maak een selectie

727 van 727

   

Beklaagde is onvolledig geweest in haar verslaglegging.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy voorzitter;
De heer W.V.V. Toebosch, lid-beroepsgenoot;
De heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [Woonplaats],

tegen

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, tot 1 september 2016 werkzaam bij [GI-I] , hierna te noemen: [GI-I].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 2 augustus 2016 met bijlagen;

– de aanvullingen op het klaagschrift d.d. 21 februari 2017;

– het verweerschrift, ingekomen op 7 november 2016;

– de op 9 maart 2017 overgelegde pleitnotitie van klaagster.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017 in aanwezigheid van klager en beklaagde. Klager is bijgestaan door mevrouw mr. A. Hendriks, advocaat te Amsterdam.
Beklaagde werd bijgestaan door mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam. [Toehoorder] was als toehoorder aanwezig.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster en haar partner zijn sinds 2009 pleegouders (hierna gezamenlijk aan te duiden als: pleegouders) van de minderjarige [pleegkind 1] geboren op [geboortedatum] 2004. De pleegouders hebben tot 4 juli 2015 ook voor [pleegkind 2], de broer van [pleegkind 1] gezorgd. [Pleegkind 2] is overgeplaatst naar een ander pleeggezin.

2.2

De ouders van [pleegkind 1] zijn niet meer bij elkaar. Het contact tussen hen is verstoord.
De moeder (hierna te noemen: moeder) is belast met het gezag over [pleegkind 1]. Tussen moeder en [pleegkind 1] is een bezoekregeling vastgesteld. [Pleegkind 1] bezoekt moeder een keer in de maand op zaterdag. De intensiteit van het contact tussen [pleegkind 1] en haar vader is wisselend.

2.3

Beklaagde is betrokken geweest als [jeugdbeschermer] bij het pleeggezin van klaagster van 7 juni 2015 tot 6 augustus 2016. Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2015.

2.4

Pleegzorgorganisatie [GI-II] (hierna te noemen: [GI-II]) heeft het pleeggezin begeleid tot 1 oktober 2015.

2.5

Op 25 juni 2015 hebben klaagster en beklaagde in een uitvoerdersoverleg (hierna te noemen: uvo) met [GI-I], [GI-II], pleegouders en de persoonlijk begeleidster van moeder van de organisatie [naam organisatie] kennis met elkaar gemaakt.

2.6

Op 20 augustus 2015 heeft de pleegzorgwerkster van [GI-II] in een uvo te kennen gegeven dat de samenwerking tussen pleegouders en de pleegzorgwerker niet goed is en dat vijf contactmomenten plaats moeten vinden om te bezien of de samenwerking kan worden verbeterd en of de veiligheid van [pleegkind 1] bij pleegouders is gewaarborgd.

2.7

Op 24 september 2015 heeft [GI-II] te kennen gegeven de pleegzorgovereenkomst met ingang van 1 oktober 2015 te beëindigen nu pleegouders zich niet hebben gehouden aan de vijf afgesproken contactmomenten.

2.8

Instelling [GI-III] heeft sinds 1 januari 2016 de pleegzorgbegeleiding op zich genomen. Op 14 december 2015 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. Hierbij waren pleegouders, [GI-III], de begeleider van moeder en beklaagde aanwezig.

2.9

Pleegouders hebben een klacht ingediend bij de klachtencommissie van [GI-II]. De klachtencommissie heeft in zijn beslissing d.d. 21 november 2015 twee klachten gegrond verklaard. De klachtencommissie heeft zich ten aanzien van de samenwerking tussen [GI-I] en [GI-II] onthouden van een oordeel. Nu [GI-II] in 2014 excuses heeft aangeboden voor de kwaliteit van de begeleiding van de pleegouders en het voornemen heeft uitgesproken om een nieuwe start te maken en de begeleiding sindsdien niet is verbeterd, heeft de klachtencommissie [GI-II] de aanbeveling gedaan om opnieuw verontschuldigingen aan te bieden in een persoonlijk gesprek met de pleegouders.

2.10

[GI-II] heeft in een gesprek op 21 januari 2016 aan pleegouders excuses aangeboden.

2.11

Pleegouders hebben eveneens een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van [GI-I]. Op 11 december 2015 heeft er een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden met pleegouders, beklaagde en de teammanager van beklaagde. Tijdens dit gesprek zijn nadere afspraken gemaakt om de samenwerking in de toekomst beter te laten lopen.

3 De klachten

Klaagster heeft veertien klachtonderdelen geformuleerd. Het College verwijst voor een volledige weergave van de klacht naar de bijlage behorende bij het klaagschrift waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en in de kern zakelijk weergegeven het volgende:

I

Beklaagde heeft niet gehandeld in het belang van [pleegkind 1] en is tekortgeschoten in het inzetten van de hulpverlening.

II

Beklaagde heeft niet naar klaagster geluisterd en heeft zich partijdig en passief opgesteld nadat [GI-II] de samenwerking met hen heeft beëindigd op 10 oktober 2015.

III

Beklaagde is onvoldoende open en transparant geweest. Beklaagde heeft klaagster geprobeerd te misleiden door zogenaamde afspraken samen met de toenmalige pleegzorgwerker op schrift te zetten en naar klaagster te communiceren dat deze afspraken zijn gemaakt met de voorganger van beklaagde.

Klaagster heeft een telefoongesprek tussen beklaagde en de pleegzorgwerker opgevangen waaruit blijkt dat beklaagde de zorgen van [GI-I] over de veiligheid van [pleegkind 1] heeft besproken met [GI-III]. Beklaagde heeft dit niet met klaagster gecommuniceerd.

Beklaagde heeft niet met pleegouders gecommuniceerd waarom voor [pleegkind 1] therapeutische gezinshulp is geïndiceerd.

IV

Beklaagde heeft onjuiste informatie verstrekt over de pleegzorgvergoeding. Op het moment dat [GI-II] de pleegzorgovereenkomst heeft beëindigd, heeft beklaagde moeder medegedeeld dat moeder verantwoordelijk was voor de kosten van inwoning, zorg en opvoeding voor [pleegkind 1]. Ook heeft beklaagde moeder en pleegouders onjuist geïnformeerd over de vergoeding van het leerlingenvervoer van [pleegkind 1].

V

Beklaagde heeft geweigerd de regie over te dragen naar [GI-III].

VI

De verslaglegging van beklaagde is onvoldoende. Beklaagde heeft nagelaten een veiligheidsplan op te stellen naar aanleiding van de zorgen van [GI-II]. Ook heeft klaagster geen Plan van Aanpak ontvangen.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan:

Beklaagde is geregistreerd sinds 23 november 2015, enkel het handelen vanaf deze registratiedatum kan beoordeeld worden door het College.

I

Beklaagde heeft steeds in het belang van [pleegkind 1] gehandeld en heeft zich hierbij laten informeren door moeder, pleegouders, pleegzorg, school en de toenmalig behandelaar van [pleegkind 1] bij [naam organisatie]. [Naam organisatie] heeft te kennen gegeven dat [pleegkind 1] op dat moment de hulp ontving die zij nodig had en heeft afgeraden om meer hulp in te zetten omdat dit voor [pleegkind 1] teveel zou worden. Dit is tijdens een uvo besproken. Pleegouders zijn hiermee akkoord gegaan.

II

Beklaagde heeft altijd geprobeerd te communiceren met klaagster over haar zorgen over [pleegkind 1]. Beklaagde heeft de gevoelens van klaagster ten aanzien van de hulpverlening in acht genomen. De communicatie met klaagster is bemoeilijkt doordat zij vroeg in de samenwerking met beklaagde te kennen heeft gegeven dat zij geen vertrouwen heeft in [GI-I] en beklaagde. Beklaagde heeft verschillende keren geprobeerd om dit te bespreken met pleegouders. Zij zijn hier niet op ingegaan en de pleegouders zijn uiteindelijk niet meer op de uvo’s verschenen.

III

Tijdens het uvo van 1 mei 2015 heeft de voorganger van beklaagde met de pleegzorgwerker een gesprek met pleegouders gevoerd. In dat gesprek zijn bestaande zorgen besproken over de opvoedingssituatie van [pleegkind 1] en afspraken gemaakt. De pleegzorgwerker heeft beklaagde gevraagd om naar de formulering van deze afspraken te kijken en de volledigheid hiervan. Deze afspraak heeft op 7 juli 2015 plaatsgevonden. Klaagster heeft in een e-mail d.d. 9 juli 2015 te kennen gegeven dat zij op de hoogte was van de afspraken en dat zij die schriftelijk wenste te ontvangen.

De pleegzorgwerker heeft niet met beklaagde telefonisch mogen spreken zonder dat beklaagde wist dat deze bij klaagster op de bank zat en de telefoon op de speaker stond. Beklaagde ging er vanuit en mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat het een vertrouwelijk gesprek betrof. Toen bleek dat dit niet zo was, heeft beklaagde het gesprek beëindigd. De zorgen die beklaagde in dit gesprek heeft geuit, waren overigens niet anders dan de zorgen die al eerder met klaagster en haar partner waren besproken.

Pleegouders zijn zelf akkoord gegaan met de aanmelding van [pleegkind 1] bij [GI-III].

IV

Beklaagde heeft door de beëindiging van de samenwerking met [GI-II] en het daarmee gepaard gaande probleem van de pleegzorgvergoeding contact opgenomen met de juristen van [GI-I]. De juristen waren van mening dat de met het gezag belastende ouder, in dit geval moeder, financieel verantwoordelijk was voor de jeugdige. Beklaagde heeft klaagster hierover per brief van 6 oktober 2015 geïnformeerd.
Beklaagde heeft het probleem overigens met terugwerkende kracht opgelost.

Beklaagde heeft contact opgenomen met leerlingenvervoer die vervolgens te kennen heeft gegeven dat zij alleen het vervoer tussen school en huis faciliteren. [GI-I] heeft geen budget voor leerlingenvervoer.

V

In eerste instantie is ervoor gekozen om de casus niet over te dragen vanwege de wisselingen in het voorafgaande jaar en de moeizame samenwerking met klaagster. Ook is onvoldoende zicht op de veiligheid van [pleegkind 1] verkregen om te kunnen afschalen. Nadat pleegouders de samenwerking met [GI-I] hebben opgezegd en de uvo’s niet meer hebben bijgewoond, heeft op 27 mei 2016 een gesprek op verzoek van [GI-III] plaatsgevonden. [GI-III] heeft gepleit voor een overdracht in plaats van een afschaling. Na overleg heeft beklaagde toen haar eerdere beslissing overwogen en toch gekozen voor een overdracht zoals voorgesteld. Dit is besproken met [GI-III] en met moeder.

VI

Beklaagde heeft op 7 juli 2015 met de pleegzorgwerker gesproken en te kennen gegeven dat zij een Veiligheidsplan wilde maken. De pleegzorgwerker is hier niet mee akkoord gegaan.

Beklaagde heeft aan moeder toestemming gevraagd voordat zij het Plan van Aanpak aan pleegouders kon overhandigen. Moeder heeft het Plan van Aanpak rechtstreeks, zonder beklaagde in te lichten, aan klaagster verstrekt. Dit heeft zich buiten de invloedssfeer van beklaagde voltrokken en kan haar tuchtrechtelijk niet worden verweten.

5 Beoordeling

Het College wijst allereerst op het volgende.

5.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.3

Nu beklaagde op 23 november 2015 is geregistreerd, kunnen klachten over gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de registratiedatum van beklaagde niet tuchtrechtelijk worden getoetst. Klaagster zal daarom in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

5.4

Bij de beoordeling van de klachtonderdelen is het College op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling bij het College het volgende gebleken. Klaagster is op 24 september 2015 geconfronteerd met het opzeggen van de samenwerking door [GI-II]. De samenwerking tussen [GI-II] en klaagster is moeizaam verlopen. Het College heeft uit de stukken kunnen opmaken dat [GI-II] heeft erkend dat er fouten zijn gemaakt en excuses aan klaagster heeft aangeboden. Het is begrijpelijk dat klaagster teleurgesteld is in deze gang van zaken. Daarnaast is klaagster geconfronteerd met personeelswisselingen zowel aan de zijde van [GI-II] als [GI-I].

Het College oordeelt als volgt.

I

Vaststaat dat beklaagde op 7 juni 2015 als startende jeugdprofessional deze zaak van een collega heeft overgenomen. Zij was op dat moment nog niet geregistreerd en is begonnen met een zogenaamde koude overdracht (schriftelijke overdracht) nu haar voorganger niet meer in dienst was bij [GI-I] op het moment dat beklaagde het dossier op zich nam. In het dossier was weinig vastgelegd. Het behoort tot de taak van beklaagde om regie te voeren op de totale hulpverlening aan [pleegkind 1]. Direct na de overdracht heeft beklaagde geprobeerd een afspraak met alle betrokkenen te maken. Klaagster heeft deze afspraken afgehouden. Dat klaagster in de veronderstelling verkeerde dat beklaagde haar wilde spreken over eerder gemaakte afspraken, doet hier niet aan af. Hoewel deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden voor de registratie van beklaagde kan hier niettemin uit worden afgeleid dat beklaagde heeft getracht de regie te nemen hetgeen door klaagster niet is erkend. Beklaagde heeft voorts een bemiddelingsgesprek met klaagster gevoerd op 11 december 2015. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt om de samenwerking tussen beklaagde en klaagster beter te laten verlopen. Ook heeft beklaagde klaagster op 19 februari 2016 een e-mail gestuurd waarin zij heeft benoemd dat klaagster moeite heeft met de samenwerking, op welke wijze deze samenwerking toch zo goed mogelijk kan verlopen, wat klaagster van beklaagde nodig heeft en wat de verwachtingen zijn. Daarnaast heeft beklaagde naar voren gebracht dat zij zich heeft laten informeren door moeder, klaagster en haar partner, pleegzorg, school en de behandelaar van [pleegkind 1] bij [naam organisatie]. De laatstgenoemde heeft meer hulp voor [pleegkind 1] afgeraden omdat dit voor haar te veel zou worden gelet op haar IQ en de persoonlijke problematiek. Klaagster heeft deze gang van zaken niet weersproken. Het College is van oordeel dat beklaagde ook na 23 november 2015 zich voldoende heeft ingespannen om als regievoerder tot een samenwerking met klaagster te komen en zorg heeft gedragen voor de belangen van [pleegkind 1].
Het klachtonderdeel is ongegrond.

II

Klaagster verwijt beklaagde een passieve en partijdige opstelling direct nadat [GI-II] de samenwerking met klaagster heeft opgezegd.
Nu de opzegging heeft plaatsgevonden voor de registratiedatum van beklaagde en klaagster niet heeft aangevoerd dat een en ander zich in een ander tijdvak heeft afgespeeld, zal klaagster niet ontvankelijk worden verklaard in dit klachtonderdeel.

III

Beklaagde heeft op 7 juli 2015 met de pleegzorgwerker van [GI-II] gesproken over de formulering en volledigheid van eerder gemaakte afspraken. Nu dit gedeelte van de klacht betrekking heeft op de periode voor de registratiedatum van beklaagde zal klaagster niet ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de klacht.

Beklaagde heeft op enig moment de door haar ontvangen zorgen van [GI-II] willen bespreken met de gezinswerker van [GI-III]. Beklaagde heeft dit in een collegiaal telefoongesprek willen doen dat door omstandigheden door klaagster is opgevangen. Klaagster heeft naar voren gebracht dat de zorgen niet met haar zijn gecommuniceerd. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat deze zorgen door [GI-II] met klaagster zijn besproken. De zorgen zijn ontstaan naar aanleiding van signalen die zowel [pleegkind 1] als de school van [pleegkind 1] hebben afgegeven. Het College heeft vastgesteld dat partijen elkaar tegen spreken. Beklaagde kon redelijkerwijs ervan uitgaan dat de zorgen van [GI-II] met klaagster besproken waren nadat [GI-II] de samenwerking met klaagster heeft opgezegd. Het College is, anders dan klaagster, van oordeel dat beklaagde geen informatie heeft achtergehouden en transparant heeft gehandeld. Ook voor het overige heeft het College geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden die klaagsters stelling ondersteunen. Kennelijk is klaagster het niet eens met deze gang van zaken. Wat hier ook van zij, beklaagde valt hier geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Dit gedeelte van klachtonderdeel III. is ongegrond.

IV

De klacht over de pleegzorgvergoeding heeft betrekking op de periode voor de registratie van beklaagde. Klaagster is dan ook in dit gedeelte van klachtonderdeel IV. niet ontvankelijk in haar klacht.

Beklaagde heeft ten aanzien van het leerlingenvervoer in een e-mail d.d. 27 november 2015 aan klaagster te kennen gegeven dat de gemeente verantwoordelijk is voor het gemeentevervoer. Beklaagde heeft contact opgenomen met de gemeente en haar is verteld dat de beschikking herzien moet worden en dat deze moet worden afgewacht. Niet valt in te zien dat beklaagde ten aanzien van deze gang van zaken tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit gedeelte van de klacht is ongegrond.

V

Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij de casus in eerste instantie bij [GI-I] heeft willen houden vanwege de wisselingen, de moeizame samenwerking met klaagster en het gegeven dat er niet voldoende zicht was op de veiligheid van [pleegkind 1]. Het College is van oordeel dat beklaagde haar beslissing heeft gewogen met valide argumenten. Uiteindelijk heeft beklaagde op verzoek van [GI-III] de zaak overgedragen. Klaagster is het niet eens met de argumentatie van beklaagde. Het betekent echter niet dat beklaagde in deze een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

VI

Beklaagde heeft in een uvo d.d. 20 augustus 2015 toegezegd dat zij het Plan van Aanpak zou toesturen. Klaagster heeft het Plan van Aanpak uiteindelijk via moeder ontvangen op 19 december 2016. Het College is van oordeel dat klaagster kan worden toegegeven dat dit (te) lang heeft geduurd. Van een jeugdprofessional kan verwacht worden dat zij de zorgen van [GI-II] over klaagster als pleegmoeder met klaagster bespreekt en vastlegt in een Veiligheidsplan. Dat zoals beklaagde in haar verweerschrift heeft aangevoerd, de pleegzorgwerker hier niet mee akkoord is gegaan, ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de verslaglegging. Het College overweegt dat beklaagde door dit na te laten in elk geval onvolledig is geweest in haar verslaglegging.

Beklaagde heeft desgevraagd naar voren gebracht dat de bestaande zorgen tijdens een uvo in mei 2016 zijn genoteerd, deze onderdeel uitmaken van het dossier van [GI-II] en zijn overgelegd aan klaagster. Beklaagde heeft in deze procedure echter geen stukken overgelegd die betrekking hebben op deze uvo en bestaande zorgen. Dit klemt des te meer nu het College tijdens de mondelinge behandeling heeft geconstateerd dat de communicatie tussen klaagster en beklaagde niet goed is geweest. Het schriftelijk bevestigen van gemaakte afspraken had mogelijk tot verbetering van de communicatie kunnen leiden. Aldus heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel M van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het klachtonderdeel is gegrond.Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College te kennen gegeven dat zij als startende jeugdprofessional in deze zaak zoekende was naar haar rol en positie. Terugkijkend zou beklaagde het anders hebben gedaan.

Nu klachtonderdeel VI. gegrond is, valt beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Bij de hoogte van de op te leggen maatregel weegt het College mee dat de verslaglegging onvolledig is geweest hetgeen zijn weerslag heeft gehad op de communicatie tussen beklaagde en klaagster. Dit maakt dat het College op zich een maatregel van berisping op zijn plaats zou achten. Gezien de mate van ervarenheid van beklaagde, de koude overdracht waar beklaagde geen debet aan is, de complexiteit van de zaak door het terugtrekken van [GI-II] en het inzicht van beklaagde in haar handelen ook in onderling verband gezien, zal het College volstaan met het opleggen van een waarschuwing.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– verklaart klachtonderdelen I., IV. en V. ongegrond,

– verklaart klaagster niet ontvankelijk in klachtonderdeel II. en deels niet ontvankelijk in klachtonderdeel III.,

– verklaart klachtonderdeel III. deels ongegrond,

– verklaart klachtonderdeel VI. gegrond,

– legt op een maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan op 4 mei 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy                                                         Mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                      secretaris