Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het niet overleggen met de ouders over de herformulering van de vragen bij de psychologenpraktijk.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
Mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,
De heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

de heer A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

Klager is bijgestaan door zijn partner mevrouw C.
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. [gemachtigde] .

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift met de bijlagen van 15 juli 2016;

– het verweerschrift met de bijlagen van 30 augustus 2016;

– Aanvulling op de klacht van 20 september 2016;

– Aanvulling van het verweerschrift van 2 november 2016.

1.2 De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016 in aanwezigheid van klager en zijn partner, beklaagde en haar gemachtigde. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen meegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

2.1 Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.2 Klager is de vader van twee zonen (geboren in 2000 en 2002). De ouders van de kinderen zijn in 2008 met scheidingsproblematiek uit elkaar gegaan. Beide ouders hebben inmiddels een nieuwe partner. De ouders beschikken over het gezamenlijk ouderlijk gezag. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij moeder.

2.3 Vanaf 2011 is het Advies en Meldpunt Kindermishandeling, hierna te noemen: het AMK, betrokken geweest vanwege meerdere zorgmeldingen. Op 17 september 2012 heeft het AMK de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, verzocht om onderzoek te doen in het kader van gezag en omgang. Op 5 december 2013 is het onderzoek van de Raad uitgebreid tot een beschermingsonderzoek.

2.4 Bij beschikking van 24 april 2013 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling, hierna te noemen: de ots, over de kinderen uitgesproken. De ots is telkens verlengd, laatstelijk op 11 oktober 2016.

2.5 Vanuit Stichting X. is in 2014 Intensieve Pedagogische Thuishulp, hierna te noemen: IPT, ingezet.

2.6 Op 22 september 2014 zijn de kinderen vanuit de opvoedingssituatie bij moeder en de stiefvader uit huis geplaatst in een pleeggezin. Tijdens de uithuisplaatsing heeft er onderzoek plaatsgevonden door psychologenpraktijk […]. De kinderen zijn uiteindelijk op 24 april 2016 weer teruggeplaatst bij moeder en stiefvader.

2.7 Op 22 oktober 2015 heeft de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing van Stichting X. aan klager, inhoudende meewerken aan de cursus Kinderen uit de Knel, vervallen verklaard.

2.8 Op 23 oktober 2015 heeft klager een klachtenprocedure gestart bij de klachtencommissie van Stichting X. Bij beslissing van 8 december 2015 heeft de klachtencommissie een klachtonderdeel gegrond verklaard en de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.

2.9 Bij beschikking van 24 november 2015 heeft de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 24 april 2016 en een definitieve omgangsregeling vastgesteld.

2.10 Sinds maart 2016 heeft er geen contact meer plaatsgevonden tussen klager en de kinderen.

2.11 Op 19 augustus 2016 heeft Stichting X. een verzoek tot stopzetting van de omgangsregeling ingediend bij de rechtbank. De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 oktober 2016 de omgangsregeling beëindigd.

2.12 Beklaagde is werkzaam bij Stichting X. Zij is vanaf februari 2015 tot heden als jeugdbeschermer bij het gezin van klager betrokken.

2.13 Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2014.

3 De klachten

3.1 Klager verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende:

3.1.1 Het handelen van de jeugdbeschermer in augustus 2014 als bureaudienst;

3.1.2 De toezegging om de afspraken halverwege de woonplaatsen te laten plaatsvinden is niet nagekomen en er heeft geen communicatie over plaatsgevonden;

3.1.3 Het conceptverslag van psychologenpraktijk […] is slechts vijf minuten voor de zitting van 8 oktober aan de advocaat van klager gegeven;

3.1.4 Over de herformulering van de vragen heeft geen overleg met ouders plaatsgevonden, beklaagde heeft niet laten weten dat de ontbrekende vragen niet door de psychologenpraktijk konden worden onderzocht;

3.1.5 Klager mocht van beklaagde geen verzoek indienen tot wijziging hoofdverblijfplaats omdat anders de cursus Kinderen uit de Knel niet kon plaatsvinden;

3.1.6 Tijdens de bemiddelingsgesprekken was beklaagde onvoldoende op de hoogte van de recente beschikkingen en er heeft geen terugkoppeling plaatsgevonden;

3.1.7 In het gezinsverslag staat letterlijk dat de kinderen geslagen zijn, maar beklaagde doet niets aan het garanderen van de veiligheid van de kinderen;

3.1.8 Beklaagde vraagt zich af welk gezinsplan bij de rechtbank is neergelegd, aangezien klager het definitieve plan pas na de zitting en na aandringen kreeg;

3.1.9 De kinderen zijn zonder hulp bij de moeder en stiefvader teruggeplaatst, terwijl de kinderen aangeven dat ze daar worden geslagen/Beklaagde zet geen hulp in voor de kinderen/er is niets gedaan met de brief die het kind aan beklaagde heeft gestuurd voor de rechter;

3.1.10 Beklaagde maakt andere afspraken over de omgang dan de vorige jeugdbeschermer/er zijn grote fouten gemaakt bij de overdacht van het dossier;

3.1.11 Nu de kinderen bij moeder wonen, willen ze klager niet meer zien en beklaagde gaat hierin mee terwijl de kinderen tijdens hun verblijf in het pleeggezin niet terug naar moeder wilden;

3.1.12 Beklaagde informeert klager niet over de kinderen;

3.1.13 Beklaagde heeft aangegeven dat de cursus Kinderen uit de Knel niet de oplossing is, maar is hier later op teruggekomen;

3.1.14 Beklaagde legt de uitspraken van de kinderrechter naast zich neer.

4 Het verweer

4.1 Beklaagde merkt als eerste het volgende op. De zienswijze van Stichting X. op scheidings-problematiek is dat de jeugdbeschermer een neutrale en meervoudige partijdige houding kiest, waarbij het belang en de draagkracht van de kinderen altijd leidend is. Beklaagde heeft deze houding ook aangenomen in de uitvoering van de ots van de kinderen. Er hebben verschillende gesprekken met de ouders en de kinderen plaatsgevonden en er is getracht om door middel van oudergesprekken en de inzet van de cursus Kinderen uit de Knel van de [instelling] de ouders nader tot elkaar te laten komen. Dat is helaas niet gelukt. Beklaagde begrijpt dat het erg pijnlijk voor klager is dat de omgang niet van de grond is gekomen.

4.2 Beklaagde is zich bewust van de verantwoordelijkheid als jeugdbeschermer en de impact die de uitvoering van gedwongen hulpverlening heeft op het persoonlijk leven van betrokkenen. De besluiten zijn in overleg met het team van jeugdbeschermers, de juridisch medewerker, de gedragsdeskundige en de betrokken teamleider genomen.

4.3 Voor wat betreft het door de klachtencommissie van Stichting X. gegrond verklaarde klachtonderdeel, verklaart beklaagde het volgende. De late aanmelding van het psychologisch onderzoek van de kinderen kan niet aan beklaagde worden tegengeworpen maar aan de organisatie, omdat de aanmelding wegens ziekte van een vorige jeugdbeschermers was blijven liggen. Beklaagde deelt de mening van de klachtencommissie dat zij de ouders had moeten informeren over het herformuleren van de vragen door de psychologenpraktijk […].

4.4 Er zijn meerdere redenen waarom Stichting X. op 19 augustus 2016 een verzoek heeft ingediend bij de rechter om de omgang stop te zetten. Klager blijkt onvoldoende te kunnen aansluiten bij de beleving van de kinderen en klager is niet bereid om mee te werken aan de cursus Kinderen uit de Knel. De kinderen hebben last van het contact, dat blijkt onder andere uit lichamelijk klachten en slapeloosheid. Ook belast klager de kinderen met uitspraken over onder andere moeder.

4.5 Beklaagde geeft voorts aan dat zij collega’s benaderd heeft om haar te ondersteunen in de communicatie, om te voorkomen dat het contact stroever ging verlopen. Ook bracht zij deze casus in voor overleg en besluitvorming.

4.6 Beklaagde voert ten aanzien van de afzonderlijke klachtonderdelen, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan.

4.6.1 Het handelen van de jeugdbeschermer in augustus 2014 als bureaudienst was klachtwaardig.

4.7 Beklaagde kan zich hier niet in vinden. De werkafspraak voor de bureaudienst is dat voor het nemen van inhoudelijke afspraken overleg plaatsvindt met de teamleider. Beklaagde heeft dan ook contact opgenomen met de toenmalige teamleider en daarna met moeder en aangedrongen op nakoming van de belafspraak. Moeder heeft daarop toegezegd de belafspraak voortaan na te komen en dit heeft beklaagde aan klager teruggekoppeld.

4.7.1 De toezegging om de afspraken halverwege de woonplaatsen te laten plaatsvinden is niet nagekomen en er heeft geen communicatie over plaatsgevonden.

4.8 Beklaagde heeft geen toezegging gedaan dat de afspraken halverwege konden plaatsvinden. Zij heeft slechts te kennen gegeven dat een volgende afspraak bij wijze van uitzondering halverwege zou kunnen plaatsvinden, dat blijkt ook uit mailcorrespondentie. De oudergesprekken konden niet structureel halverwege plaatsvinden omdat de juridische woonplaats van de kinderen bepalend is voor de uitvoering van de ots. Bovendien is Stichting X. genoodzaakt om de reiskosten en reistijd zoveel mogelijk te beperken. Hierop is slechts een incidentele uitzonderling mogelijk. Beklaagde is klager tegemoet gekomen door efficiënte afspraken te maken en hem in de reiskosten tegemoet te komen. Beklaagde heeft daarnaast zo zorgvuldig mogelijk de e-mails van klager beantwoord.

4.8.1 Het conceptverslag van psychologenpraktijk […] is slechts vijf minuten voor de zitting van 8 oktober 2015 aan de advocaat van klager gegeven.

4.9 Op 7 oktober heeft beklaagde de conceptrapportage van de psychologenpraktijk ontvangen. Betrokkenen en beklaagde zelf hebben geen kennis kunnen nemen van de inhoud van het concept. Vanwege de relevantie van het rapport, heeft beklaagde de keuze om het op de zitting een rol te laten spelen overgelaten aan de kinderrechter. Uit zorgvuldigheidsoogpunt heeft beklaagde de betrokken partijen een kopie verstrekt.

4.9.1 Over de herformulering van de vragen heeft geen overleg met ouders plaatsgevonden, beklaagde heeft niet laten weten dat de ontbrekende vragen niet door de psychologenpraktijk konden worden onderzocht.

4.10 Beklaagde erkent dat het achteraf gezien beter was geweest als de ouders op de hoogte waren geweest van de herformulering van de vragen. Dat heeft beklaagde ook te kennen gegeven tijdens de behandeling bij de klachtencommissie. Inmiddels wijst beklaagde haar collega’s waar relevant op het belang van dit punt in de praktijk.

4.10.1 Klager mocht van beklaagde geen verzoek indienen tot wijziging hoofdverblijfplaats omdat anders de cursus Kinderen uit de Knel niet kon plaatsvinden.

4.11 Beklaagde heeft dit niet gezegd. Tijdens de zitting in december 2015 kreeg Stichting X. van de kinderrechter de opdracht om meer te ondernemen om de ouders nader tot elkaar te laten komen met betrekking tot de omgang. De ouders hadden toegezegd mee te zullen werken aan de cursus Kinderen uit de Knel. Klager heeft later zijn medewerking hieraan niet willen verlenen. Hierop heeft Stichting X. een schriftelijke aanwijzing verstrekt tot medewerking aan deze cursus, welke nadien door de rechter vervallen is verklaard.

4.11.1 Tijdens de bemiddelingsgesprekken was beklaagde onvoldoende op de hoogte van de recente beschikkingen en er heeft geen terugkoppeling plaatsgevonden.

4.12 Er heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van een klacht. Verder hebben er oudergesprekken plaatsgevonden. Daar zijn gespreksverslagen van gemaakt. Er heeft dus wel degelijk terugkoppeling plaatsgevonden.

4.12.1 In het gezinsverslag staat letterlijk dat de kinderen geslagen zijn, maar beklaagde doet niets aan het garanderen van de veiligheid van de kinderen.

4.13 Beklaagde heeft niet ontkend dat de kinderen geslagen zijn. In het gezinsplan heeft beklaagde daar ook over gerapporteerd. In 2014 is IPT ingezet, de kinderen zijn uit huis geplaatst en door psychologenpraktijk […] onderzocht. Uit het onderzoek bleek dat er geen contra-indicaties waren voor terugplaatsing bij moeder en dat de kinderen niet getraumatiseerd waren. De problemen van de kinderen bleken te zijn gelegen in de wijze waarop zij uit huis zijn geplaatst, de conflictueuze relatie tussen ouders en de wijze waarop zij daarbij door de ouders werden betrokken. De kinderen zijn door middel van een opbouwende omgangsregeling onder begeleiding van IPT/pleegzorg/jeugdbeschermer en uiteindelijk door pleegouders, gevolgd door (gedeeltelijk) onbegeleide bezoeken weer thuis geplaatst. De IPT-begeleiding is tot op heden gecontinueerd. Moeder en stiefvader houden zich aan de afspraken van de IPT-begeleiding.

4.13.1 Beklaagde vraagt zich af welk gezinsplan bij de rechtbank is neergelegd, aangezien klager het definitieve plan pas na de zitting en na aandringen kreeg.

4.14 In reactie op de klacht bij de klachtencommissie heeft de teamleider een zienswijze opgesteld en aan de klachtencommissie toegezonden samen met een, achteraf gezien, foutief gezinsplan.
Het gezinsplan dat was opgesteld bij het verzoekschrift en aan de rechtbank was verzonden, bleek niet door de rechtbank aan klager te zijn doorgezonden. Om die reden is na de hoorzitting van de klachtencommissie direct een kopie gemaakt voor klager. Dat was hetzelfde plan als dat naar de rechtbank was gezonden en het gaat niet om een concept.

4.14.1 De kinderen zijn zonder hulp bij de moeder en stiefvader teruggeplaatst, terwijl de kinderen aangeven dat ze daar worden geslagen/Beklaagde zet geen hulp in voor de kinderen/er is niets gedaan met de brief die het kind aan beklaagde heeft gestuurd voor de rechter.

4.15 De kinderen zijn niet zonder hulp bij moeder en stiefvader teruggeplaatst. Zie hetgeen onder punt 4.13. Vanaf 2014 tot op de dag van vandaag is sprake van IPT-begeleiding bij moeder en stiefvader. De kinderen zijn teruggeplaatst na psychologisch onderzoek.
Zoon Z. had inderdaad een brief opgesteld voor de rechter. Dit briefje is door de pleegvader een dag voor de zitting aan beklaagde verzonden. Uit het begeleidend schrijven van de pleegvader blijkt dat het briefje eerst met Z. diende te worden besproken en dat hij dit ook als zodanig met Z. had gecommuniceerd. Beklaagde vond dat zij eerst met pleegouders en collega’s over dit briefje moest overleggen, gezien het feit dat het standpunt van Z. zo tegenovergesteld was en zonder aanwijsbare reden was gewijzigd en gezien de uiterst complexe situatie voor Z. Uit collegiaal overleg kreeg beklaagde het advies eerst in gesprek te gaan met Z. over het briefje. Achteraf gezien is beklaagde van mening dat zij een onjuiste afweging heeft gemaakt en zij dit briefje wel aan de rechter en belanghebbenden had moeten doen toekomen. Het is immers aan de kinderrechter om te beoordelen of en zo ja, op welke wijze de mening van Z. meegenomen had moeten worden. Dit zou beklaagde in de toekomst anders doen.

4.15.1 Beklaagde maakt andere afspraken over de omgang dan de vorige jeugdbeschermer/er zijn grote fouten gemaakt bij de overdracht van het dossier.

4.16 Het pdf-bestand dat de afspraken uit 2013 bevatte, zat niet in het digitale dossier van de kinderen. De vorige jeugdbeschermer welke door ziekte in januari 2015 was uitgevallen, had in het digitale dossier een word-document opgeslagen dat niet de juiste afspraken bleek te bevatten. Beklaagde vindt het spijtig dat zij niet over het juiste document beschikte en dat heeft zij de ouders laten weten.

4.16.1 Nu de kinderen bij moeder wonen, willen ze klager niet meer zien en beklaagde gaat hierin mee terwijl de kinderen tijdens hun verblijf in het pleeggezin niet terug naar moeder wilden

4.16.2 Beklaagde informeert klager niet over de kinderen.

4.17 De situatie is complex, het is niet zo dat de omgangsregeling is gestagneerd sinds de kinderen bij moeder terug zijn geplaatst. De omgangsregeling stagneerde reeds voor de terugplaatsing. In de pleegzorgplaatsing vonden er (begeleide) bezoeken plaats die prettig verliepen. Dit leidde tot een onbegeleide bezoekregeling in de omgeving van het pleeggezin. De kinderen ontwikkelden zich goed in het pleeggezin en konden profiteren van het feit dat zij op afstand stonden van de ernstige meningsverschillen van de ouders. In aanloop van de thuisplaatsing hebben betrokken partijen gemerkt dat de spanning bij de kinderen zichtbaar toenam. Enerzijds gaven zij aan weer naar hun moeder te willen, anderzijds lieten zij zien minder ruimte voor contact met vader te hebben. Beide ouders bleven de kinderen betrekken in hun eigen standpunten waardoor de kinderen werden belast. Gebleken is dat in de aanloop naar de terugplaatsing onvoldoende ruimte was voor contact met beide ouders en dat er een enorme emotionele weerstand was bij de kinderen met betrekking tot omgang met klager.

4.18 Sinds maart 2016 heeft er geen omgang meer plaatsgevonden. In april 2016 hadden de kinderen zelf aangegeven geen bezoekregeling te willen. Er is evenmin zicht op omgang om de korte termijn. Om die reden is door Stichting X. een verzoek tot stopzetting van de omgangsregeling ingediend.
Feit is dat op basis van het psychologisch onderzoek en in de visie van zowel Stichting X. als de kinderrechter er geen contra-indicaties waren om de kinderen bij moeder en stiefvader terug te plaatsen met ondersteuning van IPT. Door middel van regelmatige gesprekken met moeder, stiefvader en kinderen is bij Stichting X. het vertrouwen ontstaan dat het slaan een incidentele pedagogische tik betrof. Vanuit de IPT-begeleiding is er nog steeds aandacht voor het begrenzen van de kinderen in de opvoeding.

4.19 Tijdens de uithuisplaatsing zijn beide ouders door beklaagde en de pleegouders op de hoogte gehouden over de ontwikkeling van de kinderen. Voor thuiswonende kinderen geldt dat ouders elkaar zoveel mogelijk zelf op de hoogte houden. Stichting X. stimuleert en adviseert daarin aan de verzorgende ouder. Beklaagde heeft klager geïnformeerd over de kinderen en uitvoerig gerapporteerd over de thuissituatie. Daarnaast kan de gezaghebbende ouder zich ook rechtstreeks tot de school wenden.

4.19.1 Beklaagde heeft aangegeven dat de cursus Kinderen uit de Knel niet de oplossing is, maar is hier later op teruggekomen.

4.20 Beklaagde, haar teamleider en de IPT-begeleiding hadden de cursus Kinderen uit de Knel zeer wenselijk gevonden. Voorwaarde was wel dat er geen juridische procedures zouden lopen tussen ouders. Gebleken is dat klager niet aan deze voorwaarde wilde voldoen. Bovendien werd de schriftelijke aanwijzing om mee te werken vervallen verklaard, waardoor de cursus niet haalbaar leek. Echter, nadat de kinderrechter in december 2015 het verzoek van klager tot wijziging van de hoofdverblijfplaats had afgewezen, kwam de procedure tot een eind en zag beklaagde wel weer een mogelijkheid voor deze cursus. Van een wijziging van standpunt is geen sprake geweest.

4.20.1 Beklaagde legt de uitspraken van de kinderrechter naast zich neer.

4.21 Beklaagde neemt aan dat het hier gaat om de beschikking van 24 november 2015. In deze uitspraak is als einddoel opgenomen dat de omgangsregeling van 23 augustus 2013 weer tot stand moet komen. Echter de opbouw is ter invulling en naar inzicht van Stichting X. De kinderen zijn nu 16 en bijna 14 jaar en zij weigeren medewerking aan de omgang. Na vele interventies en gesprekken tussen IPT, Stichting X. en de kinderen zien zowel IPT als Stichting X. geen mogelijkheden tot een contactregeling tussen klager en de kinderen. Het is helaas niet gelukt om de weerstand van de kinderen met betrekking tot de omgang met klager te doorbreken.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1 Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2 Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2014. Zij is sinds februari 2015 tot en met heden bij het gezin van klager betrokken. Het College toetst het beroepsmatig handelen aan de algemene tuchtnorm vanaf de periode dat beklaagde betrokken is geweest bij het gezin tot aan de datum van het klaagschrift.

5.3 Het College overweegt met betrekking tot de klachtonderdelen A tot en met N het volgende.

5.3.1 Hoewel gesteld, is het College niet gebleken dat klager onheus is bejegend tijdens haar bureaudienst in augustus 2014. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.2 Het College overweegt dat beklaagde zich juist heeft ingespannen om klager op dit punt tegemoet te komen door te kennen te geven dat de oudergesprekken bij wijze van uitzondering soms ‘halverwege’ of in de avonduren konden plaatsvinden. Door het aanbieden van alternatieven is beklaagde volstrekt gebleven binnen de kaders die gelden voor een goed handelend professional. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.3.3 Het College is van oordeel dat beklaagde misschien wel voor een onmogelijke keuze stond om het conceptverslag van de psychologenpraktijk voorafgaand aan de zitting aan de advocaat van klager te overhandigen. Naar alle waarschijnlijkheid had beklaagde ook een klacht ontvangen, indien zij het conceptverslag op dat moment níet aan de advocaat van klager had overhandigd. Het College onderschrijft de opvatting van beklaagde om de keuze om het conceptverslag op de zitting een rol te laten spelen over te laten aan de kinderrechter. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.4 Het College stelt vast dat beklaagde heeft nagelaten om te overleggen, dan wel klager te informeren, over de herformulering van de vragen die bij de psychologenpraktijk waren neergelegd. Naar het oordeel van het College lag hier bij beklaagde een taak met betrekking tot het informeren, maar niet met betrekking tot het overleggen. Nu beiden niet hebben plaatsgevonden, verklaart het College dit klachtonderdeel gegrond.

5.3.5 Dat klager geen verzoek mocht indienen tot wijziging hoofdverblijfplaats van de kinderen, is het College niet bleken. Beklaagde heeft dit klachtonderdeel in haar verweer voldoende weerlegd. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.6 Het niet op de hoogte zijn van recente beschikkingen en het nalaten om terug te koppelen is het College, hoewel gesteld, niet gebleken. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.7 Naar het oordeel van het College is niet gebleken dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan om de veiligheid van de kinderen te garanderen en zij op dit punt onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Derhalve verklaart het College dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.8 Hoewel gesteld, is het College niet gebleken dat beklaagde een conceptversie van het gezinsplan naar de rechtbank heeft gestuurd in plaats van een definitieve versie. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.9 Dat beklaagde onvoldoende hulp zou hebben ingezet voor de kinderen, is het College niet gebleken. Daarnaast hebben de kinderen, destijds dertien en vijftien jaar, in gesprekken met beklaagde te kennen gegeven dat, en waarom, zij niet naar klager wilden. Gezien het feit dat die gesprekken in vertrouwelijkheid hebben plaatsgevonden, behoeft de exacte inhoud van die gesprekken niet door beklaagde vrij te worden gegeven. Voorts is gebleken dat beklaagde wel degelijk wat met het briefje van Z. heeft gedaan. Dit briefje is in teamverband besproken, waarna werd geadviseerd om het eerst met Z. zelf te bespreken. Wel geeft beklaagde blijk van reflectie door het voortaan aan de rechter over te laten welke rol een dergelijk briefje met de mening van het kind zou spelen in de procedure. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.10 Het College stelt vast dat beklaagde bij de overdracht van het dossier van haar voorganger niet het juiste document heeft gekregen met betrekking tot de afspraken over de omgang. Naar het oordeel van het College heeft de overnemende jeugdbeschermer een eigen verantwoordelijkheid tijdens de overdracht. Daarvan is in deze casus ook gebleken. Dat het juiste document bij de overdracht ontbrak, is beklaagde echter niet te verwijten. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.11 Hoewel klager stelt dat beklaagde mee gaat in de mening van de kinderen dat zij klager niet meer willen zien, heeft beklaagde in haar verweerschrift en ter zitting voldoende duidelijk gemaakt dat zij het contact tussen de kinderen en klager heel belangrijk vond. Om die reden heeft zij het ook voor een rechterlijke toets bij de kinderrechter neergelegd waaruit haar professioneel handelen blijkt. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3. 12 Voor zover klager met dit klachtonderdeel bedoelt dat hij niet wordt geïnformeerd over de kinderen tijdens hun verblijf bij moeder, oordeelt het College dat het niet aan beklaagde is om klager over de kinderen te informeren. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de ouder waar de kinderen verblijven, in dit geval bij moeder. Wel dienen daar duidelijke afspraken over gemaakt te worden. Tijdens de uithuisplaatsing zijn beide ouders door beklaagde en de pleegouders op de hoogte gehouden over de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast heeft klager als gezaghebbende ouder het recht om de school te benaderen voor informatie over de kinderen. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde in haar verweerschrift en ter zitting voldoende duidelijk gemaakt dat zij in de informatievoorziening niet is tekortschoten. Derhalve verklaart het College dit klachtonderdeel ongegrond.

5.3.13 Met beklaagde is het College van oordeel dat er geen sprake is geweest van beleidswijziging omtrent de inzet van de cursus Kinderen uit de Knel. Gebleken is dat deze cursus eerst niet haalbaar leek, omdat klager door het voeren van een juridische procedure niet aan de voorwaarden voldeed. Toen die juridische procedure eindigde, behoorde de cursus Kinderen uit de Knel toch weer tot de mogelijkheden. Het College verklaart dit klachtonderdeel op grond van vorenstaande ongegrond.

5.3.14 Het College kan zich voorstellen dat het voor klager moeilijk te begrijpen is waarom beklaagde niets doet om te werken aan omgang tussen klager en zijn kinderen, terwijl dat in de beschikking van 24 november 2015 staat weergegeven. Met beklaagde is het College van oordeel dat er niet gewerkt kan worden aan omgang als de kinderen, van zestien en (bijna) veertien, zelf geen enkel vorm van omgang wensen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College terecht de standpunten van de kinderen gerespecteerd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

6 De beslissing

Het College van Toezicht:

– verklaart klachtonderdeel D gegrond;

– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;

Het College acht het klachtonderdeel D echter niet van zodanig gewicht dat een maatregel opgelegd zou moeten worden en ziet af van oplegging van een maatregel.

Aldus gedaan in de genoemde samenstelling en op 24 januari 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris