Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft geen zorg gedragen voor een zorgvuldige overdracht en deskundige verslaglegging voor de kortstondige periode dat zij betrokken is geweest.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Dhr. Mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Dhr. Mr. E.A.J. Ouwerkerk; Mw. F.A. Leeflang, leden-beroepsgenoten;

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Tingen.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door
mevrouw A., hierna te noemen klaagster,

tegen

mevrouw B., jeugdbeschermer, werkzaam bij de Stichting Jeugdbescherming […], hierna te noemen beklaagde, bijgestaan door mr. M.R. Gans, advocaat.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift met de bijlagen;
– de e-mails met bijlagen van klaagster van 25 juli 2016;
– het verweerschrift met de bijlagen.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde, die werd bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster heeft samen met haar ex-partner twee minderjarige kinderen, C. en D.
Klaagster en haar ex-partner hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen.

2.2

Bij beslissing van de Rechtbank (..) van 19 april 2016 zijn C. en D. voorlopig onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door Stichting Jeugdbescherming […], hierna JB […].

2.3

Beklaagde is als gezinsvoogd werkzaam bij JB […] en vanaf 19 april 2016 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

2.4

Beklaagde is op 21 april 2016 en 2 mei 2016 bij klaagster op huisbezoek geweest om kennis te maken met klaagster en de kinderen.

2.5

Eind april heeft beklaagde de arbeidsovereenkomst met JB […] opgezegd, tegen 1 juli 2016.

2.5

Beklaagde is na intern overleg met de gedragswetenschapper aan de slag gegaan om de omgangsregeling met vader op te starten. In overleg met klaagster is besloten dat de eerste omgang met vader plaats zal vinden op het kantoor van JB […]. In de e-mail van 3 mei 2016 van beklaagde aan klaagster hierover is voor zover van belang vermeld :” (..) Gistermorgen was ik bij je thuis en heb ik C. en D. gesproken, ze vertelden me dat ze het prettig vinden in hun nieuwe huis en gaven in eerste instantie aan dat ze niet naar hun vader wilden. Even later benoemden ze allebei dat ze hem toch ook weer wel wilden zien en zoals je weet, is dat ook de opdracht die ik als gezinsvoogd heb gekregen. (..) Ik stel daarom voor dat er maandag 9 mei aanstaande een bezoek is bij ons op kantoor, van 15:00-16:30uur. (..) Ik blijf zelf de hele tijd bij het bezoek aanwezig.” (..)

2.6

Op 11 mei 2016 heeft het eerste begeleide bezoek plaatsgevonden. Beklaagde is tijdens het bezoek in de ruimte bij klaagsters ex-partner en de kinderen aanwezig geweest. Klaagster en haar nieuwe partner hebben buiten de ruimte plaatsgenomen. Beklaagde heeft tweemaal de ruimte verlaten, eerst om wat te drinken te pakken en daarna om één van de kinderen te begeleiden naar de wc. Na afloop van het bezoek heeft er een woordenwisseling plaatsgevonden tussen beklaagde en klaagster.

2.7

De dag hier opvolgend heeft beklaagde contact met de gedragswetenschapper over de wijze waarop de begeleide bezoekregeling is verlopen. Beklaagde heeft haar werkbegeleider bericht dat ze snel een gesprek wilde met klaagster.

2.8

De week na het begeleid bezoek heeft klaagster tijdens de casuïstiekbespreking dit bezoek aan de orde gesteld. Afgesproken werd dat er een gesprek met klaagster en haar nieuwe partner zou dienen te volgen om de gang van zaken rond het bezoek te evalueren.

2.9

Beklaagde heeft op 19 mei 2016 tevergeefs telefonisch contact gezocht met klaagster waarna zij een sms heeft gestuurd waarin ze voorstelde om met klaagster en haar partner een gesprek te hebben. Beklaagde liet weten dat zij wegens haar vakantie van 19 mei tot 7 juni 2016, na haar vakantie contact op zou nemen met klaagster.

2.10

Op 14 juni 2016 heeft de werkbegeleider aan de medewerker van Zorgbelang die namens klaagster had geïnformeerd over de gang van zaken het volgende gemaild: ”Mevrouw B.. is vorige week van haar vakantie teruggekomen en moest nog drie weken werken waarvan ze nu in de tweede week is, volgende week is haar laatste week, er zal dus een nieuwe gezinsvoogd komen. Het is ons bekend dat moeder gebeld heeft en ze is ook te woord gestaan. Binnen onze organisatie hebben we nooit vaste vervangers als iemand op vakantie is daarvoor is de bureaudienst.
(..) Ik heb met mevrouw B. afgesproken dat ik zorg dat er volgende week een nieuwe gezinsvoogd op komt en dat diegene contact gaat leggen met moeder.(..)”

2.11

Op 16 juni 2016 is beklaagde gebeld door een raadsonderzoeker en heeft zij de raadsonderzoeker geïnformeerd over haar bevindingen in het kader van de omgangsregeling vanwege de voorlopige OTS.

2.12

Bij brief van 20 juni 2016 is klaagster op de hoogte gebracht dat beklaagde per 1 juli 2016 uit dienst zou treden en dat de heer E. vanaf dat moment als contactpersoon op zou treden.

2.13

Op 7 juli 2016 is door de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een reguliere ondertoezichtstelling. In het rapport van de Raad van 6 juli 2016 is in de kolom “Over de omgangsregeling tussen vader en C. en D.” geschreven “Tijdens de omgang tussen C., D. en vader was de gezinsvoogd aanwezig. Uit de dingen die de kinderen zeiden kan geconcludeerd worden dat ze instructies gehad hebben over wat ze wel of niet tegen hun vader moeten zeggen. Zo noemden de kinderen hun vader in eerste instantie bij de voornaam. Een van de kinderen versprak zich, waarna de andere zei dat hij vader bij de voornaam moest noemen omdat ze anders niet naar de Mc Donalds zouden gaan. De gezinsvoogd heeft tijdens de omgang een warm en ontspannen contact tussen vader en de kinderen waargenomen.”

2.14

Op 23 juli 2016 heeft klaagster het verslag “Zorg(en) voor Veiligheid” van 20 juli 2016 ontvangen. In de kolom “Ingevuld door” is de naam van beklaagde vermeld. Bij brief van 25 juli 2016 heeft klaagster kenbaar gemaakt dat op verschillende punten dit verslag volgens klaagster onjuiste, onware en onvolledige informatie bevatte.

2.15

De rechtbank (..) heeft op 27 juli 2016 de ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken voor de duur van een jaar.

3 De klacht

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld jegens haar door:

I ondeskundig te handelen, door tweemaal de ruimte te verlaten tijdens het eerste bezoek van vader met de kinderen op 11 mei 2016, waardoor deze laatsten in gevaar zijn geweest;

II op onzorgvuldige wijze te rapporteren aan de Raad voor de Kinderbescherming over klaagster en haar kinderen en klaagster hierover op voorhand niet te raadplegen;

III op onzorgvuldige wijze een landscapeverslag op te maken en daarin onjuiste informatie op te nemen, zonder betrokkenen te raadplegen;

IV in de vakantieperiode van 19 mei tot 7 juni 2016 en aansluitend tot haar vertrek niet bereikbaar te zijn dan wel niet zorg te dragen voor een vervangende gezinsvoogd;

V Klaagster onheus te hebben bejegend.

4 Het verweer

Beklaagde ontkent dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen, voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1

In het eerste klachtonderdeel wordt geklaagd over het tot tweemaal toe verlaten van de ruimte door beklaagde tijdens de begeleide omgangsregeling op 11 mei 2016 waardoor de veiligheid van de kinderen in gevaar zou zijn gebracht. Beklaagde heeft in overleg met klaagster de voorwaarden bepaald waaronder het begeleide bezoek heeft plaatsgevonden. Het bezoek heeft mede daarom plaatsgevonden op kantoor van JB […], waarbij beklaagde kenbaar heeft gemaakt aan klaagster dat zij bij het gehele bezoek aanwezig zou zijn. Tijdens het bezoek heeft beklaagde op basis van haar kennis en ervaring een inschatting gemaakt van de veiligheid van de kinderen. Beklaagde heeft op basis van deze inschatting gemeend dat zij tweemaal de ruimte kortstondig kon verlaten. Alhoewel het College begrijpt dat het voor klaagster wellicht niet prettig is geweest dat beklaagde zich niet letterlijk aan de afspraak heeft gehouden, is voor het college niet vast komen te staan dat beklaagde door haar handelen de kinderen toen in een gevaarlijke situatie heeft gebracht. Beklaagde heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat zij slechts kortstondig uit de ruimte is geweest waardoor de veiligheid van de kinderen geen moment in gevaar is gekomen. Het College is derhalve niet gebleken dat beklaagde een gevaarlijke situatie heeft doen laten ontstaan door kort tweemaal de ruimte te verlaten. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.2

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel oordeelt het College als volgt. Beklaagde is op 16 juni 2015 gebeld door de medewerker van de Raad. Beklaagde, die zelf niet rapporteert, is door de Raad gehoord als informant. De Raad, die het rapport opstelt en dit in concept aan alle betrokkenen voorlegt, is ervoor verantwoordelijk dat betrokkenen de mogelijkheid wordt gegeven om hierop een reactie te geven. Beklaagde is niet gehouden om datgene dat in het gesprek met de Raad is besproken voor te leggen aan klaagster. Het College is overigens niet gebleken dat beklaagde tijdens dit gesprek onjuiste mededelingen heeft gedaan. Beklaagde heeft zich beperkt tot het noemen van feiten die zij zelf van de kinderen heeft gehoord. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.3

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel dat gaat over de wijze van verslaglegging met het zogenoemde landscapemodel het volgende. Ter zitting heeft beklaagde verteld dat het verslag dat zij heeft opgesteld een concept is geweest. Bij het opstellen van een conceptverslag verschijnt automatisch de naam van de opsteller in het document. Na de beëindiging van haar dienstverband is het verslag door haar collega verder ingevuld. Ten onrechte is de naam van beklaagde als opsteller van het document blijven staan. Het college acht de uitleg van beklaagde hierover aannemelijk. Alhoewel het ongelukkig is dat de naam van beklaagde ten onrechte in het document is blijven staan, kan beklaagde van de inhoud van het definitieve rapport geen persoonlijk verwijt worden gemaakt, nu beklaagde bij de totstandkoming van het definitieve rapport niet meer betrokken is geweest. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.4

Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel waarin wordt geklaagd over het feit dat beklaagde vanwege vakantie en haar vertrek moeilijk bereikbaar was oordeelt het College als volgt. Ter zitting heeft beklaagde verteld dat zij gebukt ging onder een hoge werkdruk door de grote hoeveelheid zaken waarvoor zij verantwoordelijk was. Beklaagde heeft daarbij ook gezegd dat zij niet de mogelijkheid had om een zaak die haar van hoger hand werd opgedragen te weigeren. Het College kan zich voorstellen dat het voor beklaagde in haar positie als werknemer moeilijk kan zijn om een zaak die vanuit de organisatie wordt opgedragen te weigeren. Dit neemt echter niet weg dat de jeugdzorgwerker zelf verantwoordelijk is voor het waarborgen van de kwaliteit van de door hem geboden begeleiding. Dit is ook expliciet verwoord in artikel Q van de beroepscode. Feitelijk is beklaagde, in een periode dat zij een (te) volle portfolio had, als gezinsvoogd bij klaagster gestart en bij deze zaak van 19 april 2016 tot 27 juni 2016 betrokken geweest terwijl zij bij de start wist dat deze periode niet anders zou worden. Dat beklaagde klaagster hiervan op de hoogte heeft gesteld is niet gebleken. Het College is gezien het voorgaande van oordeel dat het beklaagde aan te rekenen is dat zij, in de wetenschap dat zij op korte termijn de zaak zou moeten overdragen wegens haar vertrek uit de organisatie toch heeft besloten om de zaak op zich te nemen. Dit klemt te meer nu beklaagde ter zitting heeft verklaard dat het haar van begin af aan duidelijk was dat het niet om een eenvoudige zaak ging. Daarbij komt dat beklaagde in de periode voorafgaand aan haar vertrek ook nog drie weken vakantie heeft opgenomen, waardoor klaagster na de begeleide omgang op 11 mei 2015, welke niet soepel verliep, lang heeft moeten wachten op een vervolggesprek en in onduidelijkheid verkeerde over wie de nieuwe gezinsvoogd zou worden. Met het aannemen van de zaak heeft beklaagde naar het oordeel van het College de beroepsplicht om zorg te dragen voor continuïteit van de contacten met klaagster en haar kinderen geschonden. Te meer nu het ging om begeleiding in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling. Nu beklaagde al op voorhand kon voorzien dat zij niet aan deze plicht kon voldoen had zij mede in het licht van de door haar te onderkennen grenzen aan een adequate beroepsuitoefening, zoals neergelegd in artikel O van de beroepscode aan haar manager – met klem – kenbaar moeten maken dat zij de zaak van klaagster niet op zich kon nemen. Zij had hierin naar het oordeel van het College duidelijker stelling kunnen en moeten nemen. Het College acht dit klachtonderdeel derhalve gegrond.

5.5

Ten aanzien van het vijfde klachtonderdeel, over de onheuse bejegening het volgende. Beklaagde weerspreekt dat zij klaagster onheus heeft bejegend. De lezingen van partijen lopen op dit punt uiteen en het college kan derhalve niet vaststellen dat sprake is geweest van onheuse bejegening. Dit klachtonderdeel wordt daarom wegens gebrek aan feitelijke grondslag afgewezen.

Nu het college het vierde klachtonderdeel gegrond heeft verklaard acht het college het opleggen van de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing.

Het College van Toezicht verklaart klachtonderdeel IV gegrond en legt aan beklaagde een waarschuwing op.

In verband met het bepaalde in artikel 11.5 van het tuchtreglement zal de beslissing geanonimiseerd ter publicatie worden aangeboden aan Jeugd en Co en het Vakblad Sociaal Werk.

Aldus uitgesproken door het College van Toezicht en aan partijen toegezonden op 23 december 2016.

Dhr. mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. A. Tingen, secretaris