Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdprofessional over (de uitvoering van) de ondertoezichtstelling.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter;
Mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot;
Mevrouw drs. E.A. van Ek, lid-beroepsgenoot;

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

De heer A., hierna te noemen: klager, wonende te […], ingediende klacht tegen

Mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als gezinsvoogd bij [de GI].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

-het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2016;

-het aanvullende klaagschrift met bijlagen ontvangen op 1 augustus 2016;

-het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 10 oktober 2016.

De hoorzitting heeft op 28 november 2016 plaatsgevonden in de aanwezigheid van klager en beklaagde. Klager werd vergezeld door de inwonend verzorgster van zijn kinderen. Mevrouw C., bestuurder bij [de GI], was als toehoorder aanwezig.

2 De feiten

Op grond van de stukken en va hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager is vader van zoon [zoon] (geboren op [datum]  2004), dochter [dochter 1 ] (geboren op [datum] 2006) en dochter [dochter 2] (geboren op [datum] 2009), hierna: de kinderen.

2.2

Het huwelijk van klager en zijn ex-partner (hierna te noemen: moeder) is op [datum] 2013 ontbonden. De kinderen hebben sindsdien bij klager gewoond. Klager werd bij de opvoeding en verzorging van de kinderen bijgestaan door een inwonend verzorgster.

2.3

Klager heeft uit een eerdere relatie een dochter [dochter 3] (geboren op [datum] 1999), zij heeft tot april 2011 bij haar moeder en stiefvader gewoond. Van 2011 tot 2014 heeft [dochter 3] bij klager gewoond. [Dochter 3] woont inmiddels, na een tijdelijk verblijf bij een instelling van […], weer bij haar biologische moeder.

2.4

De kinderen hebben sinds 2012 geen contact met moeder gehad.

2.5

Op 4 november 2013 zijn de kinderen, door kinderrechter van de rechtbank […], onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) is telkens verlengd. [De GI] heeft tot en met 17 mei 2015 de ots uitgevoerd. Op 18 mei 2015 heeft [de GI] de ots overgenomen. Bij de overdracht heeft [de GI] aan [de GI] gemeld dat Z. bij rechterlijke beschikking uit huis is geplaatst nadat zij is weggelopen omdat zij de spanningen in de thuissituatie niet meer aan kon.

2.6

Bij rechterlijke beschikking d.d. 18 september 2014 is klager belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Het Gerechtshof heeft dit bij beschikking van de rechtbank bekrachtigd op 15 juli 2015. Het Gerechtshof heeft voorts een uitgebreid onafhankelijk onderzoek van klager, de verzorgster, moeder en de kinderen door het NIFP gelast. Tevens is [de GI] opgedragen op korte termijn doch in ieder geval binnen twee maanden begeleide omgang tussen de kinderen en moeder op gang te brengen.

2.7

Beklaagde en haar collega [jeugdprofessional] tegen wie klager een gelijkluidende klacht heeft ingediend, hebben vanaf 18 mei 2015 gezamenlijk de ots namens [de GI] uitgevoerd. Ter zitting hebben zij onweersproken verklaard dat zij vrijwel alle gesprekken samen hebben gevoerd en steeds samen de schriftelijke berichten hebben verzonden.

2.8

Beklaagde en haar collega hebben op 18 mei 2015 voor het eerst contact gehad met klager en de inwonend verzorgster. Op 15 juni 2015 en op 13 juli 2015 is beklaagde met haar collega op huisbezoek geweest bij klager.

2.9

Op 15 september 2015 heeft een netwerkbespreking plaatsgevonden.

2.10

Na herhaalde mondelinge verzoeken aan klager, waarop deze niet heeft gereageerd, heeft beklaagde op 13 oktober 2015 klager per aangetekende brief nogmaals verzocht om informatie van de huisarts, om de rapportages van het […]spreekuur en instelling [instelling 1] over te leggen, om beklaagde toestemming te geven contact op te nemen met instelling [instelling 1] om in te stemmen met een ontmoeting met de kinderen en een bespreking van het door het Gerechtshof gelaste NIFP verzoek. In de brief is medegedeeld dat bij het uitblijven van een reactie van de kant van klager en aankondiging schriftelijke aanwijzing zal volgen zoals in een e-mail is uitgelegd. Klager heeft geen reactie gegeven.

2.11

[De GI] heeft klager op 19 oktober 2015 bericht over het voornemen tot het geven van een schriftelijke aanwijzing. Deze vooraankondiging is besproken tijdens de zitting bij de kinderrechter op 27 oktober 2015 met betrekking tot de verlenging van de ots, alsmede het belang van het verstrekken van informatie door instelling [instelling 1] aan [de GI] omtrent de diagnose en behandeling van de kinderen, alsmede over de vraag of men problemen voorziet bij het opstarten van begeleid contact tussen moeder en de kinderen.

2.12

Op 9 november 2015 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Bij dit gesprek waren beklaagde, klager, mevrouw [naam], een contactpersoon van het AKJ en twee gezinsvoogden aanwezig. Beklaagde heeft het gesprek voorgezeten. Een notuliste heeft een verslag opgesteld.

2.13

Ten tijde van de verlening van de ots heeft beklaagde van de advocaat van klager de rapportage van instelling [instelling 1] d.d. 15 en 18 april 2016 over de kinderen ontvangen. Zij zijn gediagnosticeerd met een hechtingsstoornis en een posttraumatische stressstoornis als gevolg van een belaste voorgeschiedenis en een langdurig onveilige thuissituatie.

2.14

Op 8 maart 2016 is [de GI] aanwezig bij de eindevaluatie van de observatiediagnostiek die instelling [instelling 1] bij de kinderen heeft uitgevoerd. Instelling [instelling 1] heeft alleen de eindconclusie en diagnoses benoemd omdat klager geen toestemming aan instelling [instelling 1] heeft gegeven om informatie te delen. Instelling [instelling 1] adviseert een gezinsopname bij instelling [instelling 2]. Klager kan dit alleen accepteren zonder betrokkenheid of bemoeienis van [de GI]. instelling [instelling 1], instelling [instelling 2] en Jeugdbescherming [de GI] hebben hier tegenin gebracht dat dit niet mogelijk is gezien de ots van de kinderen.

2.15

Op verzoek van [de GI] zijn de kinderen bij rechterlijke beschikking d.d. 27 mei 2016 uit huis geplaatst. Klager heeft op 11 juli 2016 beroep ingesteld bij het Gerechtshof.

2.16

In een schriftelijke aanwijzing d.d. 28 juni 2016 is een bezoekregeling vastgesteld. Klager heeft eens in de twee weken op woensdagmiddag onder begeleiding contact met de kinderen. De rechter heeft de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd op 9 september 2016.

2.17

Klager heeft op 5 juli 2016 bij de Klachtencommissie van [de GI] een klacht tegen beklaagde, haar collega en de teamleider ingediend. De Klachtencommissie van [de GI] heeft op 25 oktober 2016 uitspraak gedaan en de klachten ongegrond bevonden.

2.18

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende. Deze klachten worden ontleend aan de klachten zoals door klager geformuleerd in het klachtenformulier d.d. 23 juni 2016. Bij dat formulier was als bijlage overgelegd een brief van het AKJ d.d. 23 juni 2016 gericht aan de Klachtencommissie [de GI]. Nu die brief echter niet gericht was aan het College en niet gebleken is dat die brief ook klachten voor deze procedure bevat, beschouwt het College de inhoud van die brief als bijlage.

I

Beklaagde is zeer onprofessioneel.

II

Beklaagde praat over klager maar niet met klager; er zijn weliswaar acht contactmomenten geweest maar er is nooit een echt gesprek met klager gevoerd.

III

Klager is door beklaagde niet of nauwelijks geïnformeerd over het feit dat de situatie bij klager thuis onveilig zou zijn. De uithuisplaatsing (hierna te noemen: uhp) is gebaseerd op informatie en rapporten uit 2012 en eerder. Beklaagde heeft niets gedaan om de uhp te voorkomen.

IV

Klager heeft gemerkt dat [de GI] aan derden een ongunstig beeld van klager heeft gegeven, gebaseerd op oude politiemutaties van voor 2012.

V

Beklaagde heeft geen respect voor klager en zijn kinderen. Er worden alleen dingen opgelegd en niet uitgelegd, zonder dat een gesprek daarover mogelijk is.

4 Het verweer

Beklaagde heeft in haar verweerschrift een gedetailleerd overzicht gegeven van het feitelijk verloop van de gang van zaken vanaf het begin van haar bemoeiingen als gezinsvoogd en heeft met betrekking tot de klachten kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

Het Gerechtshof heeft bij beschikking van 15 juli 2015 [de GI] de opdracht gegeven om binnen twee maanden zorg te dragen voor het op gang brengen van begeleid contact tussen moeder en de kinderen (zie hiervoor onder 2.f). Klager heeft te kennen gegeven dat hij geen toestemming gaf voor het contact tussen moeder en de kinderen. Beklaagde heeft samen met haar collega geprobeerd om vanuit een professionele relatie het contact met klager aan te gaan en tot een constructieve samenwerking te komen teneinde samen met klager uitvoering te geven aan deze opdracht. Gebleken is dat klager een grote weerstand en veel wantrouwen heeft tegen [de GI] waardoor deze samenwerking niet van de grond is gekomen en geen Plan van Aanpak tot stand is gekomen.
Beklaagde heeft daardoor onvoldoende zicht gekregen op de thuissituatie. De door klager zelf ingeschakelde ambulante hulpverlening heeft te kennen gegeven dat de veiligheid van de kinderen niet gewaarborgd kon worden. Gezinsopname is om verschillende redenen geen optie geweest. Bovendien heeft dochter [dochter 3] haar verhaal verteld aan beklaagde.
Op grond van al deze omstandigheden is ervoor gekozen om een spoedverzoek uhp aan te vragen en niet eerst een gesprek te voeren met klager, dit met het oog op de veiligheid en het welzijn van de kinderen. Klager is na indiening van het verzoek op de hoogte gebracht. Beklaagde heeft in het gesprek met klager benoemd dat de verhalen van dochter [dochter 3] en klager haaks op elkaar staan, dat beklaagde geen uitspraak doet over de waarheid maar wel zorgen heeft over de tegenstrijdigheden in het verhaal.
Beklaagde heeft steeds aan klager uitgelegd dat de visie van [de GI] is dat de kinderen recht hebben op contact met beide ouders en dat dat contact belangrijk is voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen, een en ander in het kader van de uitvoering van de ots. Voorts dat dit ook in overeenstemming is met de hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof, die beklaagde moet uitvoeren. Beklaagde heeft steeds getracht de samenwerking met klager op gang te brengen, bijvoorbeeld door ook het netwerk van klager hierbij te betrekken. Beklaagde stuitte diverse malen op het feit dat klager geen toestemming wilde geven voor contact met de kinderen. Beklaagde en haar collega hebben de kinderen uiteindelijk pas gezien na 9 november 2015, thuis in aanwezigheid van klager en de inwonend verzorgster en daarna eenmaal op school met een medewerker van het AKJ. Beklaagde heeft met name bij dit laatste gesprek gemerkt dat de kinderen niet in gesprek wilden met beklaagde en haar collega.
Uit de door beklaagde overgelegde stukken, waaronder een tijdlijn van alle gebeurtenissen, blijkt dat niet juist is dat bij het verzoek tot uhp alleen gebruik is gemaakt van rapporten van meer dan twee jaar oud. Het probleem is geweest dat klager geen toestemming heeft willen geven voor het geven van (volledige) informatie over de kinderen van de door hem ingeschakelde hulpverleners, terwijl er wel signalen waren van deze hulpverleners dat er zorgen waren over de thuissituatie en dat er maatregelen geïndiceerd waren.
Beklaagde heeft aangevoerd dat zij professioneel heeft gehandeld en dat de klachten naar haar mening ongegrond zijn.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.3

De klachten hebben betrekking op de periode vanaf 18 mei 2015 ( toen de uitvoering van de ots door [de GI] werd overgedragen aan Jeugdbescherming [de GI] tot het moment van indienen van de onderhavige klacht op 23 juni 2016. Onderstaande beoordeling van de klachten is derhalve uitsluitend gebaseerd op de feiten die in dit tijdvak hebben plaatsgevonden.

5.4

Bij de beoordeling van de klachtonderdelen is het College op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling bij het College het volgende gebleken. Klager heeft, naar zijn zeggen, in de periode waar de klacht betrekking op heeft, wel willen maar niet kunnen meewerken aan de hulpverlening voor de kinderen. Als gevolg hiervan heeft klager niet met beklaagde samengewerkt aan de totstandkoming van een gezamenlijk Plan van Aanpak. Bovendien heeft klager niet toegestaan dat beklaagde rechtstreeks contact met de kinderen opnam. Klager heeft op eigen initiatief hulpverlening ingezet, maar heeft de bevindingen van deze hulpverleners en de resultaten niet willen delen met beklaagde. Uiteindelijk heeft beklaagde in het voorjaar van 2016 uitsluitend de door instelling M. vastgestelde diagnoses van de kinderen gekregen, maar niet de onderliggende rapportages. Klager heeft door dit alles zichzelf de mogelijkheid ontnomen om gezamenlijk met beklaagde een toekomstperspectief voor de kinderen vast te stellen.

Ten aanzien van de afzonderlijke klachtonderdelen wordt het volgende overwogen.

Ad 2 en 5

Gezien de samenhang worden deze klachten gezamenlijk besproken. Het College is van oordeel dat beklaagde zich op een goede manier veel inspanning heeft getroost om de samenwerking met klager tot stand te brengen. Feit is dat een traject als een gezamenlijk Plan van Aanpak alleen tot stand kan komen als beklaagde en klager daar met elkaar aan werken. Gebleken is dat klager –ondanks vele pogingen van de zijde van beklaagde- hieraan niet heeft meegewerkt.

Beklaagde stelt zich terecht op het standpunt dat de beslissing van het Gerechtshof door haar moet worden uitgevoerd. Het College overweegt dat het Gerechtshof de beslissing omtrent de omgang uitvoerig heeft gemotiveerd en beklaagde de opdracht heeft gegeven het contact tussen moeder en de kinderen op gang te brengen. In deze omstandigheden kan niet van beklaagde worden gevergd dat zij afwijkt van deze opdracht op grond van rapportages van derden (de huisarts, instelling [instelling 1] en instelling [instelling 2]). Klager heeft aangevoerd dat beide instellingen contact tussen moeder en de kinderen afwijzen, maar door de rapportages van deze instellingen niet aan beklaagde ter beschikking te stellen, kan niet van beklaagde worden verwacht dat zij daar rekening mee houdt. Het feit dat beklaagde op enig moment de door instelling [instelling 1] gestelde diagnoses heeft vernomen, doet daaraan niet af.

Op grond van al deze omstandigheden kan onder verwijzing naar alinea 5.4. niet worden gezegd dat beklaagde geen respect zou hebben voor klager en de kinderen of dat zij klager niet serieus zou hebben genomen. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Ad 3 en 4

Ook deze klachtonderdelen worden wegens hun samenhang gezamenlijk besproken. Uit de overgelegde stukken, waaronder ook een tijdlijn van alle contacten (met klager en derden) en gebeurtenissen, is het College gebleken dat het verzoek tot uhp niet alleen is gebaseerd op informatie dat ouder is dan twee jaar. Beklaagde heeft uiteengezet dat zij van een aantal instanties (Stichting […], Jeugd- en gezinsteam gemeente […], politie van die gemeente en de GGD/jeugdgezondheidszorg) informatie heeft ontvangen, waaruit zorgen van die instanties bleken over de veiligheid van de thuissituatie van de kinderen. Hoewel beklaagde bekend was met het feit dat klager over een aantal door dit instanties aangedragen incidenten een andere opvatting had, is niettemin in het multidisciplinair overleg van [de GI] besloten een uhp aan te vragen. Tevens is besloten om klager pas in te lichten nadat het verzoek was ingediend, zulks vanwege eerdere agressie en impulsiviteit van klager. Het besluit een uhp verzoek bij de rechtbank in te dienen, kan in deze klachtprocedure niet ter beoordeling staan. Wat betreft beklaagde’s handelen met betrekking tot die besluitvorming en het moment waarop dit aan klager werd medegedeeld is het College van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Ad 1

Met betrekking tot klachtonderdeel I. overweegt het College dat uit al het reeds blijkt dat het College van oordeel is dat beklaagde niet verweten kan worden dat zij onprofessioneel heeft gehandeld. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– Verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan en op 21 december 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. D.J. Markx                                                                           mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                       secretaris