Maak een selectie

727 van 727

   

Een maatschappelijk werker van Veilig Thuis heeft in de rapportage niet relevante informatie, over het verleden van klaagster, opgenomen. Ook is het haar onvoldoende gelukt de communicatie op de persoon van klaagster af te stemmen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
Mevrouw S.J. Ephraïm, Mevrouw M. Bijnoe, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Tingen

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

Mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, gemachtigde B. van het AKJ ingediende klacht tegen

Mevrouw C., hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als maatschappelijk werker bij Veilig Thuis, gemachtigde mr. S. Dik van […].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– de klacht met bijlagen, binnengekomen op 24 juni 2016;
– het verweerschrift, binnengekomen op 20 september 2016;

De hoorzitting heeft op 14 november 2016 plaatsgevonden in de aanwezigheid van partijen, klaagster en beklaagde werden ter zitting bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd.

2 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1

Klaagster is de gezagsdragende moeder van drie kinderen, te weten zoon X., zoon Y., en zoon Z.

2.2

Klaagster is getrouwd met de vader van de kinderen.

2.3

Op 8 april 2015 heeft Veilig Thuis een anonieme zorgmelding ontvangen over de twee jongste zonen van klaagster. In deze zorgmelding is voor zover van belang het volgende vermeld: ”De jongste twee kinderen spelen veel buiten zonder toezicht. De jongens spelen gewelddadige spelletjes en zijn fysieker met elkaar dan andere jongens. Het gezin maakt de indruk sociaal geïsoleerd te zijn.”

2.4

Naar aanleiding van de zorgmelding wordt door Veilig thuis een onderzoek gestart naar het gezin van klaagster.

2.5

Beklaagde is werkzaam als maatschappelijk werker bij Veilig Thuis en belast met de uitvoering van het onderzoek.

2.6

Beklaagde is als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister voor de jeugdzorg sinds [datum] 2013.

2.7

Het eerste contact in het kader van het ingestelde onderzoek tussen beklaagde en klaagster heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Daarna volgde op 14 juli 2015 een eerste huisbezoek door beklaagde. Bij dit bezoek waren klaagster en haar echtgenoot aanwezig. Beklaagde arriveerde te laat op dit bezoek, omdat zij bij een verkeerd adres had aangebeld.

2.8

Op 15 juli 2015 heeft klaagster en haar echtgenoot op kantoor een gesprek met beklaagde gevoerd.

2.9

Beklaagde heeft tijdens het onderzoek informatie opgevraagd bij de wijkagent, de huisarts, de jeugdarts van de GGD en de intern begeleiders van de basisscholen van de beide kinderen.

2.10

Op 7 september 2015 heeft er een multidisciplinair overleg plaatsgevonden en is besloten om het dossier over te dragen aan [naam instelling].

2.11

Op 21 september 2015 heeft een afsluitend gesprek plaatsgevonden. In het rapport dat is opgemaakt naar aanleiding van het onderzoek is over dit gesprek voor zover van belang opgenomen:”(..) Ouders herkennen de zorgen vanuit school nauwelijks en geven aan dat het nu juist veel beter met de kinderen gaat. Ouders zijn zeer verbaasd hierover.
Ouders hebben onlangs nog een gesprek gehad met school en toen gaf school aan verbaasd te zijn over de melding en geen zorgen te hebben over de kinderen. (..)”

2.12

Op 6 oktober 2015 is een brief gericht aan beklaagde opgesteld door de intern begeleiders en de schoolleider van de basisschool van de kinderen waarin zij verzoeken om rectificatie van het dossier en waarin met klem wordt verzocht aan Veilig Thuis om alleen recente verslaglegging vanuit de school op te nemen in het dossier. Er wordt in de brief verzocht om eerdere verslaglegging naar aanleiding van meldingen uit het verleden te verwijderen uit het dossier. In de brief is verder voor zover van belang opgenomen:” (..) Wij vinden dat het gezin […] onrecht wordt aangedaan door de documentatie van de afgelopen jaren toe te voegen. Wij hebben gereageerd op de vraag van Veilig Thuis op de huidige situatie; de ontwikkeling van de kinderen in de laatste periode schooljaar 2014-2015. Hierbij hebben wij alle drie aangegeven dat het contact met ouders goed verloopt. Wij zien betrokkenheid bij ouders. De zorg die wij genoemd hebben naar Veilig thuis (zie bijlage), is bekend bij ouders en hebben wij en ouders, samen, opgepakt. (..)”.

2.13

Op 9 oktober 2015, de verjaardag van de zoon van klaagster, heeft beklaagde telefonisch contact met klaagster.

2.14

Op 26 oktober 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden op de school van de kinderen tussen beklaagde en de intern begeleiders van de school, klaagster en diens partner.

2.15

Op 28 oktober 2015 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen beklaagde en klaagster waarin door beklaagde werd medegedeeld dat het dossier zou worden afgesloten bij Veilig Thuis en dat geen hulpverlening zou worden ingezet. Afgesproken werd dat Veilig Thuis binnen drie maanden zou informeren bij de school hoe het met de kinderen ging.

2.16

Op 2 november 2015 is de definitieve rapportage verzonden aan klaagster. In deze rapportage is ook de eerdere betrokkenheid van jeugdzorg bij klaagster en haar gezin vermeld. In de rapportage is onder het kopje “Krachten zorgen”, het zogenoemde krachtenveld, een lijst opgenomen waarin onder het kopje “zorgen” 19 punten worden genoemd, onder het kopje “krachten” is door beklaagde niets ingevuld. In de begeleidende brief bij het rapport is voor zover van belang het volgende vermeld: ” Veilig Thuis onderzocht een vermoeden van kindermishandeling in uw gezin.
Bijgaand ontvangt u het onderzoeksrapport met een weergave van de gesprekken met u en informanten, onze conclusie, ons advies en de gemaakte afspraken. Wij informeren de betrokken instanties over de conclusie van het onderzoek en de gemaakte afspraken. Over drie maanden zal Veilig Thuis contact opnemen met de scholen van de kinderen om te horen hoe het met de kinderen gaat. (..)”.

2.17

In verband met het zwangerschapsverlof van beklaagde heeft zij de zaak na 2 november 2015 overgedragen aan een collega, die op 1 februari 2016 heeft geïnformeerd bij de school van de kinderen.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld jegens haar door:

1. op onzorgvuldige wijze een rapport op te stellen naar aanleiding van een anonieme melding bij Veilig Thuis en daarbij teveel niet relevante informatie uit het verleden van klaagster te betrekken;

2. klaagster en haar echtgenoot tijdens de contacten en met name tijdens het eerste gesprek en het telefoongesprek op de verjaardag van een van de kinderen onheus te bejegenen;

3. op onzorgvuldige wijze het onderzoek af te ronden door belangrijke afspraken niet na te komen en niet in de afsluitingsbrief te vermelden dat het onderzoek was afgerond.

4 Het verweer

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen nader ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund.
Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel dat zich richt tegen de door beklaagde opgemaakte rapportage en het daarbij vermelden van het verleden van klaagster, overweegt het College het volgende. De rapportage is opgemaakt naar aanleiding van het onderzoek dat is ingesteld in verband met de anonieme melding zoals weergegeven onder 2.3. Het college stelt vast dat in de rapportage veel gedetailleerde informatie is opgenomen over het verleden van klaagster. Het college begrijpt dat klaagster zich afvraagt waarom het nodig was om deze informatie op deze wijze in het rapport op te nemen. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat het gebruikelijk is om informatie uit het verleden mee te nemen in het onderzoek en derhalve ook in de rapportage te vermelden. Dit ontslaat naar het oordeel van het College beklaagde echter niet van de verplichting, voortvloeiende uit artikel J en M van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker, om ervoor zorg te dragen dat in de verslaglegging niet meer (belastende) informatie over (het gezin van) klaagster wordt opgenomen dan noodzakelijk is voor het doel van de rapportage. In verband met het feit dat het om een anonieme melding ging waarin geen sprake was van een direct kenbaar ernstig risico voor de betreffende kinderen, had beklaagde kunnen en moeten volstaan met een beknopte vermelding van de eerdere betrokkenheid van jeugdzorg bij klaagster en haar gezin. Voor wat betreft het door beklaagde ingevulde krachtenveld in de rapportage het volgende. Ter zitting heeft beklaagde duidelijk gemaakt dat in haar werkomgeving geen eenduidigheid bestaat over de wijze van verslaglegging voor wat betreft het formuleren van zogenoemde krachten. Het is beklaagde niet duidelijk wat precies als een kracht in het krachtenveld kan worden opgenomen. Het College is van oordeel dat door de wijze van verslaglegging door beklaagde en haar interpretatie van het begrip “krachten” onevenredig veel aandacht is besteed aan de gesignaleerde zorgen, terwijl de meer positieve punten onderbelicht zijn gebleven. Het College acht het daarom van groot belang dat op dit punt binnen de beroepsgroep consensus wordt bereikt. Onder deze omstandigheden rekent het College het beklaagde niet aan dat zij op dit punt van de verslaglegging tekort is geschoten. Het College neemt daarbij in overweging dat beklaagde, zoals zij ter zitting heeft verklaard, dit intern heeft aangekaart en daarbij kenbaar heeft gemaakt dat de lijst zou moeten worden aangepast. Het College heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van deze mededelingen. Voor het overige is het College van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.

5.3

Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel dat te maken heeft met de wijze waarop beklaagde klaagster heeft bejegend het volgende. Voor wat betreft het eerste huisbezoek op 14 juli 2015 staat vast dat beklaagde wegens het aanbellen bij een ander adres te laat verscheen. Daarna, in oktober 2015, nam beklaagde telefonisch contact op tijdens de verjaardag van een van de kinderen. Dit alles is een ongelukkige samenloop van omstandigheden, welke op zichzelf genomen beklaagde niet valt aan te rekenen. Dit neemt echter niet weg dat beklaagde dient zorg te dragen voor een adequate afstemming van de communicatie op de persoon van klaagster, hetgeen voortvloeit uit het bepaalde in artikel E van de Beroepscode. Ingeval er weerstand bestaat in de communicatie vanwege een ongelukkige samenloop van omstandigheden, ligt het op de weg van beklaagde om deze weg te nemen, zeker in een beladen situatie zoals onderhavige waarbij naar aanleiding van een anonieme melding een onderzoek wordt ingesteld. Het College stelt vast dat het beklaagde niet is gelukt om de communicatie af te stemmen op de persoon van klaagster, waardoor een aantal uitspraken van beklaagde, bij klaagster niet in goede aarde vielen. Het College rekent dit beklaagde aan en acht derhalve dit klachtonderdeel gegrond.

5.4

Voor wat betreft het klachtonderdeel over de beëindiging van het contact het volgende. Beklaagde heeft in haar verweer toegelicht dat in de brief ter afsluiting van het dossier nooit conclusies uit de rapportage worden vermeld en dat dit de reden is waarom dat in het geval van klaagster ook niet is gebeurd. Beklaagde heeft daarbij ter zitting kenbaar gemaakt dat als zij had geweten dat dit een springend punt was voor klaagster zij hiervoor zorg had gedragen, maar dat dit bericht haar nooit heeft bereikt. Voor het overige heeft beklaagde het dossier na 2 november 2015 overgedragen wegens zwangerschapsverlof aan een collega die de zaak verder heeft afgehandeld. Het College stelt vast dat beklaagde na de overdracht van het dossier niet meer bij de zaak betrokken is geweest, waardoor zij voor het verdere afhandelen van het rappel bij school niet meer tuchtrechtelijke verantwoordelijk kan worden gehouden. Het is niet gebruikelijk om na afronding van het dossier aan betrokkenen een terugkoppeling te geven en los daarvan kan beklaagde hiervan wegens het voorgaande geen verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.5

Het voorgaande in overweging nemende, komt het College tot de slotsom dat beklaagde op verschillende punten is tekortgeschoten. Hoewel beklaagde ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat zij de gang van zaken betreurt en hieruit lering heeft getrokken voor haar toekomstige beroepsuitoefening acht het College vanwege de meerdere schendingen van de Beroepscode het opleggen van een waarschuwing gepast en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– Verklaart het eerste en tweede klachtonderdeel gegrond en legt aan beklaagde een waarschuwing op.

Aldus gedaan op 9 januari 2017 door het College van Toezicht en aan partijen op deze datum toegezonden.

E.M. Jacquemijns, voorzitter
A. Tingen, secretaris