Maak een selectie

727 van 727

   

De vader en moeder verwijten de jeugdzorgwerker, betrokken in het drangkader, dat zij geen inzage in het dossier van de moeder heeft gegeven.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
Mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
Mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden de heer mr. J. Biljard.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

De heer A. en mevrouw B, wonende te C., hierna te noemen: klagers danwel klager danwel klaagster, ingediende klacht tegen:

Mevrouw E., hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij [instelling].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
-het klaagschrift d.d. 29 april 2016 met bijlagen en de aanvulling d.d. 19 mei 2016;
-het verweerschrift d.d. 12 juli 2016 met bijlagen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 16 september 2016 in afwezigheid van klagers doch in aanwezigheid van beklaagde. Beklaagde werd bijgestaan door mevrouw mr. L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij […].
Direct na opening van de zitting is, vanwege de afwezigheid van klagers, contact opgenomen met klagers. Klager heeft hierop te kennen gegeven dat de datum van deze zitting hun was ontschoten waarna de voorzitter heeft besloten, nu ook geen verzoek tot aanhouding is gedaan, de zaak heden te behandelen.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

a. Klagers zijn de ouders van jeugdigen N. (geboren op [datum] 2013) en D. (geboren op [datum] 2014). Zij zijn beiden belast met het gezag over N. en D. Klagers zijn ontruimd uit hun woning. Klager is bij zijn ouders ingetrokken. Klaagster is met N. en D. bij haar moeder en broer gaan wonen.

b. Beklaagde is hulpverleenster van klaagster.

c. Klaagster is vanaf 3 december 2014 door [instelling] begeleid. De begeleiding is gericht op de inventarisatie en stabilisatie van de situatie van klaagster.

d. Klager heeft meermalen aan [instelling] verzocht om toezending van het dossier dat betrekking heeft op het gezin van klagers, waaronder het verzoek dat is gedaan bij e-mailbericht van 18 juni 2015.

e. [Instelling] heeft bij brief van 22 juli 2015 aan klager bericht dat er geen dossier op naam van klager bekend is bij [instelling], zodat niet aan zijn verzoek tot verstrekking van zijn dossier kan worden voldaan. Tevens is meegedeeld dat aan het verzoek om het dossier van klaagster toe te sturen evenmin kan worden voldaan, nu klaagster daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Dossiers worden overigens niet per post toegestuurd.

f. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2014.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende:

Beklaagde geeft, ondanks meerdere verzoeken daartoe van klagers, ten onrechte geen inzage in het dossier. Ook hebben klagers geen afschrift van het dossier ontvangen.

4 Het verweer

Beklaagde voert, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan.

Klaagster wordt sinds 3 december 2014 door beklaagde begeleid, waarbij door haar alleen hulp werd verleend aan klaagster en niet aan het gezin. De werkgever van beklaagde beschikt daarom alleen over het dossier van klaagster. Beklaagde heeft klaagster meermalen uitgelegd dat zij ten allen tijde haar dossier kan opvragen, maar dat daarvoor een procedure dient te worden gevolgd.
Klager heeft meermalen onder zijn eigen naam het dossier van klaagster opgevraagd, zonder dat dit verzoek door klaagster werd ondersteund. Klaagster heeft geen toestemming gegeven. Ondanks meerdere contacten tussen beklaagde en klaagster om tot een afspraak te komen om het dossier in te zien, is het nooit tot een afspraak gekomen. Klager heeft in de onder 2.e. genoemde brief d.d. 22 juli 2015 een brief met uitleg ontvangen.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.3

Het College heeft naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken vastgesteld dat [instelling] slechts de beschikking heeft over een dossier van klaagster, omdat alleen zij door beklaagde wordt begeleid. Het College begrijpt de klacht aldus, dat klagers erover klagen dat geen afschrift van het dossier van klaagster aan klagers wordt afgegeven.

5.4

Voor zover de klacht van klagers inhoudt dat geen afschrift van het dossier van klaagster aan klager wordt afgegeven, is het College ten eerste van oordeel dat klager daartoe het recht niet heeft. Voorts is het College van oordeel dat (de werkgever van) beklaagde niet gehouden is tot de afgifte van een afschrift van het dossier van klaagster aan klager zolang klaagster daarvoor geen toestemming geeft. Van een dergelijke toestemming is het College niet gebleken.

Voor zover de klacht van klagers inhoudt dat geen afschrift van het dossier van klaagster aan klaagster zelf wordt afgegeven, overweegt het College dat is gebleken dat [instelling] bij herhaling aan klaagster te kennen heeft gegeven dat zij te allen tijde recht heeft op inzage in en afschrift van haar dossier en dat zij dat afschrift kan komen ophalen. Ten overvloede overweegt het College nog dat uit mededeling van beklaagde op de zitting van 16 september 2016 is gebleken dat zij zelfs aan klaagster heeft aangeboden om vervoer voor haar te regelen, zodat zij in het bezit zou kunnen worden gesteld van een afschrift van haar dossier. Desondanks is het nooit gekomen tot een afspraak.

5.5

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De klacht is ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gedaan op 16 september 2016 en op 11 november 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mr. J. Biljard, secretaris