Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen gezinsvoogd over het nalaten doelen te formuleren teneinde klaagster de gelegenheid te geven toe te werken naar de mogelijkheid van thuisplaatsing van haar kind.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

dhr. mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
dhr. mr. E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mw. F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mw. mr. R. Dieleman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:
mevrouw A., wonende te […], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij [de gecertificeerde instelling] […] te […].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

− het klaagschrift d.d. 23 mei 2016, met bijlage;
− het verweerschrift d.d. 27 juni 2016, met bijlagen;
− het bij gelegenheid van de hoorzitting op 31 oktober 2016 door klaagster overgelegd stuk, inhoudende een nadere verklaring van klaagster.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016 in aanwezigheid van klaagster, haar raadsvrouwe, beklaagde en na te noemen gemachtigde van beklaagde. Klaagster werd bijgestaan door mw. mr. N.J.M. Kammers, advocaat te […]. Beklaagde werd bijgestaan door haar gemachtigde mw. mr. I.C.A.J. Hiddinga, verbonden aan […] te […].
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster is de moeder van A., geboren op […] […] 2004 te […].
A. is geboren uit de inmiddels verbroken relatie van klaagster met de vader van A., hierna te noemen vader. Klaagster en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over A.

2.2

A. heeft zijn hoofdverblijf bij klaagster en klaagsters echtgenoot.

2.3

Op 13 december 2011 is A. onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling telkenmale is verlengd. De uitvoering van de ondertoezichtstelling is sinds 15 oktober 2012 in handen van [de gecertificeerde instelling] […] (hierna: [de GI]).

2.4

Tussen 7 april 2015 en 7 juli 2016 is beklaagde als gezinsvoogd betrokken bij de ondertoezichtstelling van A. Vanaf 4 maart 2016 is door beklaagde een contactpersoon aangesteld ten behoeve van contact tussen klaagster en [de GI].

2.5

Op 25 februari 2016 heeft een SOS-meeting plaatsgevonden, hetgeen de aanleiding is geweest voor overleg tussen beklaagde en de gedragsdeskundige van [de GI], welk overleg heeft geresulteerd in een spoeduithuisplaatsing van A. op 26 februari 2016. De op 26 februari 2016 verleende machtiging tot uithuisplaatsing werd bij beschikking van 25 maart 2016 door de rechtbank bekrachtigd.

2.6

Tussen klaagster en A. heeft tussen 26 februari 2016 en 14 april 2016 geen contact plaatsgevonden.

2.7

Tussen zijn uithuisplaatsing op 26 februari 2016 en de zomervakantie van 2016 heeft A. geen school bezocht.

2.8

Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

3.1

Beklaagde heeft diverse keren medische gegevens verstrekt aan derden, zonder toestemming daartoe van klaagster.
Klaagster heeft ter gelegenheid van de hoorzitting haar klacht op dit punt nader toegelicht. Klaagster verwijt beklaagde dat zij medische gegevens met betrekking tot haar echtgenoot heeft verstrekt aan derden zonder diens toestemming.

3.2

Beklaagde heeft nagelaten doelen te formuleren teneinde klaagster de gelegenheid te geven toe te werken naar de mogelijkheid van een thuisplaatsing van A.

3.3

Beklaagde is op onjuiste gronden en zonder onderzoek overgegaan tot uithuisplaatsing van A.

3.4

Beklaagde heeft nagelaten klaagster te informeren over A. na de machtiging tot uithuisplaatsing.

3.5

Klaagster is door beklaagde onvoldoende in staat gesteld contact te hebben met A. na zijn uithuisplaatsing.

3.6

Beklaagde heeft nagelaten adequate schoolvoorzieningen te treffen voor A. na zijn uithuisplaatsing.

3.7

Beklaagde heeft zich naar derden uitsluitend negatief uitgelaten over klaagster.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

1 , 6 en 7

Klaagster heeft haar klachten, dat beklaagde zonder toestemming medische gegevens heeft verstrekt aan derden, dat beklaagde heeft nagelaten adequate schoolvoorzieningen te treffen na de uithuisplaatsing van kind A en dat beklaagde zich naar derden uitsluitend negatief heeft uitgelaten over klaagster, niet nader onderbouwd of gemotiveerd. Beklaagde is om die reden niet in staat ter zake een deugdelijk verweer te voeren. Deze klachtonderdelen dienen in de visie van beklaagde als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

2, 3 en 4

Beklaagde erkent dat de beslissing tot een uithuisplaatsing, zeker in het geval van een spoeduithuisplaatsing, zeer ingrijpend is. Zij betwist de stelling van klaagster dat zij dit zonder een gedegen onderzoek heeft gedaan.
Beklaagde heeft haar zorgen ten aanzien van de thuissituatie van A. meermaals in de periode van september 2015 tot en met februari 2016 met klaagster besproken. Tijdens de daarover gevoerde gesprekken zijn de te behalen doelen met klaagster besproken. Klaagster is op 20 november 2015 geïnformeerd over het feit dat [de GI] voornemens was een schriftelijke aanwijzing te geven. In de door beklaagde gegeven schriftelijke aanwijzing van 4 december 2015 heeft beklaagde benoemd dat, indien zou blijken dat er onvoldoende zou worden meegewerkt aan de gestelde doelen en afspraken, waardoor A. in zijn ontwikkeling bedreigd zou blijven, het maar zeer de vraag was of A. bij klaagster en haar echtgenoot zou kunnen blijven wonen.
Op 26 februari 2016 is door beklaagde met een gedragswetenschapper overlegd over A. en de vraag of het nog verantwoord was om A. thuis te laten wonen. In verband met de verbale agressie en een dreigende houding die stiefvader in het verleden naar professionals heeft geuit, heeft beklaagde in overleg met de gedragswetenschapper besloten tot de aanvraag van een spoeduithuisplaatsing. De rechtbank […] heeft deze machtiging op 26 februari 2016 verleend. A. is op die datum door beklaagde geplaatst op een behandelgroep waar hij tot op heden verblijft.
Beklaagde stelt dat zij na de uithuisplaatsing van A. onder meer het LET-team heeft betrokken voor advies rond het op te starten contact tussen klaagster en A., hetgeen ertoe geleid heeft dat tussen de uithuisplaatsing en het eerste contact enige tijd heeft gezeten.

5

Beklaagde betwist dat haar ten aanzien van de bevordering van contact tussen klaagster en A. een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Beklaagde stelt dat na de spoeduithuisplaatsing van A. is besloten dat het LET-team diende te worden betrokken, in verband met de door stiefvader in het verleden getoonde verbale agressie en dreiging. Stiefvader is gediagnosticeerd met [diagnose] .
Op 26 februari 2016 is A. uit huis geplaatst. Op 15 maart 2016 is klaagster geïnformeerd over een op 17 maart 2016 gehouden bespreking (met als gesprekspartners: LET-team, sociaal wijkteam van de gemeente, politie en beklaagster) die als doel had om de veiligheid in kaart te brengen in verband met het opstarten van de bezoekregeling tussen klaagster en A.
Op 5 april 2016 heeft een overleg plaatsgevonden met klaagster over de bezoekregeling. Tijdens dat overleg is besproken dat binnen twee weken na 5 april 2016 een eerste bezoek zou plaatsvinden. Dit is vastgelegd in een schriftelijke aanwijzing d.d. 8 april 2016. Het eerste bezoek van klaagster aan A. heeft plaatsgevonden op 14 april 2016.
Na een evaluatie van dit eerste bezoek – waaraan klaagster niet heeft meegewerkt – is op 25 april 2016 een tweede schriftelijke aanwijzing omtrent de bezoekregeling tot stand gekomen. Daarin is vastgelegd dat eens per twee weken een begeleid bezoek van een uur zal plaatsvinden.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

klachtonderdeel 1

Het College stelt vast dat klaagster klaagt over de verstrekking van medische gegevens van haar echtgenoot. Nu de klacht van klaagster niet mede is ondertekend door haar echtgenoot – zijnde de belanghebbende in dit klachtonderdeel – kan klaagster naar het oordeel van het College niet worden ontvangen.

klachtonderdeel 2

Klaagsters klacht komt er in de kern, zoals hiervoor weergegeven, op neer dat beklaagde heeft nagelaten doelen te formuleren na de uithuisplaatsing van A. op 26 februari 2016. Beklaagde heeft deze stelling niet weersproken. Ter gelegenheid van de hoorzitting is het College gebleken dat na de uithuisplaatsing een (verdere) verstoring in de verhouding tussen klaagster en beklaagde is ontstaan. Beklaagde heeft daarop ten behoeve van de samenwerking van klaagster met [de GI] een contactpersoon aangewezen die namens haar sinds 4 maart 2016 de contacten met klaagster onderhield.
Beklaagde heeft echter verzuimd om na de spoed uithuisplaatsing een Plan van Aanpak vast te stellen waaruit zou kunnen hebben gebleken aan welke doelen klaagster diende te voldoen, wilde gesproken kunnen worden over een eventuele terugplaatsing in de vorm van een thuisplaatsing van A. bij klaagster. Het is het College ook niet gebleken dat beklaagde hierover anderszins heeft gecommuniceerd met klaagster.

Dit onderdeel van de klacht acht het College gegrond.

klachtonderdeel 3

Klaagster verwijt beklaagde dat zij op onjuiste gronden en zonder onderzoek is overgegaan tot de spoed uithuisplaatsing van A. Beklaagde heeft hier tegenover gesteld dat zij haar zorgen over de situatie van kind A bij klaagster meermaals met klaagster heeft besproken en dat zij door middel van het formuleren van schriftelijke aanwijzingen aan klaagster heeft duidelijk gemaakt wat de voorwaarden waren waaraan klaagster diende te voldoen om een dreigende uithuisplaatsing te voorkomen.

Uit de door beklaagde overgelegde ‘aankondiging schriftelijke aanwijzing’ van 20 november 2015 en de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2015 blijkt dat er ernstige zorgen zijn over het opvoedklimaat in de thuissituatie. Aan klaagster wordt in genoemde stukken opgedragen A. te beschermen tegen de emotionele verwaarlozing door de stiefvader van kind A, klaagsters echtgenoot. Tevens wordt klaagster duidelijk gemaakt dat zij haar echtgenoot hierin dient te begrenzen. Uit genoemde stukken blijkt voorts dat wanneer er onvoldoende door klaagster wordt meegewerkt aan de gestelde doelen en afspraken, waardoor A. in zijn ontwikkeling bedreigd blijft, er overwogen zal worden of A. nog wel bij klaagster en haar echtgenoot kan blijven wonen. Uit de vooraankondiging en de schriftelijke aanwijzing blijkt naar het oordeel van het College duidelijk aan welke voorwaarden klaagster diende te voldoen. Ook blijkt duidelijk dat er sprake is van ernstige zorgen rond de ontwikkeling van A. die maken dat uithuisplaatsing mogelijk noodzakelijk zou kunnen zijn om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden.
Het College overweegt verder dat door beklaagde ter gelegenheid van de hoorzitting onweersproken is medegedeeld dat tijdens de SOS-meeting van 2 januari 2016 de situatie rond A. als onvoldoende werd beoordeeld. Ook tijdens de SOS-meeting van 25 februari 2016 werd onder andere door beklaagde geconstateerd dat de zorgen rond A. nog groter en ernstiger werden beoordeeld. Op grond van het vorengaande is het College van oordeel dat beklaagde op voldoende gronden en na onderzoek is overgegaan tot de uithuisplaatsing van A.

Beklaagde is bij haar handelen gebleven binnen de grenzen die verwacht mogen worden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

De klacht wordt door het College dan ook als ongegrond beoordeeld.

klachtonderdeel 4

De kern van dit onderdeel van de klacht ziet op de communicatie van beklaagde naar klaagster over het welbevinden van A. na de spoed uithuisplaatsing op 26 februari 2016. Klaagster heeft dit klachtonderdeel ter zitting op 31 oktober 2016 nader toegelicht en onderbouwd.

Beklaagde heeft onweersproken gesteld dat zij op de (vrijdag)avond van de spoeduithuisplaatsing telefonisch contact heeft gehad met klaagster. Omdat klaagster zich emotioneel niet in staat achtte de situatie rond de spoeduithuisplaatsing – die voor haar onverwacht kwam vanwege het spoedkarakter – te bespreken, werd afgesproken om op maandag 29 februari 2016 wederom telefonisch contact te hebben. Beklaagde heeft voorts onweersproken gesteld dat zij klaagster op maandag 29 februari 2016 vruchteloos heeft geprobeerd te bellen, met achterlating met een terugbelverzoek op de voicemail.
Beklaagde heeft voorts onweersproken gesteld dat zij A. op maandag 29 februari 2016 op de groep waar hij toen verbleef heeft bezocht en samen met hem heeft geprobeerd klaagster te bellen, hetgeen evenmin tot een positief resultaat leidde.
Beklaagde heeft tenslotte op donderdag 3 maart 2016 wederom geprobeerd klaagster te bellen, wederom zonder resultaat. Daarop heeft beklaagde klaagster een email gestuurd, waarop geen reactie is gekomen.
Daarop heeft beklaagde op 4 maart 2016 de conclusie getrokken dat contact tussen haar en klaagster niet van de grond kwam en heeft zij een contactpersoon aangewezen binnen [de GI], met daarbij aan de gebiedsmanager het verzoek om een andere medewerker te benoemen tot gezinsvoogd.

Beklaagde kan naar het oordeel van het College aldus niet worden verweten onvoldoende inspanningen te hebben verricht om klaagster te informeren over het welzijn van A.

Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

klachtonderdeel 5

Het klachtonderdeel komt erop neer dat klaagster beklaagde verwijt dat zij na de spoeduithuisplaatsing van A. onvoldoende in staat is gesteld om contact te hebben met haar zoon. Beklaagde heeft hier – kort gezegd – tegenover gesteld dat zij ten behoeve van de veiligheidswaarborg rond de contactmomenten het LET-team heeft ingeschakeld voor advies, hetgeen tijd heeft gekost. Om die reden, alsmede vanwege de slechte bereikbaarheid van klaagster voor beklaagde zoals hiervoor omschreven onder “klachtonderdeel IV”, heeft het eerste contactmoment tussen klaagster en A. pas plaatsgevonden na bijna 7 weken.

Het College overweegt dat de tijd tussen de spoeduithuisplaatsing van A. op 26 februari 2016 en het eerste contact met klaagster op 14 april 2016 van relatief lange duur is geweest. Beklaagde heeft ter gelegenheid van de hoorzitting uitgelegd welke inspanningen zij heeft verricht om tot een eerste omgangsmoment te komen en welke maatregelen zij daarvoor nodig achtte.
Het College acht het, mede gelet op de door beklaagde geschetste en door klaagster niet betwiste bedreigingen van de zijde van de echtgenoot van klaagster in de richting van professionals in het verleden, niet onbegrijpelijk dat beklaagde eerst het advies van het LET-team heeft willen inwinnen voordat zij tot het organiseren van een bezoekregeling is overgegaan. Dat dit enige tijd in beslag heeft genomen is zeer voorstelbaar.
Beklaagde heeft ter gelegenheid van de hoorzitting erkend dat zij weliswaar voorafgaand aan de spoeduithuisplaatsing het LET-team al had kunnen betrekken, maar naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende duidelijk gemaakt dat er na de SOS-meeting op 25 februari 2016 onder grote tijdsdruk moest worden gehandeld. Binnen drie weken na de spoeduithuisplaatsing op 26 februari 2016 heeft een overleg plaatsgevonden met het LET-team, het gemeentelijke sociale wijkteam, de politie en beklaagde met als doel om de veiligheid te bespreken en het in kaart brengen van de mogelijkheden voor het opstarten van de bezoekregeling tussen klaagster en A.
Na een overleg op 5 april 2016 met als deelnemers klaagster, de ambulant hulpverlener van klaagster en de ambulant hulpverlener van de echtgenoot van klaagster, beklaagde en een vertegenwoordiger van het LET-team over de concrete invulling van de (veiligheid rond) bezoekregeling, heeft, als gezegd, op 14 april 2016 een eerste contact tussen klaagster en A. plaatsgevonden. De bezoekregeling is vastgelegd in een schriftelijke aanwijzing van 8 april 2016.

Ter gelegenheid van de hoorzitting heeft beklaagde op vragen van het College voldoende duidelijk gemaakt waarom klaagster niet steeds op de hoogte is geweest van de gang van zaken rond het opstarten van de bezoekregeling. Het College verwijst hiervoor naar hetgeen reeds onder de bespreking van klachtonderdeel IV is uiteengezet omtrent de pogingen van beklaagde om na de uithuisplaatsing op 26 februari 2016 (ook samen met A.) in contact te komen met klaagster.
De omstandigheid dat pas 7 weken na de uithuisplaatsing een eerste contact moment heeft plaatsgevonden tussen klaagster en A. – hetgeen onmiskenbaar een lange duur is – is naar het oordeel van het College op grond van het voren overwogene niet toe te rekenen aan niet adequaat optreden door beklaagde, maar is het gevolg van een samenloop van omstandigheden, waaraan ook het optreden van moeder en haar telefonische onbereikbaarheid heeft bijgedragen.

Het College acht dit klachtonderdeel ongegrond.

klachtonderdeel 6

Volgens klaagster heeft beklaagde nagelaten adequate schoolvoorzieningen te treffen voor A. na zijn uithuisplaatsing. Beklaagde heeft hier tegenover gesteld dat zij A. wel degelijk heeft aangemeld voor een school in de nabijheid van de groep waar hij sinds 26 februari 2016 heeft verbleven, maar dat het aan andere omstandigheden is te wijten dat de schoolgang van A. niet is geëffectueerd.

Het College is met klaagster en beklaagde van oordeel dat het een kwalijke zaak is dat A. tussen zijn uithuisplaatsing op 26 februari 2016 en de zomervakantie van 2016 geen school heeft genoten.
Beklaagde heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij A. op 3 maart 2016 per email heeft aangemeld bij de school in de omgeving van de groep waar hij sinds zijn uithuisplaatsing verbleef. Beklaagde heeft de beide betrokken onderwijsinstellingen verzocht de overdracht van de vorige naar de nieuwe school in gang te zetten. Om onduidelijk gebleven redenen is deze overdracht niet door de scholen gerealiseerd, met als resultaat dat A. niet naar de nieuwe school is gegaan. Beklaagde heeft onbetwist gesteld dat zij – toen zij na een periode van afwezigheid in mei 2016 constateerde dat A. nog steeds niet naar school ging – heeft geprobeerd om dit op te lossen met behulp van de leerplichtambtenaar. Toen bleek ook dat klaagster om haar moverende redenen de benodigde toelaatbaarheidsverklaring nog niet had getekend, hetgeen de schoolgang eveneens heeft bemoeilijkt.

Het College is op grond van het vorengaande van oordeel dat niet is vast te stellen dat het aan beklaagde te wijten is dat de op zich kwalijke situatie dat A. ruim 4 maanden geen onderwijs heeft genoten is ontstaan. Om die reden wordt de klacht als ongegrond beoordeeld.

klachtonderdeel 7

Klaagster stelt dat beklaagde zich naar derden uitsluitend negatief heeft uitgelaten over klaagster. Beklaagde heeft deze stelling betwist, in die zin dat zij niet meer dan noodzakelijk de zorgen omtrent de zorgelijke opvoedingssituatie van A. met andere professionals binnen de keten heeft besproken.

Het College stelt met klaagster vast dat in de door klaagster en beklaagde overgelegde stukken met betrekking tot de opvoedsituatie van klaagster in negatieve zin wordt geschreven door beklaagde. Het College heeft echter uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken ook vastgesteld dat de situatie rond de opvoeding van A. bij klaagster thuis zeer zorgelijk, later zelfs nijpend was. Beklaagde heeft haar zorgen willen uiten op professionele wijze. Het College heeft niet kunnen vaststellen dat er in de gewraakte stukken onwaarheden door beklaagde zijn opgenomen. Daarmee acht het College dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Conclusie

Het College komt tot de conclusie dat beklaagde met betrekking tot één klachtonderdeel, te weten onderdeel II, een tuchtrechtelijk kan verwijt worden gemaakt. Beklaagde heeft nagelaten om na de spoed uithuisplaatsing van A. een Plan van Aanpak vast te stellen waaruit zou kunnen hebben gebleken aan welke doelen klaagster diende te voldoen, wilde gesproken kunnen worden over een eventuele terugplaatsing in de vorm van een thuisplaatsing bij klaagster. Het College is van oordeel dat beklaagde bij haar handelen onvoldoende acht heeft geslagen op de in de beroepscode voor de Jeugdzorgwerker onder artikel 3, sub E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) opgenomen gedragsregels.
Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel I;
– verklaart klachtonderdeel II gegrond;
– legt aan beklaagde in verband met gegrondverklaring van klachtonderdeel II op:
de maatregel van waarschuwing;
– verklaart klachtonderdelen III, IV, V, VI en VII ongegrond.

Aldus gedaan en op 23 december 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
Mevrouw mr. R. Dieleman, secretaris