Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen een jeugdbeschermer onder meer over dat zij geen contact opgenomen heeft met de kinderen en haar optreden tijdens een zitting bij de kinderrechter.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Dhr. mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
Mw. mr. H.C.A. Wintgens, lid jurist;
Mw. M. de Roos, dhr. E.A.J. Ouwerkerk, Dhr. E.H. Weise, leden- beroepsgenoten.
Als secretaris is opgetreden mw. mr. A. Tingen.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de ingediende klacht door

[klager] hierna te noemen: klaagster,

tegen:

[beklaagde], jeugdzorgwerker, werkzaam bij [GI], hierna te noemen: beklaagde, bijgestaan door mw. mr. S. Dik van Das Rechtsbijstand.

De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 16 februari 2017, waarin klaagster is bijgestaan door haar advocaat mr. E.V.S. Van Baarle, beklaagde wordt bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. De voorzitter heeft besloten dat de zaken 16.063T en 16.135T gelijktijdig zullen worden behandeld.

1 Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
– Het klaagschrift van 30 mei 2016, met de bijlagen, binnengekomen op 31 mei 2016 betreffend zaaknummer 16.063T;
– Van latere data eveneens binnengekomen bijlagen;
– Het verweerschrift van 6 september 2016 met de bijlagen, binnengekomen op 6 september 2016 betreffend zaaknummer 16.063T;
– Het tweede klaagschrift, binnengekomen op 12 september 2016 betreffend zaaknummer 16.135T;
– Van latere data eveneens binnengekomen bijlagen;
– Het verweerschrift van 12 oktober 2016 met de bijlage, binnengekomen op 12 oktober 2016 betreffend zaaknummer 16.135T;
– Het aanvullend verweerschrift met de bijlagen van 9 november 2016, binnengekomen op 9 november 2016 betreffend zaaknummer 16.135T.

2 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

2.1

Klaagster is moeder van een tweeling, [jeugdige 1] en [jeugdige 2], geboren [geboortedatum] 2007.

2.2

Klaagster is gescheiden van vader. De ouders hebben gezamenlijk gezag.

2.3

De kinderen van klaagster zijn met ingang van 3 januari 2013 onder toezicht gesteld van [GI].

2.4

Beklaagde is werkzaam als gezinsvoogd bij [GI] en is geregistreerd in het Kwaliteitsregister voor de Jeugdzorg vanaf [datum] 2014.

2.5

Vanaf maart 2015 is vanwege de echtscheidingsproblematiek de methodiek “Complexe Echtscheiding” ingezet, waardoor naast de bestaande aan het gezin verbonden jeugdzorgwerker aan beklaagde is gevraagd om als tweede jeugdprofessional bij het gezin van klaagster betrokken te zijn. Beklaagde is feitelijk van september 2015 tot januari 2016 bij klaagster en haar gezin betrokken geweest.

2.6

Op 11 september 2015 heeft de kinderrechter bepaald dat de onder toezichtstelling werd verlengd voor de duur van 6 maanden. In de beschikking is hierover voor zover van belang vermeld: “Het uitgangspunt van de ondertoezichtstelling is tot nu toe steeds het tot stand brengen van de contact met de vader geweest. Omgang met de vader blijkt op dit moment echter te belastend voor [jeugdige 1] en [jeugdige 2]. Daarom zou het uitgangspunt van de ondertoezichtstelling op dit moment moeten zijn, te onderzoeken welke rol de vader in het leven van de kinderen kan spelen. Het is voor de kinderen heel belangrijk dat zij nu rust en veiligheid krijgen en dat ze beseffen dat niet gedwongen worden om contact te hebben met de vader. Ook acht de kinderrechter het van belang dat de kinderen worden begeleid in deze overgang en dat er gekeken wordt naar hoe ouders kunnen communiceren over de kinderen, juist als de vader geen contact met de kinderen heeft. Tot slot is van belang om te monitoren hoe de kinderen zich ontwikkelen als de vader op afstand een rol speelt en of er hulpverlening voor hen nodig is.”

2.7

Op 30 september 2015, 28 oktober 2015, 11 november 2015, heeft beklaagde gesprekken gevoerd met beide ouders.

2.8

Op 16 september 2015 en 21 oktober 2015 heeft vader een e-mail gestuurd aan beklaagde zonder cc aan klaagster.

2.9

Begin december 2015 heeft beklaagde naar aanleiding van de hiervoor genoemde gesprekken een conceptrapportage opgesteld en deze aan beide ouders toegezonden.

2.10

Op 9 december 2015 heeft beklaagde over het conceptverslag een gesprek gehad met klaagster. Klaagster heeft hierin te kennen gegeven dat zij zich niet kon vinden in de inhoud van het rapport.

2.11

Begin januari 2016 heeft beklaagde de slotrapportage naar de Raad gestuurd. In deze rapportage is voor zover van belang het volgende vermeld: “Moeder blijft van mening dat vader in het verleden beschadigend is geweest voor de kinderen. Moeder heeft geen enkel vertrouwen in het doen en laten van vader. (..) Door de jarenlange strijd hebben de kinderen weinig tot geen contact met hun vader. Beide kinderen nemen een negatieve houding ten aanzien van hun vader in. Het gevolg is dat de kinderen van hun vader en zijn familie vervreemden en hem zelfs afwijzen. Dit is mijns inziens op ongegronde argumenten.(..) De kinderen krijgen geen ruimte om hun eigen oordeel te vormen. (..) Ik heb met ouders besproken dat de kinderen te jong zijn om zo’n sterk gepolariseerd beeld te hebben. Zo’n beeld is een reflectie van loyaliteitsproblematiek waarbij de kinderen, zich uit afhankelijkheid, verbinden met de verzorgende ouder. (..) De ontwikkeling van de kinderen verloopt momenteel goed. School geeft aan geen zorgen te hebben over de kinderen. (..) Ouders communiceren niet met elkaar. Informatie komt vanuit de kinderen. (..) Binnen de OTS heeft [GI] ook geen mogelijkheden meer. Een verzoek om uithuisplaatsing om de kinderen met beide ouders contact te laten hebben is te ingrijpend en niet in het belang van de kinderen. En is ook niet wat vader zou willen. [GI] vindt het zeer triest voor [jeugdige 1] en [jeugdige 2]. Aangegeven dat ik bereid ben om nog gesprekken te hebben maar als het een herhaling is van zetten en dit maximaal mogelijk is ga ik de Raad informeren voor vroegtijdig afsluiten. (..) Als moeder niet verandert is er niks mogelijk.(..)”

2.12

De Raad heeft in zijn rapportage van 9 maart 2016 geadviseerd om te starten met een belevingsonderzoek bij de kinderen. In deze rapportage is opgenomen over een telefoongesprek dat beklaagde heeft gevoerd met een raadsonderzoeker op 8 februari 2016: “Over Oma (mz) vertelt de gezinsvoogd dat zij dezelfde negatieve beleving heeft van vader en zijn familie als dat moeder heeft.”

2.13

Bij beslissing van 22 maart 2016 wordt door de kinderrechter gelast om het door de Raad voorgestelde belevingsonderzoek bij de kinderen uit te voeren, zodat kan worden onderzocht waar de weerstand van de kinderen om omgang te hebben met hun vader vandaan komt. Hiertoe wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 22 juni 2016.

2.14

Per e-mail van 12 april 2016 heeft de advocaat van klaagster aan de Raad laten weten dat moeder overleg wenste over het in te zetten belevingsonderzoek en de door de Raad geformuleerde onderzoeksvragen voordat zij hiervoor toestemming zou geven.

2.15

Op 20 april 2016 heeft beklaagde, namens de gecertificeerde instelling aan klaagster een schriftelijke aanwijzing gegeven, omdat klaagster geen toestemming wilde geven voor het uitvoeren van het hiervoor genoemde belevingsonderzoek.

2.16

Op 28 april 2016 heeft klaagster toestemming gegeven voor het belevingsonderzoek, nadat de Raad op verzoek van klaagster een van de onderzoeksvragen had aangepast.

2.17

Op 2 juni 2016 bericht een medewerker van de school van de kinderen aan klaagster in antwoord op een e-mail bericht van klaagster als volgt: “[beklaagde] heeft geen contact opgenomen met school. Ik heb daarover ook niets van collega’s gehoord. Het laatste contact met [GI] is inderdaad van januari 2015.”

2.18

In het Raadsrapport van 10 juni 2016 wordt naar aanleiding van het uitgevoerde belevingsonderzoek geconcludeerd dat een gedwongen kader nodig is om de ouders te blijven motiveren en aan te sturen om mee te werken aan de benodigde begeleiding en hulpverlening. De Raad adviseert om in vier fasen te komen tot contactherstel tussen de kinderen en vader.

2.19

Bij beschikking van 20 juni 2016 wordt het verzoek van de Raad om een verlenging van de ondertoezichtstelling tot 11 september 2016 door de kinderrechter toegewezen.

2.20

Klaagster heeft tegen de beschikking hoger beroep ingesteld, waarop beklaagde namens de GI als belanghebbende verweer heeft gevoerd. Dit verweer is door beklaagde te laat ingediend, op 1 september 2016.

2.21

Op 5 september 2016 heeft er een zitting plaatsgevonden in verband met het verzoek van de GI voor een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Beklaagde heeft ter zitting de GI vertegenwoordigd en heeft in reactie op het verweer van klaagster, aantekeningen overgelegd.

2.22

De rechter heeft in zijn beschikking van 5 september 2016 het verzoek van de GI toegewezen en een verlenging van de ondertoezichtstelling van 11 september 2016 tot 11 september 2017 bepaald.

2.23

Bij beschikking van 19 oktober 2016 heeft het Gerechtshof [vestigingsplaats] het onder 2.19 genoemde verzoek in hoger beroep afgewezen, omdat klaagster het hoger beroep als verzoekende partij heeft ingetrokken.

3 De klacht

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven dat zij onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld door:

I Geen, dan wel onvoldoende gevolg te geven aan de opdrachten van de rechter; door na te laten contact op te nemen met de school van de kinderen en überhaupt door de kinderen niet te zien dan wel te horen;

II Op onprofessionele wijze, te weten op basis van vooroordelen en vooringenomen standpunten, te komen tot een professioneel oordeel. Beklaagde heeft in gesprekken en in de slotrapportage van 11 januari 2016 kenbaar gemaakt dat de afwijzende houding van de kinderen ten opzichte van hun vader ongegrond en onverklaarbaar is, terwijl beklaagde de kinderen nog nooit gezien of gesproken heeft; beklaagde heeft uitlatingen gedaan over oma (mz) zonder dat zij haar zelf gesproken heeft.

III Onbetrouwbaar te handelen door zonder klaagster hierover te berichten per e-mail met vader te communiceren, terwijl beklaagde had afgesproken van alle communicatie een afschrift te sturen naar de andere partij;

IV Onvoldoende dan wel niet in staat te zijn om een toelichting te geven op haar handelen door de gestelde verdiepingsvragen naar aanleiding van de door beklaagde opgestelde concept slotrapportage.

V Misbruik te maken van haar machtspositie door klaagster een schriftelijke aanwijzing te geven terwijl zij op dat moment in contact was met de Raad voor de Kinderbescherming over de door haar nog te ondertekenen toestemmingsverklaring;

VI Tijdens de zitting van 5 september 2016 in verband met de verlenging van de OTS een omvangrijk stuk over te leggen zonder dat klaagster de tijd had om hierop voorafgaand aan de zitting te reageren.

VII Tijdens de zitting van 5 september 2016 in strijd met de waarheid te rapporteren en op basis van onjuiste veronderstellingen een oordeel te vormen, bijvoorbeeld door te spreken van wantrouwen en haat van moeder, zonder dat dit feitelijk wordt onderbouwd;

VIII De collega van beklaagde negatief te beïnvloeden in haar handelswijze, nu deze collega ook onwaarheden heeft verkondigd tijdens de zitting op 5 september 2016;

IX Tijdens de zitting op 5 september 2016 aan te halen dat er een schriftelijke aanwijzing is gegeven, terwijl deze destijds onterecht is opgelegd;

X Te handelen in strijd met de eisen van een goede rechtsorde, door te laat het verweerschrift in hoger beroep in te dienen en niet inhoudelijk in te gaan op het door klaagster ingediende beroep, waardoor zij pas tijdens de zitting op 20 oktober 2016 zou worden geconfronteerd met het betoog van beklaagde en niet de gelegenheid heeft om hier op te kunnen anticiperen.

4 Het verweer

Beklaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet onzorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld, voor zover noodzakelijk zal hierop in het hiernavolgende nader worden ingegaan.

5 De beoordeling

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt.

5.1

Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel over de wijze waarop beklaagde invulling heeft gegeven aan de opdracht van de rechter in het kader van de ondertoezichtstelling het volgende. Beklaagde heeft ter zitting bij SKJ en in haar verweer kenbaar gemaakt dat het op zichzelf ongebruikelijk is om geen enkel contact te hebben met de kinderen die onder toezicht zijn gesteld. Beklaagde heeft echter duidelijk gemaakt dat de opdracht van de rechter zich toespitste op het verkennen in hoeverre de vader een rol op afstand in het leven van de kinderen kon innemen. Daarvoor was vereist om eerst te kijken naar de communicatie tussen de ex-echtgenoten. De kinderen van klaagster hadden heel duidelijk te kennen gegeven met rust gelaten te willen worden wat betreft hulpverlening en beklaagde had geen signalen ontvangen dat het met de kinderen niet goed ging. Het College acht het daarom in dit specifieke geval niet verwijtbaar dat beklaagde geen contact heeft opgenomen met de kinderen zelf. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.2

Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel over de wijze waarop beklaagde heeft gerapporteerd in haar slotrapportage het volgende. Alhoewel beklaagde zich in minder gelukkige bewoordingen heeft geuit , blijkt uit de toelichting van beklaagde op de zitting dat de door beklaagde gehanteerde formuleringen gebaseerd zijn op ofwel eerdere rapportages dan wel op ervaringen van beklaagde zelf, welke ook voor klaagster kenbaar waren. Onder deze omstandigheden acht het College de wijze waarop beklaagde heeft gerapporteerd niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.3

Voor wat betreft het derde klachtonderdeel dat gaat over de e-mailcorrespondentie van beklaagde met vader het volgende. Het klopt dat afspraken waren gemaakt tussen klaagster, beklaagde en vader dat alle e-mailcorrespondentie in cc naar alle partijen uit deze driehoek zou gaan. In een aantal gevallen is dit niet gebeurd. Het betreft e-mailcorrespondentie van vader aan beklaagde. Vader heeft van deze e-mails geen cc naar moeder gestuurd, beklaagde heeft deze e-mails derhalve ook niet in het dossier opgenomen. De e-mail van de grootvader van vaderszijde heeft beklaagde wel in het dossier opgenomen, maar deze valt buiten de afspraak, omdat het correspondentie van een andere partij betreft. Het College acht deze handelswijze van beklaagde correct. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.4

Voor wat betreft het vierde klachtonderdeel dat gaat over de reactie van beklaagde op de door klaagster aangedragen verbeterpunten met betrekking tot de door beklaagde opgestelde concept slotrapportage het volgende. Beklaagde heeft terecht naar voren gebracht dat zij haar bevindingen zoals zij deze heeft vastgelegd in de slotrapportage niet hoeft aan te passen, indien klaagster het met deze visie niet eens is. Alleen feitelijke onjuistheden kunnen op verzoek van klaagster worden aangepast. Duidelijk is dat klaagster en beklaagde het tijdens het gesprek op 9 december 2015 niet eens zijn geworden over de inhoud van de door beklaagde opgestelde slotrapportage. Dit betekent naar het oordeel van het College, gezien het voorgaande derhalve niet dat beklaagde te kort is geschoten in haar reactie op de visie van klaagster. Het College is niet gebleken dat sprake is van onzorgvuldig handelen van beklaagde op dit punt. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.5

Voor wat betreft het vijfde klachtonderdeel over de door beklaagde afgegeven schriftelijke aanwijzing het volgende. Ter zitting is duidelijk geworden dat klaagster en haar advocaat met de Raad voor de Kinderbescherming in onderhandeling waren over de formulering van de onderzoeksvragen. De medewerker van de Raad was met vakantie en de waarnemend medewerker heeft tijdens de vakantie gecommuniceerd met beklaagde. Hierdoor is vertraging opgetreden in de communicatie waardoor voor het College aannemelijk is geworden dat beklaagde in ieder geval tijdens het afgeven van schriftelijke aanwijzing niet op de hoogte was van het feit dat klaagster hierover nog in gesprek was met de Raad. Het kan beklaagde daarom niet worden aangerekend dat zij de schriftelijke aanwijzing heeft afgegeven, omdat zij in de veronderstelling was dat klaagster niet mee wilde werken aan het verlenen van toestemming voor het door de rechter gelaste belevingsonderzoek, waarmee enige voortvarendheid gemoeid was. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.6

Voor wat betreft het zesde, zevende, achtste en negende klachtonderdeel die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling het volgende. Deze klachtonderdelen richten zich allen op het optreden van beklaagde ter zitting van de kinderrechter van 5 september 2016. Voor wat betreft de door beklaagde overgelegde aantekeningen heeft beklaagde ter zitting kenbaar gemaakt dat het ging om een geheugensteuntje waarbij zij voor zichzelf uit de dossiers een samenvatting had gemaakt van de stand van zaken tot dusver. Het betrof derhalve geen informatie die voor klaagster op dat moment niet kenbaar was. Daarbij was de geëigende weg om hiertegen bezwaar te maken destijds kenbaar te maken dat zij het niet eens was met het toelaten van het stuk door de rechter in die procedure en niet in onderhavige procedure hierover nog een klacht in te dienen. Dat beklaagde tijdens de zitting in strijd met de waarheid zou hebben gerapporteerd is het College niet gebleken, zo beklaagde de bewoordingen heeft gebruikt tijdens de zitting zoals door klaagster naar voren gebracht heeft beklaagde naar het oordeel van het College naar voren gebracht wat haar ervaringen zijn geweest in het contact met klaagster. Het stond beklaagde daarbij vrij om daarbij melding te maken van het feit dat een schriftelijke aanwijzing was gegeven. Dat sprake is geweest van het negatief beïnvloeden door beklaagde van haar collega is voor het College in het geheel niet vast komen te staan. De slotsom is dat de in deze kolom 5.6 genoemde klachtonderdelen allen derhalve ongegrond zijn.

5.7

Voor wat betreft het tiende klachtonderdeel het volgende. Het College is niet geheel duidelijk geworden waarop klaagster precies doelt. Het is immers klaagster geweest die het hoger beroep zelf heeft ingetrokken, waardoor het College niet duidelijk is wat het belang van klaagster bij dit klachtonderdeel is. Los daarvan overweegt het College dat het enkele feit dat sprake was van een te laat ingediend verweer door beklaagde niet leidt tot het oordeel dat beklaagde daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– Verklaart de klachten onder zaaknummers 16.063T en 16.135T in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 13 april 2017 en op deze dag door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mr. A. Tingen, secretaris