Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft klager op onprofessionele wijze bejegend over het door klager opgestelde plan van aanpak.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
E.A.J. Ouwerkerk en M. Bijnoe, leden-beroepsgenoten,

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Tingen.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door
De heer A., hierna te noemen klager, ingediende klacht

tegen

de heer B., jeugdzorgwerker, werkzaam bij [de gecertificeerde instelling] […], hierna te noemen beklaagde, bijgestaan door mr. J. Stappaerts-Zijlmans, advocaat te Eindhoven.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 11 maart 2016 met de bijlagen, binnengekomen op 16 maart 2016;
– de e-mails met aanvulling op de klacht van 6 april 2016 en de aanvulling van 17 mei 2016
– het verweerschrift met de bijlagen.
– de door klager tijdens de zitting overgelegde beschikking van 14 januari 2016 van het Gerechtshof […] en de e-mails van beklaagde van 2 juli 2014, 22 januari 2015 en 4 februari 2015.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 3 november 2016 in aanwezigheid van klager en beklaagde, die werd bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. De gemachtigde heeft een pleitnota overgelegd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager en zijn echtgenote, (hierna te noemen: moeder) zijn gescheiden.

2.2

Klager en moeder hebben samen twee minderjarige kinderen, hierna de kinderen.

2.3

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij [de gecertificeerde instelling] […], hierna [de GI], en sinds de op 17 juli 2012 uitgesproken ondertoezichtstelling van de kinderen van klager, belast met de uitvoering hiervan, tot het einde van de OTS op 18 juli 2015.

2.4

Beklaagde is sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister.

2.5

Wegens de complexe echtscheiding van klager en moeder is na overleg van de eerder betrokken gezinsvoogd met de gedragswetenschapper en de teammanager per 1 februari 2014, beklaagde als tweede gezinsvoogd aangesteld.

2.6

Beklaagde was sinds die tijd samen met voornoemde collega verantwoordelijk voor de uitvoering van de OTS, behoudens de periode 10 februari 2015-2 april 2015 waarin de collega was gedetacheerd bij een andere organisatie en beklaagde alleen verantwoordelijk was. Beklaagde was het aanspreekpunt voor klager. Zijn collega was dat voor moeder.

2.7

Vanuit de stichting […] werd in maart 2013 gezinsbegeleiding gestart. Hier hadden beklaagde en moeder beiden een aparte contactpersoon.

2.8

In april 2014 heeft klager zijn plan van aanpak besproken met verweerder en heeft verweerder in dit gesprek de term “bagger” gebruikt, in relatie tot het plan van aanpak.

2.9

In oktober 2014 werd geconcludeerd dat de communicatie tussen klager en moeder niet meer kon worden verbeterd. De hulpverlening aan klager werd beëindigd. De communicatie over de kinderen verliep via maandelijkse e-mails van moeder aan klager.

2.10

Klager heeft in verschillende e-mails aan beklaagde en zijn collega zijn onvrede over moeder en beklaagde en zijn collega geuit.

2.11

Vanuit [de GI] werd daarna besloten om slechts nog te concentreren op behandeling van de kinderen.

2.12

De kinderen werden aangemeld bij [centrum] […] waar in maart 2015 een behandeling werd gestart.

2.13

Op 25 maart 2015 heeft bij de rechtbank […] een hoorzitting plaatsgevonden in het kader van de door moeder aangespannen procedure omtrent het verzoek om eenhoofdig ouderlijk gezag. Beklaagde en haar collega zijn beiden gehoord door de rechter.

2.14

In het proces-verbaal van deze zitting is het volgende opgenomen over datgene dat de collega van beklaagde tijdens de zitting heeft verklaard: “[beklaagde] en ik zijn samen de gezinsvoogd omdat de samenwerking tussen de vader en [beklaagde] problematisch verliep. Op basis van het advies van [centrum] […] is de behandeling van de kinderen nodig. Noodzakelijk was dat ouders eerst op een aanvaardbaar niveau communiceren. Daar is op ingezet, mede door een tweede begeleider van [stichting] […] in te zetten. Vader was diskwalificerend naar [stichting] […]. Die begeleiding is uiteindelijk gestopt, omdat ze niet verder kwamen met vader. De communicatie zat aan zijn plafond. Het lukt vader niet om zonder storende dingen met moeder te communiceren. Ook de communicatie naar [de GI] was lastig. Vader diskwalificeert ons. Hij zag mijn manier van communiceren als dreiging. De begeleiding vanuit [stichting] […] is in augustus gestopt. Ik heb een stuk van [stichting] […], een eindverslag. We willen niet langer wachten tot de communicatie tussen ouders is verbeterd. De kinderen kunnen niet langer wachten op hulpverlening. Moeder heeft de kinderen daarom aangemeld bij [centrum] […]. [Centrum] […] ziet de noodzaak van snelle hulpverlening, maar een gezamenlijke intake is noodzakelijk. Dat vinden wij niet in het belang van de kinderen. Het is ernstig belastend voor de kinderen als dat in de hal van [centrum] […] plaatsvindt. Vader moet wel betrokken worden. Op 9 maart is de intake geweest. Vader is apart betrokken geworden. Vader en [de GI] vinden elkaar als het gaat om de inhoud van de hulp voor de kinderen, maar niet in de wijze van communiceren. Vader geeft aan dat moeder knettergek is. Dat is geen goede manier van communicatie. Moeder is gegroeid. Het informatiegedeelte gaat veel beter. Ouders accepteren elkaar niet goed. Gezamenlijk gezag zit aan zijn plafond. Daar zien we geen verbetering meer in.(..)

Er is gedwongen hulpverlening gevraagd vanwege de problematiek tussen ouders. Het was een laatste redmiddel. (..) Dingen stagneren. Moeder is de primaire verzorger en werkt mee met de hulpverlening. De enige manier om rust voor de kinderen in te bouwen , is eenhoofdig gezag. Hoe triest ook. Soms is het wel de conclusie. (..)”.

2.15

Hierna is het eindrapport van [stichting] […] overgelegd aan de rechtbank en is terstond een leespauze ingelast, waarna alle partijen de mogelijkheid is geboden om op het bewuste rapport te reageren.

2.16

Bij beschikking van 22 april 2015 van de rechtbank […] is aan moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag toegekend. In de beschikking is voor zover van belang in de inhoudelijke beoordeling opgenomen: “De inzet van hulpverlening vanuit [stichting] […] om deze communicatie te verbeteren heeft onvoldoende resultaat gehad, voornamelijk doordat de vader niet in staat is gebleken om op neutrale manier met moeder te communiceren. Ondanks de adviezen van [de GI] en [stichting] […] diskwalificeert vader de moeder op ernstige wijze. (..)”.

2.17

Op 18 december 2014, 10 maart 2015 en 23 april 2015 heeft klager een met deze procedure deels gelijkluidende klacht ingediend bij de klachtencommissie van [de GI] tegen beklaagde, deze klachten zijn deels gegrond verklaard.

2.18

Op 14 januari 2016 is in hoger beroep de beslissing om moeder met het eenhoofdig ouderlijk gezag te belasten weer teruggedraaid. Het gerechtshof […] overweegt voor zover van belang:” Het hof stelt, na bestudering van de inhoud van de bestreden beschikking en de door de man in hoger beroep in het geding gebrachte stukken van de klachtencommissie van de GI, vast dat de rechtbank in eerste aanleg op onjuiste wijze door de GI is geïnformeerd en op basis van die informatie conclusies heeft getrokken- onder meer dat de behandeling van de ouders uiterst problematisch verloopt en dat er geen sprake is van een constructieve communicatie tussen de vader en de hulpverlening- die hebben geleid tot de beslissing het gezamenlijk gezag te beëindigen.(..) Het hof stelt voorts vast dat, zoals ook de klachtencommissie heeft vastgesteld, uit de stukken niet blijkt dat vader niet in staat is gebleken om op neutrale wijze met moeder te communiceren. Uit de eindevaluatie van de [stichting] […] van 29 oktober 2015 blijkt dat de vader zich onthoudt van storende gedachten in de berichtgeving naar moeder, terwijl de gezinsvoogd ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat het de vader niet lukt om “zonder storende dingen met moeder te communiceren”.(..)”.

3 De klacht

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld jegens hem door:

I tijdens de zitting op 25 maart 2015 de rechtbank verkeerd voor te lichten;

II klager op onprofessionele wijze te bejegenen door onder andere de term “bagger” te gebruiken in relatie tot het door klager opgestelde plan van aanpak;

III partij te kiezen voor moeder.

4 Het verweer

Beklaagde ontkent dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen, voor zover nodig wordt hierop bij de beoordeling van de klachtonderdelen verder ingegaan.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1

Voor wat betreft het eerst klachtonderdeel dat betrekking heeft op het optreden ter zitting op 25 maart 2015 overweegt het College als volgt. Vooropgesteld moet worden dat een jeugdzorgwerker ter zitting de rechtbank op juiste wijze inlicht, dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel D van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker, hierna de Beroepscode. Dit betekent dat indien door de jeugdzorgwerker ter zitting een rapport overgelegd wordt ter ondersteuning van diens verklaring, de cliënt erop mag vertrouwen dat de verklaring van de jeugdzorgwerker overeenstemt met de conclusies van het rapport. Als er sprake is van een afwijking van de conclusie dan dient de jeugdzorgwerker dit in beginsel specifiek te benoemen. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel F van de Beroepscode. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat hij tijdens de zitting op 25 maart 2015 een juiste weergave heeft gegeven van de situatie waarin klager en moeder zich bevonden. Beklaagde heeft daarbij niet alleen het rapport van [stichting] […] betrokken, maar ook zijn eigen ervaring met klager en die van zijn collega. Ook de communicatie zoals deze verliep tussen beklaagde, zijn collega en klager. Blijkens de bij het verweerschrift gevoegde mailwisselingen heeft klager zich daarin diskwalificerend uitgelaten aan het adres van moeder, beklaagde en zijn collega. Hoewel beklaagde zich wellicht wat onhandig heeft uitgedrukt tijdens de zitting bij de rechtbank, acht het College het onder deze omstandigheden niet verwijtbaar dat beklaagde deels anders heeft verklaard dan de conclusie van het rapport van [stichting] […]. Daarbij betrekt het College dat beklaagde het rapport van [stichting] […], na de mondelinge toelichting integraal heeft overgelegd aan alle partijen waarna de rechtbank een leespauze heeft ingelast. Alle partijen hebben daarom kennis kunnen nemen van de gehele inhoud van het rapport en de conclusie. Na de onderbreking van de zitting bij de rechtbank hebben partijen, ook klager en zijn advocaat de gelegenheid gehad om hierop ten overstaan van de rechtbank nog te reageren. Onder deze omstandigheden komt het College niet tot een gegrondverklaring van dit klachtonderdeel, immers kan het college niet oordelen dat beklaagde de rechtbank bewust verkeerd heeft voorgelicht door tijdens de zitting een verklaring af te leggen die deels-blijkens de latere beschikking van het Gerechtshof – afweek van de conclusie uit het rapport van [stichting] […]. Dit klachtonderdeel wordt derhalve afgewezen.

5.2

Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel over de bejegening het volgende. Het College stelt vast dat beklaagde ter zitting heeft duidelijk gemaakt dat hij op enig moment tijdens de bespreking van het door klager opgestelde plan van aanpak, de term “bagger” heeft gebezigd. Het College kan zich voorstellen dat klager, als opsteller van dit plan van aanpak, is geraakt door deze uitspraak. Het is aan de beroepsbeoefenaar om een inschatting te maken van de wijze waarop met iedere afzonderlijke cliënt het meest effectief kan worden gecommuniceerd.

Dit vloeit voort uit het bepaalde in de artikelen E en F van de Beroepscode. Het College stelt vast dat het beklaagde niet gelukt is om in deze situatie op adequate wijze in de bejegening aansluiting te vinden bij wat passend was bij klager als persoon. Het College rekent beklaagde dit aan, te meer daar sprake was van (het opbouwen van) een duurzame cliënt – jeugdzorgwerker relatie, tegen de achtergrond van een jarenlange strijd tussen beide ex-echtgenoten. Dit betekent dat hoge eisen gesteld moeten worden aan de wijze waarop wordt gecommuniceerd met de cliënt en waarbij meer gewicht wordt gehecht aan het belang van een zorgvuldige woordkeuze. De uitlatingen van beklaagde – die ter zitting duidelijk maakte dat hij in de relatie met cliënten het bezigen van straattaal niet schuwt – passen daarin niet en beklaagde had zich hiervan bewust moeten zijn. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

5.3

Voor wat betreft het derde klachtonderdeel waarin klager stelt dat beklaagde partij heeft gekozen voor moeder het volgende. Beklaagde heeft weersproken dat sprake is geweest van enige partijdigheid. Nu klager dit klachtonderdeel niet verder heeft onderbouwd is voor het College niet komen vast te staan dat sprake is van partijdigheid door beklaagde. Dit klachtonderdeel wordt afgewezen.

Het college komt tot de slotsom dat alleen het tweede klachtonderdeel gegrond is en acht op grond van de omstandigheden waarin het handelen van beklaagde is gedaan, de maatregel “waarschuwing” passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing.

Het College van Toezicht verklaart klachtonderdeel II gegrond.

Het College legt aan beklaagde een waarschuwing op.

Aldus gedaan op 29 december 2016 en door het College van Toezicht en op deze datum aan partijen toegezonden.

Dhr. mr. A.R.O.Mooy, voorzitter
mevrouw mr. A. Tingen, secretaris