Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het op onzorgvuldige wijze mails en andere stukken opstellen waarin ze ongefundeerde afspraken doet.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Op 22 februari 2016 heeft het College het klachtschrift d.d. 22 februari 2016 ontvangen en op 13 april 2016 een aanvulling. Op 27 mei 2016 heeft het College het verweerschrift d.d. 27 mei 2016 ontvangen. Het College heeft partijen op 10 juni 2016 bericht dat het voornemens is om de klacht schriftelijk af te doen op 29 juni 2016. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Het College heeft op 29 juni 2016 beraadslaagd en een beslissing genomen. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

2 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster heeft een zoon, H., uit een in 2012 ontbonden huwelijk. H. is geboren [datum]. H. verblijft sinds medio december 2013 bij zijn vader.
Op 29 oktober 2014 is een onder toezichtstelling (ots) voor H. uitgesproken. Op 10 december 2014 heeft de rechter bepaald dat H. zijn hoofdverblijf bij zijn vader dient te hebben. Het hof heeft de beschikking op 22 oktober 2015 in beroep bekrachtigd.
De ots is tussentijds verlengd en geldt tot 28 oktober 2016.
Beklaagde treedt sinds maart 2015 op als gezinsvoogd voor H.
Op 19 januari 2016 heeft beklaagde namens Bureau Jeugdzorg […], hierna te noemen: BJz, bij de rechtbank een verzoek tot wijziging van de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang verzocht.
Op 19 februari 2015 deelt beklaagde namens BJz per brief aan klaagster mee dat BJz meent dat de omgangsregeling met onmiddellijke ingang dient te worden omgezet in een begeleide omgang van eenmaal per twee weken op neutraal terrein. BJz draagt klaagster op om daarbuiten geen contact met H. te hebben zonder begeleiding door BJz. BJz biedt aan klaagster aan dat het eerste begeleide contactmoment bij BJz zal plaatsvinden in aanwezigheid van beklaagde.
Op 10 maart 2016 heeft de rechtbank, in afwachting van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, voorlopig bepaald dat de omgang van klaagster en H. onder begeleiding dient plaats te vinden.

3 De klachten

Samengevat en zakelijk weergegeven stelt klager het volgende.

Beklaagde heeft op onzorgvuldige wijze mails en andere stukken opgesteld waarin zij ongefundeerde uitspraken doet. Klaagster verwijst naar een mail van 14 augustus 2015, naar het verzoek van 19 februari 2016 van beklaagde aan de kinderrechter en naar de brief van 19 februari 2016 van beklaagde aan klaagster. In deze brief staat dat klaagster het kind enkel onder begeleiding mag zien omdat er sprake is van een onveilige situatie.

Beklaagde heeft onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster door ongefundeerde uitspraken over klaagster te doen.

Meer in het bijzonder verwijt klaagster aan beklaagde:

3.1 Voor een uithuisplaatsing zijn gegronde redenen nodig. Beklaagde is echter afgegaan op een verhaal van de vader van H. zonder bij klaagster wederhoor toe te passen.

3.2 Op 19 februari 2016 heeft beklaagde aan klaagster schriftelijk bericht dat de omgang van klaagster met H. wordt omgezet in begeleide omgang op neutraal terrein van eenmaal per twee weken.

3.3 Beklaagde heeft gebeld met klaagsters huisarts. Deze huisarts heeft klaagster al vier maanden niet gezien. De huisarts heeft uitspraken gedaan die doen twijfelen aan klaagsters psychische gesteldheid. Er diende volgens beklaagde crisisberaad te komen.

3.4 Beklaagde heeft aan de politie verteld dat klaagster een straat- en contactverbod heeft. Klaagster heeft te verstaan gekregen dat er een arrestatieteam zal verschijnen als zij zich bij de school of in de buurt van de school zal ophouden. Beklaagde heeft de politie er toe aangezet om klaagster regelmatig te bezoeken.

3.5 Beklaagde heeft het schoolhoofd van de school van H. er toe aan gezet om aan klaagster en aan de medewerkers van de school te vertellen dat klaagster levensbedreigend is voor H. en dat H. jegens klaagster dient te worden beschermd. Hetzelfde verhaal is door beklaagde aan de leerplichtambtenaar verteld.

3.6 Beklaagde heeft klaagster na de uitspraak van de rechter een brief gestuurd waarin zij stelt dat klaagster nog steeds voor onrust zorgt bij de school van H. door onder meer gebak en berichtjes te brengen voor H.

3.7 Door dit handelen van beklaagde is H. veranderd van een enthousiast, leergierig kind in een kind dat in zichzelf is gekeerd, neerslachtig en getraumatiseerd. Klaagster maakt zich daarover ernstige zorgen.

Beklaagde heeft de artikelen L en M van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden door aldus te handelen.

4 Het verweer

Samengevat en zakelijk weergegeven stelt beklaagde het volgende.

Ruim voordat beklaagde werd aangesteld als gezinsvoogd van H. bestonden er al zorgen over klaagster.
Vanaf 15 juni 2015 heeft klaagster de oudergesprekken die beklaagde met haar beoogde te voeren, afgehouden door deze af te zeggen of niet te verschijnen zonder af te zeggen. In augustus 2015 ontving beklaagde een fax van de huisarts van klaagster, inhoudende dat klaagster op dat moment niet in staat was om de gesprekken te voeren. Beklaagde heeft hierop contact met de huisarts opgenomen en vernam van hem over diens zorgen over klaagster. Beklaagde heeft afgezien van een huisbezoek aan moeder omdat de vader van H. aangaf dat hij zich geen zorgen maakte over H. en dat H. een fijne tijd bij klaagster doorbracht.
In november 2015 gaf de huisarts desgevraagd door beklaagde aan dat hij klaagster niet meer had gesproken. Beklaagde heeft daarop zelf contact met klaagster opgenomen en een gesprek aangeboden, te houden tussen klaagster, beklaagde en de teamleider van beklaagde, zodat de samenwerking weer zou kunnen worden opgepakt. Vanuit klaagster is echter geen enkele reactie gekomen.
BJz heeft daarop een schriftelijke aanwijzing aan moeder gegeven. De rechter heeft deze bekrachtigd en tevens vervangende toestemming aan BJz verleend voor onderzoek van H. bij een GGZ-instelling.
Beklaagde heeft klaagster uitgenodigd om contact op te nemen. Hierop is noch naar aanleiding van de beschikkingen van de rechter, noch naar aanleiding van de uitnodiging van beklaagde een reactie van klaagster gekomen.
Na de voorjaarsvakantie van 2016 kreeg beklaagde bericht van het GBA dat H. op het adres van klaagster stond ingeschreven. De vader van H. bevestigde desgevraagd dat de inschrijving zonder zijn medeweten of toestemming had plaatsgevonden.
Beklaagde vernam voorts van de vader van H. dat klaagster H. had opgedragen om zijn vader te vertellen, in strijd met de waarheid, dat hij op vakantie was geweest.
In februari 2016 had beklaagde al sinds driekwart jaar geen enkel zicht meer op klaagster. Ook andere hulpverleners, zoals de huisarts, hadden geen zicht op haar. Beklaagde bezocht H. op 19 februari 2016. Uit de verhalen van H. bleek aan beklaagde dat H. ernstig werd belast door klaagster.
BJz besloot daarom om de rechter te verzoeken om de omgangsregeling te wijzigen. Beklaagde heeft klaagster op 18 februari 2016 uitgenodigd om haar visie te geven. Klaagster heeft van die mogelijkheid wederom geen gebruik gemaakt. Beklaagde heeft vervolgens op 19 februari 2016 een spoedverzoek tot wijziging van de omgangsregeling ingediend en aan ouders per brief d.d. 19 februari 2016 te kennen gegeven dat in de periode tot de zitting de omgang begeleid diende plaats te vinden. Beklaagde heeft zich bij haar afwegingen die leidden tot het indienen van het spoedverzoek niet alleen gebaseerd op uitlatingen van de vader van H. maar ook op uitlatingen van H. zelf en op het feit dat klaagster H. had ingeschreven op haar adres.
Klaagster legde zich bij de aanwijzing van BJz niet neer en verscheen meermalen op de school van H. Zij nam daar een dreigende houding aan. School, huisarts en de op verzoek van de school ingeschakelde politie maakten zich zorgen om de gemoedstoestand van klaagster. Zij gaven aan dat zij niet goed konden inschatten waartoe klaagster in staat was.

Meer in het bijzonder voert beklaagde als volgt verweer.

Met betrekking tot klachtonderdeel 1 en 2, waarin klaagster aan beklaagde verwijt dat zij is afgegaan op verhaal van de vader van H. zonder bij klaagster wederhoor toe te passen, dat zij de omgangsregeling heeft gewijzigd naar begeleide omgang eens per twee weken op neutraal terrein en een spoedverzoek tot wijziging in die zin in bij de rechter heeft ingediend, betoogt beklaagde als volgt.

Ruim voordat beklaagde werd aangesteld als gezinsvoogd van H. bestonden er al zorgen over klaagster. Beklaagde verwijst hierbij onder andere naar de beschikking van de rechtbank van 10 december 2014. De rechter bepaalt daarin de hoofdverblijfplaats bij de vader omdat het volgens de rechter niet tot klaagster lijkt door te dringen dat de situatie waarvan dan sprake is, belastend is voor H. De rechter overweegt onder meer dat klaagster haar eigen aandeel in de ontstane situatie niet onderkent en de oorzaak van de problemen geheel bij de vader legt. Ook in februari en maart 2016 zijn er, blijkens de door beklaagde bijgesloten contactjournaals, bij de huisarts zorgen over klaagster.

Het spoedverzoek tot wijziging van de omgangsregeling d.d. 19 februari 2016 is niet alleen gebaseerd op informatie van de vader van H. maar vooral ook van informatie van H. zelf die door beklaagde die dag was bezocht. Klaagster is op 18 februari 2016 door beklaagde in de gelegenheid gesteld om haar verhaal hierover te doen. Klaagster heeft hier echter geen gebruik van gemaakt.
Aangezien ook niet meer verwacht werd dat klaagster een reactie zou geven, nu er al driekwart jaar geen contact met haar meer was, is besloten tot het spoedverzoek en tot het wijzigen van de omgangsregeling naar begeleide omgang eens per twee weken op neutraal terrein.
Beklaagde betwist dat het spoedverzoek op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Met betrekking tot klachtonderdeel 3, waarin klaagster beklaagde verwijt dat zij contact heeft opgenomen met klaagsters huisarts, betoogt beklaagde als volgt.

Beklaagde heeft contact opgenomen met de huisarts omdat zij zich er van bewust was dat een plotselinge wijziging van de omgangsregeling heftige gevoelens bij een ouder kan oproepen en omdat het door het ontbreken van contact met klaagster niet duidelijk was hoe zij hierop zou reageren. Beklaagde heeft daarom uit voorzorg met de politie contact gehad om de zorgen over klaagster te delen en om te bekijken hoe ze de fysieke en emotionele veiligheid rondom H. extra konden waarborgen. De wijkagent is betrokken geraakt omdat niemand met klaagster contact had en het wel belangrijk was om te beoordelen hoe het op dat moment met klaagster ging.

Met betrekking tot klachtonderdeel 4, waarin klaagster beklaagde verwijt dat zij vertrouwelijke zaken over klaagster met de politie heeft gedeeld en dat zij de politie er toe heeft aangezet om klaagster regelmatig te bezoeken, betoogt beklaagde als volgt.
Beklaagde heeft haar zorgen gedeeld met de vader van H. en met diegenen die hier beroepshalve mee bekend moesten zijn.
Beklaagde is zich er van bewust dat een plotselinge wijziging van de omgangsregeling heftige gevoelens bij een ouder kan oproepen. Voor beklaagde was het, door het ontbreken van contact met klaagster, niet duidelijk hoe klaagster op de wijziging zou reageren. Beklaagde heeft uit voorzorg met de politie contact gehad om de zorgen over klaagster te delen en om te bekijken hoe de fysieke en emotionele veiligheid rond H. extra gewaarborgd kon worden. De wijkagent is betrokken geraakt omdat niemand contact met klaagster had en omdat het wel belangrijk was om te beoordelen hoe het op dat moment met klaagster ging.

Met betrekking tot klachtonderdeel 5, waarin klaagster klaagt over handelen van de directrice van de school van H., betoogt beklaagde als volgt.
Klaagster klaagt over handelen van de directrice van de school van H. Voor dit handelen kan beklaagde niet verantwoordelijk worden gehouden.
Beklaagde heeft geen contact gehad met de leerplichtambtenaar. De school van H. heeft deze ingelicht.

Met betrekking tot klachtonderdeel 6, waarin klaagster beklaagde verwijt dat zij een brief stuurde waarin zij stelt dat klaagster voor onrust bij de school van H. zorgt, betoogt beklaagde als volgt.
Klaagster wilde op geen enkele wijze, ook niet met bemiddeling door de teamleider, het gesprek met beklaagde aangaan. Beklaagde heeft, op goede gronden, gehandeld op grond van informatie verkregen van H. , van de vader van H., van de huisarts, van de school van H. en van de politie.

Met betrekking tot klachtonderdeel 7, waarin klaagster stelt dat het niet goed gaat met H. en dat dit aan het handelen van beklaagde is te wijten, betoogt beklaagde als volgt.
Beklaagde betwist dat het op dit moment niet goed gaat met H. Zowel de vader van H. als de school van H. geven aan dat het goed met H. gaat. De omgang met klaagster verloopt ook positief. Wel is door de school van H. opgemerkt dat H. wat witjes en gespannen was in de periode waarin het verzoekschrift werd ingediend en waarin de acties van klaagster plaatsvonden. Van deze gemoedstoestand is echter allang geen sprake meer bij H.

Beklaagde betwist concluderend dat zij artikelen L en M heeft geschonden. Zij is van mening dat zij in alle opzichten zorgvuldig heeft gehandeld.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Met betrekking tot klachtonderdeel 1 en 2 overweegt het College als volgt.

Het College stelt vast dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen om wederhoor bij klaagster te verkrijgen. Het College stelt voorts vast dat het niet tot stand komen van wederhoor niet aan beklaagde is te wijten.

Het College overweegt daartoe dat beklaagde vanaf 15 juni 2015 heeft beoogd om met klaagster oudergesprekken te voeren. Dit werd afgehouden door klaagster door de gesprekken af te zeggen of door er, zonder afzegging, niet voor te verschijnen.
In november 2015 heeft beklaagde aan klaagster een gesprek aangeboden, te houden tussen klaagster, beklaagde en de teamleider van beklaagde, zodat de samenwerking tot stand zou kunnen komen. Vanuit klaagster is echter geen enkele reactie gekomen.

Op een schriftelijke aanwijzing van BJz en twee beschikkingen van de rechter en op een uitnodiging van beklaagde om contact op te nemen is geen reactie van klaagster gekomen.
In februari 2016 had beklaagde derhalve al sinds driekwart jaar geen enkel zicht meer op klaagster.
Beklaagde heeft klaagster op 18 februari 2016 uitgenodigd om op het voornemen van BJz om de rechter te verzoeken de omgangsregeling te wijzigen, haar visie te geven. Klaagster heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het College beoordeelt klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 derhalve als ongegrond.

Het College neemt klachtonderdeel 3, 4 en 5 tezamen en leest daarin het verwijt van klaagster dat beklaagde ten onrechte informanten heeft bevraagd over klaagsters gesteldheid.

Het College overweegt daartoe het volgende. Derden die beroepshalve beschikken over informatie over een onder toezicht gestelde minderjarige of over diens ouder(s) dienen deze informatie aan de jeugdbeschermer desgevraagd te verstrekken indien deze inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De informatie mag worden verstrekt zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding.

Derhalve kan niet gesteld worden dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door de huisarts, medewerkers van de school van H. en politiebeambten te vragen noodzakelijke informatie met haar te delen.

Het College beoordeelt klachtonderdeel 3, 4 en 5 tezamen genomen, derhalve als ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 6 overweegt het College als volgt.

Beklaagde beschrijft, op grond van informatie die zij verkreeg van de school van H., dat klaagster een aantal keer bij de school van H. is verscheen en zich daar dreigend heeft opgesteld. Het College stelt vast dat dit onder andere, blijkens contactjournaals, plaatsvond op 22 en op 24 februari 2016.

Het College oordeelt dat beklaagde in redelijkheid, op grond van hetgeen van de school van H. was vernomen en omdat klaagster enkel via begeleide omgang op neutraal terrein contact met H. diende te hebben, aan klaagster heeft kunnen verzoeken om dit gedrag te staken.

Het College beoordeelt klachtonderdeel 6 als ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 7 overweegt het College als volgt.

Het College stelt vast dat uit het dossier geen feiten of omstandigheden naar voren komen die de stelling van klaagster schragen dat H. door het handelen van beklaagde is veranderd van een enthousiast, leergierig kind in een jongen die in zichzelf is gekeerd, neerslachtig is en getraumatiseerd.

Het College beoordeelt klachtonderdeel 7 als ongegrond.

6 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Het College verklaart klachtonderdeel 1 tot en met 7 ongegrond.

Aldus gedaan de 29e juni 2016 door het College van Toezicht.

De beslissing is verzonden op 5 augustus 2016.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris