Maak een selectie

727 van 727

   

Moeder dient zes klachten in tegen gezinsvoogd betreffende de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. D.J. Markx , voorzitter,
De heer E. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
Mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 12 februari 2016 aangevuld op 16 maart 2016 met bijlagen;

– het verweerschrift d.d. 28 april 2016 met bijlagen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 september 2016 in aanwezigheid van beklaagde en haar advocaat mr. J. Stappaerts-Zijlmans. Klaagster is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.
Daags na de zitting heeft de secretaris per mail aan beide partijen een vraag voorgelegd die tijdens de beraadslaging van het College was gerezen. Klaagster heeft bij email van 4 oktober 2016 gereageerd en beklaagde heeft dat bij email van 19 september 2016 gedaan.
Deze correspondentie is aan het dossier toegevoegd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.a

Klaagster heeft uit een inmiddels beëindigde relatie een dochter [dochter], geboren op [datum] 2001 en een zoon [zoon], geboren op [datum] 2006. De relatie tussen klaagster en haar ex-partner (hierna te noemen: vader) is verstoord. [dochter] en [zoon] hebben geen structureel contact met vader. Klaagster en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
Na de beëindigde relatie hebben [dochter] en [zoon] bij klaagster en haar nieuwe partner gewoond.

2.b

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) heeft na een melding van het AMK (nu: Veilig Thuis) een onderzoek verricht naar de situatie van [dochter] en [zoon]. De Raad heeft op 11 november 2014 een rapport uitgebracht en heeft de rechtbank om een ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) verzocht.

2.c

Bij rechtelijke beschikking van 20 november 2014 zijn [dochter] en [zoon] onder toezicht van [gecertificeerde instelling] [locatie] (hierna te noemen: de GI) gesteld. Beklaagde is vanaf dat moment door de GI aangesteld als gezinsvoogd. Deze taak is geëindigd per 1 april 2016, aangezien beklaagde vanaf toen niet meer werkzaam was bij de GI. De ots is telkens verlengd.

2.d

Na de aanvang van de ots is [zoon] in december 2014 door psychologen onderzocht. Naar aanleiding van het onderzoek is [zoon] geplaatst binnen een specialistische GGZ.

2.e

In oktober 2015 is [zoon] teruggeplaatst bij klaagster. Op 27 oktober 2015 heeft klaagster aangifte gedaan bij de politie tegen haar partner wegens aanzetten tot prostitutie. Na een conflict met haar partner heeft klaagster zich met [dochter] en [zoon] gemeld bij de crisisopvang van instelling [instelling 1]. Op 10 november 2015 heeft klaagster met [dochter] en [zoon] de crisisopvang moeten verlaten. Als gevolg hiervan heeft de GI gekozen voor een vrijwillige opvang van [dochter] en [zoon] bij vader met toestemming van klaagster.

2.f

De plaatsing bij vader heeft tot spanningen geleid. Op 16 november 2015, een week na de plaatsing bij vader, zijn [dochter] en [zoon] in een crisisgroep van instelling [instelling 2] geplaatst.

2.g

Na advies van [instelling 1] heeft de GI klaagster in een email van 23 november 2015 bericht dat klaagster een persoonlijkheidsonderzoek zou moeten ondergaan om te onderzoeken of [dochter] en [zoon] in de toekomst bij klaagster kunnen verblijven.

2.h

Bij rechtelijke beschikking van 25 november 2015 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 1 juni 2016. Op 11 december 2015 zijn [dochter] en [zoon] gezamenlijk in een pleeggezin ondergebracht. Nadat zowel de pleegouders als [dochter] en [zoon] te kennen hebben gegeven dat de plaatsing moest stoppen, zijn [dochter] en [zoon] zijn op 28 december 2015 opnieuw in een crisisgroep van [instelling 2] geplaatst

2.i

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

Beklaagde heeft onjuistheden en niet onderbouwde en/of gediagnostiseerde uitlatingen over klaagster, [dochter] en [zoon] in rapportages vermeld. Beklaagde heeft klaagster als vluchtgevaarlijk aangemerkt waardoor zij [dochter] en [zoon] alleen met begeleiding heeft mogen bezoeken. Beklaagde heeft voorts om een indicatie voor dagbesteding voor [dochter] te krijgen een onterechte diagnose aan klaagster en aan [zoon] gekoppeld. Deze diagnose is niet officieel en niet onderbouwd.

II

Beklaagde heeft onduidelijk gecommuniceerd met klaagster, [dochter] en [zoon]. Beklaagde heeft enerzijds klaagster toestemming gegeven om een kerstdag bij vrienden met [dochter] en [zoon] door te brengen. Anderzijds heeft klaagster geen toestemming gekregen voor een kappersbezoek met [zoon].

III

Beklaagde heeft onnodig stress veroorzaakt bij [dochter] en [zoon] door duidelijkheid te beloven terwijl dit niet haalbaar is geweest.

IV

Beklaagde heeft geen duidelijkheid geboden over een bezoekregeling voor [dochter] en [zoon].

V

Beklaagde is onzorgvuldig geweest. [dochter] en [zoon] zijn bij vele verschillende adressen ondergebracht. Beklaagde heeft [dochter] en [zoon] in een netwerkplaatsing bij vader geplaatst terwijl er gronden waren waaruit duidelijk blijkt dat het geen veilige plek was voor [dochter] en [zoon].
[Zoon] logeerde niet bij vader vanwege problematiek en [dochter] logeerde niet bij vader omdat beklaagde eerst ambulante hulpverlening in het gezin van vader wilde bieden.

VI

Beklaagde heeft gehandeld zonder volledige informatie te gebruiken. Er is geen Plan van Aanpak opgesteld. Ook is geen bezoekregeling vastgesteld.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

Beklaagde heeft het verzoek tot uithuisplaatsing niet met klaagster besproken omdat er een te groot risico was dat zij [dochter] en [zoon] zou ophalen en onbereikbaar voor de hulpverlening zou worden. In het verleden heeft klaagster ook vluchtgedrag laten zien. Klaagster is toen immers verhuisd nadat zij eerder tegen beklaagde had gezegd niet te zullen verhuizen en heeft dat zonder overleg vervolgens toch gedaan. Inmiddels is klaagster verhuisd naar [woonplaats], wederom zonder overleg met beklaagde. In de beschikking van de rechtbank d.d. 25 november 2015 heeft de rechtbank het van belang geacht dat [dochter] en [zoon] samen tot rust komen op een neutrale plek.
De GI heeft begeleide omgang met klaagster geïndiceerd geacht in verband met problemen van de kinderen tijdens en rondom hun contacten met klaagster en vader.

Op 8 februari 2016 is voor [dochter] jeugdhulp bepaald. De bepaling jeugdhulp is opgesteld volgens regels en richtlijnen die door [instelling 2] en de Jeugdhulpcatalogus zijn aangedragen. Beklaagde heeft overleg gevoerd met klaagster en de vooraf door anderen vastgestelde zorgprofielen aan haar laten lezen.

II

Beklaagde verwijst naar de contactjournaals waaruit blijkt dat beklaagde altijd haar best heeft gedaan om alle vragen van klaagster te beantwoorden. Wanneer beklaagde hier niet toe in de gelegenheid is geweest, heeft zij duidelijk gemaakt wanneer klaagster antwoorden op haar vragen zou krijgen. De samenwerking tussen klaagster en beklaagde is lange tijd goed verlopen. Over en weer is waardering uitgesproken. Voorbeelden zijn e-mails van 8 en 17 december 2015. Beklaagde heeft er alles aan gedaan om te voorkomen dat er ruis in de communicatie ontstond door zaken in eerste instantie zoveel mogelijk persoonlijk met klaagster te bespreken. Na deze bespreking volgde een e-mail.

III

Beklaagde heeft zich ingespannen om een zo goed mogelijke oplossing voor [dochter] en [zoon] te vinden. Zij heeft klaagster en vader daarin zoveel mogelijk betrokken. Het is zeer moeilijk geweest om een plek voor [dochter] en [zoon] gezamenlijk te vinden.

IV

Zowel de Raad, de rechtbank als de GI hebben te kennen gegeven dat het belangrijk is dat [dochter] en [zoon] rust en stabiliteit krijgen. Contacten met klaagster hebben bij kinderen met een loyaliteitsconflict vaak onrust met zich meegebracht als ze kort op elkaar volgen. Bovendien heeft klaagster geen geld gehad om de kosten voor de reis naar de kinderen te betalen. Desalniettemin is klaagster naar [woonplaats] verhuisd.

V

Beklaagde verwijst naar de gang van zaken zoals hiervoor vermeld onder 2. e., f. en g. Vanwege de escalatie tussen klaagster en haar partner heeft beklaagde binnen enkele dagen een plek moeten vinden voor [dochter] en [zoon]. Klaagster heeft toestemming gegeven voor het verblijf van [dochter] en [zoon] bij vader. Het onderbrengen van [dochter] en [zoon] bij vader met gezag die in staat is om de zorg voor [dochter] en [zoon] te dragen had de voorkeur boven crisisplaatsing in een instelling of pleeggezin.

Beklaagde betwist dat het bij vader niet veilig was. De gevoelens van [dochter] en [zoon] zijn voortgekomen uit een loyaliteitsconflict. Dat het verblijf bij vader mis is gelopen, is vervelend maar kan beklaagde niet verweten worden.

VI

Het opstellen van een definitieve bezoekregeling is meermalen uitgesteld in afwachting van een definitieve plek voor [dochter] en [zoon]. Beklaagde heeft klaagster hiervan op de hoogte gebracht. Beklaagde heeft steeds een planning gemaakt van een paar weken. Uiteindelijk is eind maart in een schriftelijke aanwijzing een bezoekregeling van twee maanden opgenomen. Ook het opstellen van een aangepast Plan van Aanpak is afhankelijk geweest van de plek waar [dochter] en [zoon] uiteindelijk zouden verblijven. Verder heeft meegespeeld dat er veel tijd is besteed aan het zoeken naar een geschikte plek voor [dochter] en [zoon]. Bij e-mail van 23 november 2015 heeft beklaagde voorwaarden gesteld aan een terugplaatsing van [dochter] en [zoon] bij klaagster. Klaagster zou een persoonlijkheidsonderzoek moeten ondergaan, er moet passende woonruimte zijn, voldoende inkomen, een huisarts en balans in draagkracht en draaglast. Volgens beklaagde is tot op heden geen persoonlijkheidsonderzoek uitgevoerd.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Doordat klaagster niet bij de mondelinge behandeling van haar klachten aanwezig is geweest heeft het College haar niet kunnen vragen naar een verduidelijking van haar standpunt, waartoe, mede gelet op het door beklaagde gevoerde verweer, wel aanleiding was. Aldus heeft het College bij de beoordeling van de klachten slechts uit kunnen gaan van klaagsters standpunt verwoord in de door haar ingediende stukken.

Het College oordeelt als volgt.

I

Klaagster heeft in haar klacht aangevoerd dat beklaagde haar ten onrechte vluchtgevaarlijk heeft genoemd. Uit de stukken en de toelichting ter zitting door beklaagde heeft het College begrepen dat beklaagde in een verzoekschrift aan de rechtbank heeft gesteld “ dat moeder in het verleden vluchtgedrag heeft vertoond”. Kennelijk doelt klaagster hierop. Beklaagde heeft aangevoerd dat zij hiermee doelde op het feit dat klaagster (met [dochter] en [zoon]) is veranderd van woonplek zonder kennisgeving aan beklaagde. Het gebruik van het woord vluchtgedrag acht het College ongelukkig, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Klaagster heeft niet toegelicht welke gediagnostiseerde uitlatingen beklaagde over klaagster, [dochter] en [zoon] in rapportages heeft vermeld. Het College heeft dit niet kunnen constateren. Nu klaagster dit ook na het verweer van beklaagde niet verder heeft onderbouwd, kan het klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard.

II

Een ots heeft als gevolg dat de gezinsvoogd bepaalt wat er gebeurt met [dochter] en [zoon] met name als zij niet thuis wonen. Het is begrijpelijk dat klaagster moeite heeft met deze situatie. Mogelijk is klaagster het niet eens met de besluiten die beklaagde heeft genomen en vervolgens met klaagster heeft gecommuniceerd. Wat daar ook van zij, het College kan uit de stukken en de mondelinge behandeling bij het College echter niet afleiden dat beklaagde onvoldoende met klaagster heeft gecommuniceerd. Beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen door te benoemen dat zij wellicht te veel met klaagster heeft gecommuniceerd waardoor mogelijk meer vragen bij haar zijn ontstaan.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

III, IV, V en VI

Beklaagde heeft zich tot het uiterste ingespannen om [dochter] en [zoon] samen te kunnen plaatsen. [Dochter] en [zoon] hebben de wens geuit om samen in een pleeggezin te verblijven. Beklaagde heeft naar deze wensen geluisterd en hen samen bij vader geplaatst. Beklaagde heeft het College inzicht gegeven in haar afwegingen. Zij heeft voldoende gemotiveerd waarom zij tot plaatsing bij vader is overgegaan. Zij heeft in drie uur tijd een oplossing moeten vinden door de onder 2.e. genoemde situatie. Zij is er vanuit gegaan dat het slechts om een paar dagen zou gaan nu klaagster met de kinderen mogelijk bij instelling [instelling] terecht kon. Beklaagde heeft hierbij aangevoerd dat klaagster toestemming heeft gegeven voor vrijwillige plaatsing van [dochter] en [zoon] bij vader. Klaagster heeft dit niet weersproken.
In de onderhavige situatie heeft beklaagde met spoed moeten handelen. Nadat het bij vader is misgelopen, zijn [dochter] en [zoon] samen in een pleeggezin ondergebracht. Vervolgens hebben zowel [dochter] en [zoon] als het pleeggezin te kennen gegeven dat de plaatsing stopgezet diende te worden.
Beklaagde heeft klaagster en [dochter] en [zoon] zoveel mogelijk duidelijkheid willen geven over de termijn van uithuisplaatsing van [dochter] en [zoon]. Het is begrijpelijk dat beklaagde deze duidelijkheid onder de voorgenoemde omstandigheden niet heeft kunnen bieden.

Klaagster heeft een Plan van Aanpak overgelegd. Het Plan dateert van 12 januari 2015 en is geëvalueerd op 22 oktober 2015. Klaagster is van mening dat beklaagde een nieuw Plan van Aanpak had moeten opstellen na de uit huis plaatsing van [dochter] en [zoon].
Beklaagde heeft aangevoerd dat het opstellen van een aangepast of nieuw Plan van Aanpak is uitgebleven omdat de situatie met betrekking tot de uiteindelijke woonplek van de kinderen lang onduidelijk was in verband met de diverse wisselingen daarvan in 2015.
Het College is van oordeel dat klaagster kan worden toegegeven dat dit (te) lang heeft geduurd. Nu beklaagde [dochter] en [zoon] in korte tijd twee maal elders heeft moeten plaatsen en de situatie daarna ook nog onduidelijk was kan beklaagde hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Op grond van diezelfde omstandigheden acht het College het voorts begrijpelijk dat het vaststellen van een meer definitieve bezoekregeling niet mogelijk was.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

-verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan en op 7 november 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. D.J. Markx
voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman
secretaris