Maak een selectie

727 van 727

   

Moeder klaagt over jeugdprofessional omdat zij zich niet genoeg zou inzetten voor het welzijn van de dochter en moeder door onder andere beloftes niet na te komen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw M. de Roos,
mevrouw M. Grol, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], werkzaam bij [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– de klaagschriften d.d. 5 en 6 januari 2016 met bijlagen;

– het verweerschrift d.d. 25 februari 2016 met bijlagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2016 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde. Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. J.S.M. Brouwer werkzaam bij […]. De dochter van klaagster en de teamleider van beklaagde zijn als toehoorder aanwezig geweest.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.a

Klaagster heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk dochter [dochter] , geboren op [datum] 1999 en zoon [zoon], geboren op [datum] 2003. Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, zijn sinds januari 2013 gescheiden. De relatie tussen klaagster en vader, is verstoord. Vader heeft geen contact met [zoon] en [dochter].

2.b

[gecertificeerde instelling] (hierna te noemen: de GI) is sinds 2013 bij het gezin van klaagster betrokken. De aanleiding is een politiemelding geweest nadat [dochter] was weggelopen. Klaagster is sinds augustus 2014 belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag.

2.c

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 1 juni 2015 is [dochter] voorlopig onder toezicht gesteld. [dochter] heeft vanaf 9 augustus 2015 bij een pleeggezin gewoond in [plaats].

2.d

Beklaagde is sinds juli 2015 als [jeugdbeschermer] bij het gezin van klaagster betrokken.

2.e

Bij beschikking van 25 augustus 2015 is [dochter] voor een jaar onder toezicht gesteld. In deze beschikking is ook een machtiging voor uithuisplaatsing uitgesproken en zou [dochter] voor twee maanden op een crisisplek worden geplaatst. Het overige verzoek van de machtiging uithuisplaatsing (muhp) is aangehouden tot 15 oktober 2015.

2.f

De GI heeft deze beschikking echter niet uitgevoerd omdat dit niet meer in het belang van [dochter]. was. [dochter] is veel van huis weggelopen en heeft te kennen gegeven alleen bij het pleeggezin te willen verblijven.

2.g

De GI heeft op 16 september 2015 de rechtbank verzocht om de beschikking om te zetten naar pleegzorg. De rechtbank vervolgens op 15 oktober 2015 de uithuisplaatsing (uhp) in een voorziening voor pleegzorg uitgesproken.

2.h

Op 17 december 2015 heeft de GI de rechtbank verzocht om toekenning van het gedeeltelijk gezag met betrekking tot het inschrijven van [dochter] op een school in [plaats].

2.i

Op 20 december 2015 is [dochter] van het pleeggezin weggelopen. [dochter] is bij klaagster en de buurvrouw gaan wonen.

2.j

Na gesprekken met beklaagde en [dochter] en na multidisciplinair overleg is de GI tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een onuitvoerbare ondertoezichtstelling (ots). [dochter] heeft te kennen gegeven dat zij niet terug zou gaan naar het pleeggezin en niet mee zal werken aan een crisisplaatsing.

2.k

De GI heeft alle lopende verzoeken en schriftelijke aanwijzingen ingetrokken en een verzoek tot beëindiging van de ots ingediend bij de rechtbank. Klaagster is op 18 januari 2016 schriftelijk geïnformeerd.

2.l

De GI heeft een borgingsplan gemaakt. Het gezin heeft op eigen initiatief hulpverlening georganiseerd.

2.m

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en in de kern zakelijk weergegeven het volgende.

Klachtonderdelen I, IX, XI, XIII:

Klaagster en [dochter] voelen zich niet gehoord. Beklaagde had beter naar klaagster moeten luisteren en heeft nooit alleen met hen een gesprek gevoerd. Klaagster heeft vanaf het begin al te kennen gegeven dat zij tegen de plaatsing van [dochter] in het pleeggezin was.

Beklaagde neemt de telefoon niet op en belt zowel klaagster als [dochter] niet terug. Zij heeft niet op emails van klaagster gereageerd. [dochter] krijgt soms, een paar dagen later een reactie. Klaagster mag niet meer bellen met beklaagde. Beklaagde heeft klaagster alleen op woensdagen gemaild.
Beklaagde verwijt klaagster onterecht dat [dochter] en [zoon] de dupe zijn van het werk van klaagster en dat zij haar kind alleen laat.

Beklaagde is niet neutraal.

Klachtonderdelen II, III, IV, V, VIII, X, XII, XV:

Beklaagde heeft niet gehandeld naar de beschikking van de rechtbank d.d. 25 augustus 2015.
Beklaagde is niet met meerdere alternatieven gekomen voor de plaatsing van [dochter].

In deze beschikking moest een pleegouderonderzoek opgestart worden voor de zitting van 15 oktober 2015. Beklaagde heeft pas op 1 november 2015 de opdracht gegeven. Klaagster heeft vervolgens op 16 december 2015 een gesprek gehad en [dochter] op 17 december 2015.
Beklaagde heeft niet conform de eerdergenoemde beschikking gehandeld omdat zij geen mogelijkheden heeft aangeboden over de verblijfplaats van [dochter] tijdens de uhp.
Vanwege beklaagde is [dochter] niet naar een neutrale plek gegaan en heeft niet in haar eigen woonplaats school afgemaakt.
Beklaagde heeft nagelaten conform de beschikking van 15 oktober 2015 het contact met [dochter] en [zoon] zorgvuldig op te bouwen en te begeleiden.
Vijf maanden na de ots is nog steeds geen hulpverleningsplan beschikbaar. [dochter] is uit huis geplaatst terwijl zij een hechtingsprobleem heeft en [dochter] is hier nooit voor behandeld. Klaagster heeft geen gesprek gevoerd met een gedragswetenschapper terwijl dat wel moet volgens de richtlijnen van Jeugdzorg.

Beklaagde is haar beloftes niet nagekomen. Voorbeelden hiervan zijn: een kaart sturen van [dochter] aan [zoon] en een gesprek op de rechtbank tussen [dochter] en [zoon].

Beklaagde heeft verzuimd grondig onderzoek te doen naar het verblijfadres. Zij heeft nooit een gesprek gevoerd met [dochter] alleen. [dochter] is uiteindelijk gevlucht en heeft uit angst voor haar pleegvader haar telefoon weggegooid. Beklaagde heeft geen contact opgenomen met [dochter] en klaagster.

Klachtonderdelen VI, VII, XIV en klaagschrift 5 januari 2016:

Zonder toestemming van klaagster heeft beklaagde in een email op 10 december 2015 informatie met vader gedeeld en heeft zij stukken naar hem gestuurd. Naar aanleiding van deze informatie is vader een nieuwe rechtszaak gestart met het doel om het gezag over [dochter] en [zoon] te krijgen. Klaagster begrijpt niet waarom beklaagde vader om zijn mening vraagt.

Klaagster is door beklaagde niet ingelicht over het stopzetten van de hulpverlening. Beklaagde heeft geen andere hulp gezocht. [dochter] is ingeschreven op een andere school zonder dat klaagster hiervan op de hoogte was. De pleegmoeder van [dochter] heeft onrechtmatig haar handtekening gezet op het aanmeldingsformulier.
Beklaagde heeft contact met vader terwijl [dochter]  en [zoon] geen contact met hem willen. Beklaagde heeft klaagster niet hierover ingelicht.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en in de kern zakelijk weergegeven het volgende aan.

Klachtonderdelen I, IX, XI en XIII:

Beklaagde heeft [dochter] en klaagster bij belangrijke kwesties altijd geïnformeerd en betrokken. Beklaagde heeft met klaagster gesproken over haar zorgen en gezamenlijk gekeken naar de wijze waarop de hulp kon worden ingericht.

De werkwijze van de GI is gericht op het hele gezin. Het aangaan van individuele gesprekken hoort niet bij deze werkwijze. Beklaagde is bij deze zaak betrokken toen deze werkwijze al werd gehanteerd. Het streven is om met alle gezinsleden tegelijkertijd om de tafel te zitten. De onderlinge communicatie tussen en naar de gezinsleden is via de e-mail verlopen. De communicatie is gescheiden verlopen nadat [dochter]  te kennen heeft gegeven dat zij geen contact meer wilde met klaagster. Ook heeft beklaagde regelmatig contact gehad met klaagster en [dochter]. Beklaagde heeft [dochter] meerdere malen opgezocht bij het pleeggezin en [dochter] gevraagd of zij een individueel gesprek met beklaagde wilde voeren. [dochter] heeft toen medegedeeld dat de pleegmoeder bij het gesprek aanwezig mocht zijn.

Klaagster is door middel van een brief van 9 oktober 2015 geïnformeerd over de berichtgeving van beklaagde die slechts vanaf dat moment op woensdagen per e-mail zou geschieden. De reden is het dwingende en eisende karakter van de vele verzoeken om contact van klaagster.

Beklaagde heeft klaagster gevraagd hoe zij de opvang van [zoon] heeft kunnen regelen. Kennelijk heeft klaagster dat als een verwijt opgevat.

Beklaagde heeft zich neutraal opgesteld en het belang van [dochter] voorop willen stellen. Alle besluiten zijn multidisciplinair genomen. Beklaagde heeft klaagster geïnformeerd over belangrijke kwesties.

Klachtonderdelen II, III, IV, V, VIII, X, XII, XV:

In de beschikking van 25 augustus 2015 staat opgenomen dat [dochter] naar een crisisplek zou gaan en dat de GI alle opties voor plaatsing van [dochter] moet onderzoeken waaronder het pleeggezin in [plaats].
[dochter] heeft meerdere malen te kennen gegeven dat zij bij het pleeggezin wilde blijven. [dochter] heeft verklaard dat zij zich zou onttrekken aan het gezag als zij op een crisisopvang of in het netwerk geplaatst zou worden. Beklaagde vond deze mogelijke acties niet in het belang van [dochter] en heeft ook meegewogen dat het bij het pleeggezin goed ging. Op 16 september 2015 heeft de GI de rechtbank verzocht om de beschikking om te zetten naar pleegzorg. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld op 15 oktober 2015.
Beklaagde heeft op 1 oktober 2015 de verwijzing voor een netwerkscreening pleegzorg gedaan. Door ziekte bij de organisatie is de aanvraag langer blijven liggen. In deze periode is beklaagde niet gebleken dat er zorgen waren over de directe veiligheid van [dochter].
[dochter] heeft geen contact gewild met klaagster en [zoon]. Beklaagde heeft meerdere malen met [dochter] hierover gesproken en heeft zich ingespannen om dat contact tot stand te brengen. [dochter] wilde niet dat klaagster op de hoogte was van persoonlijke kwesties van [dochter].
[dochter] vond het belastend om [zoon] een kaartje te sturen of met hem te appen. Omdat klaagster aanwezig was, vond [dochter] het te belastend om [zoon] bij de rechtbank te spreken. Het maken van concrete afspraken was niet mogelijk omdat klaagster, [dochter] en [zoon] andere wensen hadden over het contact. [dochter] heeft beklaagde met regelmaat geïnformeerd waarom contactherstel niet nog niet haalbaar was.
[dochter] is in 2013 naar aanleiding van diagnostisch onderzoek behandeld door het Jeugd Riagg. Vanuit het [instelling] zijn systeemgesprekken opgestart en is individuele hulpverlening ingezet. Een gesprek met een gedragswetenschapper omdat [dochter] niet gehecht zou zijn is niet aan de orde geweest. De diagnose is door [ instelling] gesteld en zou door [instelling]met klaagster besproken moeten zijn.

[dochter]  is sinds 9 augustus 2015 bij het pleeggezin in [plaats] geplaatst. Daarom was het voor de hulpverlening in de […] niet mogelijk om hulp te blijven bieden. De hulpverlenende instanties hebben beklaagde hierover bericht. Beklaagde heeft na overleg met [dochter] contact gelegd met hulpverlenende instanties in de regio [naam]. [dochter] had in januari 2016 een start kunnen maken met individuele hulpverlening vanuit de GGZ. Ook had [dochter] contact met de huisarts van het pleeggezin.

Beklaagde heeft [dochter]  bezocht in het pleeggezin en voorgesteld om een individueel gesprek te voeren. [dochter]  heeft te kennen gegeven dat haar pleegmoeder bij dit gesprek aanwezig mocht zijn. Omdat de telefoon van [dochter] niet werkte en [dochter] haar mailadres heeft geblokkeerd, heeft beklaagde alleen contact met [dochter] gehad via de telefoon en email van pleegmoeder.
[dochter] wilde geen contact met klaagster en wilde niet dat zij op de hoogte was van persoonlijke kwesties.

[dochter] heeft op eigen initiatief een school uitgekozen. Beklaagde heeft contact met de school opgenomen. Beklaagde heeft pleegmoeder en klaagster op de hoogte gebracht. De pleegmoeder heeft de inschrijving geregeld. De school heeft tegenstrijdige informatie gegeven en vervolgens de inschrijving ongedaan gemaakt en [dochter] als gast leerling ingeschreven.

Beklaagde heeft in de periode dat [dochter] bij het pleeggezin verbleef meerdere veiligheidstaxaties gemaakt. Er zijn geen zorgen geweest over de directe veiligheid van [dochter] bij het pleeggezin. Met de pleegouder is de afspraak gemaakt dat beklaagde op de hoogte zou worden gesteld als er zich incidenten zouden voordoen.

In het bemiddelingsgesprek op 11 januari 2016 heeft beklaagde aan klaagster uitgelegd waarom er geen individuele gesprekken plaatsvinden. Op 26 januari 2016 heeft beklaagde een gesprek met [dochter] gehad. Op verzoek van [dochter] was klaagster bij dit gesprek aanwezig.

Klachtonderdelen VI, VII, XIV en klaagschrift d.d. 5 januari 2016.

Vader heeft als ouder zonder gezag recht op informatie over belangrijke feiten en omstandigheden over [dochter]. Vader is door de rechtbank uitgenodigd om in augustus 2015 bij de ots zitting met uhp aanwezig te zijn. Niet beklaagde maar de rechtbank heeft vader als belanghebbende aangemerkt en de stukken naar vader toegestuurd. Beklaagde was hier niet van op de hoogte.
Vader heeft daarna met beklaagde telefonisch contact opgenomen. Beklaagde heeft vader verwezen naar de rapportage die hij van de rechtbank heeft gekregen omdat [dochter] geen toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van informatie. In het hiervoor genoemde bemiddelingsgesprek heeft beklaagde klaagster laten weten dat het zorgvuldig was geweest als beklaagde klaagster had geïnformeerd over het gesprek met vader en dat vader inhoudelijke informatie van de rechtbank heeft gekregen.
Beklaagde heeft ten tijden van het verzoek om gedeeltelijke beëindiging van het gezag van klaagster stukken naar vader gestuurd. Vader had anders via de rechtbank stukken ontvangen nu hij als belanghebbende is aangemerkt. Beklaagde heeft klaagster hierover geïnformeerd.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.

Het College oordeelt als volgt.

Met betrekking tot klachtonderdelen I, IX, XI en XIII:

De taak van beklaagde is neergelegd in artikel A van de Beroepscode: ‘De jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt en werkt daartoe samen met diens sociale omgeving’.
Klaagster heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met de plaatsing van [dochter] in [plaats]. Als moeder van [dochter] is klaagster in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven. De mening van klaagster als ouder met gezag kan echter niet zwaarder wegen dan het belang van [dochter].

Bij een ots staat het belang van [dochter] voorop.

Het College overweegt dat beklaagde in het licht van de bovengenoemde taak gelet op de leeftijd van [dochter] naar [dochter] heeft geluisterd en zoveel mogelijk naar haar wensen heeft gehandeld door haar in het pleeggezin in [plaats] te plaatsen in plaats van een crisisopvang.
Vervolgens heeft beklaagde de rechtbank verzocht om [dochter] in [plaats] te plaatsen.

Klaagster stelt dat beklaagde niet heeft gereageerd op haar telefoontjes en e-mails en dat beklaagde klaagster alleen op woensdagen heeft gemaild. Beklaagde heeft aangevoerd dat door de houding van klaagster alleen correspondentie op woensdag heeft plaatsgevonden, dat individueel contact niet bij het hulpverleningstraject hoorde en dat belangrijke zaken met klaagster zijn besproken.

Het College heeft geconstateerd dat klaagster en beklaagde elkaar op deze punten tegenspreken. In het dossier zijn verder geen aanknopingspunten te vinden die de standpunten van klaagster ondersteunen.

Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen op welke wijze de communicatie heeft plaatsgevonden omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. Het verwijt van klager is niet gegrond nu het voor een tuchtrechtelijk verwijt nodig is dat de feiten die daaraan ten grondslag liggen, zijn vastgesteld.
De klachtonderdelen I, IX, XI en XIII zijn ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdelen II, III, IV, V, VIII, X, XII en XV:

In de beschikking van de rechtbank d.d. 25 augustus 2015 staat vermeld dat een crisisplaatsing het meest in het belang van [dochter] is, dat [dochter] weer naar school moet gaan en dat de GI alle opties zal moeten onderzoeken met betrekking tot de plaatsing van [dochter].

Het behoort niet tot de verantwoordelijkheid van beklaagde om de netwerkscreening pleegzorg uit te voeren. Dit is de taak van de pleegzorgorganisatie. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat zij op 1 oktober 2015 heeft doorverwezen naar de pleegzorgorganisatie. Het College wenst op te merken dat de netwerkscreening pleegzorg niet door de rechtbank is opgelegd.

Het College heeft geconstateerd dat beklaagde zich na de bovengenoemde beschikking heeft ingespannen om [dochter] in te laten schrijven voor een school in [plaats]. Beklaagde heeft hiertoe de rechter om een gedeeltelijke ontneming van het gezag moeten vragen nu de toestemming van klaagster ontbrak.
Ook voor het overige is niet gebleken dat beklaagde de beschikking niet heeft opgevolgd en haar beloftes niet is nagekomen.
De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdelen VI, VII, XIV, en klaagschrift 5 januari 2016:

Ondanks het feit dat klaagster is belast met het eenhoofdig gezag, heeft vader als biologisch ouder recht op belangrijke informatie over [dochter].
Vader is geïnformeerd over de ots zitting in augustus 2015 en over het verzoek om gedeeltelijke toekenning van het gezag aan de GI in december 2015.

Beklaagde heeft klaagster ten tijde van de ots zitting niet op de hoogte gesteld van het telefoongesprek dat zij met vader heeft gevoerd naar aanleiding van de stukken die hij had ontvangen van de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling bij het College heeft beklaagde verklaard dat het beter was geweest als zij klaagster telefonisch had ingelicht. Dat het telefonisch informeren van klaagster wenselijk was geweest, weegt niet zo zwaar dat beklaagde hierover een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Vader heeft van beklaagde informatie ontvangen over het verzoek tot gedeeltelijke ontheffing van het gezag. Zijn mening als biologische vader diende in de rapportage van beklaagde te worden opgenomen. In dat licht is het te verklaren dat beklaagde vader op de hoogte heeft gesteld.
De klachtonderdelen zijn ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 24 mei 2016 en op 19 juli 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden en ondertekend door de voorzitter en secretaris.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris